CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. F. MANCINI
VAN 4 MEI 1983 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
1.
De onderhavige prejudiciële zaak heeft betrekking op het vrije verkeer van goederen. Het gaat daarbij meer in het bijzonder om het beginsel neergelegd in artikel 36, eerste zin, EEG-Verdrag, volgens hetwelk „verboden of beperkingen van invoer ... welke gerechtvaardigd zijn uit hoofde van bescherming van ... de gezondheid en het leven van personen” toelaatbaar zijn. Het Hof is verzocht zich uit te spreken over de vraag, of dit beginsel van toepassing is op bepalingen van nationaal recht die de verkoop van produkten waaraan vitaminen zijn toegevoegd en die zijn ingevoerd uit een andere Lid-Staat alwaar hun verhandeling rechtmatig is, in het algemeen verbieden (zij het dat de minister de verkoop van die produkten van geval tot geval mag toestaan).
De feiten kunnen worden samengevat als volgt. Sandoz BV, te Uden (Nederland), is een dochteronderneming van de gelijknamige Zwitserse onderneming. Zij houdt zich bezig met de verkoop in Nederland van voor sportbeoefenaars bestemde voedingspreparaten waaraan vitaminen zijn toegevoegd: mueslirepen, powerback en opbouwdrank, alle ingevoerd uit Zwitserland en de Bondsrepubliek Duitsland. Overeenkomstig artikel 10 bis van het Algemeen besluit (Warenwet) van 11 juli 1949 vroeg zij de minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne in 1979 om toestemming, genoemde produkten te verkopen. Bij beschikking van 26 augustus 1981 wees de minister het verzoek evenwel af, op grond dat de aanwezigheid van vitamine A en D ín de betrokken produkten een bedreiging vormde voor de volksgezondheid, te meer daar de etiketten geen gebruiksaanwijzing noch gegevens omtrent een individuele aanpassing van de dosering bevatten.
Ofschoon zij daartoe derhalve geen toestemming had, bracht Sandoz bovenbedoelde produkten in 1980 in de handel door deze te verkopen aan detailhandelaren in verschillende plaatsen. Daarop werd zij in maart 1982 gedagvaard voor de Economische politierechter in de Arrondissementsrechtbank te's-Hertogenbosch, ter zake van overtreding van voornoemd artikel 10 bis. De behandeling van de zaak werd evenwel geschorst, daar de Nederlandse rechter een uitspraak van het Hof van Justitie in de zin van artikel 177 EEG-Verdrag noodzakelijk achtte over de volgende vragen :
„1.
Aangenomen dat: a) een eet- en/of drinkwaar, aan welke waar vitamine is toegevoegd, in een of meerdere Lid-Staten op rechtmatige wijze, dat wil zeggen in overeenstemming met de daar geldende wetgeving in het verkeer is gebracht, en b) een in een andere Lid-Staat gevestigde importeur van eet- en/of drinkwaren de als voormeld rechtmatig in het verkeer zijnde eet- en/of drinkwaar aan welke waar vitamine is toegevoegd, uit een der onder a) bedoelde Lid-Staten importeert in de Lid-Staat van zijn vestiging, rechtvaardigen dan de uitzonderingsbepalingen op de regels betreffende het vrije verkeer van goederen binnen de Gemeenschap, met name artikel 36 EEG-Verdrag, voorzover betreffende de bescherming van de gezondheid van personen, dat de overheid van de Lid-Staat van invoer het aldaar in het verkeer brengen van bedoelde eet- en/of drinkwaar verbied : tenzij daartoe ministeriële toestemming is verleend?
2.
Dient over het voorafgaande anders te worden geoordeeld, indien het algemeen verbod tot het verkopen van eet- en drinkwaren waaraan vitamines zijn toegevoegd, tenzij zulks bij ministerieel besluit is toegestaan, tot gevolg heeft dat de hiervoor onder 1 b) bedoelde importeur de bewijslast draagt dat de betrokken waar ongevaarlijk is voor de volksgezondheid, en derhalve moet worden toegestaan?
3.
Dient over het voorafgaande anders te worden geoordeeld, indien toepassing van het algemeen verbod tot het verkopen van eet- en drinkwaren waaraan vitamines zijn toegevoegd, tenzij zulks bij ministerieel besluit is toegestaan, ertoe leidt dat de nationale autoriteiten van een Lid-Staat de verkoop van gevitamineerde eet-en drinkwaren die in een andere Lid-Staat rechtmatig zijn geproduceerd en in het verkeer gebracht, verbieden tenzij de producent c.q. verkoper niet alleen aantoont dat deze waren ongevaarlijk zijn voor de gezondheid, doch tevens aantoont dat het in de handel brengen van deze waren gewenst is en dat aan de toevoeging van vitamines een behoefte bestaat?”
2.
Voor een volledig begrip van de onderhavige controverse zal ik de Nederlandse wettelijke bepalingen inzake de verhandeling van levensmiddelen waaraan vitaminen zijn toegevoegd, in het kort uiteenzetten. In beginsel zou dit niet nodig moeten zijn, maar de vragen van de verwijzende rechter, hoewel voorbeeldig en onder verwijzing naar artikel 36 EEG-Verdrag geformuleerd, strekken kennelijk ertoe te vernemen, of de nationale bepalingen die de rechter in concreto zou moeten toepassen, verenigbaar zijn met het gemeenschapsrecht. Ik zal het Hof niet opnieuw lastig vallen met dit verschijnsel, dat mijns inziens te wijten is aan de omstandigheid dat de Commissie onvoldoende gebruik maakt van de procedure ex artikel 169 EEG-Verdrag. Ik wil er hier slechts op wijzen, dat het zich — naar in casu weer blijkt — steeds vaker voordoet en dat het gevaar van verstoring van het institutionele evenwicht (waarop ik reeds wees in mijn conclusies in de zaken 94/82, De Kikvorsch, en 59/82, Schutzverband gegen Unwesen in der Wirtschaft) daarmee voortdurend toeneemt.
Doch nu ter zake. Artikel 10 bis, lid 1, van het Algemeen besluit (Warenwet) van 11 juli 1949 bepaalt: „Aan eet- en drinkwaren ... mogen ... vitamines ... niet worden toegevoegd, tenzij Onze Minister, met de uitvoering van dit besluit belast, hiertoe toestemming heeft verleend. Aan deze toestemming kunnen voorwaarden worden verbonden” (de term „voorwaarden” kan hier — naar het mij voorkomt — worden uitgelegd als „de uitslag van een aantal controles”). Volgens de door de Commissie verstrekte gegevens zijn ter zake tot op heden twee ministeriële beschikkingen gegeven: voor de toevoeging van vitamine C (ascorbinezuur) als anti-oxydant aan karnemelk, alsmede voor de toevoeging van een groot aantal vitaminen aan zuigelingenvoeding. In de eerste beschikking, van 31 juli 1974, wordt bepaald welke hoeveelheid vitamine C maximaal mag worden toegevoegd; de tweede, van 29 september 1976, omschrijft de minimaal en maximaal toegestane doses vitaminen voor zuigelingenvoeding (zie punt 5 van de schriftelijke opmerkingen van 31 augustus 1982).
3.
Mijns inziens kan niet worden betwijfeld, dat een regeling als thans in geding — zij het slechts indirect — de internationale handel kan belemmeren. Het verbod immers om — behoudens toestemming ad hoc — vitaminen toe te voegen aan eet- en drinkwaren, betekent dat het onmogelijk is om dergelijke produkten in te voeren en op de markt te brengen. Ook de rechter a quo geeft dit toe in zijn vraagstelling; de Commissie, Sandoz BV en de regeringen die opmerkingen hebben ingediend (de Nederlandse, de Italiaanse en de Deense), zijn van dezelfde opvatting. Maar hiervan uitgaande, en dus aangenomen dat bepalingen als artikel 10 bis, lid 1, van het Algemeen besluit (Warenwet) „maatregelen van gelijke werking als een kwantitatieve beperking” vormen, moet worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de Lid-Staten dergelijke bepalingen in hun rechtsorde mogen invoeren of handhaven.
De vanuit dit gezichtspunt — verder de ware kern van de zaak — te onderzoeken bepalingen zijn artikel 36 EEG-Verdrag en, op enkele punten, richtlijn nr. 77/94 van de Raad van 21 december 1976 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake levensmiddelen bestemd voor bijzondere voeding (PB L 26 van 1977, blz. 55).
Om te beginnen artikel 36. Zoals bekend derogeert deze bepaling aan artikel 30 (en aan de artikelen 31 tot en met 34), waar het verboden of beperkingen van de invoer die gerechtvaardigd zijn onder meer uit hoofde van „bescherming van de gezondheid en het leven van personen”, toelaatbaar verklaart. Volgens de Nederlandse regering is artikel 10 bis, lid 1, Algemeen besluit (Warenwet) in overeenstemming met het Verdrag, waar het verband houdt met het vereiste, dat schade aan de gezondheid van de consument door toevoeging van te hoge doses vitaminen (waaronder vitamine A en D), moet worden vermeden. Deze stelling is — althans in het algemeen — gegrond. Het is immers algemeen bekend — en partijen zijn het daar in grote lijnen over eens — dat vitaminen schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid van degene die er overdreven grote hoeveelheden van inneemt. Gevaarlijk zijn in elk geval de in vet oplosbare vitaminen, terwijl weinig of geen risico's zijn verbonden aan in water oplosbare vitaminen, omdat het menselijk lichaam deze ook na opname van te grote hoeveelheden uitscheidt.
Ik geloof evenwel niet dat het Hof op deze pathologische problemen van de stofwisseling hoeft in te gaan. Nu vaststaat dat over de hoeveelheden vitaminen die zonder schade voor de gezondheid kunnen worden ingenomen, onzekerheid bestaat, kan de Lid-Staten niet de bevoegdheid worden ontzegd, aan de verhandeling ervan beperkingen op te leggen. Dit geldt zeker zolang de nationale wettelijke regelingen op het punt van toevoegingen aan levensmiddelen niet zijn geharmoniseerd (zie arrest van 5 februari 1981, zaak 53/80, Kaasfabriek Eyssen, Jurispr. 1981, blz..409). Uiteraard is de uitoefening van deze bevoegdheid gebonden aan de in Titel I van het EEG-Verdrag gestelde beperkingen; maar nu deze laatste geen beletsel vormen voor onder meer maatregelen ter bescherming van de gezondheid en het leven van personen, mogen de Lid-Staten deze voor hun rekening nemen, en inzonderheid beslissen over „de ernst van de te verrichten controles” (zie de arresten van 20 mei 1976, zaak 104/75, De Peijper, Jurispr. 1976, blz. 635, en van 17 december 1981, zaak 272/80, Frans-Nederlandse Maatschappij voor biologische producten, Jurispr. 1981, blz. 3277, r.o. 12). Terugkerend naar het onderhavige geval kan derhalve worden gesteld, dat de in een nationale wettelijke regeling voorziene preventieve controle op de toevoeging van vitaminen aan levensmiddelen in beginsel onder artikel 36 valt, voor zover zij beantwoordt aan een van de aldaar gestelde eisen. Overigens is ook Sandoz het ermee eens, dat die controle gewenst is.
4.
De rechtmatigheid van die controle kan voorts worden afgeleid uit voornoemde richtlijn nr. 77/94. Zoals gezegd heeft deze betrekking op de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake „levensmiddelen bestemd voor bijzondere voeding”. Zij is gericht op de — zij het geleidelijke — opheffing van de verschillen tussen de wetgevingen die „het vrije verkeer ... belemmeren, ongelijke concurrentievoorwaarden kunnen scheppen en daardoor een rechtstreekse invloed hebben op de totstandbrenging en de werking van de gemeenschappelijke markt” (eerste overweging). Blijkens de derde en de vierde overweging omvat die aanpassing in een eerste stadium voornamelijk de vaststelling van „maatregelen ... ter bescherming van de consument”, terwijl in een tweede stadium „de definities en de specifieke kenmerken van bepaalde groepen van deze produkten” zullen worden vastgesteld.
De levensmiddelen waarop de onderhavige zaak betrekking heeft, zijn stellig bestemd voor personen (vooral sportbeoefenaars) die behoefte hebben aan een bijzondere voeding: mijns inziens kan derhalve zeker niet worden ontkend, dat zij onder het toepassingsgebied van de richtlijn vallen. De richtlijn gaat ervan uit, dat „de samenstelling en de vervaardiging” van deze produkten „speciaal bestudeerd moeten worden ten einde te voldoen aan de bijzondere voedingsbehoeften van die personen voor wie zij voornamelijk bestemd zijn” (zesde overweging). Daartoe is in artikel 8, lid 1, bepaald, dat „de Raad ... voor zover nodig voor elke groep ... produkten de zuiverheidseisen vast(stelt) voor de stoffen bestemd voor bijzondere voeding en de additieven waarvan het gebruik is toegestaan” (cursivering van mij). Het komt mij voor, dat deze bepaling in casu van bijzonder belang is. Zij erkent immers de noodzaak van een uniforme regeling inzake het gebruik van additieven. En juist hierom behouden de Lid-Staten, in afwachting van die regeling, de vrijheid om maatregelen te treffen, ook in de vorm van controles.
Maar dit ís niet alles. Artikel 7, lid 2, maakt melding van nationale bepalingen die, ter bescherming van de „volksgezondheid”, de handel in de betrokken produkten op een aantal punten belemmeren, en verklaart deze toelaatbaar. Mitsdien kan worden gesteld dat deze bepaling, althans voor levensmiddelen die aan bijzondere vereisten moeten voldoen, uitvoering geeft aan het algemene beginsel van artikel 36, in afwijking van artikel 30. Ook dit gegeven is van groot belang en het toont aan, dat de richtlijn duidelijk afwijzend staat tegenover het gebruik van additieven. Overigens beklemtoonde het Parlement in zijn standpunt over het voorstel voor een richtlijn, „de noodzaak, op grond van de resultaten van het wetenschappelijk en technisch onderzoek het gebruik van additieven in dieetvoedingsmiddelen in de toekomst zoveel mogelijk te beperken” (resolutie van 10 oktober 1969, PB C 139 van 1969, punt 11).
5.
De eerste vraag van de Nederlandse rechter werpt niet alleen het probleem op van de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht van een nationale bepaling die — behoudens toestemming van de overheid — de verhandeling verbiedt van produkten waaraan vitaminen zijn toegevoegd. In werkelijkheid betreft het hier een bijzonder geval, waarin de betrokken produkten in een of meer andere Lid-Staten reeds rechtmatig in het verkeer zijn gebracht. De rechter a quo wenst derhalve te vernemen, of het preventief toezicht waarvan genoemde toestemming afhankelijk is, ook mag worden voorgeschreven indien een vergelijkbare controle reeds is uitgevoerd door de autoriteiten van het land van oorsprong.
Dit probleem is door het Hof opgelost in het arrest-Frans-Nederlandse Maatschappij voor biologische producten. Het ging daarbij om de toelating van uit andere Lid-Staten ingevoerde bestrijdingsmiddelen. Het Hof oordeelde dat „het een Lid-Staat niet is verboden, een voorafgaande toelating van bestrijdingsmiddelen te eisen, zelfs indien deze middelen in een andere Lid-Staat reeds zijn toegelaten” (r.o. 16). Het voegde daar echter aan toe, dat de autoriteiten van eerstgenoemde staat moeten „bijdragen aan een verlichting van de controles in het intracommunautaire handelsverkeer.” Dit betekent dat zij „niet nodeloos technische of chemische analyses of laboratoriumproeven mogen eisen”, wanneer dezelfde analyses en proeven reeds in een andere Lid-Staat zijn verricht en de resultaten ervan hun automatisch of op daartoe strekkend verzoek ter beschikking worden gesteld (r.o. 14). Aangezien de omstandigheden van beide gevallen gelijk zijn, kunnen bovenstaande overwegingen mijns inziens zonder rneer op het onderhavige geval worden toegepast.
Hierbij zou ik alleen het volgende willen aantekenen. Door aan het optreden van de Lid-Staten beperkingen te verbinden, geeft het arrest-Frans-Nederlandse Maatschappij toepassing aan het evenredigheidsbeginsel. Dit beginsel kan een rol spelen bij de behandeling van een aanvraag om toestemming. Het kan evenwel niet worden ingeroepen met betrekking tot de beslissing over al of niet toelating van een produkt op de markt. Daarbij spelen immers overwegingen verband houdend met de bescherming van de gezondheid een rol. En gelet op de onzekerheden die nog steeds bestaan omtrent de schadelijkheid van additieven, terwijl een uniforme regeling ter zake ontbreekt, hebben de Lid-Staten hier hun volle bevoegdheid behouden. In deze zin heeft het Hof zich overigens uitgesproken in het arrest van 5 februari 1981 in zaak 53/80.
6.
In de tweede en de derde vraag van de rechter a quo wordt — nog steeds veronderstellenderwijs, zij het dat naar de praktijk van de Nederlandse autoriteiten wordt verwezen — het geval ter sprake gebracht waarin de nationale wettelijke regeling a) de vereisten vaststelt waaraan de betrokken produkten moeten voldoen om aan de consument te mogen worden aangeboden, en b) de bewijslast ter zake regelt. Beide vragen zijn mijns inziens ter zake dienend. Aangenomen dat het toezicht op de onderhavige produkten gerechtvaardigd is in verband met de bescherming van de gezondheid, is het belang van de onderhavige zaak gelegen in het doel en de aard van de controles, met andere woorden, de voorwaarden waarvan de verhandeling van de produkten afhankelijk wordt gesteld en de voor het verkrijgen van toestemming te vervullen formaliteiten.
De tweede vraag heeft betrekking op de bewijslast. De Nederlandserechter wenst te vernemen, of een voorschrift op grond waarvan de importeur moet aantonen dat een produkt waaraan vitaminen zijn toegevoegd, onschadelijk is, verenigbaar is met het gemeenschapsrecht. Deze vraag moet volgens mij ontkennend worden beantwoord. Ook hier kan worden verwezen naar een precedent, het arrest van 8 november 1979 (zaak 251/78, Denkavit Futtermittel, Jurispr. 1979, blz. 3369). In die zaak ging het om de vraag, of sanitaire controles op bepaalde ingevoerde produkten (veevoeder) toelaatbaar zijn indien daarbij aan de importeurs de verplichting wordt opgelegd, de noodzakelijke documenten over te leggen. Het Hof overwoog, dat indien een Lid-Staat zich op artikel 36 EEG-Verdrag beroept, het op zijn weg ligt aan te tonen, dat de door hem vastgestelde voorschriften dienen ter bescherming van de gezondheid (r.o. 24). Indien men dit beginsel op het onderhavige geval toepast zullen de nationale autoriteiten, om de verkoop van de onderhavige produkten te mogen verbieden, moeten bewijzen dat deze als gevolg van de toevoeging van vitaminen schadelijk zijn.
7.
De derde vraag is tweeledig. In de eerste plaats gaat het in deze vraag om nadere voorwaarden waaraan moet zijn voldaan opdat levensmiddelen waaraan vitaminen zijn toegevoegd, in de handel mogen worden gebracht, in de tweede plaats wordt hier — nogmaals — de bewijsregeling ter sprake gebracht. Wat eerstgenoemd aspect betreft, noemt de Nederlandse rechter het geval dat een nationale wettelijke bepaling de verkoop van de betrokken produkten afhankelijk stelt van de voorwaarde, dat verhandeling ervan „gewenst” is en dat aan de toevoeging van vitaminen daadwerkelijk behoefte bestaat. Behalve dat zij onschadelijk moeten zijn, dienen zij dus tevens nuttig te zijn en aan een reële behoefte te beantwoorden, met andere woorden, een positieve voorwaarde te vervullen.
Deze vraag vereist een nader onderzoek naar de draagwijdte van artikel 36, voor zover dit ruimte biedt aan de bescherming van de gezondheid. Dat op grond van deze bepaling de verhandeling van een schadelijk levensmiddel mag worden verboden, is hiervoor reeds gebleken. Maar wat te zeggen van een produkt dat schadelijk noch nuttig is? Ik geloof niet dat artikel 36 op dit geval van toepassing is. Het streven, de consument het gebruik van onnutte produkten te besparen, is stellig van maatschappelijk belang, maar een regeling die zulks wil bereiken door het gebruik van die produkten te verbieden, zou te ver gaan. In geen enkele Lid-Staat wordt de rechtmatigheid in twijfel getrokken van de wettelijke voorschriften die de verhandeling toestaan van produkten als alcohol en tabak, waarvan de schadelijke werking vaststaat. Hiervan uitgaande is duidelijk, dat het absurd zou zijn, een verbod om produkten te verhandelen waarvan de schadelijke werking is uitgesloten, op grond van artikel 36 te rechtvaardigen.
Ik wil hier nog aan toevoegen, dat de in de derde vraag bedoelde positieve voorwaarden veeleer sub specie dienen ter bescherming van de consument, en derhalve wel in het kader van artikel 36 moeten worden bezien, maar in verband met een ander belang dat volgens dit artikel een optreden van de Lid-Staten rechtvaardigt. Tegen deze achtergrond evenwel lijdt het mijns inziens geen twijfel, dat zodanig optreden in strijd zou zijn met het evenredigheidsbeginsel, indien daarbij de verhandeling van levensmiddelen die schadelijk noch nuttig zijn, zou worden verboden. Campagnes waarbij de consument wordt voorgelicht over een juiste voeding, zijn stellig gewettigd, maar zouden moeten inhouden dat de consument alle informatie wordt verstrekt over de produkten die hem worden aangeboden, vooral op het punt van de voedingswaarde. Een en ander zou bijvoorbeeld worden gewaarborgd, indien aan de verhandeling van een produkt de voorwaarde werd verbonden dat het etiket en de gebruiksaanwijzing de voedingswaarde vermelden.
Ik kom thans toe aan het tweede aspect van de laatste vraag. De verwijzende rechter wenst te vernemen, of van de importeur het bewijs kan worden verlangd, dat het in de handel brengen van produkten waaraan vitaminen zijn toegevoegd, wenselijk is en aan de behoeften van de verbruikers beantwoordt. Waar ik hiervoor reeds heb betoogd, dat de Lid-Staten deze twee vereisten niet mogen stellen, kan ook deze vraag slechts ontkennend worden beantwoord. Dit vindt overigens bevestiging in genoemd arrest-Denkavit Futtermittel, volgens hetwelk de autoriteiten die de verkoop van een produkt krachtens artikel 36 willen verbieden of beperken, de bewijslast dragen dat het produkt gevaarlijk is voor de volksgezondheid.
8.
Gelet op het bovenstaande geef ik het Hof in overweging, de vragen door de Economische Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te's-Hertogenbosch bij vonnis van 3 mei 1982 gesteld in het kader van de strafzaak tegen Sandoz BV, te Uden (Nederland), te beantwoorden als volgt
a)
De eerste vraag: Bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht op het gebied van levensmiddelen waaraan vitaminen zijn toegevoegd, moeten de bepalingen van het EEG-Verdrag en van afgeleid recht inzake het vrije verkeer van goederen aldus worden uitgelegd, dat zij een Lid-Staat niet beletten, voorschriften vast te stellen die — uit hoofde van bescherming van de gezondheid in de zin van artikel 36 EEG-Verdrag — de toevoeging van vitaminen aan in die Lid-Staat vervaardigde of ingevoerde levensmiddelen behoudens voorafgaande ministeriële toestemming verbieden. Die toestemming mag ook worden verlangd, indien de vervaardiging en de verhandeling van bedoelde produkten in een andere Lid-Staat reeds zijn toegestaan. De autoriteiten van de invoerende Lid-Staat mogen echter niet nodeloos technische of chemische analyses of laboratoriumproeven verlangen, wanneer die onderzoeken reeds in een andere Lid-Staat zijn verricht en de resultaten ervan hun — eventueel op daartoe strekkend verzoek — ter beschikking worden gesteld.
b)
De tweede vraag: Bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht op het gebied van levensmiddelen waaraan vitaminen zijn toegevoegd, moeten de sub a bedoelde bepalingen aldus worden uitgelegd, dat het een Lid-Staat verboden is voor te schrijven dat de importeur, voor het verkrijgen van toestemming om genoemde produkten in de handel te brengen, moet aantonen dat zij onschadelijk zijn voor de volksgezondheid.
c)
De derde vraag: Bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht op het gebied van levensmiddelen waaraan vitaminen zijn toegevoegd, moeten de sub a bedoelde bepalingen aldus worden uitgelegd, dat het een Lid-Staat verboden is voor te schrijven dat de producent of de verkoper, voor het verkrijgen van toestemming om genoemde produkten in de handel te brengen, moet aantonen dat consumptie ervan gewenst is en dat de toevoeging van vitaminen noodzakelijk is.
( 1 ) Vertaald uit de Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy