CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
C. O. LENZ
van 14 november 1985 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
I — Gemeenschappelijke voorgeschiedenis van de drie procedures
In de zaken waarin ik heden conclusie neem, staan enkele problemen centraal die zich hebben voorgedaan bij de bevordering van verzoeker, een hoofdadministrateur van de rang A5, binnen zijn loopbaan naar de rang A4. In zaak 186/84 speelt daarnaast de vraag of verzoekers beoordelingsrapport betreffende de periode 1 juli 1977 — 30 juni 1979 geldig is.
1.
Alvorens voor deze drie zaken een samenvatting van de feiten te geven, lijkt het mij dienstig, een korte schets te geven van de verschillende fasen van de door verweerster gevolgde bevorderingsprocedure. ( 1 )
In een eerste fase stelt de administratie een lijst op van alle ambtenaren die op grond van artikel 45, lid 1, tweede alinea, Ambtenarenstatuut kunnen worden bevorderd, dat wil zeggen de lijst van bevorderbare ambtenaren.
Daarop selecteert elk directoraatgeneraal of vergelijkbare eenheid in een tweede fase van deze lijst van bevorderbare ambtenaren de ambtenaren die het voor bevordering voordraagt.
In een derde fase treedt een paritair samengesteld bevorderingscomité op. Dit beschikt bij zijn werkzaamheden over de lijst van bevorderbare ambtenaren, de persoonsdossiers en de met redenen omklede bevorderingsvoordrachten van de directoratengeneraal. Het is niet aan deze voordrachten gebonden, doch kan eigen voordrachten doen.
Het bevorderingscomité heeft tot taak om op grond van een selectie na onderlinge vergelijking van de verdiensten van alle bevorderbare ambtenaren een ontwerplijst op te stellen waarop die ambtenaren voorkomen die het meest voor bevordering in aanmerking komen. Voor deze selectie op grond van de verdiensten van de ambtenaren heeft verweerster beoordelingsmethodes vastgesteld. ( 2 ) Deze voorzien in een puntenstelsel waarin rekening wordt gehouden met de plaats op de lijst van voordrachten van de directoratengeneraal, de beoordelingen in de beoordelingsrapporten, de anciënniteit in de rang, de anciënniteit in de dienst en de leeftijd van de ambtenaren. Inzonderheid worden aan degenen die op de voordrachtlijsten van de directoratengeneraal de eerste, tweede en derde plaats innemen, naar gelang van de grootte van de lijsten, 70, 45 of 20 punten toegekend, kunnen voor de beoordelingsrapporten maximaal 28 punten worden aangerekend, en kunnen voor anciënniteit in de rang maximaal 28, voor anciënniteit in de dienst maximaal 20 en voor leeftijd maximaal 65 punten worden toegekend. Extra punten worden toegekend aan ambtenaren die 15 jaar of meer in dezelfde rang hebben gewerkt (4 punten) of die direct als ambtenaar op proef in de rang A5 zijn aangesteld (7 punten). Ten slotte krijgt elke ambtenaar die op de voordrachtlijsten van het bevorderingscomité was geplaatst, doch niet is bevorderd, 25 punten extra. Aan de hand van dit puntenstelsel stelt het bevorderingscomité een ontwerplijst op van de ambtenaren die het met het oog op de bevordering het meest verdienstelijk acht. Deze lijst zendt het samen met een met redenen omkleed rapport aan het tot aanstelling bevoegd gezag.
In een vierde fase stelt het tot aanstelling bevoegd gezag de lijst vast van de ambtenaren die hem in verband met bevordering het meest verdienstelijk voorkomen.
In een vijfde fase gaat het tot aanstelling bevoegd gezag, naar gelang van de begrotingsmogelijkheden, tot bevordering over. Bij deze bevorderingen kan het echter enkel ambtenaren in aanmerking laten komen die voorkomen op de in de vierde fase vastgestelde lijst.
2.
Nu over tot de feiten
Verzoeker, geboren in 1927, trad op 1 oktober 1969 volgens de voor uitzonderingsgevallen voorziene procedure van artikel 29, lid 2, Ambtenarenstatuut zonder voorafgaand vergelijkend onderzoek als hoofdadministrateur (rang A5, salaristrap 3) op proef in dienst bij de Commissie. Op 1 april 1970 werd hij aangesteld tot ambtenaar in vaste dienst. Hij werd achtereenvolgens bij verschillende afdelingen van het directoraatgeneraal VI (Landbouw) ingezet en was sinds 1973 werkzaam bij afdeling VI A 3 „Internationale landbouworganisaties”.
In het kader van een reorganisatie van het directoraatgeneraal Landbouw, waartoe de Commissie op 22 november 1978 had besloten, zou verzoeker ingevolge een beschikking van 13 maart 1979 ( 3 ) met ingang van 15 januari 1979 worden ingezet bij de afdeling VI B 3 „Wetgeving inzake plantaardige produkten en diervoeding”. In tegenstelling tot andere documenten in het persoonsdossier van verzoeker, bevindt zich bij deze beschikking geen ontvangstbevestiging. Het beoordelingsrapport van verzoeker betreffende het tijdvak 1 juli 1977 — 30 juni 1979 ( 4 ) vermeldt in zijn eerste versie als datum van overplaatsing van verzoeker, 15 januari 1979; in de verbeterde versie is dit echter pas 12 maart 1980.
In een brief van 10 januari 1979 aan de directeurgeneraal van het directoraatgeneraal Landbouw ( 5 ) en in een latere brief van 19 januari 1979 aan de directeurgeneraal van het directoraatgeneraal Personeelszaken en Algemeen beheer ( 6 ) verklaart verzoeker te hebben vernomen, dat hij zou worden overgeplaatst naar het pas gecreëerde directoraat B van het directoraatgeneraal Landbouw. Onder verwijzing naar zijn vroegere werkzaamheden — onderhandelingen over niet-tarifaire handelsbelemmeringen in het kader van de GATT/technische handelsbelemmeringen — vroeg verzoeker overplaatsing aan naar het directoraatgeneraal III directoraat A, waarvan de taak onder meer bestond in de opheffing van technische handelsbelemmeringen. In 1977 waren aan dit directoraatgeneraal de desbetreffende bevoegdheden van het directoraat H van het directoraatgeneraal Landbouw, waaronder verzoeker tot dan toe had geressorteerd, overgedragen. Verzoeker heeft destijds een kopie van genoemde brief van 10 januari 1979 aan de directeurgeneraal van het directoraatgeneraal Landbouw doen toekomen aan het lid van de Commissie onder wiens verantwoordelijkheid landbouw en visserij vielen.
Op 20 februari 1979 kreeg verzoeker op weg naar zijn werk een ongeval dat leidde tot een arbeidsongeschiktheid van aanvankelijk 35% en later 50%.
Bij schrijven van 12 maart 1980 ( 7 ) deelde de directeurgeneraal van het directoraatgeneraal Landbouw verzoeker mede, dat was besloten om hem met ingang van 15 januari 1979 in te zetten bij de afdeling „Wetgeving inzake plantaardige produkten en diervoeding”. Als gevolg van deze nieuwe tewerkstelling moest verzoeker van gebouw veranderen, hetgeen de medische dienst van de Commissie overigens bij schrijven van 8 april 1980 ( 8 ) ontried.
Toen verzoeker op 16 juni 1980 zijn werkzaamheden in het nieuwe gebouw aanving, wees hij erop dat de weg naar zijn nieuwe kantoor voor hem veel bezwaarlijker was dan de toegang tot zijn oude bureau, hetgeen dus niet in overeenstemming was met de voorschriften van de medische dienst van de Commissie. ( 9 ) Interventies van de medische dienst en de personeelsdienst in 1981 leidden ertoe, dat verzoeker vervoer per dienstauto kreeg van zijn huis naar de dienst en terug. ( 10 )
Per 1 april 1982 werd verzoeker overgeplaatst naar het directoraatgeneraal XI „Milieuzaken, consumentenbelangen en nucleaire veiligheid”, afdeling B 1 „Bescherming van de gezondheid van de consument”. Nadat hij door zijn nieuwe directoraatgeneraal in de jaren 1983 en 1984 voor bevordering was voorgedragen, werd hij met ingang van 1 januari 1984 bevorderd naar de rang A4.
II — Zaak 173/82
A.
Verzoeker, die reeds bij zijn indiensttreding was ingedeeld in de rang A5, was in de jaren 1977 en 1978 door zijn directoraatgeneraal voorgedragen voor bevordering naar de rang A4. Op een lijst van 18 ambtenaren was hij als 17e geplaatst. ( 11 ) In de jaren 1979 tot en roet 1982 werd hij niet meer door zijn directoraatgeneraal voorgedragen. De ontwerplijsten waren overigens in de jaren 1979 tot en met 1982 wel korter, zij omvatten niet meer 18 ambtenaren, zoals in 1977 en 1978, maar 8 respectievelijk 6, 8 en 11 ambtenaren.
Het bevorderingscomité had verzoeker in de jaren 1977 en 1978 niet op zijn lijst met voordrachten opgenomen, zodat hij uiteindelijk toch niet bevorderd kon worden.
Tegen het besluit van zijn directoraatgeneraal om hem niet voor bevordering voor te dragen, heeft verzoeker op 23 juni 1982 een klacht ingediend ( 12 ) en op 28 juni 1982 beroep ingesteld. Eveneens op 28 juni 1982 diende hij bij het Hof een verzoek om voorlopige maatregelen in met het doel de procedure voor de bevordering van ambtenaren naar de rang A4 van 1982 te doen schorsen. Het Hof wees dit verzoek bij beschikking van 29 november 1982 af (Jurispr. 1982, blz. 4047) met de overweging, dat te veel vertraging in de bevorderingsprocedure schadelijk zou zijn voor de dienst en inbreuk zou maken op de beginselen van behoorlijk bestuur. Overigens zou verzoeker niets hebben aangevoerd dat de gegrondheid van zijn beroep voorshands aannemelijk maakte. In elk geval stond niets aan een passende vergoeding van de eventueel door hem geleden schade in de weg.
Bij besluit van 17 september 1982 ( 13 ) wees verweerster de klacht af met het argument, dat de voordrachten van de directoratengeneraal niet meer dan voorbereidende handelingen zijn die de rechtspositie van de ambtenaren niet beïnvloeden en bijgevolg geen bezwarende besluiten zijn. Enkel het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag om een reeks ambtenaren aan het slot van de bevorderingsprocedure te bevorderen, zou kunnen worden aangevochten met een klacht en een beroep, waarin dan ook eventuele gebreken van de voorbereidende handelingen konden worden gewraakt. Tegen dit afwijzende besluit is het beroep in zaak 173/82 gericht.
Nadat het bevorderingscomité zijn voorstel aan verweerster had doen toekomen ( 14 ), stelde deze op 22 juli 1982 de lijst op van ambtenaren die als eersten in aanmerking kwamen voor een bevordering naar de rang A4; zij publiceerde deze lijst op 6 augustus 1982. ( 15 ) In zijn conclusie van repliek van 17 november 1982 in zaak 173/82 vermeerderde verzoeker zijn eis met een vordering tot nietigverklaring van deze lijst.
Verzoeker concludeert tot nietigverklaring van
1)
de besluiten van verweerster om:
a)
hem noch op de lijst met voordrachten van het directoraatgeneraal op te nemen
b)
noch op de lijst van de meest verdienstelijke ambtenaren die voor bevordering in aanmerking komen, en van
2)
de gehele procedure van het bevorderingscomité voor het jaar 1982, wat betreft de bevorderingen naar de rang A4, en
3)
tot veroordeling van verweerster in de kosten van het geding.
Verweerster concludeert tot
1)
niet-ontvankelijkverklaring, althans verwerping van het beroep,
2)
veroordeling van verzoeker in de kosten van het geding.
B.
1.
a)
Verweerster acht zowel het beroep als de vermeerdering van eis niet ontvankelijk, daar zij enkel tegen een voorbereidende handeling zijn gericht. Het beroep moet gericht zijn tegen het definitieve besluit, in casu het besluit over de opstelling van de lijst van naar de rang A4 bevorderde ambtenaren.
b)
Aan verweerster moet allereerst worden toegegeven, dat beroepen tegen zuiver voorbereidende handelingen inderdaad volgens de rechtspraak van het Hof niet ontvankelijk zijn. Dit heeft het Hof onder meer uitgemaakt in zijn beschikking van 9 juni 1980 (zaak 123/80 en 123/80 R, B. tegen Europees Parlement, Jurispr. 1980, blz. 1789) en in het arrest van 1 juli 1964 (zaak 80/63, De Greef, Jurispr. 1964, blz. 809). In laatstgenoemde zaak overwoog het Hof onder meer:
„... dat volgens artikel 91, lid 1, van het Statuut de geschillen ‚tussen een der Gemeenschappen en een persoon waarop dit statuut van toepassing is’, betrekking hebben op ‚de wettigheid van een voor deze persoon bezwarend besluit’; dat slechts die beschikkingen als bezwarende besluiten kunnen worden beschouwd, die rechtstreekse gevolgen hebben voor de rechtspositie van de ambtenaren.”
Vervolgens verklaarde het Hof het beroep in die zaak niet ontvankelijk voor zover het betrekking had op een advies van de integratiecommissie, ondanks bet feit dat haar advies het tot aanstelling bevoegd gezag bond. Eerst de op het advies van die commissie steunende ontslagbeschikking werd door het Hof als het verzoeker bezwarend besluit aangemerkt.
Van een voorbereidende handeling was heel duidelijk sprake in zaak 123/80, waarin de betrokken verzoeker het ontwerp van een besluit had aangevochten, dat hem was meegedeeld opdat hij zijn standpunt kenbaar kon maken voordat het besluit zou worden genomen.
In het licht van genoemde criteria moet allereerst worden vastgesteld, dat aan de bevorderingsvoordrachten van de directoratengeneraal binnen de bevorderingsprocedure als geheel zeker een belangrijke betekenis toekomt. Met name wanneer de ambtenaar bovenaan de lijst met voordrachten staat, heeft hij goede kans om door het bevorderingscomité in aanmerking te worden genomen.
Desondanks zijn de voordrachten van de directoratengeneraal niet-bindende voorbereidende handelingen, want het bevorderingscomité is bij zijn keuze niet beperkt tot de ambtenaren die door de directoratengeneraal zijn voorgedragen. Een ambtenaar die door zijn directoraatgeneraal niet in aanmerking is genomen, kan zich tot het bevorderingscomité wenden met het verzoek hem wel in aanmerking te nemen, hetgeen verzoeker ook heeft gedaan.
Pas de door het tot aanstelling bevoegd gezag op te stellen lijst van de meest verdienstelijke ambtenaren die voor bevordering in aanmerking komen, vormt een definitieve maatregel omdat een hierop niet genoemde ambtenaar niet kan worden bevorderd ( 16 ) (dit geldt overigens ook voor de vaststelling van de lijst van bevorderbare ambtenaren, daar degene die daarop niet voorkomt, niet in de bevorderingsprocedure kan worden betrokken).
Concluderend acht ik het beroep in zaak 173/82 in zijn oorspronkelijke versie niet ontvankelijk.
Mocht het Hof het beroep wel ontvankelijk achten — uit het arrest van 11 juli 1985 (zaak 236/82, Bräutigam, Jurispr. 1985, blz. 2401) zou men wellicht kunnen afleiden, dat juist in ambtenarenzaken de ont- vankelijkheidseisen niet al te hoog zijn —, dan moet allereerst worden opgemerkt, dat dan in elk geval de uitbreiding van bet beroep tot verdere geschilpunten ongeoorloofd is. Er is hier geen sprake van het voordragen van nieuwe middelen die steunen op gegevens waarvan eerst in de loop van de schriftelijke behandeling is gebleken, wat ingevolge artikel 42, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering geoorloofd zou zijn. Bij het aanvechten van de procedure van het bevorderingscomité en de vaststelling van de lijst van de meest verdienstelijke ambtenaren die voor bevordering in aanmerking komen, is veeleer sprake van een nieuw onderwerp van geschil in de zin van artikel 38, paragraaf 1, sub c, waarmee wij ons bij de behandeling van het tweede beroep (zaak 157/83) zullen bezighouden.
Subsidiair zou vervolgens ook op de gegrondheid van het beroep moeten worden ingegaan:
2.
a)
Het eerste middel behelst de klacht, dat de directeurgeneraal van het directoraatgeneraal waarbij verzoeker op genoemd tijdstip werkzaam was, bevorderingsvoorstellen heeft gedaan hoewel noch over de periode 1977/1979 noch over de periode 1979/1981 een beoordelingsrapport was opgesteld als bedoeld in artikel 43 Ambtenarenstatuut; de in artikel 45 Ambtenarenstatuut voorgeschreven onderlinge vergelijking van de verdiensten heeft dus niet kunnen plaatsvinden.
Onder verwijzing naar de rechtspraak van het Hof stelt verweerster, dat wanneer een beoordeling in strijd met de regels ontbreekt, de betrokken ambtenaar moet bewijzen dat deze omstandigheid een beslissende invloed heeft gehad op de bevorderingsprocedure. Vast moet staan, dat de litigieuze besluiten anders zouden zijn uitgevallen indien rekening had kunnen worden gehouden met de betrokken beoordelingen. Verzoeker heeft echter niets aangevoerd waaruit deze conclusie zou kunnen worden getrokken.
b)
Volgens vaste rechtspraak van het Hof (zie arresten van 23 januari 1975, zaak 29/74, De Dapper, Jurispr. 1975, blz. 35; 5 juni 1980, zaak 24/79, Oberthür, Jurispr. 1980, blz. 1743; 17 december 1981, gevoegde zaken 156/79 en 51/80, Gratreau, Jurispr. 1981, blz. 3139; 27 januari 1983, zaak 263/81, List, Jurispr. 1983, blz. 103) vormt het beoordelingsrapport, dat ingevolge artikel 43 Ambtenarenstatuut ten minste om de twee jaar moet worden opgesteld, een onontbeerlijk beoordelingscriterium telkens wanneer het hiërarchiek gezag een besluit moet nemen „dat de loopbaan van een ambtenaar raakt”. Zo kan krachtens artikel 45, lid 1, van het Statuut bevordering uitsluitend geschieden na een onderzoek waarbij de verdiensten der ambtenaren die voor bevordering in aanmerking komen, alsmede de beoordelingsrapporten die over hen zijn uitgebracht, onderling worden vergeleken. De onderlinge vergelijking van de verdiensten van kandidaten voldoet niet aan de op grond van artikel 45 te stellen eisen wanneer voor sommige kandidaten reeds een beoordelingsrapport overeenkomstig artikel 43 is opgesteld, terwijl dit voor anderen nog niet is gebeurd.
In genoemd arrest heeft het Hof echter, anders dan verweerster meent, niet het beginsel uitgesproken, dat de verzoekende partij moet bewijzen dat de afwezigheid van het beoordelingsrapport een beslissende invloed heeft gehad op de bevorderingsprocedure. In zaak 156/79 was het Hof op grond van eigen onderzoek tot de overtuiging gekomen, dat ook een tijdig opgesteld beoordelingsrapport niet tot bevordering van verzoeker zou hebben geleid.
In zaak 263/81 ging het niet om een bevordering, maar om een sollicitatie naar een post binnen de loopbaan van verzoeker. Dit bood het Hof de mogelijkheid om vast te stellen, dat zijn vroegere rechtspraak niet impliceerde, dat alle kandidaten zich ten aanzien van de stand van hun beoordelingsrapporten op het tijdstip waarop over de benoeming wordt beslist, in precies dezelfde positie moeten bevinden.
In het arrest in zaak 24/79 heeft het Hof ten slotte de vordering van verzoekster tot nietigverklaring van de bevorderingsbesluiten enkel daarom niet toegewezen, omdat nietigverklaring van de bevordering van 40 daadwerkelijk bevorderde ambtenaren een te strenge sanctie zou vormen voor de begane onregelmatigheid. In plaats daarvan heeft het de Commissie veroordeeld tot betaling van een bepaald bedrag aan schadevergoeding voor de begane dienstfout, hoewel hiertoe niet was geconcludeerd.
Hoewel verweersters beroep op de rechtspraak van het Hof geen doel treft, ben ik niettemin van mening, dat het ontbreken van het beoordelingsrapport niet mag leiden tot nietigverklaring van de lijst met voordrachten van het directoraatgeneraal.
Dat de beoordelingsrapporten — dat wil zeggen de beoordelingsrapporten betreffende de periodes 1977/1979 en 1979/1981 — ontbraken, moet zeker als een ernstige dienstfout van verweerster worden aangemerkt, doch men moet anderzijds bedenken dat ook bij een directoraatgeneraal met ongeveer 700 ambtenaren het aantal hoofdadministrateurs van de rang A5, dat voor bevordering in aanmerking komt, niet buitengewoon groot is. Uit de lijst van het aantal ambten van de Commissie, opgenomen in de begroting van 1982 ( 17 ), gezien in samenhang met het organigram voor die periode, kan worden afgeleid dat destijds bij het directoraatgeneraal Landbouw ongeveer 40 à 50 hoofdadministrateurs van de rang A5 werkzaam moeten zijn geweest. Dit aantal is dus niet zo groot, dat uitgesloten moet worden geacht dat de betrokken directeurgeneraal zich na ruggespraak met directeuren en afdelingshoofden een beeld heeft kunnen vormen van de bekwaamheid, prestaties en het gedrag in de dienst van de genoemde ambtenaren, ook indien de in artikel 43 van het Statuut bedoelde beoordelingsrapporten nog niet aanwezig waren.
3.
a)
In een tweede middel stelt verzoeker, dat hij niet meer op de voordrachtlijst van het directoraatgeneraal is opgenomen enkel omdat de directeurgeneraal van zijn directoraatgeneraal van mening was dat hij niet meer die diensten kon verrichten die men van hem mocht verwachten. Deze mening berustte met name op het feit dat hij de hem opgedragen functie niet kon vervullen, omdat zijn bureau zich bevond in een gebouw waarvan het betreden schadelijk was voor zijn gezondheid.
Verweerster bestrijdt dit en wijst erop, dat in verband met de beperkte bevorderingsmogelijkheden de voordrachtlijsten van het directoraatgeneraal VI sinds 1979 over de gehele linie korter zijn. De voordrachtlijst is van 18 voordrachten in 1977/1978 teruggevallen op 6 voordrachten in 1980 om vervolgens in 1982 weer 11 voordrachten te omvatten. Overigens worden de bevorderingsvoordrachten van het directoraatgeneraal gepubliceerd voordat het bevorderingscomité zich ermee bezighoudt. De niet in aanmerking genomen ambtenaren hebben dus de mogelijkheid om zich direct tot het bevorderingscomité te wenden. Van dit recht heeft verzoeker gebruik gemaakt.
b)
De redenering van verweerster is hier mijns inziens overtuigend. Verzoeker heeft geen enkel steekhoudend argument aangevoerd dat zijn bewering zou kunnen schragen. In het bijzonder zijn verhaal over de beweegredenen voor het gedrag van zijn directeurgeneraal berust uitsluitend op geschriften die hij zelf heeft opgesteld; deze zijn als bewijsmiddel in dit verband niet geschikt.
Overigens overtuigt het betoog van verweerster, dat de inkrimping van de voordrachtlijsten in verband stond met de beperkte bevorderingsmogelijkheden. Niets pleit voor de opvatting, dat verzoeker bij gereduceerde bevorderingsvoordrachten noodzakelijkerwijs tot de voorgedragen ambtenaren had moeten behoren, nu er enerzijds minder bevorderingsmogelijkheden waren en het anderzijds niet is uit te sluiten, dat hoofdadministrateurs van de rang A5 met een lagere anciënniteit konden oprukken tot de kring van ambtenaren die overeenkomstig artikel 45 bevorderbaar waren.
Ik stel daarom voor ook het tweede middel te verwerpen.
4.
a)
In een derde middel verwijt verzoeker verweerster misbruik van bevoegdheid; hij baseert deze bewering enerzijds op hetgeen hij met betrekking tot het tweede middel heeft voorgedragen, en voorts op de onvriendelijke tot vijandige houding die zijn directeurgeneraal jegens hem aan de dag zou hebben gelegd. Hij zou hem met name niet hebben toegestaan om 19 verlofdagen die hij in eerdere jaren niet had opgenomen, naar latere vakantiejaren over te boeken.
Verweerster stelt, dat zij met betrekking tot de arbeidsplaats van verzoeker de voorstellen van de medische dienst heeft gevolgd. Met betrekking tot de niet-overboeking van verlofdagen voert zij aan, dat de mogelijkheid tot overboeking van verlofdagen ingevolge artikel 4, eerste alinea, van bijlage V bij het Statuut normaliter is beperkt tot 12 dagen, tenzij de ambtenaar zijn verlof niet heeft kunnen opnemen om redenen van dienstbelang. Verzoeker had dus geen verdergaand recht op overboeking van verlofdagen. Overigens bedroeg het aantal over te boeken verlofdagen niet 19, maar 12,5, zodat verzoeker slechts een halve verlofdag heeft verloren.
b)
Zoals ik hierboven al naar aanleiding van het tweede middel heb opgemerkt, heeft verzoeker geen bewijzen aangedragen voor een principieel vijandige houding van zijn directeurgeneraal. Op het nieuwe argument, dat betrekking heeft op de niet-overboeking van vakantierechten naar het volgende jaar, kan worden geantwoord met een eenvoudige verwijzing naar de tekst van artikel 4, eerste alinea, van bijlage V bij het Ambtenarenstatuut. Volgens dit artikel kan een ambtenaar ten hoogste 12 verlofdagen naar het volgende jaar doen overboeken indien hij zijn vakantieverlof anders dan om redenen van dienstbelang niet volledig heeft opgenomen. Dat verzoeker om redenen van dienstbelang niet in staat zou zijn geweest zijn vakantie op te nemen, heeft hij zelfs niet gesteld.
5.
Concluderend geef ik het Hof dan ook in overweging het beroep in zaak 173/82 te verwerpen.
Hoewel verzoeker mijns inziens dus niet in het gelijk zal worden gesteld, stel ik toch voor, om de in het gelijk gestelde verweerster overeenkomstig artikel 69, paragraaf 3, tweede alinea, in de kosten te verwijzen. De onderhavige procedure is namelijk in belangrijke mate terug te voeren op een grove dienstfout van verweerster, te weten het ontbreken van de beoordelingsrapporten betreffende de jaren 1977/1979 en 1979/1981. Ingevolge artikel 6, lid 1, van de algemene uitvoeringsbepalingen van verweerster van 27 juli 1979 had het beoordelingsrapport uiterlijk op 30 november 1979 aan verzoeker ter hand moeten zijn gesteld. In feite is dit pas op 24 februari 1981 gebeurd, dat wil zeggen met een vertraging van krap vijftien maanden. Overigens kan niet worden aangenomen, dat de ambtenaren van de Commissie vrij kunnen beschikken over de in de uitvoeringsbepalingen genoemde termijnen, want gezien het menselijk herinneringsvermogen zijn zij zonder meer gerechtvaardigd.
Men moet niet vergeten, dat toen de litigieuze bevorderingsvoordrachten werden gedaan, het laatste beoordelingsrapport van verzoeker betrekking had op een periode die eindigde op 30 juni 1977, dat wil zeggen vijf jaar eerder. Voor deze aanzienlijke en onverklaarbare vertraging heeft verweerster geen steekhoudende redenen gegeven, en het lijkt mij dan ook redelijk om haar in verband hiermee in de proceskosten te verwijzen.
III — Zaak 157/83
A.
Op 22 juli 1982 stelde verweerster de lijst vast van de meest verdienstelijke ambtenaren die voor bevordering naar de rang A4 in aanmerking kwamen. Op 27 oktober 1982 ( 18 ) diende verzoeker een klacht in omdat zijn naam niet op genoemde lijst van 1982 voorkwam. Deze klacht werd bij besluit van 16 februari 1983 afgewezen. ( 19 ) Voor de motivering verwees verweerster naar haar besluit van 17 september 1982 en zij voegde hieraan toe, dat ambtenaren overeenkomstig artikel 45 Ambtenarenstatuut geen subjectief recht op bevordering hebben, daar bevordering plaatsvindt op grond van een selectie na onderlinge vergelijking van de verdiensten van de ambtenaren die het meest voor bevordering in aanmerking komen.
Op 11 januari 1983 publiceerde de Commissie de lijst van ambtenaren die op grond van de bevorderingsprocedure voor 1982 waren bevorderd. ( 20 ) Omdat zijn naam niet op deze lijst voorkwam, diende verzoeker hiertegen op 23 februari 1983 een klacht ( 21 ), die bij besluit van verweerster van 10 mei 1983 werd afgewezen. ( 22 )
Als motivering werd in dit besluit aangevoerd, dat verzoekers naam niet voorkwam op de lijst van ambtenaren die het meest voor bevordering in aanmerking kwamen; daarom had verweerster hem ook niet kunnen bevorderen. Tegen dit besluit richt zich het beroep in zaak 137/83.
Venoeker vordert:
1)
nietigverklaring van het besluit om hem niet op te nemen op de lijst van de in 1982 naar de rang A4 bevorderde ambtenaren, en zonodig van de bevorderingen die hebben plaatsgevonden,
2)
verwijzing van verweerster in de kosten van het geding.
Verweerster vordert:
1)
verwerping van het beroep,
2)
verwijzing van verzoeker in de kosten van het geding.
B.
1.
Het juridisch betoog van verzoeker is in deze zaak gelijk aan dat in zaak 173/82. Met betrekking tot het tweede en derde middel kan ik dan ook geheel verwijzen naar hetgeen ik met betrekking tot zaak 173/82 heb opgemerkt. ( 23 )
Enkel op het eerste middel moet afzonderlijk worden ingegaan, daar dit hier betrekking heeft op feiten in een later stadium.
In zijn eerste middel stelt verzoeker, dat zijn beoordelingsrapporten betreffende de tijdvakken 1977/1979 en 1979/1981 nog niet waren opgesteld toen de bevorderingsvoordrachten van de directoratengeneraal werden opgesteld. Verweerster verdedigt zich met dezelfde argumenten die zij reeds in zaak 173/82 naar aanleiding van dit middel had aangevoerd.
2.
In zaak 173/82 kwam ik tot de slotsom, dat het ontbreken van beide beoordelingsrapporten weliswaar een grove dienstfout van verweerster vormde, doch dat het directoraatgeneraal desondanks in staat was om zich een beeld te vormen van de in aanmerking komende hoofdadministrateurs van de rang A5 en dus om bevorderingsvoordrachten op te stellen. Ik ben tot de conclusie gekomen, dat de in aanmerking komende kring van ambtenaren waarschijnlijk niet zo groot was, dat het voor de leiding van het directoraatgeneraal onmogelijk was om ook indien de beoordelingsrapporten van bepaalde ambtenaren nog niet aanwezig waren, hun bekwaamheden, prestaties en gedrag in de dienst te beoordelen.
Thans moet worden nagegaan of deze redenering ook voor het verdere verloop van de bevorderingsprocedure opgaat. In dit verband verdient het opmerking, dat het paritair bevorderingscomité zich blijkens zijn eindverslag van 14 juli 1982 ( 24 ) over de bevordering van alle ambtenaren van de rangen A7, A6 en A5 heeft gebogen. Ons is niet bekend met hoeveel ambtenaren het comité zich concreet heeft bezig gehouden; bekend is echter over hoeveel vaste ambten van de rangen A7 tot en met A5 verweerster in het begrotingsjaar 1982 beschikte: alleen al binnen de instelling waren dit er meer dan 1200; telt men daarbij ook de functionarissen op die werkzaam waren bij het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek en de functionarissen van de ondergeschikte instanties, dan stijgt het aantal ambten tot boven de 1 600.
Zelfs aangenomen dat op het relevante tijdstip niet alle ambten' waren bezet en dat bovendien niet alle genoemde ambtenaren konden worden bevorderd, dan nog heeft de groep voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren een zo grote omvang bereikt, dat het voor het bevorderingscomité niet meer mogelijk is om beslissingen te nemen op grond van hetgeen hem uit eigen wetenschap over de betrokken ambtenaren bekend is. Voor het bevorderingscomité waren de beoordelingsrapporten van de ambtenaren dan ook onmisbaar voor de beoordeling van de verdiensten van de individuele ambtenaren.
Daar het bevorderingscomité niet over het beoordelingsrapport van verzoeker beschikte, was het in verzoekers geval dus niet in staat diens gespecificeerde beoordelingen op juiste wijze in zijn overwegingen te betrekken.
Nu heeft verweerster tijdens de mondelinge behandeling opgemerkt, dat in die gevallen waarin geen beoordelingsrapport aanwezig is, automatisch wordt teruggegrepen op het vorige beoordelingsrapport en dat indien dit rapport niet over de gehele lijn positief is, aan de betrokken ambtenaar over het algemeen het hoogste aantal punten — 28 — wordt aangerekend.
Naar aanleiding hiervan moet allereerst worden geconstateerd, dat in 1982 ook het beoordelingsrapport over de voorafgaande periode (juli 1977 tot en met juni 1979) ontbrak. Bovendien heeft verweerster enkel in het algemeen aangegeven wat zij in dergelijke gevallen doet. Zij heeft niet aannemelijk gemaakt, dat het bevorderingscomité deze procedure — waarvoor in de algemene uitvoeringsbepalingen van 1981 ( 25 ) ook geen aanknopingspunten zijn te vinden — in verzoekers geval ook werkelijk heeft gevolgd.
Voor zover het verslag van het bevorderingscomité ( 26 ) door verweerster is overgelegd, bevat het in elk geval niets wat op een dergelijke procedure wijst; het zegt uitsluitend in algemene bewoordingen, dat het comité verzoekers geval heeft onderzocht: voor verzoeker zou een nieuwe functie zijn gevonden die hem de gelegenheid bood zijn capaciteiten te bewijzen, zodat hij in de toekomst in aanmerking zou kunnen worden genomen.
Hoewel in het algemeen kan worden gesteld, dat het aantal punten dat voor de gespecificeerde beoordeling kan worden behaald (maximaal 28) bij een beoordelingssysteem waarin meer dan 200 punten kunnen worden behaald, niet doorslaggevend is, is niet uit te sluiten dat ook een klein puntenverschil bepalend kan zijn voor de vraag, of de betrokken ambtenaar uiteindelijk op de lijst met voordrachten van het comité wordt geplaatst of niet.
Overigens betwijfel ik sterk, of de geringe betekenis die in het kader van de bevorderingsprocedure aan de gespecificeerde beoordelingen wordt toegekend, verenigbaar is met artikel 45, lid 1, van het Statuut, dat voorschrijft dat bevordering uitsluitend geschiedt op grond van een selectie na onderlinge vergelijking van de verdiensten van de ambtenaren. Het is mijns inziens in tegenspraak met deze bepaling, dat de gespecificeerde beoordelingen slechts tot een totaal van 28 punten, dat wil zeggen ongeveer 15% van het behaalbare aantal punten, kunnen leiden, terwijl alleen al de leeftijd goed kan zijn voor 65 punten. Zelfs ten aanzien van een criterium als de plaatsing op de lijst met voordrachten van het directoraatgeneraal, dat veel sterker prestatiegebonden is, heeft het Hof reeds in zijn arrest van 1 juli 1976 (zaak 62/75, De Wind, Jurispr. 1976, blz. 1167) laten doorschemeren dat het zich afvroeg, of aan de waardering van de directeurengeneraal ten opzichte van andere beoordelingsfactoren niet een te groot gewicht was toegekend — en dit bij het vroegere beoordelingssysteem waarin aan de beoordeling van de prestaties nog een iets grotere betekenis toekwam.
Bovendien vind ik het onbegrijpelijk, dat de beoordelingen uitstekend, zeer goed of goed alle nivellerend met twee punten worden gehonoreerd. Het is niet duidelijk waarom verweerster in 1979 een gedifferentieerd beoordelingssysteem invoert wanneer vervolgens nauwelijks rekening wordt gehouden met de resultaten daarvan in die gevallen dat het daarop aankomt, dat wil zeggen bij de bevordering. Ik wil hierop echter niet verder ingaan, nu verzoeker hierover geen grief heeft aangevoerd.
Met betrekking tot het ontbreken van het beoordelingsrapport verwijs ik naar het arrest van het Hof van 30 oktober 1974 (zaak 188/73, Grassi, Jurispr. 1974, blz. 1099), waarin het Hof het volgende overwoog (rechtsoverweging 25 en 26):
„... dat ingevolge artikel 45 bevordering uitsluitend geschiedt bij keuze, na een onderzoek waarbij de verdiensten der in aanmerking komende ambtenaren alsmede de beoordelingsrapporten die over hen zijn uitgebracht, onderling worden vergeleken;
dat weliswaar het tot aanstelling bevoegd gezag ten deze over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt, maar dat de uitoefening dier bevoegdheid juist daarom een nauwgezet onderzoek van de stukken... doet veronderstellen.”
Vaststaat dat dit onderzoek niet heeft kunnen plaatsvinden en bijgevolg dat de bevorderingsprocedure aanvechtbaar is.
Desondanks meen ik niet, dat het besluit van verweerster betreffende de bevorderingen naar de rang A4 voor 1982 nietig moet worden verklaard.
In de eerste plaats zij erop gewezen, dat het tot aanstelling bevoegd gezag, volgens de rechtspraak van het Hof, bij bevorderingsbesluiten over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt. Dit brengt mee, dat een ambtenaar die voor bevordering in aanmerking komt, wel recht heeft op een besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag waaraan geen beoordelingsfouten kleven, maar geen recht op de bevordering zelf. In casu biedt niets steun aan de opvatting, dat verzoeker zou zijn bevorderd indien het beoordelingsrapport aanwezig was geweest. De vordering van verzoeker om het bevorderingsbesluit van verweerster nietig te verklaren voor zover bij de bevordering met verzoeker geen rekening is gehouden, kan dan ook niet slagen.
In de door mij gehuldigde opvatting ( 27 ) is een dergelijke beslissing niet nodig. Een ambtenaar die recht heeft om mee te dingen in een bevorderingsronde, kan nog voordat de bevordering zelf heeft plaatsgevonden, de lijst aanvechten van ambtenaren die het meest voor bevordering in aanmerking komen, en trachten zijn rechten door middel van voorlopige voorzieningen veilig te stellen. Voor een aanvechting van de bevordering van andere ambtenaren is dan echter geen plaats meer.
Daarnaast vordert verzoeker, voor zover noodzakelijk, nietigverklaring van de overige bevorderingen naar de rang A4; met betrekking hiertoe moet allereerst worden opgemerkt, dat verzoeker tijdens de mondelinge behandeling duidelijk heeft gemaakt dat hij hier niet per se op staat; hij heeft de vordering echter niet formeel ingetrokken.
Nietigverklaring van het besluit van de Commissie om 51 andere ambtenaren voor 1982 naar de rang A4 te bevorderen, zou de betrokken ambtenaren echter onevenredig zwaar treffen. Ik verwijs in dit verband naar het reeds aangehaalde arrest van 5 juni 1980 (zaak 24/79, Oberthür, Jurispr. 1980, blz. 1743) waarin het Hof het volgende overwoog:
„... dat de nietigverklaring van de bevordering van de 40 ambtenaren die daadwerkelijk in de rang B2 werden bevorderd, een te strenge sanctie voor de begane onregelmatigheid zou vormen, en dat het arbitrair zou zijn de bevordering van de ene ambtenaar van het directoraatgeneraal VII die daadwerkelijk in de rang B2 werd bevorderd, nietig te verklaren.”
In zaak 24/79 liet het Hof het daar niet bij en er direct op laten volgen:
„Daar het in casu echter een beroep in volle omvang betreft, is het Hof zelfs indien een aan de voorschriften beantwoordende conclusie ontbreekt, niet alleen bevoegd, een handeling nietig te verklaren, doch ook indien nodig verweerster ambtshalve te veroordelen tot betaling van een vergoeding wegens de door haar dienstfout toegebrachte morele schade. De toekenning van een dergelijke vergoeding is in casu de vorm van schadeloosstelling die het best tegemoet komt aan de belangen van verzoekster en aan het dienstbelang.”
Ik stel voor om in casu dit voorbeeld te volgen.
In het arrest van 5 juni 1980 overwoog het Hof, dat bij de raming van de geleden schade moest worden bedacht, dat verzoekster kon deelnemen aan een volgende bevorderingsprocedure waarvan de Commissie het regelmatig verloop zou moeten verzekeren. Gelet hierop, kwam het Hof op grond van een raming van de geleden schade ex aequo et bono, tot de conclusie, dat de toekenning van een bedrag van 20000 BFR een passende schadeloosstelling voor verzoekster vormde.
In die zaak ging het om een ambtenares van de rang B3, die in 1978 niet naar de rang B2 was bevorderd.
Bij een ambtenaar van de rang A5 die in 1982 niet naar de rang A4 is bevorderd, acht ik, gelet op het verschil in ambtelijke rang en de salarisontwikkeling, 40000 BFR een passende schadeloosstelling.
Concluderend geef ik het Hof dan ook in overweging, verweerster te veroordelen om aan verzoeker een bedrag van 40000 BFR te betalen als schadeloosstelling voor het ontbreken van de beoordelingsrapporten, en de vordering voor het overige af te wijzen, met veroordeling van verweerster in de kosten van het geding.
IV — Zaak 186/84
A.
In zaak 186/84 gaat het om het over verzoeker uitgebrachte beoordelingsrapport betreffende de periode 1 juli 1977 — 30 juni 1979. ( 28 ) Op 10 februari 1981 is de eerste versie van dit rapport vastgesteld; in september en december 1981 werd dit op detailpunten gewijzigd. De beoordelaar in beroep, die na enkele gesprekken was ingeschakeld, besloot, na het beoordelingscomité ( 29 ) te hebben gehoord, op 7 juli 1983 het beoordelingsrapport ongewijzigd en zonder enige nadere motivering te bevestigen. ( 30 )
Hierbij moet worden aangetekend, dat de Commissie bij besluit van 27 juli 1979 de beoordelingsprocedure in een nieuwe vorm had gegoten. De gespecificeerde beoordelingen werden namelijk gedifferentieerder: volgens het oude beoordelingssysteem werd voor bekwaamheid, prestaties en gedrag in de dienst de beoordeling „hoger dan normaal”, „normaal” of „lager dan normaal” gegeven. Volgens het nieuwe beoordelingssysteem worden de gespecificeerde beoordelingen voor bekwaamheid, prestaties en gedrag in de dienst zelf weer onderverdeeld; het puntenscala wordt verbreed tot 5 eenheden: uitstekend, zeer goed, goed, redelijk, en laat te wensen over. ( 31 )
Artikel 5 van het besluit van 27 juli 1979 bepaalt, dat elke wijziging in de gespecificeerde beoordeling ten opzichte van de vorige beoordeling met redenen moet worden omkleed. De „gids voor de beoordeling”, een stuk dat is uitgegeven door het directoraatgeneraal Personeelszaken en Algemeen beheer van verweerster, bevat echter op bladzijde 46 een voetnoot waarin wordt aangegeven, dat voor de beoordelingsperiode 1977/1979 de motivering van wijzigingen in de gespecificeerde beoordelingen ten opzichte van de voorafgaande beoordeling, niet verplicht is. Iets dergelijks valt ook op te maken uit een ongedateerd rondschrijven van het voor Personeelszaken en Algemeeen beheer verantwoordelijke lid van de Commissie ( 32 ); in de laatste alinea van de eerste bladzijde van dit rondschrijven wordt erop gewezen, dat het nieuwe systeem in belangrijke mate van het voorgaande verschilt en dat alle betrokkenen daarom tot op zekere hoogte ervan af moeten zien, om wat de gespecificeerde beoordelingen betreft, vergelijkingen te trekken met de vroegere beoordelingsrapporten („ ... et réclame donc que tous les intéressés fassent dans une certaine mesure abstraction des notations précédentes, en ce qui concerne les appréciations analytiques”).
Vergelijkt men het beoordelingsrapport 1977/1979 met het eraan voorafgaande, dan moet worden vastgesteld, dat in het voorafgaande rapport de gespecificeerde beoordeling zowel voor bekwaamheid en prestaties als voor gedrag in de dienst „hoger dan normaal” was, terwijl in het rapport voor de periode 1977/1979 de eindbeoordelingen steeds „goed” zijn, doch voor de subrubriek „aanpassing aan de eisen van de dienst” van de rubriek prestaties enkel de beoordeling „redelijk” wordt gegeven.
Beide beoordelingsrapporten zijn opgesteld door dezelfde ambtenaar, nadat deze de directe chef van betrokkene — ook dezelfde gebleven — had gehoord; een reden voor de lage waardering bij de gespecificeerde beoordelingen — van het bovenste derde deel in het oude systeem naar de middelste van vijf categorieën in het nieuwe systeem — werd niet gegeven.
De beoordeelde ambtenaar kan zich overeenkomstig artikel 7, lid 3, van het besluit van 27 juli 1979 tot het paritair beoordelingscomité wenden wanneer hij zich ook niet kan verenigen met de beoordeling van de voordien ingeschakelde beoordelaar in beroep. In zijn advies van 15 juni 1983 ( 33 ) bekritiseert dit comité allereerst het feit dat de termijnen voor de verschillende etappes van de beoordelingsprocedure niet in acht zijn genomen. Verder stelt het vast, dat voor de duidelijke wijziging van de gespecificeerde beoordelingen geen motivering wordt gegeven en dat ook de algemene beoordeling geen motivering bevat voor de gespecificeerde beoordelingen. Met betrekking tot de inhoud van het rapport betwijfelt het comité, dat de beoordeling uitsluitend betrekking heeft op het beoordelingstijdvak. Ten slotte nodigt het de beoordelaar in beroep uit, de voor de afzonderlijke rubrieken gegeven beoordelingen te motiveren en in het bijzonder de beoordeling „redelijk” voor de rubriek „aanpassing aan de eisen van de dienst”.
Terwijl een tot het beoordelingscomité ( 34 ) gerichte, niet ondertekende en ongedateerde standpuntbepaling van de beoordelaar in beroep enige zeer algemene verklaringen bevat over de beoordeling van verzoeker, bevat het definitieve beoordelingsrapport van de beoordelaar in beroep geen enkele motivering.
Op 3 oktober 1983 heeft verzoeker een klacht ingediend ( 35 ) tegen het definitieve beoordelingsrapport, waarbij hij zich in hoofdzaak beriep op de opmerkingen van het paritair beoordelingscomité.
In haar beslissing op de klacht ( 36 ), genomen op 18 april na een schriftelijke procedure, erkent verweerster allereerst, dat zij de termijnen voor de beoordeling niet in acht heeft genomen. Met betrekking tot de inhoud van het beoordelingsrapport verwijst verweerster naar de reeds genoemde standpuntbepaling die door de beoordelaar in beroep voor het paritair beoordelingscomité is opgesteld. Verder beklemtoont verweerster, dat zij niet op de stoel van de beoordelaar kan gaan zitten en de beoordelingen uit het rapport kan gaan wijzigen. Ten slotte wijst zij er nog op, dac de beoordelingen „uitstekend” respectievelijk „zeer goed” en „goed” in de bevorderingsprocedure geheel gelijk worden gewaardeerd) namelijk met 2 punten. ( 37 ) één uitzondering na — de beoordeling „redelijk” levert slechts 1 punt op — zou de beoordeling in zoverre bij de bevorderingsprocedure geen schadelijke invloed kunnen hebben.
Tegen dit besluit van verweerster keert verzoeker zich in zaak 186/84.
Verzoeker vordert:
1)
nietigverklaring van het beoordelingsrapport betreffende de periode 1977/1979 en van de weigering van de beoordelaar in beroep om het rapport op bepaalde punten te wijzigen;
2)
subsidiair veroordeling van verweerster om aan verzoeker een door het Hof ex aequo et bono vast te stellen schadevergoeding te betalen wegens de te late vaststelling van het gewraakte beoordelingsrapport;
3)
veroordeling van verweerster in de kosten van het geding.
Verweerster vordert:
1)
afwijzing van het beroep;
2)
kosten rechtens.
B.
1.
a)
Het eerste middel van verzoeker behelst de klacht, dat verweersters algemene uitvoeringsbepalingen van artikel 43 van het Statuut, waarop de gids voor de beoordeling berust, op 27 juli 1979 met terugwerkende kracht voor de periode 1 juli 1977 tot en met 30 juni 1979 zijn vastgesteld. Volgens hem is het niet geoorloofd om een administratieve bepaling met terugwerkende kracht vast te stellen.
Verweerster stelt hier tegenover, dat in het besluit van 27 juli 1979 uitdrukkelijk is bepaald, dat dit betrekking heeft op de beoordelingsperiode 1977/1979. Overigens is volgens haar bij de toepassing van de nieuwe uitvoeringsbepalingen geen sprake van een retroactieve regeling van eerdere feiten, maar van een aanwijzing voor de beoordelaars hoe zij de reeds geleverde prestaties van de ambtenaren in het vervolg moeten beoordelen.
b)
Aan verweerster moet worden toegegeven, dat bij de in juli 1979 vastgestelde uitvoeringsbepalingen geen sprake is van echte retroactieve maatregelen. Door deze bepalingen wordt niet met terugwerkende kracht ingegrepen in de rechten van de ambtenaren, doch wordt uitsluitend aan de beoordelaar een gedifferentieerd schema aan de hand gedaan voor de beoordeling van de prestaties van de ambtenaren in een voorbije periode.
Overigens dient te worden opgemerkt, dat het administratief recht niet een even streng verbod van vaststelling van rechtsnormen met terugwerkende kracht kent als bij voorbeeld het strafrecht.
Hoewel het zeker nuttig zou zijn geweest indien de beoordelaars de criteria voor de beoordeling van hun ondergeschikten reeds tijdens de beoordelingsperiode hadden gekend, dus reeds vanaf 1 juli 1977 tot en met 30 juni 1979, kan in het feit dat verweerster nieuwe uitvoeringsbepalingen heeft vastgesteld die een regeling geven voor de direct na vaststelling van de uitvoeringsbepalingen op te stellen beoordelingsrapporten van de ambtenaren, geen schending van het recht worden gezien. Het eerste middel faalt dan ook.
2.
a)
In zijn tweede middel wijst verzoeker erop, dat het beoordelingsrapport geen melding maakt van alle raadplegingen die in verband met de verschillende posten van verzoeker zouden hebben moeten plaatsvinden. Het beoordelingsrapport is op 19 februari 1981 opgesteld door de adjunct-directeurgeneraal Pizzuti, op een moment dat deze niet meer aan het hoofd stond van het directoraat VI A „Internationale zaken betreffende de landbouw”. Overigens zou de heer Marinucci, die destijds aan het hoofd stond van verzoekers afdeling, aan deze geen arbeid meer hebben kunnen opdragen.
De Commissie wijst erop, dat de beoordelaar geen andere ambtenaren had kunnen raadplegen dan degenen die behoorden tot het directoraat „Internationaal zaken betreffende de landbouw”, omdat de voor 15 januari 1979 geplande overplaatsing van verzoeker niet was doorgegaan.
b)
Blijkens de punten 12 en 13 van het aangevochten beoordelingsrapport is dit opgesteld door de adjunct-directeurgeneraal Pizzuti, die tegelijkertijd aan het hoofd stond van het directoraat Internationale zaken betreffende de landbouw, en wel na raadpleging van Marinucci, die destijds aan het hoofd stond van afdeling VI A 3 „Internationale organisaties inzake landbouw”. De beoordelaar heeft dus de ambtenaar geraadpleegd die in elk geval tot 1 januari 1979 de rechtstreekse chef van verzoeker was — evenals overigens in de beoordelingsperioden waarop de beide voorafgaande beoordelingsrapporten betrekking hebben.
Gezien het feit dat Marinucci gedurende de beoordelingsperiode nog altijd achttien maanden lang en voordien enkele jaren verzoekers directe chef is geweest, kan de omstandigheid dat Marinucci in de periode 1 januari 1979 tot en met 20 februari 1979 — de dag waarop verzoeker zijn ongeval kreeg en arbeidsongeschikt werd — niet meer op die afdeling werkzaam was, niets veranderen aan de rechtmatigheid van het beoordelingsrapport inclusief de vereiste raadplegingen.
Overigens heeft verzoeker niet aangegeven wie de beoordelaar in concreto nog had moeten raadplegen.
Ook dit middel kan dus niet slagen.
3.
a)
In zijn derde middel keert verzoeker zich tegen het feit dat er ten opzichte van de vroegere beoordelingsrapporten een belangrijke wijziging is opgetreden in de gespecificeerde beoordelingen, die echter op geen enkele wijze wordt gemotiveerd.
Verweerster verdedigt zich met het argument, dat in 1979 een nieuw beoordelingssysteem is ingevoerd, waardoor een zinnige vergelijking met de vroegere beoordelingsrapporten onmogelijk althans heel moeilijk zou zijn geworden. Daarom heeft de Commissie de beoordelaars uitdrukkelijk erop gewezen, dat vergelijkingen met de vroegere beoordelingen niet dienden plaats te vinden. Waar artikel 5 van de uitvoeringsbepalingen van 27 juli 1979 de beoordelaar verplicht alle wijzigingen in de gespecificeerde beoordelingen te motiveren, kan het enkel betrekking hebben op beoordelingen op grond van dezelfde criteria. Dit is ook de reden waarom op blz. 46 van de gids voor de beoordeling wordt opgemerkt, dat de beoordelaars voor de beoordelingsperiode 1977/1979 zijn ontheven van de verplichting om hun afwijkende beoordelingen te motiveren. Dit zou ook zijn af te leiden uit een schrijven aan de ambtenaren, afkomstig van het lid van de Commissie dat verantwoordelijk was voor Personeelszaken en Algemeen beheer. ( 38 )
b)
Allereerst dient hier te worden vastgesteld, dat verzoekers beoordelingsrapport over de periode 1977/1979 sterk contrasteert met de vroegere beoordelingsrapporten. Werd in de jaren 1973 tot 1977 voor zijn bekwaamheid, prestaties en gedrag in de dienst steeds de hoogste waardering gegeven op een schaal die drie gradaties omvatte, voor de periode juli 1977 tot juni 1979 kreeg hij bij een schaal met 5 gradaties steeds de middelste, dat wil zeggen de derde beoordeling — „goed” -, behalve voor één subrubriek van de rubriek prestaties (II), te weten „aanpassing aan de eisen van de dienst” (4), waarvoor hij slechts de beoordeling „redelijk” kreeg, dat wil zeggen de op drie na beste of op een na slechtste beoordeling op de beoordelingsschaal.
Daarnaast moet erop worden gewezen, dat zowel het litigieuze beoordelingsrapport als de beide voorgaande rapporten door dezelfde beoordelaar zijn opgesteld na raadpleging van hetzelfde afdelingshoofd.
De Commissie heeft zeker in beginsel gelijk wanneer zij stelt, dat beoordelingsrapporten, volgens de rechtspraak van het Hof, niet behoeven te worden gemeten aan de maatstaven van artikel 25, tweede alinea, Ambtenarenstatuut, bepalende dat iedere voor de ambtenaar nadelige beslissing met redenen dient te zijn omkleed, daar de derde alinea van deze bepaling aangeeft welke categorieën beslissingen hieronder moeten worden begrepen (zie arrest van 25 november 1976, zaak 122/75, Küster, Jurispr. 1976, blz. 1685). Artikel 25, derde alinea, Ambtenarenstatuut spreekt echter alleen over besluiten die bekend moeten worden gemaakt op de aankondigingsborden in de gebouwen van de instelling waartoe de ambtenaar behoort, en die moeten worden gepubliceerd. Over de vraag of artikel 25, derde alinea, werkelijk moet worden beschouwd als een uitputtende opsomming van alle voor de ambtenaren potentieel bezwarende maatregelen, is dus wel enige twijfel mogelijk.
Deze vraag kan echter in het midden worden gelaten, aangezien artikel 5, lid 2, van de op 27 juli 1979 door de Commissie vastgestelde uitvoeringsbepalingen de beoordelaars uitdrukkelijk verplicht om wijzigingen in de gespecificeerde beoordelingen te motiveren.
Ook het lid van de Commissie onder wiens verantwoordelijkheid Personeelszaken en Algemeen beheer valt, kon de beoordelaars niet van deze motiveringsplicht ontheffen — aangenomen dat men de bepaald vage formuleringen in het ongedateerde schrijven IX/2418/69-F ( 39 ) die zin wil lezen. Voor een afwijking van besluiten van de Commissie als college was een bijzondere machtiging nodig geweest. Verweerster heeft tijdens de mondelinge behandeling echter uiteengezet, dat hiervan geen sprake was.
A fortiori konden de beoordelaars niet door een voetnoot op de gele pagina's van de gids voor de beoordeling van 1979 van deze motiveringsplicht worden ontheven. Deze gids is uitgegeven door het directoraatgeneraal Personeelszaken en Algemeen beheer van verweerster en bevat naast een titelblad en een inhoudsopgave, een voorwoord van het voor Personeelszaken en Algemeen beheer verantwoordelijke lid van de Commissie, vervolgens de uitvoeringsbepalingen van de Commissie van 27 juli 1979 en daarna, vanaf bladzijde 13, op gele pagina's praktische wenken voor de opstelling van beoordelingsrapporten. De gids bevat dus een opeenvolging van teksten van uiteenlopend juridisch gehalte, en wie de auteur van de „gele pagina's”, dat wil zeggen van de bladzijden 13 e.V., is wordt niet duidelijk aangegeven. Ook verweerster heeft tijdens de mondelinge behandeling niet duidelijk gezegd wie deze auteur is. Op grond van de opmaak van deze brochure moet echter worden aangenomen, dat wij vanaf bladzijde 13 te maken hebben met een tekst die is opgesteld door de diensten van de Commissie. In elk geval staat vast dat de „gele pagina's” die direct na het besluit van de Commissie van 27 juli 1979 zijn afgedrukt, geen deel uitmaken van dit besluit van de Commissie, daar dit laatste geen verwijzing bevat naar wat voor verklarende opmerkingen dan ook.
In geen geval kan dus worden aangenomen, dat de diensten van verweerster, door invoeging van een voetnoot op bladzijde 46 van de gids voor de beoordeling, de beoordelaars konden ontheffen van de motiveringsplicht die in artikel 5, lid 2, van de algemene uitvoeringsbepalingen is neergelegd.
Daar het Hof in het reeds genoemde arrest van 25 november 1976 een verplichting tot motivering van beoordelingsrapporten in elk geval dan aanneemt wanneer de uitvoeringsbepalingen van de betrokken gemeenschapsinstelling een dergelijke verplichting bevatten, zoals hier onmiskenbaar het geval is, behoeft niet meer te worden nagegaan of niet op zijn minst een verslechtering van een beoordeling reeds op grond van artikel 25 Ambtenarenstatuut zou moeten worden gemotiveerd.
Met betrekking tot het concrete geval — de beoordelingen in de beoordelingsperiode 1977/1979 — moet echter nog worden opgemerkt, dat zich in verband met de overgang van een eenvoudig beoordelingssysteem naar een gedifferentieerder systeem enkele bijzonderheden voordoen.
Zo zou men de opvatting kunnen verdedigen, dat een uitgebreide motivering wellicht niet vereist is wanneer er sprake is van een lichte afwijking in de beoordeling, die enkel het gevolg is van een verfijning van het systeem, wanneer bij voorbeeld een ambtenaar, die volgens het oude systeem steeds de beste van de drie beoordelingen had gekregen, volgens het nieuwe systeem nog slechts de op een na beste beoordeling op een schaal van vijf krijgt. In een dergelijk geval zou het voldoende zijn om de wijziging van de beoordeling te motiveren met de invoering van het nieuwe systeem.
In een geval waarin niet alleen sprake is van een wijziging van de beoordelingen ten gevolge van de verfijning van het systeem, maar bovendien onmiskenbaar van een negatievere beoordeling van de prestaties van de ambtenaar, had deze slechtere beoordeling zonder meer moeten worden gemotiveerd.
Daar het litigieuze beoordelingsrapport echter geen enkele motivering bevat voor de over de hele linie duidelijke en met betrekking tot de subrubriek „aanpassing aan de eisen van de dienst” zelfs belangrijke verslechtering, treft dit middel doel; het beoordelingsrapport van verzoeker betreffende de periode 1977/1979 dient dan ook nietig te worden verklaard.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft verweerster gepoogd alsnog een motivering te geven voor de verslechtering van de gespecificeerde beoordelingen van verzoeker. Zij heeft uiteengezet, dat het directoraatgeneraal Landbouw, waaronder verzoeker destijds ressorteerde, zich eind 1978 begin 1979 in een moeilijke situatie bevond, daar in de eerste plaats de uitgangspunten van het landbouwbeleid in de Raad omstreden waren en het directoraatgeneraal Landbouw terzelfder tijd een herstructurering moest ondergaan. Bovendien was er een nieuwe directeurgeneraal benoemd die zich binnen het directoraatgeneraal eerst nog waar moest maken. Op dat moment zou verzoeker bezwaar hebben gemaakt tegen zijn tewerkstelling in een andere afdeling van zijn directoraatgeneraal en daarmee de pas benoemde directeurgeneraal extra moeilijkheden hebben bezorgd in een periode waarin het directoraatgeneraal toch al aanzienlijke moeilijkheden had.
Dit moge waar zijn. Uit twee brieven van verzoeker van respectievelijk 10 en 19 januari 1979 kan inderdaad worden afgeleid, dat hem in gesprekken terloops ter ore is gekomen dat hij binnen het directoraatgeneraal Landbouw zou worden overgeplaatst.
Het eigenlijke overplaatsingsbesluit van het directoraatgeneraal Personeelszaken en Algemeen beheer dateert echter pas van 13 maart 1979, dat wil zeggen van een tijdstip waarop verzoeker, ten gevolge van het ongeval van 20 februari 1979, reeds arbeidsongeschikt was. Verzoeker betwist overigens dat hij dit besluit heeft ontvangen; ook in zijn persoonsdossier is bij dit besluit — anders dan bij de andere documenten — geen ontvangstbevestiging van verzoeker gevoegd. Ingevolge artikel 26, tweede alinea, Ambtenarenstatuut kan dit besluit dus niet aan verzoeker worden tegengeworpen.
Hierbij dient nog te worden opgemerkt, dat de brief van 12 maart 1980 ( 40 ) van de directeurgeneraal van het directoraatgeneraal Landbouw, waarin verzoeker wordt uitgenodigd om zijn werkzaamheden bij zijn nieuwe afdeling aan te vangen, geen aanwijzingen bevat waaruit blijkt, dat hij reeds in kennis was gesteld van de overplaatsing binnen het directoraatgeneraal Landbouw.
In de onderhavige procedure kan dan ook geen rekening worden gehouden met de argumenten van verweerster die betrekking hebben op de „aanpassing aan de eisen van de dienst”, die te wensen zou overlaten. Overigens zouden zij ook moeten worden verworpen op grond dat zij te laat zijn aangevoerd, aangezien noch in de klachtprocedure noch tijdens de schriftelijke procedure voor het Hof dienaangaande iets is gesteld.
4.
a)
In zijn vierde middel stelt verzoeker, dat de beoordelaar en de beoordelaar in beroep hun oordeel mede hebben gebaseerd op gebeurtenissen die niet binnen de beoordelingsperiode vielen, dat wil zeggen die zich na 30 juni 1979 hadden voorgedaan. Daar hij het dossier niet kan inzien, moet hij althans van dit vermoeden uitgaan.
Verweerster voert hiertegen aan, dat niets in het dossier steun kan bieden aan de bewering van verzoeker.
b)
Daar verzoeker inderdaad geen enkel argument heeft aangevoerd dat steun zou kunnen bieden aan zijn vierde middel, dient dit te worden verworpen.
5.
a)
In zijn vijfde middel stelt verzoeker, dat de beoordelaar en de beoordelaar in beroep zich schuldig hebben gemaakt aan misbruik van bevoegdheid, nu zij een beoordelingsrapport hebben opgesteld respectievelijk gebillijkt, dat een bevordering van verzoeker van de rang A5 naar de rang A4 moest verhinderen.
Ter ondersteuning van deze bewering beroept verzoeker zich op dezelfde vermoedens waarop hij reeds in het vierde middel zinspeelt.
Verweerster voert hiertegen aan, dat verzoeker niets heeft aangevoerd wat steun zou kunnen bieden aan zijn stelling dat bevoegdheden zijn misbruikt.
b)
Daar verzoeker zich ook in zijn vijfde middel uitsluitend op vermoedens baseert en niets feitelijks heeft aangevoerd wat deze vermoedens zou kunnen steunen, dient ook dit middel te worden verworpen.
6.
a)
In zijn zesde middel wijst verzoeker erop, dat de beoordelaar in beroep bij de definitieve vaststelling van het beoordelingsrapport van 7 juli 1983 ( 41 ) de verslechtering van de afzonderlijke beoordelingen evenmin op enigerlei wijze motiveert. Dit zou in strijd zijn met artikel 25 Ambtenarenstatuut. Ook al is de beoordelaar in beroep niet verplicht het advies van het paritair beoordelingscomité te volgen, toch had hij de aanwijzingen van dit comité met betrekking tot de motiveringsplicht moeten volgen.
In antwoord hierop verwijst verweerster naar de reeds aangehaalde rechtspraak van het Hof, volgens welke beoordelingsrapporten niet met redenen behoeven te worden omkleed.
b)
Allereerst zij hier opgemerkt, dat de algemene uitvoeringsbepalingen van verweerster van 27 juli 1979 de beoordelaar niet uitdrukkelijk verplichten om zijn besluit met redenen te omkleden. Uit de gids voor de beoordeling (punt C 2.2., biz. 67) valt echter af te leiden, dat de beoordelaar in beroep het beoordelingsdossier opnieuw moet onderzoeken wanneer het paritair beoordelingscomité van mening is, dat de beoordeelde zijn opmerkingen terecht heeft gemaakt.
Dat was hier inderdaad het geval; immers het paritair beoordelingscomité wijst op een reeks zwakke punten in het beoordelingsrapport van verzoeker.
Zoals wij hierboven hebben gezien, was voor de verslechtering van de gespecificeerde beoordelingen van verzoeker in strijd met artikel 5, tweede alinea, van de algemene uitvoeringsbepalingen van verweerster van 27 juli 1979, geen verklaring gegeven. Zelfs als men wil aannemen, dat verslechteringen in de beoordeling niet reeds in het algemeen op grond van artikel 25 Ambtenarenstatuut met redenen moeten worden omkleed, doch dat er daarvoor een speciale verplichting — zoals hier aanwezig — noodzakelijk is, dient met betrekking tot de verplichtingen van de beoordelaar in beroep het volgende te worden opgemerkt: In principe is hij niet verplicht zijn beslissing te motiveren wanneer hij een op zichzelf correcte beoordeling inhoudelijk bevestigt. Vertoont de te bevestigen beoordeling echter vormgebreken — zoals het ontbreken van een motivering voor de verslechtering van de gespecificeerde beoordelingen — dan is het de plicht van de beoordelaar in beroep om bij een bevestigende beslissing de ontbrekende motivering alsnog te geven.
Daar de beoordelaar in beroep dit niet heeft gedaan, treft het zesde middel van verzoeker doel.
7.
a)
In het subsidiair voorgedragen zevende middel vordert verzoeker schadevergoeding omdat zijn beoordelingsrapport betreffende de periode juli 1977 tot en met juni 1979 met aanzienlijke vertraging, namelijk in zijn definitieve versie pas op 7 juli 1983, is vastgesteld. De bepaling van de hoogte van de schadevergoeding laat hij aan het oordeel van het Hof over; een bedrag van 100000 BFR lijkt hem echter passend.
Verweerster erkent, dat er bij de vaststelling van het beoordelingsrapport een aanzienlijke vertraging is opgetreden, doch laat het eveneens aan het oordeel van het Hof over of het verzoeker een symbolische schadevergoeding wil toekennen of niet. Nochtans betwist zij, dat verzoeker door de late totstandkoming van het beoordelingsrapport een meetbare schade heeft geleden.
b)
Ik heb reeds uiteengezet, dat de aanzienlijke vertraging bij de opstelling van het beoordelingsrapport, waarvoor verweerster geen enkele rechtvaardiging heeft aangevoerd, een ernstige dienstfout is. Verzoeker heeft weliswaar niet aangetoond dat deze dienstfout een mogelijke bevordering heeft verhinderd of vertraagd, maar wel dat er sprake is van immateriële schade als gevolg van het feit dat zijn persoonsdossier niet aan de eisen voldoet en evenmin volledig is. Hij is dan ook gerechtigd hiervoor schadevergoeding te verlangen, naast de schadevergoeding waarop hij reeds in zaak 157/83 aanspraak heeft.
In het arrest van 5 mei 1983 (zaak 207/81, Ditterich, Jurispr. 1983, blz. 1359) achtte het Hof een schadevergoeding van 20000 BFR passend bij een vertraging in de opstelling van het beoordelingsrapport. In aanmerking genomen dat in die zaak de vordering tot nietigverklaring van het beoordelingsrapport was afgewezen, terwijl deze in de onderhavige zaak moet worden toegewezen, komt een schadevergoeding van 60000 BFR mij passend voor. Bedacht moet immers worden, dat verzoeker na de uitspraak van het arrest in deze zaak wederom geen beoordelingsrapport voor de periode juli 1977 tot en met juni 1979 zal hebben. Ook moet in aanmerking worden genomen, dat de nietigverklaring van een beoordelingsrapport op grond dat de gespecificeerde beoordelingen zonder nadere motivering veel slechter waren geworden, zwaarder weegt dan een eenvoudige vertraging bij de vaststelling van het beoordelingsrapport.
V —
Op grond van bovenstaande geef ik het Hof in overweging, in de gevoegde zaken 173/82, 157/83 en 186/84 voor recht te verklaren en te beslissen als volgt:
In zaak 173/82:
1)
Het verzoek niet ontvankelijk te verklaren.
2)
Verweerster te verwijzen in de kosten van het geding.
In zaak 157/83 :
1)
Verweerster te veroordelen om aan verzoeker te betalen een bedrag van 40000 BFR als schadevergoeding voor de begane dienstfout.
2)
De vordering voor het overige af te wijzen.
3)
Verweerster te verwijzen in de kosten van het geding.
In zaak 186/84:
1)
Het beoordelingsrapport van verzoeker betreffende de beoordelingsperiode 1 juli 1977 tot en met 30 juni 1979 nietig te verklaren.
2)
Verweerster te veroordelen om aan verzoeker een bedrag van 60000 BFR te betalen als schadevergoeding voor de begane dienstfout.
3)
Verweerster te veroordelen in de kosten van het geding.
( *1 ) Vertaald uit het Duits.
( 1 ) Zie besluit van de Commissie van 21. december 1970 in de versie van 14 juli 1971, Mededelingen van de administratie van de Commissie, nr. 42bis van 13 mei 1975 — bijlage 22 bij het verweerschrift in zaak 173/82.
( 2 ) Zie Mededelingen van de administratie nr. 309 van 26 februari 1981 — bijlage 5 bij de dupliek in zaak 173/82.
( 3 ) Zie beschikking van de directeur van hel directoraatgeneraal IX A „Personelzaken” van 13 maart 1979, bijlage 3 bij het verweerschrift in zaak 173/82.
( 4 ) Bijlage 3 bij het verzoekschrift in zaak 186/84.
( 5 ) Bijlage 4 bij de dupliek in zaak 173/82.
( 6 ) Bijlage 3 bij de dupliek in zaak 186/84.
( 7 ) Bijlage 10 bij het verweerschrift in zaak 173/82.
( 8 ) Bijlage 9 bij de repliek in zaak 173/82.
( 9 ) Zie bijlage 13 bij hel verweerschrift in zaak 173/82.
( 10 ) Zie de brieven van 19 maart 1981, 15 juni 1981 en 7 oktober 1981, bijlagen 14 tot en met 16 bij de repliek in zaak 173/82.
( 11 ) Zie boven blz. 498, tweede fase.
( 12 ) Bijlage 3 bij het verzoekschrift in zaak 173/82.
( 13 ) Bijlage 14 bij het verweerschrift in zaak 173/82.
( 14 ) Zie het verslag hiervan van 15 juli 1982, bijlage 15 bij het verweerschrift in zaak 157/83.
( 15 ) Mededelingen van de administratie nr. 376 van 6 augustus 1982, bijlage 19 bij het verweerschrift in zaak 173/82.
( 16 ) Zie de algemene uitvoeringsbepalingen van 21 december 1970, bijlage 22 bij het verweerschrift in zaak 173/82.
( 17 ) PB 1982, L 31, blz. 66.
( 18 ) Bijlage 17 bij het verweerschrift in zaak 157/83.
( 19 ) Bijlage 18 bij het verweerschrift in zaak 157/83.
( 20 ) Mededelingen van de administratie nr. 390 van 11 januari 1983, bijlage 20 bij het verweerschrift in zaak 157/83.
( 21 ) Bijlage 19 bij het verweerschrift in zaak 157/83.
( 22 ) Bijlage 21 bij het verweerschrift in zaak 157/83.
( 23 ) Zie hierboven II 3 en 4.
( 24 ) Bijlage 15 bij het verweerschrift in zaak 157/83.
( 25 ) Zie Mededelingen van de administratie nr. 309 van 26 februari 1981 — bijlage 5 bij de memorie van dupliek in zaak 173/82.
( 26 ) Bijlage 15 bij het verweerschrift in zaak 157/83, blz. 4.
( 27 ) Zie boven II B. 1. b).
( 28 ) Bijlage 2 bij het verzoekschrift in zaak 186/84.
( 29 ) Bijlage 7 bij het verzoekschrift in zaak 186/84.
( 30 ) Bijlage 8 bij het verzoekschrift in zaak 186/84.
( 31 ) Bijlage 5 bij de memorie van dupliek in zaak 173/82.
( 32 ) Rondschrijven IX/2418/69-F, bijlage 4 bij de dupliek in zaak 186/84.
( 33 ) Bijlage 7 bij het verzoekschrift in zaak 186/84.
( 34 ) Bijlage 10 c bij het verzoekschrift in zaak 186/84.
( 35 ) Bijlage 9 bij het verzoekschrift in zaak 186/84.
( 36 ) Bijlage 10 bij het verzoekschrift in zaak 186/84.
( 37 ) Zie Mededelingen van de administratie nr. 309 van 26 februari 1981 — bijlage 5 bij de memorie van dupliek in zaak 173/82.
( 38 ) Bijlage 4 bij de memorie van dupliek in zaak 186/84.
( 39 ) Bijlage 4 bij de memorie van dupliek in zaak 186/84.
( 40 ) Bijlage 10 bij het verweerschrift in zaak 173/82.
( 41 ) Bijlage 9 bij het verzoekschrift in zaak 186/84.
Full & Egal Universal Law Academy