CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL S. ROZÈS
VAN 20 OKTOBER 1983 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
De onderhavige zaak betreft een beroep van A. Blomefield tegen de Commissie van de Europese Gemeenschappen; hij vordert nietigverklaring van besluiten betreffende zijn indeling in de salaristrap.
I — De feiten zijn de volgende.
Blomefield is geslaagd voor de examens van het door de Commissie georganiseerde algemeen vergelijkend onderzoek COM/LA/141 (PB C 127 van 1976, blz. 6) voor de vorming van een reserve van adjunct-vertalers (rangen LA. 8 en LA 7 van de groep voor de talendienst).
Volgens de aankondiging van vergelijkend onderzoek kwam het maandelijks aanvangssalaris (basissalaris) overeen met een indeling in rang LA 8, salaristrap 1. In de aankondiging werd evenwel verklaard dat op grond van de opleiding en de specifieke beroepservaring van de sollicitant extra salaristrappen konden worden toegekend. In uitzonderlijke gevallen kon een basissalaris overeenkomend met een indeling in rang LA 7, salaristrap 3, worden toegekend.
Na eerst op de reservelijst te zijn geplaatst, werd Blomefield op 23 augustus 1977 als ambtenaar op proef aangesteld als adjunct-vertaler, en wel per 1 augustus 1977. Hij werd ingedeeld in categorie LA, rang 7, salaristrap 1.
Op 26 april 1978 werd hij dan per 1 mei 1978 in vaste dienst benoemd.
Anders dan in het besluit waarbij hij als ambtenaar op proef werd aangesteld, werd in het besluit waarbij hij in vaste dienst werd benoemd, niet de salaristrap in zijn rang vermeld en evenmin werd de door hem beklede functie omschreven. Niettemin mag men ervan uitgaan, dat het een post van adjunct-vertaler betrof.
Na de wijziging van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen bij verordening van de Raad nr. 912/78 van 2 mei 1978 (PB L 119 van 1978, blz. 1) omvat de loopbaan van adjunct-vertaler nog slechts de rang LA 8, terwijl de rangen LA 7 en LA 6 voortaan de loopbaan van vertaler omvatten. Thans werkt Blomefield dus als vertaler.
II —
In maart 1981 stelde de directeur-generaal Personeelszaken en algemeen beheer van de Commissie het personeel van deze instelling in kennis van een „besluit inzake de criteria voor de indeling in rang en salaristrap bij aanwerving”.
Ik zal later op het rechtskarakter van deze maatregel terugkomen, omdat de kwalificatie ervan bepalend is voor de ontvankelijkheid van het onderhavige beroep.
In het huidige stadium wil ik er enkel op wijzen, dat dit besluit van 6 juni 1973 aanvankelijk bedoeld was „ter vergemakkelijking van de talrijke keuzen en besluiten die in betrekkelijk korte tijd hun beslag moesten krijgen” (arrest van 2. 12. 1976, zaak 102/75, Petersen, Jurispr. 1976, blz. 1792, r.o. 23); doch, zoals de Commissie in haar antwoord op een vraag van het Hof in zaak 343/82 (Michael) opmerkte, „zij wenste zich ervan te vergewissen dat deze regels voldoende stabiel en coherent waren om de personeelsleden in hun carrièreverloop een uniforme behandeling te waarborgen”.
In vergelijking met de tekst van 1973 bevat de versie van 1981 enige wijzigingen (artikelen 2 en 3) om hem in overeenstemming te brengen met de bij verordening nr. 912/78 ingevoerde wijzigingen.
De Commissie achtte het gewenst tegelijk met dit besluit een bijlage te publiceren, waarin de „beslissingen” van het bij artikel 6 van het besluit opgerichte indelingscomité werden samengevat en de samenstelling van dit comité werd bekendgemaakt.
Elk personeelslid kreeg via de post een exemplaar van deze stukken toegezonden en sinds maart 1981 worden zij ook gestuurd aan iedereen die is geslaagd voor een vergelijkend onderzoek.
Onder verwijzing naar de bepalingen van voormeld „besluit” diende Blomefield op 6 juni 1981 bij het tot aanstelling bevoegd gezag een verzoek in als bedoeld in artikel 90, lid 1, van het Statuut, om met ingang van zijn indiensttreding op 1 augustus 1977 in salaristrap 3 van rang LA 7 te worden ingedeeld.
Op 9 juli 1981 antwoordde de secretaris van het in artikel 6 van het besluit bedoelde „indelingscomité”, dat het comité, dat op 17 juni 1981 voor het eerst over het onderwerp had gediscussieerd, in september - oktober 1981 uitspraak zou doen over alle naar aanleiding van de bekendmaking van het „besluit” ingediende verzoeken en dat Blomefield persoonlijk van het hem betreffende advies op de hoogte zou worden gesteld.
Op 7 januari 1982 diende Blomefield een klacht in als bedoeld in artikel 90, tegen de stilzwijgende afwijzing van zijn verzoek van 6 juni 1981 (de klacht is ingeschreven op 8 januari 1982).
Op dezelfde dag deelde het voor personeelszaken verantwoordelijke lid van de Commissie hem mee, dat het comité zich op 11 november 1981 op het standpunt had gesteld dat zijn indeling in rang LA 7, salaristrap 1, in overeenstemming was met de ten tijde van zijn aanwerving geldende criteria en dat die criteria overigens op dezelfde wijze waren toegepast met betrekking tot andere personen die bij hetzelfde vergelijkend onderzoek waren geslaagd. Hiermee nam het lid van de Commissie de conclusies van het advies van het indelingscomité over.
In zijn op 28 juli 1982 ingeschreven verzoekschrift concludeert Blomefield tot
—
nietigverklaring van het hem op 7 januari 1982 ter kennis gebrachte besluit,
—
nietigverklaring van de stilzwijgende afwijzing van zijn klacht,
—
nietigverklaring van de oorspronkelijke indeling,
en verzoekt hij het Hof, voor recht te verklaren dat hij in salaristrap 3 van rang LA 7 had moeten worden ingedeeld of, subsidiair, de Commissie te veroordelen om hem met ingang van een in het arrest te bepalen datum twee extra salaristrappen toe te kennen.
III —
Zonder terzake een formele exceptie voor te dragen, verklaart de Commissie dat de ontvankelijkheid van het beroep haar „minstens twijfelachtig” voorkomt.
Deze vraag behoort derhalve in de eerste plaats te worden onderzocht.
Men zou kunnen stellen, dat de in maart 1981 bekendgemaakte „richtlijnen” (zoals zij in de mededeling aan het personeel van maart 1981 worden genoemd), die niet zijn gebaseerd op artikel 110 van het Statuut, een louter interne maatregel zijn, waaraan het personeel geen enkel recht kan ontlenen: in dat geval zou die maatregel dezelfde strekking hebben als de „criteria” welke aan de orde waren in voormelde zaak-Petersen, waarin het Hof oordeelde dat „het onderzoek naar het rechtskarakter van deze criteria, dat voor een beslissing over de ontvankelijkheid van het beroep noodzakelijk is, niet is te scheiden van het onderzoek naar de gegrondheid ervan” (r.o. 12).
Ofschoon artikel 31 van het Statuut niet noodzakelijk om een algemene uitvoeringsbepaling als bedoeld in artikel 110 vroeg, stond dit artikel niet eraan in de weg, dat met het oog op een redelijke toepassing een interne richtlijn werd vastgesteld, als bedoeld in het arrest-Louwage, waarin wordt verklaard „dat ofschoon de interne richtlijn niet kan worden aangemerkt als een rechtsregel waaraan de administratie onder alle omstandigheden gebonden is, zij toch voor de te volgen praktijk een gedragsregel inhoudt, waarvan de administratie — op straffe van schending van het beginsel van gelijkheid van behandeling — slechts mag afwijken onder vermelding van de redenen die haar daartoe hebben geleid” (arrest van 30. 1. 1974, zaak 148/73, Jurispr. 1974, blz. 89, r.o. 12).
Het komt mij voor, dat het „besluit” van de Commissie van 1973 in elk geval was aan te merken als interne richtlijn toen het in 1981 werd bekendgemaakt en juist wegens de wijze van openbaarmaking zijn oorspronkelijk mogelijk wat efemeer karakter verloor.
Deze bekendmaking stelt de ambtenaren in staat, de bij hun aanwerving „aanvaarde” indelingsmodaliteiten te betwisten. In dit verband oordeelde het Hof dat hoe dan ook de aanstelling van een ambtenaar niet het resultaat kan zijn van wilsovereenstemming, doch voortvloeit uit een eenzijdige handeling van het tot aanstelling bevoegde gezag (voormelde zaak-Petersen, r.o. 16).
In de zaak-Williams (arrest van 6. 10. 1982, zaak 9/81, Jurispr. 1982, blz. 3301) merkte het Hof de — in alle opzichten met het „besluit” van de Commissie in de onderhavige zaak vergelijkbare— maatregel van de Rekenkamer van'maart 1981 aan als een „algemeen besluit”.
Tenslotte levert de omstandigheid dat het indelingscomité „uitspraak” heeft gedaan over het verzoek van betrokkene, een nieuw feit op. Het — hem niet ter kennis gebrachte — „advies” van dit comité is vermeld in de brief van 7 januari 1982, waarop verzoekers eerste conclusie van zijn beroep tot nietigverklaring betrekking heeft. Deze brief is niet een louter bevestigende handeling, daar hij in wezen op het advies van dit comité is gebaseerd.
Bijgevolg is het beroep mijns inziens ontvankelijk.
IV —
Ten gronde moet in de eerste plaats worden onderzocht of Blomefield voldoet aan de in het besluit van 6 juni 1973 gestelde voorwaarden ter zake van beroepservaring.
1.
De bepalingen van dit besluit, op grond waarvan kan worden afgeweken van het algemene beginsel dat aanstelling geschiedt in de aanvangsrang van de aanvangsloopbaan, zijn op artikel 31 en niet op artikel 32 van het Statuut gebaseerd.
De Commissie blijkt in overeenstemming met dit artikel nauwkeurige criteria te hebben vastgesteld, die overigens nauwgezet zijn toegepast bij verzoekers „aanstelling in de rang”.
Verzoeker baseert zijn verzoek tot „salaristrapindeling” in hoofdzaak op artikel 5, lid 1, van dit besluit, dat luidt als volgt:
„Teneinde rekening te houden met de beroepservaring welke de kandidaat meer bezit dan die welke bepalend is voor de rang waarin de aanstelling plaatsvindt, kent het tot aanstelling bevoegde gezag hem een salarisanciënniteit toe overeenkomstig de tabel in de bijlage.”
Het gebruik van de tegenwoordige tijd („kent toe”) betekent niet, dat de Commissie niet om rechtmatige redenen van deze regel kon of zou kunnen afwijken; het zou evenwel in strijd zijn met een goed bestuur wanneer de Commissie zich — behoudens gerechtvaardigde uitzonderingen — niet houdt aan de „doctrine” waarop zij zichzelf heeft vastgelegd en waarvan zij het nuttig achtte om deze aan haar personeelsleden mee te delen.
Het staat haar vrij, daarvan om rechtmatige redenen af te wijken, doch wanneer zulke redenen ontbreken, moet zij zich daaraan houden op grond van het beginsel van gelijke behandeling (voormeld arrest-Louwage, r.o. 13); de vaststelling en publikatie van deze criteria waren juist bedoeld om dit beginsel veilig te stellen.
2.
Dan zal ik nu nagaan of de Commissie, op grond van dit beginsel dan wel om andere rechtmatige redenen, in verzoekers geval van de toepassing van deze regel mocht afwijken.
Volgens verzoeker kan hij een beroepservaring van bijna zeven jaar voorafgaand aan zijn indiensttreding doen gelden, hetgeen uit zijn sollicitatieformulier zou blijken.
Volgens de tabel in de bijlage bij het besluit van 1973 geeft een ervaring van vijf jaar reeds recht op een extra salarisanciënniteit van 48 maanden (twee jaar).
De Commissie betwist niet de duur van deze ervaring doch zij is wel van mening dat zij geen verband houdt met de werkzaamheden die behoren bij de post waarop Blomefield is aangeworven.
Zij verwijst in dat verband naar punt 3, sub c), van de „toepassingen”, waarin enige „beslissingen” van het indelingscomité worden weergegeven; daarin wordt verklaard dat voor loopbaan LA 7-LA 6 relevante ervaring „voor 100 % in aanmerking [wordt] genomen, wanneer zij op het niveau van de categorie A is opgedaan”.
De door de Commissie aan deze tekst gegeven uitlegging lijkt mij onjuist.
In deze bepaling wordt stellig gedoeld op ervaring van postuniversitair niveau, doch men mag daarbij niet alleen denken aan specifieke werkzaamheden als waarmee het personeelslid na zijn aanwerving is belast: het volstaat dat deze ervaring op het niveau van de categorie A is opgedaan. Anders gezegd, een vertaler die na zijn universitaire studies bijvoorbeeld ervaring heeft opgedaan als econoom of jurist, kan met die ervaring stellig aanspraak maken op toepassing van artikel 5, als verduidelijkt in de „beslissingen” van het indelingscomité. De ervaring behoeft niet enkel vertaalervaring te zijn, zolang zij maar op het niveau van de categorie A is opgedaan (de tekst spreekt niet van „niveau van de groep LA”).
In de voorwaarden voor deelneming aan het vergelijkend onderzoek waaraan verzoeker heeft meegedaan, werd overigens van de sollicitanten niet vereist, dat zij een volledige universitaire taalopleiding hadden genoten; evenmin werd een voor de functie „relevante” ervaring verlangd, doch enkel einige „bruikbare” ervaring.
Een bijkomend argument voor deze interpretatie is het feit dat de duur van de wettelijk verplichte militaire dienst op dezelfde voet als de „relevante” beroepservaring voor een eventuele extra salarisanciënniteit in aanmerking wordt genomen (zie bijlage II bij het besluit, Toepassingen en opmerkingen, sub 1, Algemene opmerkingen, b) Het meetellen van de militaire dienst).
Was betrokkene voor een vergelijkend onderzoek voor de rangen A 7/A 6 geslaagd, dan had hij met een diploma van bachelor of arts en 3 jaar beroepservaring in rang A 7, salaristrap 1, kunnen worden ingedeeld. Uit de processtukken blijkt echter, dat hij in 1968 in Oxford (Trinity College) de graad van master of arts (law) heeft behaald en dat hij een beroepservaring van bijna zeven jaar heeft als bedrijfsjurist. Ik wil er nog op wijzen, dat verzoeker vanaf 1980 werkt voor het Directoraat-generaal Landbouw, inzonderheid voor de „beheerscomités”.
3.
Tenslotte wijst Blomefield nog op het feit dat aan andere voor hetzelfde vergelijkend onderzoek geslaagde sollicitanten een extra salarisanciënniteit van 48 maanden is toegekend.
In haar antwoord van 7 januari 1982 stelde de Commissie daarentegen dat zijn indeling overeenstemt met die van andere geslaagde sollicitanten. De processtukken geven terzake geen uitsluitsel, doch dit punt behoeft niet verder te worden onderzocht aangezien verzoeker mijns inziens op grond van zijn eigen verdiensten aanspraak heeft op de door hem verlangde anciënniteit.
Blomefield is van mening dat deze herindeling zou moeten terugwerken tot de datum van zijn benoeming; subsidiair verzoekt hij het Hof, de Commissie te veroordelen om hem met ingang van een in het arrest vast te stellen datum twee extra salaristrappen toe te kennen.
In overeenstemming met de uitspraak van het Hof in het arrest in de zaak-Williams (r.o. 28) moet deze indeling dunkt mij ingaan op de datum van indiening van zijn verzoek als bedoeld in artikel 90, lid 1 van het Statuut.
Ik concludeer tot:
—
nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 7 januari 1982,
—
voor zover als nodig, nietigverklaring van de stilzwijgende afwijzing van verzoekers klacht,
—
toekenning per 11 juni 1981 — dag waarop zijn verzoek werd ingeschreven — van twee extra salaristrappen, en
—
verwijzing van de Commissie van de Europese Gemeenschappen in de kosten van het geding.
( 1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy