CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
G. F. MANCINI
VAN 3 FEBRUARI 1983 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
De prejudiciële vragen in deze zaak betreffen de betekenis van de term „andere bereidingen” in post 16.02 van het gemeenschappelijk douanetarief (hierna: GDT). Het Finanzgericht Düsseldorf vraagt om uitlegging van die woorden teneinde uitspraak te kunnen doen in een geschil tussen een Duits douanekantoor en de Hamburgse vennootschap Dinter.
Dinter importeert kalkoenefilets en -rol-lades uit Frankrijk. Bij de bereiding wordt dit vlees over een transportband gevoerd en bestrooid met een mengsel van peper en zout om het te kunnen verkopen als „panklaar” vlees. Volgens Dinter is het aldus bereide vlees te beschouwen als „gekruid vlees”; derhalve zou het onder het begrip „andere bereidingen” vallen en, met het oog op de inklaring, moeten worden ingedeeld in post 16.02 GDT. Aanvankelijk ging het Hauptzollamt Köln-Deutz daarmee akkoord en hief het de voor die post geldende omzetbelasting bij uitvoer. Het liet evenwel verscheidene monsters van de ingevoerde waar nemen. Een deel hiervan werd onderzocht door de „Zolltechnische Prüfungs- und Lehranstalt” te Keulen, die tot de conclusie kwam dat „de toevoeging van kruiden organoleptisch
noch optisch waarneembaar was”. In zijn beslissing op Dinters eerste bezwaarschrift nam het Zollamt deze conclusie echter niet ongewijzigd over. Het herhaalde dat de toevoeging van kruiden organoleptisch noch optisch waarneembaar was, stelde vast dat het vlees niet gekruid rook, maar erkende dat kruidendeeltjes — weliswaar heel sporadisch — waarneembaar waren.
Nadien kwam een aanvullende expertise van de resterende monsters, op verzoek van Dinter door een deskundige verricht, tot de conclusie dat de kalkoenefilets en -rollades als „licht gekruid” konden worden aangemerkt. Onder de microscoop immers waren kruidendeeltjes „duidelijk waarneembaar bij de filets” en „vaag tot duidelijk waarneembaar (afhankelijk van het stuk vlees) bij de rollades”. Dit resultaat bracht evenwel geen verandering in de situatie. Het Zollamt stelde zich op het standpunt, dat de waar geen „andere bereiding” was in de zin van post 16.02, en verklaarde dat de enkele toevoeging van peper en zout niet als „kruiden” kan worden beschouwd indien dat niet kan worden geproefd. Het kalkoenevlees werd derhalve ingedeeld onder post 02.02, waarvan de omschrijving luidt: „Dood pluimvee, alsmede de daarvan afkomstige eetbare slachtafvallen (met uitzondering van levers), vers, gekoeld of bevroren.” In tegenstelling tot wat bij post 16.02 het geval was, leidde deze indeling tot toepassing van monetair compenserende bedragen, door het douanekantoor vastgesteld op een bedrag van DM 7141,10.
Nadat ook een tweede bezwaarschrift was afgewezen, stelde Dinter voor het Finanzgericht Düsseldorf beroep in tot nietigverklaring van de betrokken beschikking. Het Finanzgericht schorste bij beschikking van 14 juni 1982, ingeschreven op 1 juli daaropvolgende, de behandeling van de zaak en verzocht krachtens artikel 177 EEG-Verdrag het Hof om een beslissing over twee vragen.
2.
In de eerste plaats wil de Duitse rechter vernemen, of „post 16.02 van het GDT aldus moet worden uitgelegd, dat daaronder ook vlees valt waaraan volgens de overgelegde recepturen zout en peper is toegevoegd, doch de peper slechts in microscopisch aantoonbare hoeveelheden, (dan wel) of het vlees eerst dan als een ‚andere bereiding’ (is) te beschouwen, wanneer de toegevoegde kruiden te proeven zijn.”
In feite betreft het hier twee vragen in één: de eerste betreft de juiste betekenis van de term „andere bereidingen” van vlees in post 16.02, de tweede de bepaling van een criterium om te controleren of kruiden zijn toegevoegd. Gezien de omstandigheden van de zaak, zullen wij ook aandacht moeten besteden aan post 02.02. De nationale rechter verwijst weliswaar alleen rechtstreeks naar post 16.02, maar om een geschil op te lossen waarin twee verwante posten ter sprake komen, die elk op zich in aanmerking komen voor de indeling van een bepaald produkt, kan het nodig zijn de inhoud van de ene te bepalen in verhouding tot die van de andere.
3.
Derhalve zal ik eerst de inhoud van de in aanmerking komende tariefposten bespreken. Zoals reeds gezegd, omvat post 16.02 „andere bereidingen en conserven van vlees of van slachtafvallen”. Volgens de aantekening bij hoofdstuk 16 evenwel — voor zover hier van belang — wordt vlees dat is bereid of verduurzaamd op een wijze als bedoeld in hoofdstuk 2, niet onder dit hoofdstuk ingedeeld. Om post 16.02 uit te leggen, lijkt het derhalve gewenst het toepassingsgebied ervan negatief te omschrijven, juist in relatie tot de in hoofdstuk 2 bedoelde bereidings- en verduurzamingsprocédés. Daarentegen kunnen wij de bij het Hof ingediende opmerkingen buiten beschouwing laten en afzien van de twee in hoofdstuk 3 bedoelde behandelingen (bakken en koken). Deze betreffen immers niet de bereiding van vlees, maar van vis, schaal-, schelp- en weekdieren.
Hoofdstuk 2 (posten 02.02, 02.03, 02.05, 02.06) omvat vlees van eetbaar gevogelte, dat vers (dat wil zeggen in natuurlijke toestand), gekoeld, bevroren, gezouten, gepekeld, gedroogd of gerookt is. De daar bedoelde behandelingen beschrijven enkel de toestand van de waar (vers, gekoeld, bevroren, gedroogd) of hebben betrekking op verduurzamingsprocédés (gezouten, gepekeld) dan wel op een echte bereiding (roken). Gelet op hogergenoemde aantekening bij hoofdstuk 16, kan derhalve niet worden betwijfeld, dat wanneer het een andere bereiding van vlees dan roken betreft, de waar moet worden geacht een „andere bereiding” te zijn en mitsdien moet worden ingedeeld onder post 16.02. In casu is aan het kalkoenevlees een mengsel van peper en zout toegevoegd, en het is dus stellig een andere bereiding dan die welke in hoofdstuk 2 zijn bedoeld. Gelijk zojuist gezegd, is de toevoeging van zout, als in dat hoofdstuk bedoeld, een behandeling ter verduurzaming van de waar. In de onderhavige zaak daarentegen is het zout als kruid gebruikt; bovendien staat wel buiten twijfel dat de toevoeging van peper een „quid novi et pluris” is vergeleken met de in hoofdstuk 2 bedoelde behandelingen.
Deze, door verzoekster in het hoofdgeding voorgestane uitlegging volgt uit een — mijns inziens volkomen juiste — vergelijking van de in aanmerking komende tariefposten. De Commissie stelt een andere uitlegging voor. Zij betoogt dat, om de waar onder post 16.02 te kunnen indelen, het produkt verdergaand moet zijn behandeld en wel zodanig, dat de objectieve kenmerken ervan veranderen. Dit standpunt lijkt te zijn gebaseerd op een lezing van hoofdstuk 16 in zijn geheel en op de gedachte dat dit hoofdzakelijk betrekking heeft op „bereid” vlees (bijvoorbeeld worsten, vleesextracten en -sappen). De Commissie heeft evenwel te snel gelezen en overhaast geconcludeerd. Tot de in hoofdstuk 16 genoemde waren behoren inderdaad de verwerkte produkten waaraan de Commissie denkt, doch ook „andere bereidingen” van vlees, gelijk — zoals gezegd — vlees dat gekruid is (bijvoorbeeld door toevoeging van peper en zout).
4.
Een eerste en uitdrukkelijke bevestiging van de uitlegging die ik voorsta, vind ik in de toelichtingen bij hoofdstuk 16, post 16.02, van de op 15 december 1950 vastgestelde „Nomenclatuur voor de classificering van goederen in de douanetarieven”, beter bekend als de „IDR-nomenclatuur”. Alle Lid-Staten zijn tot het betrokken verdrag toegetreden en ook het gemeenschappelijk douanetarief is erop gebaseerd. Deze door de Internationale Douaneraad opgestelde toelichtingen hebben ten doel het toepassingsgebied van de verschillende posten te omschrijven. Het is daarom gewenst ze te raadplegen wanneer onzekerheid bestaat omtrent de indeling. Overigens heeft het Hof zelf in zijn arrest van 8 december 1970 (zaak 14/70, Deutsche Bakels, Jurispr. 1970, blz. 1001) overwogen, dat deze bij gebreke van gemeenschappelijke toelichtingen een waardevol hulpmiddel zijn bij de uitlegging van het GDT.
Laten wij thans de toelichting bij post 16.02 lezen. Indien mijn veronderstelling juist is, omvat deze post ook „vlees en slachtafvallen, die anders zijn bereid of verduurzaamd dan omschreven is in de posten van hoofdstuk 2 en, onder meer, produkten die enkel zijn omgeven door beslag of paneermeel, dan wel zijn getruffeerd of gekruid {bijvoorbeeld met peper en zout)” (IDR-toelichtingen bij post 16.02, cursivering van mij). Dat „gekruid vlees” moet worden ingedeeld onder post 16.02 en niet onder post 02.02, lijkt mij dan ook duidelijk.
De Commissie van de Europese Gemeenschappen geeft zich daarvan wel enigszins rekenschap. Zij verbindt daaraan evenwel niet de voor de hand liggende consequenties. Integendeel, zich aansluitend bij het standpunt van de Duitse douane, poogt zij ons ervan te overtuigen dat „kruiden” in het algemeen spraakgebruik de betekenis heeft van aan voedingsmiddelen kruiden toevoegen om de smaak ervan te verbeteren. Uiteindelijk zou dit laatste beslissend zijn, dat wil zeggen, als de kruiden — of zij nu ahdan niet microscopisch waarneembaar zijn — niet kunnen worden geproefd, kan de waar niet worden geacht een „andere bereiding” te zijn in de zin van post 16.02.
Op het smaakcriterium kom ik nog terug wanneer ik zal spreken over de wijze hoe de toevoeging van kruiden kan worden bewezen. Maar nu al is het onmogelijk niet te wijzen op de tegenstrijdigheid in het standpunt van de Commissie, tenminste wanneer men het in zijn algemeenheid beschouwt. Volgens de Commissie immers is er slechts dan sprake van een „andere bereiding”, wanneer de objectieve kenmerken van het produkt een wijziging hebben ondergaan. Maar waarom zou dit dan ook niet gelden voor het onderhavige produkt? Flauw of gekruid, pikant of niet, de kalkoenefilets en -rollades blijven kalkoenefilets en -rollades; hoeveel zout en peper men er ook aan toevoegt, het worden geen worsten, vleesextracten of -sappen. Met andere woorden, de hoeveelheid kruiden is — uiteraard voor zover het om de tariefindeling gaat — van geen belang. Anderzijds geven noch het GDT, noch de IDR-nomenclatuur, noch de toelichtingen bijzondere criteria aan de hand waarvan men nauwkeurig zou kunnen bepalen, vanaf welke hoeveelheid of vanaf welk moment een produkt gekruid is.
5.
Een ander argument dat mijns inziens de juistheid van de hier verdedigde opvatting bevestigt, kan worden ontleend aan verordening (EEG) nr. 3092/76 van de Commissie van 17 december 1976 inzake de toepassing van monetaire compenserende bedragen op bepaalde rundvleesprodukten (PB L 348 van 1976, blz. 18). Evenals kalkoenevlees valt rundvlees — vers, gekoeld of bevroren — onder hoofdstuk 2 van het GDT en dus onder het stelsel der monetair compenserende bedragen. Is het echter gekruid, dan valt het onder hoofstuk 16.
Voordat deze verordening in werking trad, golden voor dit produkt — ik bedoel „gekruid” vlees — geen compenserende bedragen; dit was uiteraard een prikkel om vlees in een of andere vorm te „bereiden”, teneinde aan de regeling voor vers vlees te ontkomen. Daardoor ontstond er een kunstmatige ontwikkeling van de handel in bereid vlees en een duidelijke bedreiging voor het prijsniveau in de betrokken Lid-Staten. De Commissie, die op dit gebied een ruime beoordelingsvrijheid heeft, bracht het tenslotte onder het stelsel der monetair compenserende bedragen. Maar toen zij het tarifair gelijkstelde met vers vlees, hoedde zij zich er wel voor, rekening te houden met de mate van kruiding. Artikel 1 van verordening nr. 3092/76 bepaalt namelijk: „Voor verse, gekoelde of bevroren produkten, anders dan fijngehakte produkten, van onderverdeling 16.02 B III b) 1 van het gemeenschappelijk douanetarief die uitsluitend vanwege het kruiden (bijvoorbeeld met zout en peper) of vanwege de toevoeging van andere substanties (bijvoorbeeld olie, groenten, meel), niet in hoofdstuk 2 worden ingedeeld, worden in het handelsverkeer tussen Lid-Staten de monetaire compenserende bedragen toegepast die gelden voor produkten van onderverdeling 02.01 A II van het gemeenschappelijk douanetarief die op dezelfde wijze zijn omschreven, maar niet gekruid zijn, noch met toevoeging van andere substanties” (cursivering van mij).
In haar antwoord op de bij schrijven van 24 november 1982 gestelde vraag van het Hof, of het criterium om uit te maken of rundvlees „gekruid” is, ook kan worden toegepast op kalkoenevlees, heeft de Commissie een opvatting verdedigd die mij geenszins kan overtuigen. In wezen maakt zij onderscheid tussen „eenvoudig kruiden” en „licht kruiden”. Enkel in het eerste geval zou het gaan om een „andere bereiding” in de zin van hoofdstuk 16. Het is echter niet mogelijk de grens tussen beide te bepalen. Naar algemeen spraakgebruik betekend „eenvoudig kruiden” dat aan het vlees — hetzij rundvlees, hetzij kalkoenevlees — ingrediënten zijn toegevoegd om de smaak ervan te verbeteren, en niets meer. Aan de mate waarin wordt gekruid, of het nu licht is of sterk, denkt degene die die uitdrukking gebruikt, niet.
De conclusie is duidelijk: wil kalkoenevlees een „andere bereiding” zijn in de zin van post 16.02, dan is het voldoende dat er daadwerkelijk kruiden aan zijn toegevoegd. Dit resultaat — ik erken het volmondig — is weinig bevredigend, omdat het stelsel waaruit het is afgeleid, niet doelmatig is en tot misbruik bij de toepassing van de compenserende bedragen en tot verkeersverleggingen kan leiden; het zou daarom wenselijk zijn, de regeling compenserende bedragen, evenals bij rundvleesprodukten is gebeurd, ook toepasselijk te verklaren op „gekruid” kalkoenevlees. Maar zo is het nu eenmaal: „hoc iure utimur”, en volgens dit recht ontkomt men niet aan de door mij voorgestelde oplossing.
6.
De verwijzende rechter — in het begin wees ik er al op — vraagt zich voorts af, hoe moet worden aangetoond dat kruiden zijn toegevoegd, en in het bijzonder, of het bewijs moet worden geleverd aan de hand van objectieve dan wel van subjectieve criteria. Het antwoord lijkt mij tamelijk eenvoudig. Ter waarborging van de rechtszekerheid — die zich hier uit in de behoefte aan duidelijke indelingsmethoden, die zonder meer kunnen worden toegepast en gebaseerd zijn op gemakkelijk te controleren gegevens — heeft het Hof herhaaldelijk beslist dat de indeling van een waar in het GDT dient te geschieden aan de hand van haar objectieve kenmerken en eigenschappen op het tijdstip van inklaring (arresten van 23 maart 1972, zaak 36/71, Henck, Jurispr. 1972, blz. 187; 22 november 1973, zaak 128/73, Past, Jurispr. 1973, blz. 1277; 29 mei 1974, zaak 185/73, König, Jurispr. 1974, blz. 607; 10 december 1975, zaak 53/75, Vandertaelen, Jurispr. 1975, blz. 1647; 18 februari 1976, gevoegde zaken 98 en 99/75, Carstens, Jursipr. 1976, blz. 241; 16 oktober 1976, zaak 38/76, Industriemetall Luma, Jurispr. 1976, blz. 2027; 8 december 1977, zaak 62/77, Carlsen, Jurispr. 1977, blz. 2343). Dit strikte beginsel geldt slechts in twee gevallen in zwakkere vorm: wanneer een produkt op basis van zijn objectieve kenmerken niet kan worden onderscheiden van een ander produkt (zoals wilde rendieren die, eenmaal geslacht, niet zijn te onderscheiden van gedomesticeerde rendieren: arrest van 12 december 1973, zaak 149/73, Witt, Jurispr. 1973, blz. 1587) en wanneer het GDT zelf toepassing van een subjectieve methode verlangt (met het blote oog waarneembare bewerking: arrest van 30 september 1982, in zaak 317/81, Howe & Bainbridge, Jurispr. 1982).
Ik merk verder nog op dat GDT juist voor de tariefindeling van vlees in aanvullende aantekening 3 bij hoofdstuk 2 een objectief criterium hanteert. Ik doel op het begrip „lichtgedroogd” of „licht-gerookt”. In beginsel zou er niets tegen zijn geweest, hier op de smaak af te gaan, maar niettemin definieert genoemde bepaling het begrip aan de hand van de water/proteïneverhouding.
Het is dus stellig onjuist om, zoals de Commissie doet, te stellen dat het in casu bedoelde vlees naar zijn smaak moet worden beoordeeld. Het gebruik van een dergelijk criterium zou in de eerste plaats een volstrekt ongemotiveerde afwijking zijn van een op objectieve beoordelingsmethoden gebaseerd systeem. En zoals de wijze waarop het „gekruide” kalkoenevlees door de Duitse douane is behandeld, aantoont, zou het verder noodzakelijkerwijze leiden tot ontoelaatbare verschillen in tariefindeling binnen de Gemeenschap. Van oudsher is immers bekend, dat de reactie op een bepaalde smaak zo verschillend is als men zich maar kan voorstellen, daar iedere persoon zijn eigen smaakervaring heeft en een persoonlijke gevoeligheid voor de waarneming van kruiden. Samengevat leidt dit tot het tegendeel van de gemeenschapsregel, die erop is gericht op dit zo goed als op andere gebieden een eenvormig stelsel in het leven te roepen, waarin geen plaats is voor twijfel.
Dat is echter nog niet alles. Voor de tariefindeling heeft het Hof de voorkeur gegeven aan het criterium dat het gemakkelijkst „hanteerbaar” is (arrest van 20 oktober 1977, zaak 29/77, Roquette, Jurispr. 1977, blz. 1835). Nu lijkt het mij duidelijk (ook de Commissie heeft dit ter terechtzitting toegegeven), dat de tariefindeling van het betrokken vlees aan de hand van zeer wel hanteerbare objectieve criteria mogelijk is. Als de meest voor de hand liggende noem ik: de aanduidingen op het etiket, die behoudens bewijs van het tegendeel geacht worden juist te zijn, en de chemische of microscopische analyse door een gespecialiseerd laboratorium.
7.
Om „gekruid” kalkoenevlees onder post 16.02 te kunnen indelen, moet het bewijs dat kruiden zijn toegevoegd, dus worden geleverd aan de hand van objectieve criteria, zonder gebruik te maken van de smaak. Dit betekent dat geen antwoord meer nodig is op de tweede vraag van het Finanzgericht, die, zoals gezegd, betrekking had op de criteria die bij de smaaktest moeten worden gehanteerd.
Toch zou ik ook bij deze vraag enige opmerkingen willen maken, omdat er een bevestiging uit kan worden afgeleid van de juistheid van de objectieve methode om te bewijzen dat kruiden zijn toegevoegd. Volgens de Commissie is de douane zeer goed in staat vast te stellen of de waar „gekruid” is, en zij geeft het Hof in overweging, te antwoorden dat „bij de smaaktest moet worden uitgegaan van het zintuiglijk waarnemingsvermogen van een gemiddelde douaneambtenaar.”
Deze opvatting nu moet om tweeërlei redenen ten stelligste worden afgewezen. De eerste reden noemde ik al: de smaakgevoeligheid is te zeer afhankelijk van geografische, fysiologische en antropologische omstandigheden (ik denk hier aan de verschillende voedingsgewoonten) om betrouwbaar te zijn. Zoals blijkt uit de tariefindeling in Duitsland, waarover ik zojuist sprak, kan dit tot uiteenlopende resultaten in eenzelfde Lid-Staat en zeker in de Gemeenschap leiden. Evenmin kan men beweren dat men voor een eenvormige tariefindeling kan afgaan op de „gemiddelde” smaak van de gemeenschapsburgers. Dit is absurd, en al even absurd en wegens zijn gecompliceerdheid ondoenlijk is het — subsidiair genoemde — voorstel van Dinter om de smaaktest — nu de gemiddelde douanebeambte er niet toe in staat is — te laten verrichten door een groep onafhankelijke personen die representatief zijn voor de verschillende nationaliteiten in de Gemeenschap.
Een tweede argument: De inwoners van de Gemeenschap hebben de misschien vreemde, maar oude en vaste gewoonte, hun kalkoenefilets en -rollades gebraden of in elk geval gaar te eten. Rauw of bevroren, zoals zij ter inklaring worden aangeboden, zou dit voedsel zelfs de hongerigste en minst veeleisende hunner niet kunnen verleiden. Om de smaak te kunnen beoordelen, zou de gemiddelde douaneambtenaar waarop de Commissie zich verlaat, dus gedwongen zijn het vlees te braden; dit zou indruisen tegen de algemene indelingsregel, dat de waar moet worden beoordeeld in de staat waarin zij zich bij de inklaring bevindt.
Onlangs werd het Hof trouwens verzocht uitspraak te doen over het waarnemingsvermogen van de gemiddelde douanebeambte of van deskundigen. Het ging om de uitlegging van een bepaling van het GDT betreffende „weefsels, geïmpregneerd met, voorzien van een deklaag van of bekleed met cellulosederi-vaten”, waarin — zoals gezegd — als criterium is voorgeschreven waarneming met het blote oog. Op die vraag antwoordde het Hof, dat ofschoon „het GDT een gemeenschapshandeling is die in alle Lid-Staten op eenvormige wijze moet worden uitgelegd, de toepassing ervan aan de Lid-Staten is overgelaten.” Het staat dus aan de Lid-Staten „de met de tariefindeling der goederen belaste instanties en personen aan te wijzen en ervoor te zorgen dat deze personen zo worden opgeleid, dat zij hun taak naar behoren kunnen vervullen” (arrest van 30 september 1982, zaak 317/81, reeds aangehaald, r.o. 16 en 17).
8.
Concluderende stel ik voor, dat het Hof de door het Finanzgericht Düsseldorf bij beschikking van 14 juli 1982 krachtens artikel 177 EEG-Verdrag gestelde prejudiciële vraag beantwoorde als volgt:
Het begrip „andere bereidingen” van vlees in post 16.02 van het GDT moet aldus worden uitgelegd, dat het mede betrekking heeft op — bijvoorbeeld door toevoeging van zout en peper — „gekruid” vlees; dit geldt ook indien de aanwezigheid van de voor het kruiden aangewende ingrediënten enkel onder een microscoop kan worden vastgesteld.
( 1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy