CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
P. VERLOREN VAN THEMAAT
VAN 24 MAART 1983
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
In de onderhavige zaak zijn U twee hoofd- en twee subsidiaire vragen gesteld door het Tribunal de Commerce te Bourg-en-Bresse. Voor goed begrip van de feiten, ga ik als eerste onderdeel van mijn conclusie in op de toepasselijke wettelijke regelingen.
1. De toepasselijke wettelijke regelingen
De gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt heeft plaatsgevonden bij verordening nr. 816/70 van de Raad (PB L 99 van 1970, blz. 1). Ten aanzien van de invoer van wijnen van buiten de Gemeenschap geldt als beginsel dat de enkele toepassing van de relevante tariefposten uit het gemeenschappelijk douanetarief een adequate bescherming van de communautaire wijnmarkt oplevert. Dit blijkt uit de derde overweging van deze verordening. Om te vermijden, dat zich toch verstoringen voordoen tengevolge van abnormaal lage prijzen, worden op basis van alle beschikbare gegevens de zogenaamde aanbiedingsprijzen franco-grens berekend (art. 9, lid 2). Is deze prijs, verhoogd met de douanerechten, lager dan de referentieprijs, dan wordt een compenserende heffing vastgesteld (art. 9, lid 3).
In 1976 is tussen de Gemeenschap en de Democratische Volksrepubliek Algerije een interimovereenkomst ondertekend, welke voorafging aan de latere samenwerkingsovereenkomst. Deze interimovereenkomst, die voorziet in preferenties voor het handelsverkeer, is goedgekeurd en ingevoerd bij verordening nr. 1287/76 van de Raad van 28 mei 1976 (PB L 141 van 1976, blz. 1). Artikel 13 van deze overeenkomst voorziet in een verlaging van de douanetarieven voor de post wijn van verse druiven (post 22.05) met 80 %, mits de invoerprijs vermeerderd met de geïnde douanerechten niet lager is dan de communautaire referentieprijs.
Door dit type preferenties wordt het gevaar van marktverstoringen voor de Gemeenschap door wijninvoer uiteraard groter. Daarom is bij verordening nr. 2506/75 van de Raad van 29 september 1975 (PB L 256 van 1975, blz. 2) een meldingssysteem ingevoerd. Lid-Staten moeten aan de Commissie alle gevallen melden van invoer van wijn tegen een prijs die lager is dan de communautaire referentieprijs minus de douanerechten (de referentieprijs franco-grens). Alsdan geldt de preferentie niet (artikel 3, lid 1). Als bewijs dat de referentieprijs is gerespecteerd moet het exporterende land een certificaat overleggen.
Waar het in dit geschetste systeem van marktbescherming om gaat is dus dat de referentieprijs franco-grens vergeleken moet worden met de aanbiedingsprijs franco-grens. Hoe de laatstgenoemde prijs berekend moet worden is voorgeschreven in artikel 1 van verordening nr. 1393/76 van de Commissie van 17 juni 1976 (PB L 157 van 1976, blz. 20). Op de douaneformulieren moeten beide prijzen vermeld worden (artikel 2) zodat een vergelijking van beide grootheden mogelijk wordt. De aanbiedingsprijs franco-grens bestaat uit de prijs fob + vervoer- en verzekeringskosten (artikel 1, lid 1).
Het bestaan van monetaire compenserende bedragen schept ook hier complicaties. Is de munteenheid van de invoerende staat gedeprecieerd, dan moet de aanbiedingsprijs franco-grens worden verminderd met het desbetreffende monetair compenserende bedrag, zoals bepaald is in artikel 1 van verordening nr. 1577/76 van de Commissie van 30 juni 1976 (PB L 172 van 1976, blz. 57).
2. De feiten
Verweerder in het hoofdgeding, de Société des Fils d'Henri Ramel voert in Frankrijk wijn in uit Algerije, welke zij betrekt van eiser in het hoofdgeding, het Algerijnse publiekrechtelijke lichaam Office national de commercialisation des produits viti-vinicoles (ONCV). De tussen beide partijen gesloten contracten bevatte een clausule welke luidt als volgt: „Il est convenu que toute somme provenant d'un montant compensatoire qui sera accordé par l'ONIVIT sera virée directement par l'acheteur au compte du vendeur sur la base des factures complémentaires établies à cet effet.” Tot 1978 heeft Ramel steeds krachtens deze clausule de ontvangen monetair compenserende bedragen afgedragen. In mei van dat jaar weigerde Ramel echter de door het ONCV gezonden aanvullende facturen tot overmaking van monetair compenserende bedragen van respectievelijk FF 623698,91 en 72670,35 te voldoen. Als argument voerde Ramel aan dat deze handelwijze in strijd zou zijn met de desbetreffende communautaire voorschriften en dat de geciteerde contractuele clausule onwettig en dus nietig zou zijn. Het ONCV daagde daarop Ramel voor het Tribunal de Commerce van Bourg-en-Bresse tot betaling van de genoemde bedragen. Ramel diende daarop in reconventie een vordering van een bedrag van FF 1877509,16 in. Deze vordering vindt zijn oorsprong in de door Algerije genationaliseerde wijnhandel, waardoor Ramel zijn dochteronderneming in dat land verloor. Hoewel deze eis in reconventie wellicht meer licht werpt op de weigering van Ramel de monetair compenserende bedragen aan het ONCV over te maken, speelt deze kwestie geen rol bij de prejudiciële vragen die het Tribunal de Commerce aan U heeft voorgelegd. Deze luiden als volgt:
1.
Mag het verkoopbureau van een Maghreb-land wijn uitvoeren naar een Lid-Staat van de Gemeenschap tegen invoerprijzen, die lager zijn dan de referentieprijs, wanneer op die wijn geen volledige of verlaagde douanerechten worden geheven?
Zo neen: mag het dan, om aan de toepassing van dat voorschrift te ontkomen, bedingen dat de wederpartij — importeur in een EEG-land — het de bij de invoer ontvangen monetair compenserende bedragen doorbetaalt om achteraf tegenover de Gemeenschap te kunnen bewijzen dat de gefactureerde prijs overeenkomt met de referentieprijs?
2.
Kunnen de door een importeur in een EEG-land ontvangen monetair compenserende bedragen in de referentieprijs zijn begrepen?
Zo neen: wat is dan de waarde van een overeenkomst tussen een verkoopbureau van een Maghreb-land en een Franse importeur, waarbij deze laatste wordt verplicht de compenserende bedragen aan het verkoopbureau door te geven met het oog op het bewijs dat de referentieprijs in acht is genomen?
Zoals ik nog nader zal toelichten, lijkt het zinvol enerzijds de twee hoofdvragen (over het invoerregime) en anderzijds de twee aanvullende vragen (over het contractuele regime) samen te voegen.
3. De beantwoording van de vragen
De door het Tribunal de Commerce gestelde vragen moeten worden gezien tegen de achtergrond van een mogelijke inbreuk op het communautaire wijninvoerregime doordat de referentieprijzen franco-grens voor de ingevoerde wijn niet altijd zouden zijn nageleefd. Deze inbreuk zou tot stand zijn gekomen door manipulaties met het door de importeur bij invoer van wijn te ontvangen monetaire compenserende bedrag. Deze achtergrond blijkt duidelijk uit het vonnis van de verwijzende rechter, terwijl Ramel zich in zijn memorie en ook tijdens de mondelinge behandeling beijverd heeft om het niet-overmaken van de monetair compenserende bedragen aan het ONCV te rechtvaardigen door te stellen dat aldus aan een inbreuk door het ONCV op de communautaire regels een einde zou zijn gemaakt. Deze loffelijke poging bij te dragen tot de handhaving van het communautaire recht bleek echter niet bestand tegen de door Uw Hof gestelde vragen tijdens de mondelinge behandeling.
Bij de beantwoording van de prejudiciële vragen zal een onderscheid gemaakt moeten worden tussen de mogelijke verstoring van het communautaire invoerregime tengevolge van frauduleuze handelingen en een mogelijke verstoring tengevolge van contractuele bedingen ten aanzien van het monetair compenserende bedrag. Op het eerste aspect is door Ramel in zijn memorie uitvoerig ingegaan, alsmede op de eventuele consequenties daarvan in verband met een overtreding van de Franse douanewetgeving. De vragen van het Tribunal de Commerce hebben alleen op het laatstgenoemde aspect betrekking.
Voor wat betreft het antwoord op de eerste hoofdvraag is het dienstig het door mij eerder uiteengezette systeem van regelgeving in herinnering te roepen. De strekking van het communautaire invoerregime is elke invoer van wijn tegen prijzen lager dan de referentieprijs franco-grens te voorkomen. Vindt een dergelijke invoer toch plaats, dan vervalt de preferentie ten aanzien van de douanerechten en kunnen zelfs compenserende heffingen worden opgelegd. Het invoerregime is dus zodanig opgezet dat elke mogelijkheid om tegen lagere prijzen dan de referentieprijzen franco-grens in te voeren wordt tegengegaan.
Daaraan dient voor goed begrip tegelijk te worden toegevoegd dat dit systeem op zichzelf beschouwd niet door het bestaan van monetaire compenserende bedragen kan worden verstoord. Als aangegeven is het wezenlijke element van dit systeem dat de aanbiedingsprijs franco-grens niet lager mag zijn dan de referentieprijs franco-grens. Dit dient de douane bij invoer aan de hand van overgelegde documenten vast te stellen. Van de aanbiedingsprijs franco-grens is de berekeningswijze aangegeven, welke zodanig is dat een toegekend monetair compenserend bedrag van deze prijs moet worden afgetrokken. Een positief monetair compenserend bedrag kan derhalve niet het invoersysteem verstoren vanwege een mogelijke invoerbevorderende werking. Dit is ook in overeenstemming te achten met de monetaire aspecten van het systeem van verordening nr. 974/71. Ten aanzien van de tweede hoofdvraag moet dan ook worden geantwoord dat de monetair compenserende bedragen in de aanbiedingsprijs franco-grens zijn begrepen en niet in de referentieprijs (franco-grens). Dit laatste is ook naar zijn aard uitgesloten, aangezien de referentieprijzen zijn uitgedrukt in Europese Rekeneenheden.
Uit beide bovenstaande alinea's volgt tevens het antwoord op de eerste hoofdvraag en de eerste subsidiaire vraag. Het antwoord op de eerste hoofdvraag luidt: „Het uitvoeren van wijn door het verkoopbureau van een Maghreb-land tegen invoerprijzen, die inclusief de verlaagde douanerechten lager zijn dan de referentieprijzen franco-grens is in stijd met het gemeenschapsrecht.” Aangezien bij een correcte toepassing van het invoerregime het effect van een monetair compenserend bedrag neutraal is, luidt het antwoord op de eerste subsidiaire vraag bevestigend. Dit laatste wordt ten volle bevestigd door het arrest in de zaak 74/79 (OCE/Samavins, Jurispr. 1980, blz. 239). In deze zaak kwam een vergelijkbare problematiek aan de orde inzake de uitvoer van wijn uit Marokko. Zoals de Commissie aldaar ook terecht betoogde, doet het er niet toe wie het monetair compenserende bedrag krijgt, zolang de referentieprijzen worden nageleefd (cursivering toegevoegd, daar deze voorwaarde juist in de onderhavige zaak van bijzonder belang is). De rechtsvoorschriften van het systeem van monetair compenserende bedragen bevatten terzake ook geen enkel voorschrift. Hij die de in- of uitvoerformaliteiten verricht, ontvangt dan wel betaalt het bedrag. Ik voeg daaraan toe dat Uw Hof in verschillende arresten, in het bijzonder in de zaak 74/74 (CNTA t. Commissie, Jurispr. 1975, blz. 533), heeft uitgemaakt dat een monetair compenserend bedrag niet de functie heeft van een garantie voor de individuele handelaar, maar dient om de desbetreffende marktordening tegen verstoringen van monetaire aard te beschermen. Vanuit deze doelstelling van de monetair compenserende bedragen kan eveneens worden geconcludeerd dat privaatrechtelijke voorwaarden ten aanzien van de bestemming van de monetair compenserende bedragen vanuit communautairrechtelijk oogpunt als zodanig niet relevant zijn. Waarop het uiteindelijk aankomt is de vaststelling van de aanbiedingsprijs, niet de wijze van haar samenstelling.
Met deze beschouwingen is tevens de tweede subsidiaire vraag beantwoord, in die zin dat een overeenkomst inzake de bestemming van monetair compenserende bedragen moet worden beoordeeld naar het nationale verbintenissenrecht en niet naar het gemeenschapsrecht. Dit is in overweging 7 van het arrest in de eerder genoemde zaak 74/79 door Uw Hof ondubbelzinnig geformuleerd.
De in het bovenstaande voorgestelde beantwoording van de prejudiciële vragen wordt niet anders in het geval de referentieprijzen franco-grens niet zijn nageleefd door frauduleuze handelingen. Indien de exporteur genoegen neemt met een prijs die met inbegrip van de monetaire compenserende bedragen gelijk is aan de referentieprijs franco-grens, is de importeur in staat wijn in te voeren tegen een lagere dan deze laatstgenoemde prijs, indien hij het te ontvangen monetair compenserende bedrag niet (aldus ook de Commissie in antwoord op mijn vraag) overmaakt aan de exporteur. Het communautaire invoersysteem wordt in een dergelijk geval inderdaad verstoord, maar niet door de werking van het monetair compenserende bedrag of de daaraan gegeven contractuele bestemming, maar door de frauduleuze handelingen van de betrokken partijen. In casu zou — anders dan de firma Ramel stelt — juist het niet-nakomen van de contractuele bepaling inzake het uitgekeerde monetair compenserende bedrag een zodanige frauduleuze handeling kunnen impliceren.
Uit mijn betoog is gebleken, dat het antwoord op de U gestelde vragen wordt vereenvoudigd wanneer enerzijds de twee hoofdvragen (over het gemeenschapsrechtelijke invoerregime) en anderzijds de twee aanvullende vragen (over de contractuele bestemming van de monetaire compenserende bedragen) worden samengevoegd. Het door de Franse autoriteiten uit te keren monetaire compenserende bedrag blijkt immers bij de vaststelling van de aan de referentieprijs te toetsen aanbiedingsprijs mede een rol te kunnen spelen. De eerste hoofdvraag kan derhalve moeilijk los van de tweede hoofdvraag worden beantwoord. Bovendien bleek de tweede hoofdvraag niet geheel gelukkig te zijn geformuleerd. Tenslotte hebben de twee aanvullende vragen in feite een gelijke strekking, die een gezamenlijke beantwoording mogelijk maakt. Die strekking is om de gemeenschapsrechtelijke relevantie van contractuele bepalingen inzake de bestemming van ontvangen monetaire compenserende bedragen vast te stellen.
Ik stel U derhalve voor de vragen van het Tribunal de commerce na hun samenvoeging als aangegeven te beantwoorden als volgt:
1.
In het geval van de invoer van wijn uit een Maghreb-land dient de aanbiedingsprijs franco-grens van deze produkten, gecorrigeerd met het toepasselijke monetaire compenserende bedrag, niet lager te zijn dan de referentieprijs franco-grens.
2.
Onverminderd de beoordeling van de daaruit resulterende aanbiedingsprijs aan de onder 1 genoemde voorwaarde, behoort de vraag naar de geldigheid van een contractuele bepaling tussen een importeur en een exporteur inzake de ontvangst van een monetair compenserend bedrag, als zodanig tot het gebied van het verbintenissenrecht en niet tot dat van het gemeenschapsrecht.
Full & Egal Universal Law Academy