CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL S. ROZÈS
VAN 7 JUNI 1983 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
De Commissie van de Europese Gemeenschappen heeft bij het Hof van Justitie krachtens artikel 169 EEG-Verdrag procedures wegens niet-nakoming ingeleid tegen de Italiaanse Republiek (zaak 163/82), het Koninkrijk België (zaak 164/82) en het Verenigd Koninkrijk (zaak 165/82); in deze drie zaken gaat het telkens over de wijze waarop deze drie Lid-Staten uitvoering hebben gegeven aan richtlijn nr. 76/207 van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden. Ik geef er evenwel de voorkeur aan, in elk van deze zaken afzonderlijk conclusie te nemen, daar de gestelde verzuimen en dus ook de rechtsvragen die zich voordoen, in elk ervan verschillen.
De eerste procedure (zaak 163/82) is ingeleid tegen Italië.
I —
De Commissie voert drie grieven aan.
De eerste betreft schending van artikel 5 van de richtlijn, waarin de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden wordt geregeld. De Commissie verwijt de Italiaanse regering, dat zij dit beginsel slechts gedeeltelijk ten uitvoer heeft gelegd. De Italiaanse wet nr. 903 van 9 december 1977, waarbij de richtlijn in de interne rechtsorde is overgenomen, past dit beginsel namelijk niet op alle, doch slechts op bepaalde arbeidsvoorwaarden toe.
Artikel 5 van de richtlijn luidt als volgt:
„1.
De toepassing van het beginsel van gelijke behandeling met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden, met inbegrip van de ontslagvoorwaarden, houdt in dat voor mannen en vrouwen dezelfde voorwaarden gelden, zonder discriminatie op grond van geslacht.
2.
Te dien einde nemen de Lid-Staten de nodige maatregelen om te bereiken dat:
a)
de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die in strijd zijn met het beginsel van gelijke behandeling, worden ingetrokken;
b)
de bepalingen in collectieve of in individuele arbeidsovereenkomsten, in arbeidsreglementen van bedrijven alsmede in de statuten van vrije beroepen, welke strijdig zijn met het beginsel van gelijke behandeling, nietig zijn, nietig kunnen worden verklaard of gewijzigd kunnen worden;
c)
de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen worden herzien die strijdig zijn met het beginsel van gelijke behandeling en die aanvankelijk werden gemotiveerd door beschermende bedoelingen welke niet meer gefundeerd zijn; dat voor de soortgelijke contractuele bepalingen de sociale partners worden aangezet om tot de gewenste herziening over te gaan.”
1.
Vaststaat dat de term „arbeidsvoorwaarden” in dit artikel in de meest ruime zin moet worden verstaan.
De Commissie wijst er overigens op, dat de gewild ruime en algemene strekking van het discriminatieverbod ter zake van de arbeidsvoorwaarden, ook geldt voor de verboden die betrekking hebben op de toegang tot het arbeidsproces en de beroepsopleiding en promotiekansen (artikelen 3 en 4 van de richtlijn). Terwijl echter wet nr. 903, in aansluiting aan de richtlijn, bij de twee laatstgenoemde aspecten een algemene benadering kiest (artikel 1 van de wet), gebruikt zij voor wat de arbeidsvoorwaarden betreft, een enumeratieve techniek. Op zichzelf heeft de Commissie zeker geen bezwaar tegen deze werkwijze. Zij stelt evenwel vast, dat anders dan in artikel 128 van de Belgische Wet tot economische reoriëntering van 4 augustus 1978, in titel V waarvan richtlijn nr. 76/207 in Belgisch recht is omgezet, de opsomming in de Italiaanse wet slechts enkele arbeidsvoorwaarden betreft: de beloning (artikel 2 van de wet), het pensioen (artikel 4), het recht om van het werk afwezig te zijn in geval van adoptie van een kind (artikel 6).
2.
In haar verweerschrift stelt de Italiaanse regering in de eerste plaats, dat deze grief nietontvankelijk is. Zij verwijt de Commissie abstract te redeneren, zonder de met richtlijn nr. 76/207 strijdige discriminatoire situaties te noemen die zich in een onderneming of op een andere arbeidsplaats zouden kunnen voordoen en die niet onder de verbodsbepalingen van wet nr. 903 zouden vallen. De Commissie had meer bijzonderheden en concrete omstandigheden moeten vermelden, zodat zij concreet had kunnen vaststellen op welke punten zij ten opzichte van artikel 5 van de richtlijn in gebreke was gebleven.
Weliswaar staat het volgens 's Hofs rechtspraak aan de Commissie om het door haar gestelde verzuim te bewijzen en het Hof de gegevens te verschaffen die het nodig heeft om te kunnen vaststellen of er inderdaad sprake is van een verzuim (arrest van 25 mei 1982, zaak 96/81, Commissie t. Nederland, Jurispr. 1982, blz. 1791, r.o. 6), doch anderzijds heeft het Hof erop gewezen, dat de Lid-Staten, die ingevolge artikel 5 EEG-Verdrag verplicht zijn, de Commissie de vervulling van haar taak te vergemakkelijken, haar duidelijk moeten aangeven met welke maatregelen zij menen aan de verschillende uit een richtlijn voortvloeiende verplichtingen te hebben voldaan (ibid. r.o. 7 en 8).
In het onderhavige geval blijkt uit de diverse stukken van de precontentieuze procedure, dat de Commissie en de Italiaanse regering zich beide van deze verplichtingen hebben gekweten. In haar schriftelijke ingebrekestelling van 30 juli 1981 wees de Commissie er reeds op, dat de Italiaanse wet de richtlijn slechts volgde voor een bepaald aantal, met name genoemde arbeidsvoorwaarden. Evenzo preciseerde de Italiaanse regering in haar antwoord van 6 juli 1981 op het met redenen omkleed advies van de Commissie, de aspecten van de dienstbetrekking die onder de arbeidsvoorwaarden volgens haar wettelijke regeling vielen en citeerde zij voorts een bepaling van algemene strekking, die eveneens de tenuitvoerlegging van artikel 5 van de richtlijn zou kunnen verzekeren (punt 5).
Aangezien de ontvankelijkheid dus geen problemen oplevert, ga ik over naar de grond van de zaak.
3.
a)
Dienaangaande betoogt de Italiaanse regering dat de richtlijn geen specificatie bevat van de arbeidsvoorwaarden ten aanzien waarvan gelijke behandeling dient te worden verzekerd, en dus impliciet de Lid-Staten de vrijheid laat om deze zelf aan de hand van hun eigen arbeidsrecht te bepalen.
Naar Italiaans recht vallen onder het begrip arbeidsvoorwaarden:
—
de beloning,
—
de beroepsklassificatie,
—
de kwalificaties,
—
de werkzaamheden,
—
de overplaatsingen,
—
de loopbaanontwikkeling,
—
de pensionering,
—
het individueel ontslag.
De beloning en de beroepsklassificatie worden genoemd in artikel 2 van wet nr. 903. Artikel 3 betreft de toewijzing van kwalificaties en werkzaamheden alsook de loopbaanontwikkeling, en artikel 4 de pensionering. Overplaatsing, ontslag en tuchtmaatregelen vallen onder artikel 15 van wet nr. 300 van 20 mei 1970, zoals gewijzigd bij artikel 13 van wet nr. 903. Bij artikel 19 van deze wet wordt daarenboven elke daarmee strijdige wettelijke bepaling ingetrokken en worden alle strijdige bepalingen in arbeidsovereenkomsten, bedrijfsreglementen en statuten van vrije beroepen nietig verklaard. Beziet men de tekst van de uitvoeringswet, aldus de Italiaanse regering, dan blijkt dat het Italiaanse recht veel meer elementen van de arbeidsvoorwaarden regelt dan de Commissie beweert.
b)
De richtlijn kan evenwel eerst worden geacht op juiste wijze ten uitvoer te zijn gelegd, wanneer alle elementen van de arbeidsvoorwaarden in het Italiaanse recht zijn verwerkt. De Commissie heeft er ter terechtzitting echter op gewezen, dat bepaalde arbeidsvoorwaarden, ondanks hun belangrijkheid, niet wettelijk zijn geregeld, met name die welke betrekking hebben op de arbeidsveiligheid en -hygiëne en op de verkiezing van personeelsvertegenwoordigers.
Ik meen echter dat de Italiaanse wetgeving voldoende mogelijkheden biedt om seksediscriminatie in de arbeidsvoorwaarden met succes te bestrijden. Zoals ik al zei, bevat deze wetgeving een bepaling die zo algemeen geformuleerd is, dat het een zeer doeltreffend wapen vormt tegen iedere vorm van discriminatie waarvoor geen specifieke bepaling bestaat. Het betreft artikel 13 van wet nr. 903, houdende wijziging van artikel 15 van wet nr. 300, dat luidt als volgt:
„(Discriminerende handelingen) — nietig is elke overeenkomst of handeling waarbij :
...
b)
een werknemer wordt ontslagen ... dan wel hem anderszins nadeel wordt berokkend omdat hij lid is van, of actief is in een vakvereniging dan wel aan een staking heeft deelgenomen. [Cursivering van mij.] De bepalingen van de voorgaande alinea zijn eveneens van toepassing op overeenkomsten of handelingen waaraan de bedoeling ten grondslag ligt op grond van ... geslacht te discrimineren.”
De Italiaanse regering is van mening, dat een algemene formulering onmisbaar is om alle mogelijke vormen van discriminatie uit te bannen, omdat altijd de mogelijkheid bestaat dat een opsomming van verboden onvolledig blijkt te zijn. Zij wijst eveneens op de woordkeuze in artikel 13, waar sprake is van „overeenkomst” en „handeling”, zodat niet alleen tegen discriminaties rechtens, doch ook tegen feitelijke discriminaties kan worden opgetreden. Hiermee lijkt mij het bezwaar van de Commissie, dat deze tekst het recht van mannelijke en vrouwelijke werknemers op een feitelijk niet-discriminerende behandeling niet doeltreffend beschermt, weerlegt. De Italiaanse regering heeft onweersproken verklaard, dat uit de rechtspraak blijkt dat dit artikel zijn doel volkomen bereikt; zelf kom ik tot de slotsom, dat in Italië correct uitvoering is gegeven aan artikel 5 van richtlijn nr. 76/207, betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden.
II —
Het tweede middel van de Commissie betreft, volgens het verzoekschrift, de slechts gedeeltelijke tenuitvoerlegging van artikel 6 van de richtlijn, betreffende de mogelijkheid om beroep in rechte in te stellen voor „een ieder die meent te zijn benadeeld door de niet-toepassing te zijnen aanzien van het beginsel van gelijke behandeling in de zin van de artikelen 3, 4 en 5.” Dit artikel zou niet volledig in de Italiaanse rechtsorde zijn overgenomen, doordat de beroepsregeling van artikel 15 van wet nr. 903 uitsluitend geldt voor gedragingen die een schending opleveren van de artikelen I (toegang tot het arbeidsproces) en 5 (verbod van vrouwenarbeid in fabrieken op bepaalde uren).
1.
Laten wij eerst de ontvankelijkheid van dit middel onderzoeken, daar in dit opzicht ernstige bezwaren zouden kunnen rijzen.
Volgens 's Hofs rechtspraak wordt „in een procedure wegens niet-nakoming, die ingevolge artikel 169 EEG-Verdrag door de Commissie aanhangig kan worden gemaakt, het onderwerp van het geschil bovendien bepaald door de aan de Lid-Staat gezonden schriftelijke ingebrekestelling en het daaropvolgende met redenen omkleed advies, en kan het daarna derhalve niet meer worden uitgebreid. De aan de betrokken staat geboden mogelijkheid om opmerkingen in te dienen, vormt immers — ook wanneer die staat meent daarvan geen gebruik te moeten maken — een door het Verdrag gewilde wezenlijke waarborg, en de eerbiediging van de mogelijkheid is een substantieel vormvereiste voor de regelmatigheid van de procedure tot vaststelling van de niet-nakoming door een Lid-Staat van de op hem rustende verplichtingen” (arrest van 8 februari 1983, zaak 124/81, Commissie t. Verenigd Koninkrijk, Jurispr. 1983, blz. 203, r.o. 6; in gelijke zin: arrest van 17 februari 1970, zaak 31/69, Commissie t. Italië, Jurispr. 1970, blz. 25, r.o. 12 en 14).
De schriftelijke ingebrekestelling van 30 juli 1980 maakt slechts melding van twee punten ten aanzien waarvan de Italiaanse regering volgens de Commissie de richtlijn niet correct zou hebben uitgevoerd: de gelijke behandeling wat de arbeidsvoorwaarden betreft (punt 1), en meer in het bijzonder het verlof in geval van adoptie (punt 2). Het in artikel 6 van de richtlijn bedoelde beroep op de rechter, wordt slechts terloops ter sprake gebracht en dan nog ten onrechte bij de verplichtingen ex artikel 5, lid 1, betreffende de arbeidsvoorwaarden.
Weliswaar wordt artikel 6 in het met redenen omkleed advies van 4 mei 1981 in extenso geciteerd, doch zonder dat er een conclusie van juridische aard aan wordt verbonden. Anders dan de bezwaren betreffende de arbeidsvoorwaarden en het verloop bij adoptie, wordt dat betreffende het beroepsrecht met name niet genoemd in punt 4 van het advies, het einige punt waarin de Commissie haar eigen standpunt uiteenzet en de eerder door Italië aangevoerde argumenten tracht te weerleggen.
Ook al zou men — met veel goede wil — aanvaarden dat dit punt — zij het summier — in de schriftelijke ingebrekestelling ter sprake is gekomen, in het met redenen omkleed advies valt het zelfs bij zeer zorgvuldige lezing niet terug te vinden.
Dit verklaart waarom de Italiaanse regering noch in haar antwoord op de ingebrekestelling, noch in haar antwoord op het met redenen omkleed advies van 6 juli 1981, en trouwens evenmin in de bijlagen bij laatstbedoeld antwoord, over het beroepsrecht heeft gesproken (zie haar antwoord op de derde vraag van het Hof).
Ik meen dan ook, dat is voldaan aan de voorwaarden die 's Hofs rechtspraak stelt om een middel nietontvankelijk te verklaren. De Italiaanse regering heeft geen gelegenheid gehad om opmerkingen te maken over een punt dat eerst in de procedure in rechte tot een op zichzelf staand middel is geworden. Zelfs al laat men de aangevoerde bezwaren buiten beschouwing, dan nog kan men immers die ene verwijzing naar een schending van artikel 6 in de precontentieuze fase hoogstens zien als een terloopse verwijzing, daar die schending werd voorgesteld als een uitvloeisel van de schending van artikel 5. Door hiervan in haar inleidend verzoekschrift een afzonderlijk middel te maken, heeft de Commissie dus in elk geval de omschrijving en de grondslag van de gestelde niet-nakoming gewijzigd, hetgeen het Hof in zijn rechtspraak terecht afkeurt (inzonderheid: arrest van 15 december 1982, zaak 211/81, Commissie t. Denemarken, Jurispr. 1982, blz. 4547, r.o. 14-16).
2.
Ik zal dit middel ten gronde derhalve slechts ten overvloede onderzoeken : het komt mij niet gegrond voor.
Artikel 6 van de richtlijn schrijft de Lid-Staten voor, „in hun interne rechtsorde de nodige voorschriften op te nemen om een ieder die meent te zijn benadeeld door de niet-toepassing te zijnen aanzien van het beginsel van gelijke behandeling in de zin van de artikelen 3, 4 en 5 de mogelijkheid te bieden om zijn rechten voor het gerecht te doen gelden na eventueel een beroep op andere bevoegde instanties te hebben gedaan.” Het artikel zegt niet, hoe deze verplichting moet worden nagekomen. De Commissie nu beklaagt zich erover, dat artikel 15 van wet nr. 903 enkel in een bijzondere procedure voorziet om op te treden tegen inbreuken op de artikelen 1 en 5 van deze wet, die zoals gezegd betrekking hebben op de toegang tot het arbeidsproces en het verbod van nachtarbeid voor vrouwen. Het gaat hier over een spoedprocedure, die de Pretore van de plaats waar de gewraakte gedraging heeft plaatsgevonden, indien hij meent dat er inderdaad sprake is van discriminatie in de zin van artikel 1 of artikel 5, in staat stelt, bij met redenen omklede en onmiddellijk uitvoerbare beschikking de auteur van de gewraakte gedraging te gelasten deze onverwijld te beëindigen en de gevolgen ervan ongedaan te maken. De Commissie verwijt de Italiaanse regering, dat zij deze procedure niet tevens toepasselijk heeft verklaard in de gevallen bedoeld in de artikelen 3-5 van de richtlijn.
Het komt mij evenwel voor, dat de richtlijn minder hoge eisen stelt. De Italiaanse regering heeft er terecht op gewezen, dat de Lid-Staten ingevolge artikel 6 vrij zijn bij de keuze van de middelen om de richtlijn ten uitvoer te leggen. Dit kan stellig ook anders geschieden dan. door middel van een bijzondere procedure, en voorts valt in aanmerking te nemen dat de werknemer die zich op grond van zijn geslacht gediscrimineerd voelt, ook in het gewone recht mogelijkheden vindt om zich tot de rechter te wenden.
Zo vernamen wij ter terechtzitting, dat ingevolge artikel 700 van het Italiaanse Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering, dat een volstrekt algemene strekking heeft, de rechter in spoedeisende gevallen vóór de uitspraak ten gronde de noodzakelijke maatregelen kan bevelen om onherstelbare schade te voorkomen. Bijgevolg kan voor al wat binnen de werkingssfeer van de richtlijn ligt, doch niet onder artikel 15 van wet nr. 903 valt, een beroep op deze bepaling worden gedaan.
Voor andere dan spoedprocedures verwijst de Italiaanse regering naar de gewone beroepsmogelijkheden, die gezien het onderwerp van de richtlijn, tot het arbeidsrecht (wet nr. 533 van 11 augustus 1973) of tot de administratieve rechtspleging (wet nr. 1034 van 6 december 1971, voor het overheidspersoneel) behoren. Voor zover er in de beschikbare rechtsmiddelen toch nog leemten mochten voorkomen, verwijst zij naar artikel 24 van de constitutie, luidens hetwelke een ieder zich ter bescherming van zijn rechten en rechtmatige belangen tot de rechter kan wenden. Dit grondwettelijk beginsel heeft rechtstreekse, onomstreden en gevestigde gelding, in die zin, dat zodra wordt vastgesteld dat er een materiële regel ter bescherming van een individueel belang bestaat, er geen bijzondere tussenkomst van de wetgever meer nodig is om dit belang de bescherming te verlenen die, krachtens een algemeen en absoluut beginsel, uit artikel 24 voortvloeit. Daar de bepalingen van wet nr. 903 de individuele belangen van gediscrimineerde arbeiders beschermen, kunnen deze zich met een beroep op artikel 24 tot de rechter wenden om die bepalingen te doen naleven.
Gezien deze, naar Italiaans recht bestaande situatie, waarvan de Commissie de juistheid niet betwist, ben ik van oordeel dat de tweede tegen de Italiaanse regering aangevoerde grief, zo zij al ontvankelijk zou zijn — quod non —, in geen geval gegrond is.
III —
Het derde punt in verband waarmee de Commissie de Italiaanse regering een gebrekkige tenuitvoerlegging van richtlijn nr. 76/207 verwijt, kan worden beschouwd als een onderdeel van de eerste grief. Het houdt namelijk eveneens verband met artikel 5 van de richtlijn, dat volgens de Commissie geschonden is doordat mannelijke werknemers in Italië worden gediscrimineerd ter zake van verlof bij adoptie.
1.
Artikel 6 van wet nr. 903 bepaalt, dat vrouwelijke werknemers die kinderen hebben geadopteerd of, voorafgaand aan de adoptie, daarover de voogdij hebben verkregen, „voor zover althans het kind op het moment van de. adoptie of van de voogdijtoewijzing niet ouder is dan zes jaar, aanspraak hebben op het verplichte verlof bedoeld in artikel 4, sub c, van wet nr. 1204 van 30 december 1971, met behoud van loon, gedurende de eerste drie maanden na de daadwerkelijke op-, neming van het kind in het adoptief- of voogdgezin.” Artikel 4, sub c, van wet nr. 1204 kent de natuurlijke moeder de drie maanden verlof toe vanaf het tijdstip van de bevalling. De rechten waarop het moederschap aanspraak verleent, worden dus door artikel 6 uitgebreid tot het geval van adoptie.
Hieraan ontleent de Italiaanse regering een van de argumenten voor haar stelling dat verlof bij adoptie niet behoort tot de arbeidsvoorwaarden in de zin van artikel 5 van de richtlijn, doch integendeel ressorteert onder „de bepalingen betreffende de bescherming van de vrouw, met name voor wat zwangerschap en moederschap betreft”, bedoeld in artikel 2, lid 3. Ingevolge laatstgenoemd artikel nu doet de richtlijn geen afbreuk aan dit soort bepalingen. Derhalve dienen wij in de eerste plaats na te gaan, of de litigieuze bepaling wel binnen de werkingssfeer van de richtlijn valt.
2.
Zoals gezegd moet de term arbeidsvoorwaarden in ruime zin worden opgevat. De vraag is nu, of ook verlof dat wegens de opneming van een adoptiefkind in een gezin wordt toegekend, tot de arbeidsvoorwaarden in ruime zin behoort.
De Commissie wenst deze vraag bevestigend te beantwoorden, omdat artikel 2, lid 3, een uitzonderingsbepaling is die strikt moet worden uitgelegd en enkel betrekking heeft op bepalingen inzake zwangerschap en moederschap. Onder dat artikel zouden derhalve niet vallen de bepalingen die, zoals artikel 6, lid 1, van wet nr. 903, verlof of andere voordelen toekennen met het oog op de opvoeding van de kinderen. Deze voordelen, evenals bijvoorbeeld het jaarlijks verlof, behoren tot de arbeidsvoorwaarden. Mitsdien zouden naar gelang van het geval zowel de vader als de moeder daarvoor in aanmerking moeten komen.
Het tegenovergestelde standpunt, namelijk dat het hierbedoelde verlof een maatregel is ter bescherming van de werkneemster als huismoeder, wordt door de Italiaanse regering verdedigd met het argument dat artikel 6 geen enkele afwijkingsmogelijkheid voorziet. Dit zou kenmerkend zijn voor de maatregelen ter bescherming van het moederschap, want de maatregelen ter bescherming van de vrouw in het algemeen laten wel afwijkingen toe, zoals blijkt uit artikel 5 van de wet, betreffende het principiële verbod van nachtarbeid voor vrouwen. Zoals bovendien blijkt uit de bewoordingen ervan, en gelijk de Commissie zelf heeft opgemerkt, aldus de Italiaanse regering, bepaalt dit artikel zich ertoe, thans ook de adoptiefmoeder in aanmerking te doen komen voor de drie maanden verlof na de bevalling, die in 1971 aan de natuurlijke moeder waren toegekend. De natuurlijke vader nu komt voor dat verlof niet in aanmerking en hierin ziet de Commissie geen discriminatie.
Ik geloof niet dat het standpunt van de Commissie innerlijk tegenstrijdig is. Ofschoon het een in het verlengde ligt van het andere, lijken artikel 6 van wet nr. 903 en artikel 4, sub c, van wet nr. 1204 niet van dezelfde aard te zijn. Het komt mij voor dat het bevallingsverlof, dat de moeder wordt toegekend om weer op krachten te komen, terecht kan worden gezien als een maatregel ter bescherming van de vrouw als moeder. Het verlof bij adoptie daarentegen beantwoordt vooral aan de behoeften van het kind, voor zover het gelegenheid wil bieden om de affectieve band tot stand te brengen die een voorwaarde is voor een goede integratie in het adoptiefgezin. Voor het overige staat vast, dat de bepalingen van het Italiaans recht betreffende de bijzondere adoptieregeling waarover het thans gaat, en die geregeld is bij de artikelen 314/2 tot 314/28 van het Burgerlijk Wetboek, in overwegende mate zijn ingegeven door het belang van het kind, dat tevens als leidraad moet dienen bij de uitlegging ervan. Hij komt mij dan ook voor, dat het verlof bedoeld in artikel 6, eerste alinea, van wet nr. 903, behoort tot de arbeidsvoorwaarden in de zin van artikel 5 van de richtlijn. Daarom meen ik, dat de adoptiefvader er evengoed voor in aanmerking dient te komen als zijn werkende echtgenote, temeer daar hij met name reeds het recht heeft om vanaf de daadwerkelijke opname van het kind in het gezin gedurende een jaar van het werk afwezig te zijn, wanneer het kind nog geen drie jaar oud is (artikel 7, eerste alinea, van wet nr. 903, junctis artikel 6, tweede alinea, van dezelfde wet, en artikel 7, eerste alinea, van wet nr. 1204).
3.
Aangezien de hier besproken bepaling klaarblijkelijk een bijzondere bepaling is ten opzichte van het in artikel 15 van wet nr. 300 van 1970 neergelegde algemene verbod om werknemers op grond van hun geslacht te benadelen, valt het ingevolge het adagium „specialia generalibus derogant” niet binnen de werkingssfeer van laatstgenoemd artikel. De werknemers kunnen de toepassing van deze bepaling immers slechts verlangen voor zover er geen specifieke regeling terzake bestaat. Zij is niet van toepassing wanneer een norm van gelijke rang er op een welbepaald punt van afwijkt. Mitsdien ben ik van oordeel, dat de Italiaanse regering, door mannelijke werknemers van de in die bepaling vervatte regeling uit te sluiten, de krachtens artikel 5 van de richtlijn op haar rustende verplichting niet is nagekomen.
IV —
Gelet op mijn beoordeling van de drie grieven, die de Commissie tegen de Italiaanse regering heeft aangevoerd, meen ik dat er termen aanwezig zijn om de proceskosten over de twee partijen te verdelen in die zin, dat twee derde van de kosten ten laste komt van de Commissie en een derde ten laste van verweerster.
Concluderend geef ik het Hof in overweging:
—
te verklaren dat de Italiaanse Republiek, door mannelijke werknemers niet in aanmerking te doen komen voor het verlof bij adoptie, bedoeld in artikel 6, eerste alinea, van wet nr. 903 van 9 december 1977, een verplichting niet is nagekomen die op haar rust krachtens richtlijn nr. 76/207 van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden,
—
het beroep te verwerpen voor het overige,
—
de Commissie te verwijzen in twee derde van de kosten en de Italiaanse Republiek in het resterende derde.
( 1 ) Vertaald uit het Frans
Full & Egal Universal Law Academy