CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL S. ROZÈS
VAN 10 MAART 1983 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
In de onderhavige zaak verzoekt het Finanzgericht Hamburg om een prejudiciële beslissing over de geldigheid van een aantal bepalingen van commissieverordeningen nrs. 851/79 van 30 april 1979 en 1309/79 van 29 juni 1979 tot vaststelling van de restituties bij de uitvoer van op basis van granen en rijst verwerkte produkten.
I — De feiten zijn de volgende :
De firma Nordgetreide te Lübeck, die granen invoert en verwerkt, exporteerde tussen 1 augustus 1979 (begin van het verkoopseizoen 1979/1980) en 31 augustus daaropvolgende, de vervolgens tussen 5 en 26 september 1979, respectievelijk 1400 en 1000 ton gerstvlokken vallende onder post 11.02 E I b) 1 aa) van het GDT naar Polen (gerstvlokken met een asgehalte, berekend op de droge stof, van ten hoogste 1 gewichtsprocent en met een gehalte aan ruwe celstof, berekend op de droge stof, van ten hoogste 0,9 gewichtsprocent).
Evenals de gerst waaruit het is bereid, valt dit bij eerste verwerking verkregen produkt onder de gemeenschappelijke ordening der markten voor granen ( 2 ). De betrokken firma had daarom op 31 mei en 31 juli 1979 twee aanvragen om uitvoercertificaten bij het bevoegde Duitse orgaan ingediend. Op deze aanvragen was de vaststelling vooraf vermeld van de restituties (evenals van de monetair compenserende bedragen), waarvan toekenning is voorzien in artikel 16, lid 2, vierde alinea, van voornoemde verordening voor exporten die plaatsvinden tijdens de geldigheidsduur van het certificaat.
Voor deze beide transacties werden de restituties voor de firma Nordgetreide vastgesteld op een bedrag van 396,28 DM (163,55 Ecu) en 293,12 DM (128,01 Ecu) per ton.
De restitutie geldende op de dag van aanvraag van het certificaat (31 mei en 31 juli 1979) werd aangepast aan de hand van de drempelprijs voor gerst (het basisprodukt), die in de maand van uitvoer van de verwerkte produkten, dat wil zeggen in augustus en september 1979, van kracht was.
De wijze waarop deze aanpassing dient te geschieden, is vastgesteld in artikel 7, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 2744/75 van de Raad van 29 oktober 1975, betreffende de regeling voor de invoer en de uitvoer van op basis van granen en rijst verwerkte produkten, hetwelk bepaalt: „De aanpassing vindt plaats door de restitutie te verhogen of te verminderen met het verschil tussen de drempelprijzen welke voor 1 ton basisprodukt gelden in respectievelijk de maand van aanvraag en de maand van uitvoer, vermenigvuldigd met de coëfficiënten die in de vierde kolom van bijlage I ter hoogte van het desbetreffende verwerkte produkt zijn opgenomen”.
Voor gerstvlokken bedraagt deze coëfficiënt 2,00.
Het bedrag van de op de dag van aanvraag van de certificaten geldende restituties (31 mei en 31 juli 1979) was bij verordening nr. 851/79 van de Commissie van 30 april 1979 vastgesteld op 163,55 Ecu per ton en bij verordening nr. 1309/75 van 29 juni 1979 op 128,01 Ecu per ton voor de vlokken.
Ter berekening van het bedrag van de restituties moet de invloed van de voor het basisprodukt „gerst” vastgestelde heffing op de kostprijs van het produkt „vlokken” worden bepaald. Daarmee komt het variabele element van de heffing op het verwerkte produkt vast te staan ( 3 ).
In casu stelde de firma Nordgetreide vast dat de invloed was berekend op 1,5 in plaats van 2,00, welk laatste getal wordt aangehouden voor de berekening van het variabele element van de heffing ( 4 ) dat in aanmerking wordt genomen voor de aanpassing van het bedrag van de restitutie ( 5 ).
Hieruit volgt uiteraard een verschil in het bedrag van de restitutie, die volgens haar voor de uitvoer in de maand september 1979146,48 of 195,30 Ecu (in plaats van 105,31 Ecu) moest bedragen.
De firma Nordgetreide gaat akkoord met het laagste bedrag (146,48 Ecu), doch meent dat de voor het basisprodukt geldende coëfficiënt ter berekening van het restitutiebedrag dat bij het verzoek om voorfixatie voor het verwerkte produkt wordt toegekend, in ieder geval gelijk moet zijn aan de coëfficiënt welke wordt toegepast bij de aanpassing van de drempelprijs van hetzelfde basisprodukt aan de hand van de maandelijkse verhogingen van de heffing tussen de datum van de voorfixatie en de dag van uitvoer. Daarom heeft zij bezwaar gemaakt tegen de verlaging van de coëfficiënt van 2,00 tot 1,5 ter berekening van het bedrag van de restitutie vóór aanpassing, voor zover deze verlaging meebrengt dat de hoeveelheid basisprodukt waaruit de uit de Gemeenschap geëxporteerde vlokken worden vervaardigd, wordt geacht lager te zijn dan de hoeveelheid basisprodukt die wordt aangehouden voor de aanpassing van het bedrag van de restitutie.
Het douanekantoor beriep zich op de letterlijke tekst van de gemeenschapsregeling, waaraan zij slechts toepassing had gegeven.
Onder deze omstandigheden vraagt het Finanzgericht Hamburg het Hof of de in de verordeningen nrs. 851/79 en 1309/79 van de Commissie vastgestelde restitutiebedragen voor gerstvlokken geldig zijn met het oog op verordening nr. 2744/75 van de Raad en, zoniet, welke de rechtsgevolgen van de eventuele ongeldigheid van de restitutiebedragen zijn.
II —
1.
Uit artikel 2, lid 1, juncto bijlage I, vierde kolom, van verordening nr. 2744/75 van de Raad blijkt dat het variabele element van de heffing bij de invoer van gerstvlokken (verwerkt produkt) uit derde landen gelijk is aan de heffing voor gerst (basisprodukt), waarop de coëfficiënt 2,00 wordt toegepast.
Deze bepalingen geven uitvoering aan artikel 14 van verordening nr. 2727/75 van de Raad, volgens hetwelk het variabele element van de heffing voor de verwerkte produkten, vervaardigd uit basisprodukten, overeenkomt „met de invloed, uitgeoefend op de kostprijzen door de voor deze basisprodukten vastgestelde heffingen”.
Voor deze coëfficiënt bestaat een technische rechtvaardiging: voor het verkrijgen van 1 ton gerstvlokken zijn twee ton gerst nodig.
De firma Nordgetreide betwist niet in ernst dat de keuze van deze coëfficiënt verenigbaar is met het gemeenschapsrecht en de nationale rechter heeft in elk geval geen vraag voorgelegd over de geldigheid daarvan.
2.
Bij het bepalen van de restitutie die voor verwerkte produkten kan worden verleend, wordt met name rekening gehouden met de voor de berekening van het variabele element van de heffing in aanmerking genomen hoeveelheden basisprodukten (artikel 6, lid 1, van verordening nr. 2744/75).
Deze bepaling moet in verband worden gebracht met artikel 2, lid 1, van dezelfde verordening, die een verwijzing bevat naar de voor gerstvlokken in kolom 4 van bijlage I opgenomen coëfficiënt 2,00.
Opmerking verdient echter dat, waar in het algemeen twee ton gerst nodig zijn voor de vervaardiging van een ton gerstvlokken, bij deze hoeveelheid gemiddeld — afgezien van geparelde granen en afval — ook de volgende produkten vrijkomen:
—
30-35 % gries en griesmeel van gerst (post 11.02 A III a),
—
12-15 % van een afgeleid produkt, bestaande uit gepelde kafjes en delen van de meelachtige kern van de gerstkorrel; dit tot „pellets” verwerkte produkt wordt uitgevoerd als diervoeder (zemelen, slijpsel en andere resten van post 23.02 A II a).
De export van deze produkten geeft eveneens recht op restitutie ( 6 ).
De Commissie meent dat, nu door de toepassing van de coëfficiënt 1,5 reeds het gehele bedrag van de voor het basisprodukt „gerst” geldende restitutie op het verwerkte produkt „vlokken” overgaat, de toepassing van de coëfficiënt 2,00 zou kunnen leiden tot een cumulatie van restituties voor de verschillende produkten die ontstaan uit hetzelfde verwerkingsprocédé van een zelfde basisprodukt.
Onder deze omstandigheden mag de keuze van de coëfficiënt ter berekening van het bedrag van de restitutie er niet toe leiden, dat voor vlokken die worden vervaardigd uit een gegeven hoeveelheid basisgerst een even hoog bedrag wordt toegekend als in totaal voor de verschillende verwerkte produkten wordt toegekend, zelfs wanneer een andere, hogere, coëfficiënt wordt gebruikt ter berekening van de heffing voor dezelfde hoeveelheid basisgerst, die enkel wordt gebruikt voor het vervaardigen van het verwerkte produkt „vlokken”.
In de considerans van de litigieuze verordeningen wordt in de eerste plaats verwezen naar artikel 2 van verordening nr. 2746/75 van de Raad van 29 oktober 1975, waarin voor de sector granen algemene regels worden vastgesteld voor de toekenning van restituties bij de uitvoer van de in artikel 1 van verordening nr. 2727/75 bedoelde produkten (waaronder dus gerstvlokken) en algemene criteria voor de vaststelling van het bedrag daarvan.
Vervolgens wordt verwezen naar artikel 6 van verordening nr. 2744/75 van de Raad van 29 oktober 1975, waarin de specifieke criteria worden vastgesteld, waarmee rekening moet worden gehouden voor de berekening van de restitutie voor verwerkte produkten.
Bij deze specifieke criteria wordt inderdaad rekening gehouden met de voor de berekening van het variabele element van de heffing in aanmerking genomen hoeveelheden basisprodukt (letter b), doch moet eveneens rekening worden gehouden met de eventuele cumulatie van de restituties die van toepassing zijn op de verschillende produkten die voortkomen uit een zelfde verwerkingsproces van een zelfde basisprodukt (letter c).
De keuze van de coëfficiënt 1,5 in bedoelde verordeningen vloeit met name voort uit het feit dat „de cumulatie van restituties toegekend aan verschillende produkten uit een zelfde verwerkingsproces op grondslag van hetzelfde basisprodukt, in bepaalde gevallen uitvoer naar derde landen mogelijk zou kunnen maken tegen lagere prijzen dan de op de wereldmarkt geldende noteringen”.
3.
Deze motivering lijkt mij in overeenstemming met de communautaire regeling zoals die door het Hof is uitgelegd.
In de arresten van 15 oktober 1980 ( 7 ) heeft u geoordeeld dat het onwettig was, bij de berekening van de monetair compenserende bedragen een verwerkingscoëfficiënt in zijn geheel toe te passen zonder rekening te houden met de afgeleide produkten, wanneer die toepassing tot overcompensatie zou leiden.
Ik meen daarom dat de Commissie voor de berekening van de restitutiebedragen voor gerstvlokken terecht bij analogie een consequentie van 's Hofs rechtspraak heeft toegepast.
4.
De verhouding (1,5) die ten grondslag ligt aan de in de bestreden verordeningen vastgestelde bedragen, houdt niet ir. dat de door de vlokkenfabrikanten feitelijk verwerkte hoeveelheid gerst niet overeenkomt met de hoeveelheid die wordt geacht daarvoor te zijn gebruikt.
Wil men de opvatting van Nordgetreide aanvaarden, dan moet de berekening van het restitutiebedrag exact de tegenpool vormen van die van het bedrag van de heffing. Dit is niet het geval, want deze beide methoden zijn ingegeven door verschillende doelstellingen. Zoals Gilsdorf ( 8 ) schrijft: „Waar heffingen hoofdzakelijk een beschermende functie hebben, spelen bij de restituties naast de zorg om de markt te ontlasten, dikwijls handelspolitieke factoren een rol; de berekeningsmethoden verschillen daarom aanzienlijk, en de heffing is in het algemeen hoger dan de restitutie”.
De restitutie voor verwerkte produkten wordt toegekend los van de toepassing van een heffing op het basisprodukt, ongeacht of dit is ingevoerd uit derde landen (met heffing) of afkomstig is uit de Gemeenschap (zonder heffing).
Terwijl de heffing dagelijks wordt berekend op grond van het verschil tussen de drempelprijs en de cif-wereldmarktprijzen, wordt de restitutie niet automatisch vastgesteld; zij behoeft slechts een keer per maand te worden bepaald, behoudens tussentijdse wijzigingen (in het algemeen iedere week). Wanneer er een restitutie geldt, wordt het bedrag aan de hand van zowel de handelspolitiek van de Gemeenschap als het verschil tussen de communautaire fob-prijzen en de op de wereldmarkt geldende prijzen vastgesteld.
Voor op basis van bepaalde soorten in de Gemeenschap geoogste granen verwerkte produkten is de restitutie niet geheel gelijk aan het bedrag van het verschil tussen de drempelprijzen en de noteringen op de wereldmarkt, want het bedrijf dat deze granen verwerkt, koopt ze niet tegen de drempelprijs, doch tegen de lagere prijs op de binnenlandse markt. Daardoor is voor bepaalde deegwaren van bijlage B bij verordening nr. 2727/75 (welke niet voorkomen in bijlage II bedoeld in artikel 38 EEG-Verdrag) de restitutie niet strikt gelijk aan de invloed van het bedrag van de op het basisprodukt toegepaste heffing.
De toepassing van restituties — ten laste van het EOGFL — is in beginsel alleen gerechtvaardigd voor in de Lid-Staten geoogste granen, waaraan in de Gemeenschap een overschot bestaat. Voor verwerkte produkten van met name gerst, waarbij de Gemeenschap overschotten produceert, ligt het bedrag van de restituties bij uitvoer volstrekt niet even hoog als dat van de heffingen bij invoer.
Overigens kan het stelsel van maandelijkse verhogingen, die in de loop van het verkoopseizoen moeten worden toegepast op de drempelprijs voor gerst om rekening te houden met de opslagkosten en de noodzaak de voorraden af te zetten overeenkomstig de vraag op de markt ( 9 ), de export begunstigen van produkten die in de Gemeenschap zijn verwerkt uit granen die zijn ingevoerd uit derde landen. Door deze verhogingen kan het voorkomen dat de restitutie bij de uitvoer van deze produkten hoger is dan de feitelijk op het ingevoerde basisprodukt toegepaste heffing. Een dergelijk voordeel is niet gerechtvaardigd wanneer de restituties vooraf kunnen worden vastgesteld.
5.
Hieruit volgt dat de Commissie, na raadpleging van het beheerscomité „granen” ( 10 ), een zekere beoordelingsbevoegdheid heeft bij haar beslissing of er in principe een restitutie moet worden toegekend, en of het bedrag van deze restitutie, zowel voor het basisprodukt als voor één of alle daaruit verwerkte produkten moet worden vastgesteld.
Artikel 16, lid 1, van verordening nr. 2727/75 van de Raad bepaalt uitdrukkelijk: „In de mate nodig om de uitvoer van de in artikel 1 bedoelde produkten als zodanig of in de vorm van in bijlage B opgenomen produkten (d.w.z. in het bijzonder meel en zetmeelprodukten) op basis van de noteringen of de prijzen van de eerstbedoelde produkten op de wereldmarkt mogelijk te maken, kan het verschil tussen deze noteringen of prijzen en de prijzen van de Gemeenschap overbrugd worden door een restitutie bij de uitvoer”.
Ook de wijze van vaststelling van de restitutie en zelfs van het correctiebedrag is geregeld en kan geheel of gedeeltelijk worden toegepast op de onderhavige produkten (artikel 16, lid 4, derde alinea).
Het is van belang, evenwicht te scheppen tussen het gebruik van basisprodukten van communautaire oorsprong, met het oog op de uitvoer van de verwerkte produkten naar bepaalde derde landen, en het gebruik van uit deze landen afkomstige en in de Gemeenschap „veredelde” basisprodukten. Om mededingingsverstoringen te voorkomen en zorg te dragen voor een goede werking van de gemeenschappelijke marktordening, is het rechtmatig dat de Commissie rekening houdt met het feit dat de verwerkers van de produkten, door — evenzeer rechtmatig — te profiteren van de overgang van het ene verkoopseizoen in het andere, van de voorfixatie van de restitutie en de ontwikkeling van de munteenheden, communautaire of uit derde landen ingevoerde granen onder bijzondere gunstige voorwaarden kunnen gebruiken en daarbij toch bijzonder hoge restituties genieten.
III —
Daar het bedrag van de restitutie bij de uitvoer van gerstvlokken in de bijlagen bij verordeningen nrs. 851/79 en 1309/79 van de Commissie niet in strijd met verordening nr. 2744/75 van de Raad is vastgesteld, is de tweede vraag van de nationale rechter zinledig.
Daar deze rechter evenwel uitdrukkelijk vraagt naar de rechtsgevolgen van een eventuele „ongeldigheid” van deze vaststelling, wil ik toch nog de volgende opmerkingen maken.
In het kader van artikel 177, evenals trouwens in geval van nietigverklaring op een rechtstreeks beroep, dient de instelling die de nietigverklaarde handeling heeft verricht de maatregelen te nemen, die nodig zijn voor de uitvoering van het arrest, onverminderd de toepassing die door de nationale rechter in het concrete geval aan het arrest wordt gegeven.
Het staat alleen aan de Commissie om in het kader van het beheerscomité de restituties vast te stellen, en dus bij ongeldigheid te kiezen tussen de beide door de firma Nordgetreide voorgestelde methodes (toepassing van de coëfficiënt 1,5 of 2,00 evenzeer bij de berekening van het bedrag van de restitutie als bij de aanpassing daarvan).
Aangezien de Commissie echter „al enige tijd heeft gewerkt met de bestreden verwerkingscoëfficiënt”, wil ik u voorstellen dezelfde oplossing te kiezen als in de zaken die hebben geleid tot de arresten van 15 oktober 1980, en voor recht te verklaren dat de ongeldigheid van de berekeningsmethode der in verordeningen nrs. 851/79 en 1309/79 voor gerstvlokken toegekende restituties niet de weg kan openen voor betwisting van de door het Hauptzollamt op grond van deze verordeningen toegekende bedragen voor het tijdvak voorafgaande aan de datum van 's Hofs arrest.
U behoeft deze vraag echter niet te beantwoorden, wanneer u conform mijn conclusie voor recht verklaart:
—
de in verordeningen nrs. 851/79 en 1309/79 van de Commissie vastgestelde restitutiebedragen voor de uitvoer van gerstvlokken zijn in overeenstemming met de bepalingen van 's Raads verordening nr. 2744/75.
( 1 ) Vertaald uit het Frans.
( 2 ) Artikel 1, sub d), en bijlage A van verordening nr. 2727/75 van de Raad van 29 oktober 1975.
( 3 ) Artikel 14, lid 1, sub A, a), van verordening nr. 2727/75.
( 4 ) Artikel 2 van verordening nr. 2744/75.
( 5 ) Artikel 7, tweede alinea, van verordening nr. 2744/75.
( 6 ) In de omstreden verordeningen respectievelijk vastgesteld op 169,00 en 132,27 Ecu per ton voor het eerste en op 25,08 en 24,01 Ecu per ton voor het tweede produkt.
( 7 ) Providence agricole de la Champagne, Jurispr. 1980, blz. 2823 e.V., Maïseries de Beauce, Jurispr. 1980, blz. 2883 e.V.
( 8 ) „Der Währungsausgleich aus rechtlicher Sicht”, Keulen 1978, blz. 13.
( 9 ) Artikel 6 van verordening nr. 2727/75 van de Raad.
( 10 ) Artikel 26 van verordening nr. 2727/75 van de Raad.
Full & Egal Universal Law Academy