CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
P. VERLOREN VAN THEMAAT
VAN 14 JULI 1983
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. De belangrijkste feiten
Bij verordening nr. 912/78 van de Raad van 2 mei 1978 (PB L 119 van 1978, blz. 1), vond onder meer een wijziging plaats van Bijlage I, onderdeel A, van het Statuut. Artikel 13 van deze wijzigingsverordening luidt als volgt:
Artikel 13
In bijlage I, deel A, wordt de rubriek „Groep voor de talendienst” als volgt gelezen:
„Groep voor de talendienst
LA 3
Afdelingshoofd van een vertaalafdeling of een tolkenafdeling
LA 4
Hoofd van een groep vertalers of tolken
LA 5
Réviseur, hoofdvertaler, hoofd-tolk
LA 6
Vertaler
LA 7
Tolk
LA 8
Adjunct-vertaler
Adjunct-tolk”.
Op 17 maart 1981 werd door de Raad deze wijziging toegepast door een wijziging van de functieomschrijving van de ambtenaren van het algemeen secretariaat van de Raad, zoals deze was neergelegd in een besluit van 7 oktober 1963. Ten aanzien van de functies in de rangen LA 5-LA 4 luidde de Franse tekst van dit wijzigingsbesluit als volgt:
LA5
LA4
Chef d'équipe de traduction ou d'interprétation
Conduit les travaux d'une équipe de traduction, d'interprétation de conférence, de terminologie, de documentation ou d'une équipe spécialisée dans d'autres domaines linguistiques
Réviseur, traducteur principal
Fonctionnaire qualifié chargé d'effectuer:
—
la révision de traductions et la traduction de textes,
—
des travaux de terminologie et de documentation dans le domaine linguistique,
—
d'autres travaux spécialisés dans le domaine linguistique
Interprète principal
...
Op 15 september 1981 werden bij schrijven van de heer Spence verzoekers in kennis gesteld van het besluit dat een ieder van hen „ter beschikking van Di-rectoraat-generaal A, Directie II ... werd gesteld in de functie van réviseur, hoofdvertaler ...”. Tegen deze aanduiding reviseur-hoofdvertaler dienden verzoekers in deze gevoegde zaken — tot dan toe reviseurs — een klacht in op grond van artikel 90, lid 2, van het Statuut, welke ertoe strekte dat het onderscheid tussen réviseur en hoofdvertaler te hunnen aanzien zou moeten blijven bestaan. Op 14 mei 1982 stelde de secretaris-generaal verzoekers ervan in kennis dat de besluiten van 15 september 1981 nietig waren, aangezien deze niet door het tot aanstelling bevoegde gezag waren ondertekend. Voor het overige werden de klachten afgewezen en de besluiten 432-437/82 overgelegd die de eerdere besluiten inhoudelijk bevestigden, maar thans wel door het tot aanstelling bevoegde gezag waren ondertekend.
2. De aangevoerde middelen
Verzoekers stelden tegen deze laatstgenoemde besluiten, die van 15 september 1981 en de afwijzing van hun klachten in de mededeling van 14 mei 1982, beroep in door het inroepen van artikel 184 van het EEG-Verdrag tegen het Raadsbesluit van 17 maart 1981.
3. De ontvankelijkheid van het beroep
Door de Raad zijn een tweetal middelen van niet-ontvankelijkheid opgeworpen.
In de eerste plaats stelt de Raad dat het beroep tegen de besluiten 432-437/82 van 14 mei 1982 niet ontvankelijk is, aangezien deze nieuwe besluiten niet het voorwerp hebben gevormd van een klacht bij het tot aanstelling bevoegde
gezag, als vereist in artikel 90, tweede lid, van het Statuut. Dat ook verzoekers deze mogelijkheid niet uitsluiten blijkt uit het feit dat zij tegen deze besluiten op 23 juli 1982 een klacht hebben ingediend, welke op het moment dat het beroep plaatsvond, op 30 juli 1982, nog niet expliciet of impliciet was afgewezen, zodat aan de genoemde voorwaarde niet is voldaan. In zijn algemeenheid is deze strekking van. artikel 90, tweede lid, door Uw Hof uitdrukkelijk erkend in de arresten 58/76, 48/76 en 91/76 (Jurispr. 1976, blz. 1153; 1977, blz. 298 en 1977, blz. 229). Terecht stellen verzoekers echter dat de besluiten van 14 mei 1982 ten gronde niets aan de besluiten van 15 september 1981 hebben veranderd en in feite beschouwd kunnen worden als een afwijzing van hun klachten tegen eerstgenoemde besluiten. Onder verwijzing naar hetgeen in de overwegingen 5 tot en met 8 van Uw arrest in de zaak 7/77 (Jurispr. 1978, blz. 769) is gesteld betreffende de economie van de in de artikelen 90 en 91 voorziene procedures, lijkt het mij inderdaad ook in het onderhavige geval niet juist artikel 91, tweede lid, zodanig te interpreteren dat het enige gevolg is dat de procedure zonder enig nut wordt verlengd. Dit middel van de Raad dient derhalve naar mijn oordeel op grond van het in genoemde overwegingen neergelegde beginsel van proceseconomie te worden verworpen.
In de tweede plaats meent de Raad blijkens zijn dupliek dat het inroepen van artikel 184 van het EEG-Verdrag tegen zijn besluit van 17 maart 1981 uitgesloten is, aangezien het in casu niet zou gaan om een verordening of handeling van algemene strekking. Naar mijn oordeel is dit besluit weliswaar inderdaad geen verordening in formele zin, maar wel een handeling die een soortgelijk effect sorteert ten aanzien van alle tegenwoordige en toekomstige ambtenaren in bedoelde functieaanduidingen. Blijkens overweging 40 van Uw arrest in de zaak 92/78 Qurispr. 1979, blz. 777) is een dergelijk effect voldoende om artikel 184 wel van toepassing te achten.
4. De zaak ten gronde
Het betoog van verzoekers is geheel gebaseerd op de door hen als vaststaand aangenomen verschillen tussen de functie van „réviseur” enerzijds en „hoofdvertaler” anderzijds. Naast inhoudelijke verschillen zouden er ook hiërarchische verschillen bestaan tussen het werk van reviseur en hoofdvertaler. Het is mijns inziens niet noodzakelijk op de juistheid van deze stelling in te gaan. De vraag waar het om gaat is of deze verschillen ook door het Statuut worden erkend en zo ja, of de Raad bevoegd was beide functieaanduidingen op klagers van toepassing te verklaren.
Verzoekers stellen daartoe dat het in casu gaat om twee verschillende standaardfuncties, hetgeen zou impliceren dat krachtens artikel 5, lid 4, tweede alinea, er ook sprake zou moeten zijn van een verschillende omschrijving van de werkzaamheden. Dit zou voorts blijken uit de aanwezigheid van een komma tussen de woorden „reviseur” en „hoofdvertaler”, terwijl tenslotte de andere instellingen van de Gemeenschap in de omschrijving van de werkzaamheden wel het genoemde onderscheid zouden toepassen. Naar mijn oordeel faalt dit betoog. Artikel 5, lid 4, tweede alinea van het Statuut, stelt alleen dat voor „iedere standaardfunctie” de werkzaamheden en bevoegdheden moeten worden omschreven, maar daaruit valt niet af te leiden dat deze omschrijving voor standaardfuncties waaraan eenzelfde loopbaan is verbonden, ook noodzakelijkerwijze verschillend moet zijn. De genoemde statutaire bepaling sluit evenmin uit, dat om redenen van dienstbelang voor verschillende standaardfuncties, waaraan eenzelfde loopbaan is verbonden een gecombineerde omschrijving van werkzaamheden mag worden toegepast. Daarmede wil geenszins gezegd zijn dat aldus handelend de Raad eventuele verschillen tussen de functies van „reviseur” en „hoofdvertaler” geheel zou ontkennen. Hij mag er echter om redenen van dienstbelang van uitgaan dat ambtenaren voldoende aanpassingsvermogen hebben om terwille van een optimale organisatie van de werkzaamheden binnen eenzelfde loopbaan in ieder geval verwante en elkaar gedeeltelijk overlappende functies uit te oefenen. Ik verwijs in dit opzicht naar overweging 17 van Uw arrest in de zaak 36/69 Qurispr. 1970, blz. 361) en voor de uitwisselbaarheid van tot een zelfde loopbaan behorende verschillende standaardfuncties onder meer naar rechtsoverweging 10 van Uw arrest in de zaak 46/69 Qurispr. 1970, blz. 275). Het argument dat andere instellingen ten aanzien van reviseurs en hoofdvertalers een andere praktijk volgen, faalt evenzeer, nu artikel 5, lid 4, tweede alinea, duidelijk spreekt over „iedere” instelling. Overwegingen van efficiënte organisatie van de vertaalwerkzaamheden kunnen in dit opzicht voor de verschillende instellingen dan zeer wel tot verschillende conclusies leiden.
5. Conclusie
Ik concludeer derhalve tot verwerping van alle ingediende verzoeken. Hoewel ik de onhoudbaarheid van de stellingen van verzoekers op zich zelf in het licht van Uw rechtspraak manifest acht, laten de bewoordingen van artikel 70 in verbinding met de tekst van artikel 69, paragraaf 3, tweede lid, van het Reglement voor de procesvoering naar mijn oordeel niet toe hen in dit geval in alle kosten te verwijzen. Verzoekers zullen derhalve conform de conclusie van de Raad en conform artikel 70 uitsluitend in hun eigen kosten kunnen worden verwezen.
Full & Egal Universal Law Academy