CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 24 MAART 1983 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
In de onderhavige prejudiciële procedure betreffende een tariefindelingskwestie zijn de feiten de volgende:
Verzoekster in het hoofdgeding, de firma Kaffee-Contor GmbH & Co. KG te Bremen, importeerde in 1980 uit Thailand 20000 zogenaamde juwelenkistjes die zij in het vrije verkeer bracht als verpakkingsmiddelen, kistjes en dergelijke van kunststof in de zin van post 39.07 Β V d van het GDT. Deze juwelenkistjes waren opbergmiddelen van 9,4 x 7,6 x 3,4 cm, die normaliter worden gebruikt als sieretui bij de verkoop en als opbergetui voor sieraden. De openklapbare etuis bestaan uit volgens een spuitgiet-procédé vervaardigd polystyreen en zijn aan de buitenzijde volledig bekleed met gelakt papier. Het deksel is aan de binnenkant met stof bekleed en de bodem is met een soort fluwelen kussentje bedekt. In haar douaneaangifte ging verzoekster ervan uit, dat deze juwelenkistjes op grond van een preferentie vrij van heffingen konden worden ingevoerd.
Bij de controle van de aangifte kwam het bevoegde Hauptzollamt Bremen op grond van een rapport van de Zollehranstalt Bremen tot de conclusie, dat deze opbergmiddelen onder post 42.02 Β van het GDT in te delen waren, en vorderde het bij wijzigingsbeschikking van 10 september 1980 DM 2549,90 aan douanerechten na. Onder dit tariefnummer vallen onder andere etuis, kistjes, dozen en stoffen (voor juwelen) en dergelijke opbergmiddelen van leder, van kunstieder, van vulcanfiber, van kunstmatige plastische stoffen in vellen, van karton of van textiel waarvoor een verschillend invoerrecht geldt naargelang deze opbergmiddelen a) van kunstmatige plastische stoffen in vellen of b) van andere stoffen zijn.
In haar beroep tegen dit besluit — evenals in het voordien ingediende bezwaarschrift — voerde verzoekster eveneens aan, dat de betrokken etuis niet onder post 42.02, maar onder post 39.07 van het GDT vielen. Zij zouden slechts met gelakt papier zijn bekleed, dat als bekledingsmateriaal niet met karton is gelijk te stellen. Onder de in post 42.02 genoemde bekledingsmaterialen wordt evenwel slechts geproken van karton en niet van papier; deze materialen verschillen onderling met name door hun gewicht per oppervlakte.
Volgens verweerder daarentegen vallen de betrokken etuis onder de in post 42.02 van het GDT bedoelde produkten, omdat de bekleding met gelakt papier hun uiterlijk wezenlijk bepaalt. Daarbij zou irrelevant zijn, bij welk gewicht van karton sprake is, omdat ook een met papier bekleed etui onder post 42.02 valt en niet onder post 39.07 van het GDT die slechts geldt voor etuis waarvan de buitenkant uit kunstmatige plastische stof bestaat.
Daarop heeft het Finanzgericht Bremen (II. Senat), waarvoor de zaak aanhangig was, de procedure geschorst en krachtens artikel 177 EEG-Verdrag het Hof de navolgende vraag ter prejudiciële beslissing voorgelegd :
„Vallen juwelenkistjes met opklapdeksel, van polystyreen, die aan de buitenzijde geheel met gelakt papier zijn bekleed, onder post 42.02 B van het gemeenschappelijk douanetarief (GDT) als dozen voor juwelen en dergelijke opbergmiddelen, of onder post 39.07 B V d van het GDT als werken van kunstmatige plastische stof?”
Mijn standpunt in deze is als volgt:
Volgens Algemene bepaling 3 a voor de toepassing van de nomenclatuur van het GDT, heeft de post met de meest specifieke omschrijving voorrang boven posten met een meer algemene strekking. Aangezien etuis en dozen voor juwelen uitdrukkelijk worden genoemd in post 42.02, moet dus eerst worden onderzocht of de betrokken produkten, die ontegenzeglijk zijn aan te merken als juwelenkistjes of dergelijke opbergmiddelen, onder deze post zijn in te delen. Als dat zo is, staat ingevolge Aantekening 1, sub d, bij hoofdstuk 39 en ingevolge Aantekening 1, sub f, bij hoofdstuk 48, dat over de tariefindeling van papierwaren handelt, vast, dat waren van post 42.02 niet onder de genoemde hoofdstukken vallen.
Zowel de Commissie als verzoekster in het hoofdgeding zijn echter van mening dat post 42.02 slechts geldt voor zulke kistjes van een kunstmatige plastische stof wanneer zij zijn bekleed met de in de omschrijving van de goederen opgesomde stoffen die aan het produkt zijn wezenlijk karakter verlenen. Als bekledingsstof wordt echter slechts karton, en niet papier vermeld. Overeenkomstig de statistische aantekening in de NIMEXE-code (Verordening nr. 3062/79 van de Commissie van 20 december 1979, PB L 346 van 1979, blz. 1) en de heersende opvatting in de vakliteratuur, zijn slechts waren met een gewicht van 225 g/m 2 of meer kartonwaren, terwijl produkten van minder dan 225 g/m 2 als papier gelden. Derhalve zou het voor de bekleding van de juwelenetuis gebruikte gelakte papier dat 185 g/m 2 weegt niet zijn te beschouwen als karton in de zin van post 42.02.
Daaruit concludeert verzoekster in het hoofdgeding, dat de betrokken juwelenkistjes als dozen van kunstmatige plastische stoffen onder 39.07 B V d vallen, terwijl volgens de Commissie, het steunmateriaal van kunstmatige plastische stof het wezenlijk karakter van deze opbergmiddelen juist niet bepaalt en de juwelenkistjes derhalve moeten worden ingedeeld onder post 48.16 A — dozen, zakken en andere verpakkingsmiddelen, van papier of van karton —.
Dit standpunt van de beide procespartijen nu, vermag ik niet te delen. Vooreerst zij erop gewezen dat, volgens Algemene bepaling 3 b voor de toepassing van de nomenclatuur van het GDT, werken welke zijn samengesteld uit of met verschillende stoffen in te delen zijn naar de stof of naar het goed waaraan de werken hun wezenlijk karakter ontlenen. Zoals de Commissie terecht aanvoert, kan het geraamte van polystyreen — al is deze kunstmatige plastische stof bepalend voor de vorm — evenwel niet karakterbepalend worden geacht, omdat het volledig onder de bekledingsstof verdwijnt. Het is derhalve niet zichtbaar en zou zonder meer kunnen worden vervangen door andere stoffen, zoals hout of metaal. Derhalve is het juist, slechts de bekleding, dit wil zeggen het gelakt papier als karakterbepalend te beschouwen.
Niet in de laatste plaats vindt dit standpunt steun in de toelichtingen van de Internationale Douaneraad (IDR) bij post 42.02, waarin het heet dat „artikelen van hout, van metaal, enz. ... onder deze post [worden] ingedeeld, mits zij aan de buitenzijde geheel of voor het grootste deel met een der hiervoor genoemde stoffen zijn bekleed”.
Vervolgens doet zich de vraag voor, of de etuis daarom niet onder post 42.02 in te delen zijn, omdat daarin onder andere wel karton maar geen papier als bekledingsstof wordt genoemd. Hier kan ik echter verzoekster in het hoofdgeding noch de Commissie volgen, wanneer zij uit het feit dat papier en karton in het GDT afzonderlijk worden genoemd willen afleiden, dat in post 42.02 alleen karton als karakterbepalend kan worden gezien. Hiertegen moet worden ingebracht, dat het GDT noch de IDR-toelichtingen een criterium kennen ter onderscheiding van papier en karton en dat beide stoffen in hoofdstuk 48 van het GDT in dezelfde posten worden genoemd. Dat onder post 42.02 slechts karton wordt vermeld, kan wellicht worden verklaard uit het feit dat slechts materialen worden opgesomd die bij de vervaardiging van de daar vermelde artikelen normaliter en hoofdzakelijk worden gebruikt. Zij moeten ervoor zorgen dat deze voorwerpen duurzaam en stevig zijn, hetgeen met papier niet zonder meer te breiken is. Dat papier, dat volgens de vakliteratuur, de verkeersopvattingen en de statistische aantekening in de NIMEXE-code slechts van karton verschilt qua gewicht, in post 42.02 zelfs niet als bekledingsstof is vermeld, kan daarin zijn verklaring vinden, dat aan zulk een gebruik — zoals wij hebben vernomen — technisch enge grenzen zijn gesteld.
Wordt papier echter als bekledingsstof gebruikt, dan wordt het een stof die aan de onder een post in te delen juwelenkistjes hun wezenlijk karakter verleent, en is het als zodanig niet van karton te onderscheiden. Het gewicht dat slechts valt te berekenen nadat de bekleding is stukgemaakt en de overige kleef- en lakstoffen zijn verwijderd, is mijns inziens te dezen niet van belang. Hier moeten dezelfde regels gelden als voor de in die post genoemd stoffen, waarbij het gewicht evenmin van belang is.
Gelet op een en ander concludeer ik, dat u de gestelde vraag beantwoorde als volgt:
Juwelenkistjes met opklapdeksel, van polystyreen, die geheel met gelakt papier zijn bekleed, moeten als dozen voor juwelen en dergelijke opbergmiddelen onder post 42.02 B van het GDT worden ingedeeld.
( *1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy