CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL S. ROZÈS
VAN 24 NOVEMBER 1983 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
U hebt kennis te nemen van het door mevrouw G. Seiler, weduwe van R. S., en haar beide kinderen Florence en George-Francis ingediend beroepschrift, waarin de nietigverklaring wordt gevorderd van de afwijzende beschikking, gegeven op een door hen ingediend verzoek, daartoe strekkende dat de ziekte van hun overleden echtgenoot en vader als beroepsziekte zou worden aangemerkt.
I —
De feiten zijn de volgende.
Op 31-jarige leeftijd is R. S. bij de Bijzondere Raad van Ministers van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal in dienst getreden. Krachtens het fusieverdrag van 6 april 1965 trad per 1 juli 1967 een enkele Raad voor de Raden der drie bestaande Gemeenschappen in de plaats, maar reeds voordien zorgde één enkel secretariaat-generaal voor de nodige coördinatie. R. S. was sedert 1958 als directeur van het kabinet van de secretaris-generaal werkzaam.
In het begin van 1977 maakte hij op het werk een crisis door, die door „pijn in de borst” werd gekenmerkt. Na een rustperiode van enkele maanden stonden de artsen hem toe zijn beroepswerkzaamheden te hervatten, met dien verstande dat hij zich diende te ontzien. In april 1978 had hij opnieuw borstklachten.
Opgemerkt zij dat betrokkene met goedvinden van zijn artsen jaarlijks een kuur onderging en dat de Raad in antwoord op een door uw Hof gestelde vraag heeft verklaard dat de raadgevend arts van de instelling hem tijdens zijn bezoeken nimmer aanbevelingen met betrekking tot zijn beroepswerkzaamheden heeft gegeven.
Op 23 juli 1979 is hij tijdens — en op — het werk aan een infarct van de hartspier overleden.
Namens de nabestaanden heeft zijn zoon op 10 oktober 1979 de secretaris-generaal van de Raad schriftelijk verzocht te doen erkennen dat zijn vader was overleden aan gevolgen van een ziekte die in of bij de uitoefening van werkzaamheden in dienst van de Gemeenschappen was. ontstaan.
Na een voorlopig antwoord heeft de secretaris-generaal de nabestaanden overeenkomstig artikel 21, eerste alinea, van de regeling bedoeld in artikel 73 van het Ambtenarenstatuut ( 2 ), van die regeling moest worden gehoord, niet mogelijk was te „erkennen dat de oorzaak van de ziekte die tot het overlijden geleid had, in de uitoefening van het beroep was gelegen”.
Met uitdrukkelijke verwijzing naar de tweede alinea van artikel 21 der regeling, hebben de rechthebbenden vervolgens verzocht het advies in te winnen van de in artikel 23 ( 4 )bedoelde medische commissie.
De samenstelling van die medische commissie schijnt geen aanleiding tot bijzondere moeilijkheden te hebben gegeven en op 7 september 1981 kwam zij tot de navolgende conclusie:
„Het schijnt dat het bijzonder bewogen beroepsleven van de heer S. een factor kan zijn geweest die de ziekte van de kransslagader kan hebben verzwaard; men treft bij hem evenwel ook andere belangrijke risicoverhogende factoren aan, zoals overmatig roken. Het mag er onzes inziens niet voor worden gehouden dat men met een beroepsziekte in de eigenlijke zin des woord te maken heeft. De ‚stress professionnel’ is slechts een der pathogène componenten en men mag zich, met dokter D. ( 5 ), afvragen of er, behalve van de spanningen waaronder hij bij de uitoefening van zijn beroepswerkzaamheden kwam te staan, niet ook mag worden gesproken van een aan betrokkenes psychische ( 6 ) gesteldheid eigen perfectionisme en overactiviteit.”
Op 19 oktober 1981 deed de secretarisgeneraal de zoon van de overledene weten dat hij, „gezien de resultaten van het onderzoek der deskundigen, hem tot zijn spijt moest mededelen niet te kunnen erkennen dat de oorzaak van de ziekte van de heer R. S. in de uitoefening van zijn beroep moest worden gezocht.”
Behalve nietigverklaring van dit besluit en van de afwijzing van hun buiten eigenlijk rechtsgeding ingediende klacht, vorderen de rechthebbenden dat u zult verklaren voor recht dat de ziekte waaraan betrokkene is overleden, een beroepsziekte was, en dat u hun de in artikel 73 van het Ambtenarenstatuut voor zodanig geval voorziene uitkeringen zult toekennen.
De naamloze vennootschap Royale beige heeft zich, in eigen naam en voor rekening van 14 andere verzekeringsmaatschappijen waarmede de instellingen van de Gemeenschappen, vertegenwoordigd door de Commissie, een collectieve verzekeringsovereenkomst hebben afgesloten, aan de zijde van de Raad van de Europese Gemeenschappen in het geding gevoegd.
II —
Al aanstonds zij gezegd dat u stellig niet bevoegd bent u over de beide laatste vorderingen uit te spreken. Waar u stellig de rechtmatigheid van de afwijzende beschikking van het tot aanstelling bevoegd gezag hebt te beoordelen, ligt het niet op uw weg om, uzelf voor bevoegde instanties in de plaats stellend, uit te spreken of er tussen de uitoefening van het beroep en het overlijden al dan niet een oorzakelijk verband bestaat.
III —
Tot staving van hun tot nietigverklaring strekkende vordering betogen verzoekers in hoofdzaak dat het rapport van de medische commissie waarop het aangevochten besluit berust, dubbelzinnig is, voor zover men daarin tot de conclusie komt dat de ziekte waaraan R. S. leed geen beroepsziekte „in de eigenlijke zin des woords” was; in ieder geval zou het rapport geenszins uitsluiten dat de professionele factor de fataal gebleken aandoening heeft kunnen verergeren, terwijl de afwijzende beschikking van het tot aanstelling bevoegd gezag niet behoorlijk met redenen omkleed zou zijn.
In casu hebt u na te gaan langs welke wegen — en met behulp van welke middelen — de door de instelling aangewezen arts en de medische commissie tot hun conclusies zijn gekomen.
Daartoe moet nauwkeurig worden nagegaan welke opdracht aan de door de administratie aangewezen arts en vervolgens aan de medische commissie werd verstrekt. De aandacht zij erop gevestigd dat de arts die door alle instellingen van de Europese Gemeenschappen volgens de artikelen 19 en 23 van de regeling wordt „aangewezen”, in feite steeds de door de verzekeringsmaatschappij „voorgestelde” arts is. Volgens artikel 5 van de collectieve verzekeringsovereenkomst kan de maatschappij van een beroep op het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen ( 7 ) slechts afzien wanneer het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag is „conforme à l'avis émis par la commission médicale prévue à l'article 23 de la réglementation... lorsque l'expert des assureurs a été médecin membre de cette commission; en pareil cas les assureurs remboursent aux communautés l'intégralité des sommes versées par celles-ci à la victime ou à ses ayants droit, en exécution de la décision... de l'autorité investie du pouvoir de nomination ...”
1.
Op uw verzoek heeft de Raad een nota van 3 december 1979 van de directeur Administratie overgelegd, betreffende een onderhoud, door die directeur met genoemde arts gevoerd.
Blijkens die nota heeft de directeur Administratie hem de resultaten voorgelegd van het door de administratie verrichte onderzoek (waarvan uit het dossier niet blijkt) en de bij dat onderzoek verkregen gegevens bevestigd. Genoemde arts zou niet om inzage van het medisch dossier hebben verzocht, maar opzending van de zich in dat dossier bevindende electrocardiogrammen hebben verlangd. Ook zou hij de directeur hebben medegedeeld dat hij het gehele dossier zou voorleggen aan een in de cardiologie gespecialiseerde hoogleraar en, mocht zulks nodig blijken, aan een college van hoogleraren. Een en ander wettigt niet de conclusie dat er een welbepaalde opdracht werd verstrekt.
2.
Wat betreft het aan de medische commissie verstrekte mandaat, blijkens een nota van de secretaris-generaal van 29 september 1980 — die op uw verzoek eveneens werd overgelegd — zouden de geneeskundigen zich hebben uit te spreken over de vraag of de oorzaak van de ziekte die tot het overlijden van R. S. geleid heeft, in de uitoefening van het beroep was gelegen.
Volgens artikel 3, lid 1, van de regeling „worden beschouwd als beroepsziekten de ziekten vermeld in de ‚Europese lijst van beroepsziekten’ gevoegd bij de aanbeveling van de Commissie van 23 juli 1962 ( 8 ) en de eventuele aanvullingen, voor zover de ambtenaar in zijn beroepswerkzaamheden bij de Europese Gemeenschappen aan het risico deze ziekten op te doen heeft blootgestaan.”
Krachtens het „vermoeden van oorsprong” geeft de opneming van een ziekte op de „Europese lijst” het slachtoffer bijna automatisch aanspraak op schadeloosstelling, in die zin dat hij van de bewijslast is bevrijd.
Vaststaat dat met bloedstilstand gepaard gaande hartaandoeningen (ziekten van de kransslagader) thans niet op de „Europese” lijst voorkomen ( 9 ); het aan de medische commissie verstrekte mandaat lijkt in zoverre een slag in de lucht.
Waar de medische commissie in haar conclusie naar een „in casu irrelevante” beroepsziekte verwijst, „moet worden betwijfeld of de... commissie voldoende over haar taak was ingelicht”, om de bewoordingen te herhalen van het arrest, door de Derde kamer van het Hof op 12 januari 1983 gewezen ( 10 ).
3.
Uit de schriftelijke en mondelinge opmerkingen van de Raad en de verzekeringsmaatschappij blijkt evenwel dat de medische commissie, waarvan ook de door de maatschappij aangewezen geneeskundig expert deel uitmaakte, ook aandacht heeft geschonken aan artikel 3, lid 2, volgens hetwelk „eveneens als beroepsziekte [wordt] beschouwd elke ziekte of verergering van een reeds bestaande ziekte, niet vermeld in de in lid 1 bedoelde lijst, wanneer met voldoende zekerheid komt vast te staan dat zij is ontstaan in of bij de uitoefening van werkzaamheden in dienst van de Gemeenschappen”.
De hierbedoelde toerekenbaarheid geldt dus ook voor ziekten die men in of bij de uitoefening van zijn taak oploopt, en voor iedere verergering van tevoren bestaande pathologische aandoeningen waarvan genoegzaam blijkt dat zij een gevolg van de uitoefening der beroepswerkzaamheden is, ook al mocht de oorzaak der aandoening niet strikt in de uitoefening dier werkzaamheden zijn te zoeken.
De medische commissie heeft nu gemeend dat onder een met een beroepsziekte gelijk te stellen verergering van een reeds bestaande ziekte is te verstaan de door de beroepsuitoefening veroorzaakte verergering van een ziekte die voor de indiensttreding van de ambtenaar bestond.
Zulk een uitlegging komt ons onvoldoende gerechtvaardigd voor.
Zij zou bovendien medebrengen dat er alleen bij verergering van voor indiensttreding geconstateerde ziekten mee kan worden gewerkt. Geschiedt het geneeskundig onderzoek dat aan de aanwerving van alle ambtenaren vooraf moet gaan, voldoende serieus, dan zou hij niet mogen worden aangeworven wanneer hij aan een ernstige ziekte lijdt, althans hij zou slechts mogen worden aangenomen voor werkzaamheden waarmee hij ondanks die ziekte zou kunnen worden belast.
Het komt ons dus voor dat deze opvatting rechtstreeks ingaat tegen de in 1962 door de Commissie aan de Lid-Staten gedane aanbeveling
„voorts in hun desbetreffende wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen te voorzien in aanspraak op schadeloosstelling op grond van de wetgeving betreffende de beroepsziekten, wanneer door de betrokken werknemer voldoende is aangetoond dat hij in de uitoefening van zijn beroep een ziekte heeft opgedaan die niet op de nationale lijst voorkomt”.
Voor „verergering van een reeds bestaande ziekte” in de zin van artikel 3, lid 2, der regeling is het voldoende dat bedoelde aandoening tijdens betrokkenes loopbaan is opgedaan en medisch geconstateerd. Te onderzoeken blijft uiteraard of bedoelde verergering in of bij de uitoefening der beroepswerkzaamheden is ontstaan.
In haar conclusie spreekt de medische commissie zich niet duidelijk uit over de vraag of de beroepsbezigheden van R.S. de ziekte die uiterlijk in 1977 ( 11 ) medisch was geconstateerd, kan hebben verergerd; de onbepaaldheid van de opdracht van de secretaris-generaal kan dit verklaren.
Dit wil evenwel zeggen dat het besluit van 's Raads secretaris-generaal tot afwijzing van het beklag der rechthebbenden „ongeldig... wegens vormgebreken” is in de zin van rechtsoverweging 19 van het arrest van 12 januari 1983; het moet derhalve worden vernietigd.
Het tot aanstelling bevoegd gezag heeft de procedure van de artikelen 19 e.v. der regeling te hervatten en aan de door de instelling aangewezen arts c.q. aan de medische commissie de duidelijke opdracht te verstrekken na te gaan of er tussen de uitoefening der beroepswerkzaamheden en de verergering der tevoren medisch geconstateerde ziekte een causaal verband bestaat.
Wij concluderen tot vernietiging van de aan verzoekers bij brieven van 19 oktober 1981 en 14 mei 1982 medegedeelde besluiten, met verwijzing van de Raad in de kosten, des dat de gevoegde partij de eigen kosten heeft te dragen.
( 1 ) Vertaald uit het Frans.
( 2 ) Artikel 73 van het Ambtenarenstatuut.
„1.
Volgens een door de instellingen der Gemeenschappen in onderlinge overeenstemming en na advies van het Comité voor het statuut vastgestelde regeling is de ambtenaar met ingang van de dag zijner indiensttreding verzekerd tegen uit beroepsziekten en ongevallen voortvloeiende risico's. Voor de dekking van het risico van ongevallen buiten de dienst is hij verplicht ten hoogste 0,1 % van zijn basissalaris bij te dragen. In deze regeling wordt bepaald welke risico's niet zijn gedekt.”
Artikel 21 van die regeling luidt als volgt:
„Alvorens een besluit ingevolge artikel 19 te nemen, brengt het tot aanstelling bevoegd gezag het ontwerpbesluit, tezamen met de conclusie van de door de instelling aangewezen arts of artsen ter kennis van de ambtenaar of zijn rechtverkrijgenden. Dezen kunnen verlangen dat het volledige medische rapport aan een arts hunner keuze wordt toegezonden. Binnen zestig dagen kunnen de ambtenaar of zijn rechtverkrijgenden verlangen dat het advies van de in artikel 23 bedoelde medische commissie wordt ingewonnen...”. doen weten dat het hem, gezien de conclusies van de door de instelling aangewezen arts, die volgens artikel 19, eerste streepje ( 3 )
—
op grondslag van de conclusies van de door de instellingen aangewezen arts of artsen,
—
en, indien de ambtenaar zulks verlangt, na raadpleging van de medische commissie bedoeld in artikel 23.”
( 3 ) „De besluiten waarbij een voorval als ongeval wordt gekwalificeerd, alsmede die betreffende de toeschrijving daarvan aan arbeids- of particuliere risico's, of waarbij een ziekte als beroepsziekte wordt gekwalificeerd, alsmede die betreffende de vaststelling van de graad van blijvende invaliditeit, worden overeenkomstig de in artikel 21 vervatte procedure genomen door het tot aanstelling bevoegd gezag
( 4
)
„De medische commissie bestaat uit drie artsen, van wie:
—
de eerste door het tot aanstelling bevoegde gezag,
—
de tweede door de ambtenaar of zijn rechtverkrijgenden,
—
de derde in onderlinge overeenstemming door de eerste twee artsen wordt aangewezen.
...”
( 5 ) De in eerste instantie door de instelling aangewezen arts had de arts H. D. het dossier voor advies voorgelegd. Hij was in 1961 en in 1969 door R. S. geraadpleegd.
( 6 ) Op 14 maart 1980 gehoord, citeerde de arts H. D. met betrekking tot het vraagstuk van de professionele „stress”, Silber en Katz, „Heart Disease (1975)”: „Research has, as yet, failed to conclusively establish a relationship between personality and coronary artery disease.”
( 7 ) Krachtens compromissoir beding heeft het Hof ieder „medisch” geschil betreffende de uitvoering van de verzekeringsovereenkomst te beslechten.
( 8 ) PB nr. 80 van 31. 8. 1962, blz. 2188. De voorwaarden voor schadeloosstelling van door beroepsziekten getroffenen, zijn vastgelegd in een aanbeveling van de Commissie van 20 juli 1976 (PB nr. 147 van 9. 8. 1966, blz. 2696 e. v.)
( 9 ) De arts H. D., geraadpleegd door de arts die door de administratie was aangewezen, citeert evenwel de volgende passage uit het werk van Hurst, „The Heart” (1978: „Compensation for occupational cardiovascular disease has been introduced by statute in approximately 18 states. Such statutes have been written to provide that in the absence of adequate rebuttal, the development of a cardiovascular disorder is presumed to be the result of the occupation peculiar to the categories of employees such as firemen and policemen, but other occupational groups have also been included. Such legislation has been without proper scientific evidence that any of these occupations is truly more prone to injure or unfavorably affect the cardiovascular system than any other occupation, and the motivation for these laws appears to have been political” (blz. 1998).
( 10 ) Zaak 257/81, K. t. Raad, r.o. 18,Jurispr. 1983, blz. 11.
( 11 ) Certificaat van de arts J. D. d.d. 26 september 1979 en van de arts J. d.d. 25 september 1979; Deskundigenbericbt van 7 september 1981.
Full & Egal Universal Law Academy