CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
P. VERLOREN VAN THEMAAT
VAN7 DECEMBER 1983
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. Inleiding
1.1. Het verzoekschrift
In haar verzoekschrift van 10 juni 1982 (zaak 169/82) verzocht de Commissie U te verklaren, dat de Italiaanse Republiek
a)
door aanmelding na hun aanvaarding van de wetsontwerpen betreffende de wetten van de regio Sicilië nr. 47 van 27 mei 1980; nr. 49 van 4 juni 1980 en nr. 83 van 12 augustus 1980 haar verplichtingen ingevolge artikel 93, lid 3, van het EEG-Verdrag niet is nagekomen;
b)
door vaststelling van interventiemaatregelen ten behoeve van de landbouw, als bedoeld in artikel 10 van genoemde wet nr. 47 en artikelen 2, 3, 8, 9, 10, 11, 12, 15 en 17 van genoemde wet nr. 83 haar verplichtingen ingevolge artikel 5 van het EEG-Verdrag in verbinding met de verordeningen (EEG) nr. 2727/75, 337/79, 516/77, 1035/72 en 1360/78 niet is nagekomen.
Voorts verzoekt de Commissie U de Italiaanse Republiek in de proceskosten te verwijzen.
U zult hebben opgemerkt, dat ik in deze weergave van het petitum van de Commissie getracht heb haar ietwat ingewikkelder presentatie wat gemakkelijker leesbaar te maken.
1.2. De ontvankelijkheidsvmcig ten aanzien van het tweede verzoek
Het verzoekschrift moet uiteraard, als altijd, in samenhang met het daaraan voorafgaande met redenen omkleed advies worden gelezen. In het onderhavige geval is de tekst van dit met redenen omkleed advies echter van bijzonder belang, omdat de Italiaanse regering daaraan argumenten ontleent voor haar standpunt dat het tweede verzoek van de Commissie niet ontvankelijk zou zijn, nu zij dit gemotiveerde advies volledig zou hebben opgevolgd. Dit standpunt ontleent de Italiaanse regering echter niet aan het dispositief van het met redenen omkleed advies. Dit dispositief stelt namelijk, voor wat het tweede verzoek in het verzoekschrift betreft, een verdragsschending vast in identieke bewoordingen als in het tweede onderdeel van het verzoekschrift gebruikt. De Italiaanse regering ontleent haar standpunt veeleer aan een zin in het midden van de tweede alinea van punt 5 van het advies, die als volgt luidt: „De Commissie merkt ten aanzien van dit punt” (dat wil zeggen de Italiaanse toezegging om verlenging van enkele van de betrokken maatregelen te doen vermijden) „op, dat alleen een onmiddellijke opschorting van de toepassing van de betrokken bepalingen de vastgestelde verdragsschending voor de toekomst kan beëindigen”. Aan deze eis van opschorting van de betrokken maatregelen zou, aldus de Italiaanse regering, tijdig zijn voldaan. Het tweede verzoek van de Commissie zou derhalve ingevolge artikel 169, tweede alinea, van het EEG-Verdrag niet ontvankelijk zijn.
Teneinde mijn verdere betoog tot de vragen ten gronde te kunnen beperken, acht ik het nuttig deze exceptie van niet-ontvankelijkheid reeds hier te behandelen. Voor verwerping van deze exceptie acht ik op zich zelf reeds voldoende de vaststelling, dat het dispositief van het met redenen omkleed advies ruimer geformuleerd is dan de zojuist geciteerde zin. Daaraan voeg ik echter toe, dat uit de eerste alinea van blz. 2 van het antwoord van de Italiaanse regering op het advies (bijlage 6 van het verzoekschrift) blijkt, dat de Italiaanse regering dit ook zeer goed begrepen heeft en dan ook aan de regionale autoriteiten niet alleen een opschorting van de betrokken bepalingen heeft gevraagd, maar eveneens een fundamentele en onverwijlde aanpassing van de Siciliaanse landbouwwetgeving aan de gemeenschapsregels (waarop de Siciliaanse autoriteiten blijkens de volgende alinea van de brief enigszins ontwijkend hebben gereageerd door alleen een onderzoek met het oog op een zodanige aanpassing toe te zeggen).
Tenslotte blijkt uit het zinsverband van de geciteerde zin, dat deze een antwoord vormde op een mededeling van de Italiaanse regering, dat zij zou tussenkomen bij het regionale bestuur om een verlenging van de financiering te voorkomen. De geciteerde zin heeft dan ook duidelijk alleen betrekking op de gevolgen van de litigieuze bepalingen in de onmiddellijke toekomst en niet op haar gevolgen in het verleden, noch op de iets langere termijn die uiteraard voor afschaffing van die bepalingen nodig is. De exceptie van niet-ontvankelijkheid van het tweede onderdeel van het verzoekschrift moet dan ook worden verworpen.
1.3. Het systeem van de controle op nationale steunmaatregelen in de onderwerpelijke landbouwsectoren
Voor goed begrip van de inhoud van het verzoekschrift is in de eerste plaats van belang vast te stellen, dat de aanmeldingsplicht voor de betrokken steunmaatregelen overeenkomstig artikel 93, derde lid, van het EEG-Verdrag thans gebaseerd is op artikel 42 van het Verdrag in verbinding met artikel 22 van verordening nr. 2727/75 (granen), artikel 59 van verordening nr. 337/79 (druiven en wijn), artikel 17 van verordening nr. 516/77 (verwerkte groenten en fruit) en artikel 31 van verordening nr. 1035/72 (groenten en fruit).
Vóór de inwerkingtreding van de marktordeningen in deze sectoren was deze aanmeldingsplicht gebaseerd op verordening nr. 26 van 4 april 1962 (PB 1962, blz. 993), welke verordening echter uitsluitend bedoeld was om de Commissie door toepasselijkverklaring van artikel 93, eerste en derde lid, in staat te stellen „een inventaris op te maken van de bestaande, nieuwe of ontworpen steunmaatregelen, aan de Lid-Staten terzake dienstige opmerkingen te doen toekomen en hun passende maatregelen voor te stellen” (laatste overweging considerans). Maatregelen op grond van artikel 92 en artikel 93, lid 2, kon de Commissie toen nog niet nemen. Verordening nr. 26 van 1962 verklaarde deze bepalingen namelijk nog niet toepasselijk in de landbouwsector.
Na de totstandkoming van de geciteerde marktorganisatieverordeningen (en van de nog niet geciteerde verordening nr. 1360/78 betreffende producentenorganisaties) is het controlesysteem ten aanzien van steunmaatregelen in de betrokken sectoren ingewikkelder geworden. De geciteerde bepalingen, waarin de artikelen 92 tot 94 op de produktie en handel met betrekking tot de betrokken produkten van toepassing worden verklaard, bepalen namelijk tevens, dat dit slechts geldt behoudens andersluidende (in casu strengere) bepalingen van de betrokken verordeningen. Het tweede petitum van het verzoekschrift van de Commissie is gebaseerd op die strengere bepalingen, waarmede de aangevochten bepalingen van de Siciliaanse wetgeving in strijd worden geacht. In een dergelijk geval moet niet de procedure van artikel 93, eerste en tweede lid, maar de procedure van artikel 169 worden gevolgd. Hoewel verschillende passages in het verzoekschrift (blz. 4, derde volzin, laatste alinea; blz. 6, vijfde volzin, laatste alinea en blz. 10, laatste volzin, eerste alinea) de indruk wekken, dat de Commissie de strijd met het gemeenschapsrecht in de onbevoegdheid van de Lid-Staten tot het treffen van de verordeningen aanvullende maatregelen ziet, heeft de Commissie dit tijdens de mondelinge behandeling op een vraag mijnerzijds ontkend. Zij acht de schending van het gemeenschapsrecht uitsluitend van materieelrechtelijke aard. Een dergelijke benadering is in Uw rechtspraak met name aanvaard in de zaak 72/79 (Commissie t. Italië, Jurispr. 1980, blz. 1411). De juridische problematiek op dit punt is door de advocaatgeneraal Mayras in zijn aan dit arrest voorafgaande conclusie uitvoerig belicht, waarbij hij ook Uw rechtspraak ten aanzien van verwante afbakeningsproblemen tussen artikel 92 en andere verdragsbepalingen heeft geanalyseerd. Met betrekking tot het arrest zelf acht ik het nuttig, reeds op deze plaats te beklemtonen, dat Uw Hof de toen aan de orde zijnde steunmaatregelen — overeenkomstig de in dat geval gelijkluidende wijze waarop de artikelen 92 tot 94 van toepassing waren verklaard — aan concrete „andersluidende bepalingen” van de toepasselijke verordening heeft getoetst.
1.4. Wijze van behandeling
Ik zal thans achtereenvolgens behandelen: de beweerde schending van artikel 93, lid 3; de beweerde schending van verordening nr. 2727/75; de beweerde schending van verordening nr. 337/79; de beweerde schending van verordening nr. 516/77 en de beweerde schending van verordeningen nrs. 1035/72 en 1360/78. In het slotdeel van mijn conclusie zal ik na enige slotopmerkingen mijn conclusies samenvatten.
2. De beweerde schending van de aanmeldingsplicht
Het feit van de vertraagde aanmelding van de in geding zijnde regionale wetten nrs. 47, 49 en 83 wordt door de Italiaanse regering erkend. Elke twijfel, dat ook verlenging van de geldigheidsduur van een steunmaatregel moet worden beschouwd als een wijziging van een steunmaatregel in de zin van artikel 93, lid 3, eerste zin, is reeds weggenomen in Uw arrest in de zaak 70/72 (Commissie t. Duitsland, Jurispr. 1973, blz. 813 e.V.). In Uw arrest in de zaken 120-122/73 en 141/73 (Lorenz, Jurispr. 1973, blz. 1481, rechtsoverweging 4) heeft U voorts beslist, dat „de doelstelling van artikel 93, lid 3, namelijk de inwerkingtreding van met het Verdrag strijdige steunmaatregelen te voorkomen, meebrengt dat dit verbod (dat wil zeggen het verbod van artikel 93, lid 3, derde volzin), reeds gedurende de gehele duur der inleidende fase werkt.” Ingevolge de eerder geciteerde bepalingen van de in casu toepasselijke landbouwverordeningen mochten de in geding zijnde regionale steunmaatregelen derhalve van de aanvang af niet tot uitvoering worden gebracht voordat de Commissie — binnen een redelijke termijn na de vertraagde aanmelding — daarvoor uitdrukkelijk of stilzwijgend toestemming had gegeven. Het staat derhalve ook vast, dat een opschorting van de uitvoering na het met redenen omklede advies aan deze verdragsinbreuk geen einde heeft gemaakt.
3. De beweerde schending van verordening nr. 2727/75 (PB L 281 van 1975)
Artikel 10 van de regionale Siciliaanse wet nr. 47 van 27 mei 1980 voorziet in verlenging en gedeeltelijk ook in verhoging van de bij regionale wet nr. 22 van 18 juli 1974 voorziene steunmaatregelen voor durum tarwe. Voor het begrotingsjaar 1980 is voor deze steun een bedrag van 4500 miljoen lire uitgetrokken.
Artikel 2 van verordening nr. 2727/75 voorziet in gegarandeerde minimumprijzen voor durum tarwe. Artikel 9, eerste lid en artikel 10 van de verordening voorzien bovendien in steunmaatregelen ten gunste van respectievelijk de voorraad aan het eind van het seizoen en de produktie van durum tarwe. Het is duidelijk, dat aanvullende nationale, in casu regionale, steunmaatregelen de werking van het aldus tot stand gebrachte gemeenschappelijke stelsel van marktvoorwaarden vervalsen en daarmede dus onverenigbaar zijn. In zoverre bestaat een vergaande parallel met de in de geciteerde zaak 72/79 aan Italië verweten inbreuken op het gemeenschapsrecht. De door de Commissie in dit opzicht aanwezig geachte schending van artikel 5 van het Verdrag in verbinding met verordening nr. 2727/75 moet derhalve als vaststaand worden beschouwd. Het verweer van de Italiaanse regering, dat het hier slechts om voortzetting van een reeds bestaande steunmaatregel zou gaan, waartegen de Commissie destijds geen bezwaar zou hebben gemaakt, kan aan deze vaststelling geen afbreuk doen. Daar het hier een meer algemeen verweermiddel betreft, kom ik hierop echter aan het slot van mijn conclusie nog terug.
4. De beweerde schendingen van verordening nr. 337/79 (PB L 54 van 1979)
Artikelen 2 en 3 van de regionale Siciliaanse wét nr. 83 voorzien in rentesubsidies bij de levering van tafeldruiven aan coöperaties van druiventelers, welke subsidies, zoals de Italiaanse regering erkent, aan de produktie van tafelwijnen en hun distillering ten goede komen. Op de begroting voor het jaar 1980 werd hiertoe een bedrag van 1000 miljoen lire uitgetrokken.
Uit de eerste volle alinea van blz. 2 van de considerans van verordening nr. 337/79 (PB L 54 van 1979) blijkt, dat deze verordening onder meer ten doel heeft alle interventiemaatregelen ten gunste van tafelwijnen uit te sluiten, met uitzondering van de in deze alinea genoemde en in de verordening zelf geregelde interventiemaatregelen, hetgeen bevestigd wordt door artikel 6, lid 2, van deze verordening. De laatste overweging op dezelfde bladzijde, alsmede de overwegingen op blz. 3 maken eveneens de bedoeling duidelijk de produktie van tafelwijnen en van daartoe bestemde druivensoorten te beperken. Axtikelen 2 tot en met 4 van de verordening regelen het prijzenregime voor tafelwijnen, artikelen 7 tot en met 10 communautaire steunmaatregelen, artikelen 11 tot en met 15 aanvullende interventiemaatregelen bij geconstateerde overproduktie, met name een als volledig te beschouwen en aan strikte voorwaarden gebonden interventiestelsel voor de bevordering van distillering van tafelwijnen. De titels III en IV van de verordening strekken eveneens duidelijk tot beperking van de produktie en afzet van tafeldruiven en tafelwijnen. De Commissie verwijst in dit verband in haar verzoekschrift in het bijzonder naar artikel 41 van de verordening.
Artikelen 2 en 3 van de regionale wet nr. 83 zijn, door het bevorderen van de produktie van tafelwijnen en het distilleren daarvan, duidelijk in strijd met de aldus kort door mij samengevatte strekking van de relevante bepalingen van verordening nr. 337/79. Deze bepalingen beogen gezamenlijk duidelijk een uitputtende marktordening op de door artikelen 2 en 3 van de Siciliaanse wet geregelde punten, waarmede laatstgenoemde artikelen niet verenigbaar zijn. De in geding zijnde artikelen van de regionale wet nr. 83 leveren aldus een schending op van artikel 5, laatste zin, van het EEG-Verdrag in verbinding met deze verordening. Ik merk echter wel op, dat de parallel met de zaak 72/79 hier al minder volkomen is.
5. De beweerde schending van verordeningen nrs. 1035/72 (PB L 118 van 1972) en 516/77 (PB L 73 van 1977, gewijzigd bij verordening nr. 1152/78 (PB L 144 van 1978)
Artikelen 8 en 9 van de Siciliaanse wet nr. 83 voorzien in steun aan tomatenproducenten, verenigd in de daar genoemde producentenorganisaties, respectievelijk aan die producentenorganisaties zelf. Deze steun strekt tot bevordering van de verwerking van tomaten door de conservenindustrie. Op de begroting is hiervoor in totaal een bedrag van 850 miljoen lire uitgetrokken. Artikelen 10 en 11 van dezelfde wet voorzien in kredieten tegen tot 4 % verlaagde rente aan de conservenindustrie ter bevordering van de verwerking van tomaten. Hiertoe is een begrotingsbedrag van 2000 miljoen lire uitgetrokken. Anders dan de Italiaanse regering stelt is het niet twijfelachtig, dat ook deze faciliteiten als steunmaatregelen in de zin van artikel 92 van het EEG-Verdrag moeten worden beschouwd. Daartoe is blijkens Uw rechtspraak (zie zaken 6 en 11/69, Commissie t. Frankrijk, Jurispr. 1969, blz. 523) reeds voldoende, dat de berekende rente beneden de in Italië gebruikelijke rentevoet ligt. Daarnaast ligt de berekende rente in casu echter ook beneden de gebruikelijke rentevoet in andere Lid-Staten. Het steunkarakter wordt tenslotte bevestigd door de voor dit doel gereserveerde begrotingsbedragen. Artikel 12 van de wet reserveert 2000 miljoen lire voor rentesubsidies aan de coöperatieve producenten van citrusfruit, artikelen 15 en 17 reserveren 5250 miljoen lire voor structuurverbeteringen bij de produktie van amandelen, noten en groene amandelen.
De Commissie acht alle hier besproken en in wet nr. 83 voorziene steunmaatregelen in strijd met verordening nr. 516/77, respectievelijk (bij citrusfruit) met verordening nr. 1035/72. Blijkens de voorlaatste alinea van blz. 7 van haar verzoekschrift heeft zij hierbij voor tomaten in het bijzonder de bij verordening nr. 1152/78 ingevoegde artikelen 3 bis en 3 ter van eerstgenoemde verordening op het oog. Deze artikelen voorzien, voor de verwerking van onder meer tomaten, in communautaire steun bij de produktie. Een karakter van aanvullende produktiesteun wordt door de Italiaanse regering in haar dupliek met betrekking tot de artikelen 8 en 9 van de Siciliaanse wet ook erkend. De parallel met de zaak 72/79 is dan weer vrijwel volkomen.
De artikelen 10, 11, 12, 15 en 17 zouden volgens de Italiaanse regering echter andere doeleinden hebben.
Voor wat betreft de artikelen 10 en 11 acht ik dit verweer niet steekhoudend. Uit het reeds omschreven karakter van de in deze artikelen voorziene steunmaatregelen (bevordering van de verwerking van tomaten door middel van rentesubsidie) blijkt dat ook deze steunmaatregelen een zelfde karakter hebben als de in verordening nr. 516/77 voorziene produktiesteun. Uit artikel 3 bis, tweede lid, blijkt duidelijk, dat deze communautaire steun de verwerking van tomaten in de conservenindustrie omvat. Aanvullende nationale steunmaatregelen ter bevordering van de verwerking van tomaten moeten daarmede in strijd worden geacht.
Artikel 12 van de in geding zijnde wet moet volgens de Italiaanse regering als een steun ter bevordering van producentenverenigingen worden beschouwd en zal door mij in dat licht worden onderzocht. De Commissie heeft onvoldoende duidelijk gemaakt, waarom deze steun ook met de marktordening voor groenten en fruit in strijd zou zijn.
Met haar globale betoog terzake verwijdert zij zich al te ver van artikel 31 van verordening nr. 1035/72, dat ten aanzien van de toepasselijkheid van de artikelen 92 en 93 alleen een voorbehoud maakt voor andersluidende bepalingen van de verordening. Anders dan in de zaak 72/79 en anders dan bij de eerder behandelde thans verweten inbreuken heeft de Commissie niet duidelijk gemaakt, met welke bepalingen van de hier toepasselijke verordening de onderhavige steunmaatregelen in strijd zouden zijn.
Ten aanzien van de artikelen 15 en 17 heeft de Italiaanse regering in haar dupliek en tijdens de mondelinge behandeling betoogd, dat het hier om conservatoire maatregelen op ecologische gronden ten behoeve van met verdwijning bedreigde cultures ging. Uit de tekst van de artikelen lijkt als opgemerkt eveneens te volgen, dat het hier om structuurpolitieke en niet om marktpolitieke maatregelen gaat. De Commissie heeft dit verweer niet werkelijk weerlegd. Zij heeft zelfs niet betoogd, dat ook de hier in het geding zijnde amandelen en noten wel degelijk eveneens communautaire steun genieten, hoewel zij — anders dan de Italiaanse regering meende — wel onder de marktordening voor groenten en fruit (verordening nr. 1035/72, PB L 118 van 1972) vallen (zie artikel 1 van deze verordening in verbinding met post 08.05 van het GDT). De Commissie heeft echter op geen enkele wijze gepreciseerd op welke wijze deze steunmaatregelen in strijd zouden zijn met de bepalingen van de geciteerde gemeenschapsverordening, die anders dan verordening nr. 516/77 niet in een communautair systeem van produktiesteun voorziet.
Ik concludeer dan ook, dat schending van verordening nr. 1035/72 door de artikelen 15 en 17 van genoemde wet ook niet is komen vast te staan.
6. De beweerde schending van de bepalingen in verordeningen nrs. 1035/72 en 1360/78 inzake producentengroeperingen
Blijkens mijn voorafgaande betoog behoeft alleen ten aanzien van artikel 12 van de Siciliaanse wet nr. 83 nog te worden onderzocht of deze bepaling in strijd is met de communautaire wetgeving inzake producentenorganisaties. Van belang is hierbij uitsluitend artikel 14 van verordening nr. 1035/72. Dit artikel laat onder bepaalde voorwaarden en beperkingen nationale steunmaatregelen ten behoeve van producentenorganisaties toe. De Commissie heeft niet aangetoond, dat aan deze voorwaarden en beperkingen in casu niet zou zijn voldaan. Ook ten aanzien van artikel 12 van de wet nr. 83 is derhalve schending van het gemeenschapsrecht niet komen vast te staan.
7. Slotopmerkingen en conclusie
7.1. Slotopmerkingen
Aan het slot van mijn conclusie gekomen maak ik in de eerste plaats nog enkele aanvullende opmerkingen over de procedurele aspecten van de onderhavige zaak.
Te betreuren valt allereerst, dat de Commissie de conclusies van haar verzoekschrift, althans op enkele onderdelen, uiterst summier en in de aangegeven gevallen zelfs zonder voldoende nauwkeurige aanduiding van de bepalingen deiverordeningen die zij geschonden acht, gemotiveerd heeft. Zij heeft ook niet de voor goed begrip van de zaak noodzakelijke teksten van de in geding zijnde Siciliaanse wetten overgelegd. Wanneer de Commissie een beweerde schending van het gemeenschapsrecht voldoende belangrijk acht om deze op grond van artikel 169 aan het Hof ter beoordeling voor te leggen, is het primair haar taak en niet die van het Hof om voor een voldoende instructie van de zaak zorg te dragen. Genoemde teksten, althans de belangrijkste daarvan, zijn pas door de Italiaanse regering als bijlagen van haar verweerschrift ter kennis van het Hof gebracht. De teksten van het verzoekschrift en van het daaraan voorafgaande met redenen omkleed advies waren weliswaar voldoende duidelijk om het de Italiaanse regering mogelijk te maken zich te verdedigen. Uit mijn voorafgaande betoog zal U echter duidelijk zijn geworden, dat ik de betogen van de Commissie op enkele onderdelen niet voldoende gepreciseerd acht om tot verdragsschending op alle in haar verzoekschrift genoemde onderdelen van de Siciliaanse wetgeving te kunnen concluderen. Het kan niet Uw taak zijn, ambtshalve tot het zoeken van relevante bepalingen in verordeningen en de interpretatie daarvan over te gaan, waarover de Commissie niet duidelijk haar zienswijze heeft gegeven en waarover de betrokken Lid-Staat derhalve ook niet haar eventueel afwijkende opvattingen naar voren heeft kunnen brengen. Bij de kostenregeling zal met deze tekortkomingen naar mijn oordeel rekening moeten worden gehouden.
Voor een goede procesgang valt op zich zelf eveneens te betreuren dat de Italiaanse regering zich zo zeer vastgelegd heeft op haar opvatting, dat het tweede onderdeel van de conclusie van het verzoekschrift niet ontvankelijk was, dat zij pas in haar dupliek en tijdens de mondelinge behandeling en dan nog betrekkelijk summier haar verweermiddelen ten gronde heeft voorgedragen. De risico's van dit summiere verweer dienen echter uiteraard te haren laste te komen, voor zover de Commissie voldoende argumenten heeft aangevoerd om — na toetsing van deze argumenten aan de teksten van de relevante verordeningen — te concluderen tot schending van deze teksten door de Siciliaanse steunmaatregelen in de belangrijkste in geding zijnde interventiesectoren (durum tarwe, tafeldruiven en tafelwijnen, alsmede tomaten).
Het argument van de Italiaanse regering, dat de betrokken steunmaatregelen destijds bij hun invoering geen overwegende bezwaren van de zijde van de Commissie hadden ontmoet, acht ik als eerder opgemerkt niet steekhoudend. De overproduktie van bepaalde landbouwprodukten evenals de noodzaak zowel voor deze overschotproduktie als voor andere landbouwprodukten de gemeenschapsdiscipline te versterken kunnen stellig als rechtvaardiging worden beschouwd voor een strikter toezicht op de juiste naleving van de — ook zelf veelal strikter geworden — gemeenschappelijke marktordeningen. Ook de door deze gemeenschappelijke marktordeningen in toenemende mate geschapen mogelijkheid nationale steunmaatregelen rechtstreeks aan voor dit doel voldoende nauwkeurige bepalingen te toetsen verdient op zichzelf ondersteuning. De omvang van het massaprobleem, dat bij de toetsing van landbouwsteunmaatregelen overeenkomstig de ingewikkelde procedure van artikel 93 is ontstaan wordt aldus beperkt. Voor zover de bepalingen van de betrokken verordeningen in dit opzicht niet voldoende duidelijk zijn, zal echter conform de daartoe strekkende bepalingen van de verordeningen zelf teruggevallen moeten worden op de oude procedure van artikel 93 zelf. De aanpak van de Commissie in de onderhavige procedure leidt ertoe, aan deze toepasselijkverklaring van de artikelen 92 tot 94 van het Verdrag in de betrokken verordeningen vrijwel elke concrete betekenis te ontnemen. Een dergelijke interpretatie lijkt met de tekst en de zin van de betrokken bepalingen en met Uw arrest in de zaak 72/79 niet in overeenstemming.
Het argument van de Italiaanse regering, dat ook een aantal steunmaatregelen voor druiven, wijn en tomaten als steun aan producentengroeperingen kunnen worden beschouwd kan niet afdoen aan de constatering, dat deze steunmaatregelen door hun modaliteiten primair een marktordenend doel en gevolg hebben. Zij dienen derhalve primair getoetst te worden aan de gemeenschappelijke marktordeningen.
7.2. Conclusie
Samenvattend concludeer ik:
1.
dat de Italiaanse Republiek door aanmelding na hun aanvaarding van de wetsontwerpen betreffende de wetten van de regio Sicilië nr. 47 van 27 mei 1980; nr. 49 van 4 juni 1980 en nr. 83 van 12 augustus 1980 haar verplichtingen ingevolge artikel 93, lid 3, van het EEG-Verdrag niet is nagekomen;
2.
dat de Italiaanse Republiek door vaststelling van interventiemaatregelen ten behoeve van de landbouw, als bedoeld in artikel 10 van genoemde wet nr. 47 en artikelen 2, 3, 8, 9, 10 en 11 van genoemde wet nr. 83 haar verplichtingen ingevolge artikel 5 van het EEG-Verdrag in verbinding met de verordeningen (EEG) nrs. 2727/75, 337/79 en 516/77 niet is nagekomen;
3.
dat het verzoekschrift van de Commissie voor wat betreft de overige beweerde schendingen van het gemeenschapsrecht dient te worden verworpen;
4.
dat onder toepassing van artikel 69, paragraaf 3, van het Reglement voor de procesvoering elk van de partijen in haar eigen kosten dient te worden verwezen.
Full & Egal Universal Law Academy