CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
SIR GORDON SLYNN
VAN 22 JUNI 1983 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Het Finanzgericht Hamburg (Bondsrepubliek Duitsland) heeft krachtens artikel 177 EEG-Verdrag de volgende vragen ter prejudiciële beslissing aan het Hof van Justitie voorgelegd:
„1.
Wordt door een tot de Lid-Staten gerichte beschikking van de Commissie krachtens artikel 4, lid 6, eerste zin, van verordening (EEG) nr. 3195/75 van de Commissie van 2 december 1975, volgens welke niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 3, lid 1, sub b, van verordening (EEG) nr. 1798/75 van de Raad van 10 juli 1975 betreffende de invoer met vrijstelling van rechten van een bepaald instrument of apparaat, ook degene die het in de beschikking bedoelde apparaat enz. heeft ingevoerd, rechtstreeks en individueel geraakt, zodat hij tegen de beschikking beroep kan instellen, en zo ja, vanaf welk ogenblik en binnen welke termijn?
2.
Kan degene die door een beschikking van de Commissie krachtens artikel 4, lid 6, eerste zin, van verordening (EEG) nr. 3195/75 wordt geraakt, de onwettigheid van de beschikking slechts binnen de in artikel 173, derde alinea. EEG-Verdrag gestelde termijn van twee maanden met een beroep tegen de Commissie geldend maken, of kan de onwettigheid van de beschikking ook voor de nationale rechter in het kader van een beroep tegen de vaststelling van het douanerecht worden ingeroepen, des dat de vraag inzake de geldigheid van de beschikking door de nationale rechter in het kader van een prejudiciële procedure naar het Hof van Justitie kan worden verwezen?
3.
Voor het geval dat de onwettigheid van de beschikking in de procedure voor de nationale rechter kan worden ingeroepen: is beschikking nr. 78/85l/EEG van de Commissie van 5 oktober 1978 inzake het apparaat, Packard Tri-Carb Liquid Scintillation System, model 2425' deswege ongeldig, omdat soortgelijke apparaten, zoals in de beschikking van de Commissie vermeld, wel in de Gemeenschap worden vervaardigd, maar inzake prestatievermogen, vooral gelet op het specifieke gebruiksdoel, minder goed waren dan het ingevoerde apparaat?”
Deze vragen zijn gerezen naar aanleiding van het feit dat in augustus 1976 een in de Verenigde Staten vervaardigd elektronisch controle- en meetapparaat, „Packard 2425 Tri-Carb Spectrometer” genaamd, in Duitsland is ingevoerd. Verordening nr. 1798/75 van de Raad van 10 juli 1975 (PB L 184 van 1975, blz. 1) bepaalt, dat voorwerpen van opvoedkundige, wetenschappelijke of culturele aard met vrijstelling van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief kunnen worden ingevoerd. De onderhavige zaak heeft betrekking op de toestand voordat die verordening per 1 januari 1980 werd gewijzigd bij verordening nr. 1027/79 van de Raad van 8 mei 1979 (PB L 134 van 1979, blz. 1).
Krachtens artikel 3 van verordening nr. 1798/75 kunnen de niet in artikel 2 bedoelde wetenschappelijke instrumenten en apparaten die uitsluitend worden ingevoerd voor het onderwijs of zuiver wetenschappelijk onderzoek met vrijstelling van douanerechten worden ingevoerd, wanneer „geen instrumenten of apparaten van overeenkomstige wetenschappelijke waarde in de Gemeenschap worden vervaardigd”. Het is in confesso dat de spectrometer een wetenschappelijk apparaat is dat de importeur, de Universiteit Hamburg, voor een welbepaald onderzoeksproject nodig had.
Ingevolge artikel 3, lid 3, „wordt de gelijkheid van de wetenschappelijke waarde beoordeeld door de kenmerken en bijzonderheden van het instrument of het apparaat, waarvoor de in artikel 4 bedoelde aanvraag om vrijstelling werd gedaan, te vergelijken met die van het overeenkomstige instrument of apparaat dat in de Gemeenschap wordt vervaardigd, ten einde vast te stellen of dit laatstgenoemde voor dezelfde wetenschappelijke doeleinden kan worden gebruikt als waartoe het instrument of apparaat, waarvoor de aanvraag om vrijstelling werd gedaan, is bestemd en of het vergelijkbare diensten kan bewijzen.”
Op 2 december 1975 stelde de Commissie — overeenkomstig artikel 9 van verordening nr. 1798/75 — verordening nr. 3195/75 vast (PB L 316 van 1975, blz. 17). De artikelen 3 tot en met 6 beschrijven de procedure die moet worden gevolgd bij de invoer met vrijstelling van rechten van wetenschappelijke instrumenten of apparaten op grond van artikel 3 van verordening nr. 1798/75. Om de goederen met vrijstelling van rechten te kunnen invoeren, dient het hoofd van de instelling of organisatie die de goederen invoert (of diens gevolmachtigde) een daartoe strekkend verzoek in te dienen bij de bevoegde autoriteit van de Lid-Staat waar deze instelling of organisatie is gevestigd (artikel 3, lid 1). Artikel 3, lid 2, geeft een opsomming van de gegevens die het verzoek dient te bevatten. De bevoegde autoriteit moet op zulk een verzoek beslissen „in alle gevallen waarin de gegevens waarover zij beschikt, eventueel na overleg met belanghebbende economische kringen, haar in staat stellen te bepalen of er op dat moment al dan niet instrumenten of apparaten van dezelfde wetenschappelijke waarde in de Gemeenschappen worden vervaardigd” (artikel 4, lid 1). Indien de bevoegde autoriteit niet in staat is zo een beslissing te nemen, dan zendt zij het dossier naar de Commissie; in afwachting van een beslissing van de Commissie, kan de bevoegde autoriteit de invoer met vrijstelling van de goederen voorwaardelijk toelaten (artikel 4, lid 2).
Indien de zaak naar de Commissie wordt verwezen, deelt deze dat mee aan de Lid-Staten (artikel 4, lid 3). Heeft geen enkele Lid-Staat binnen twee maanden een ongunstig advies aan de Commissie uitgebracht, dan worden de goederen geacht te voldoen aan artikel 3, lid 1, sub b, van verordening nr. 1798/75; men gaat er dan vanuit dat geen goederen van overeenkomstige wetenschappelijke waarde in de Gemeenschap worden vervaardigd. De Commissie deelt dat aan de betrokken Lid-Staat mee (artikel 4, lid 4). Zo een „ongunstig” advies werd ontvangen, legt de Commissie ingevolge artikel 4, lid 5, dit speciale geval ter beoordeling voor aan een groep deskundigen, bestaande uit vertegenwoordigers van de Lid-Staten, die bijeenkomt „in het kader van het Comité douanevrijstellingen” (ingesteld ingevolge artikel 7 van verordening nr. 1798/75). Ten processe werd het Hof meegedeeld dat deze groep normaliter is samengesteld uit deskundigen in douane- en technische vraagstukken. Wanneer een Lid-Staat enkel door een douanedeskundige is vertegenwoordigd, is deze steeds ingelicht over de technische aspecten van het aan de orde zijnde geval. Indien uit het onderzoek blijkt dat in de Gemeenschap goederen worden vervaardigd van gelijke wetenschappelijke waarde, geeft de Commissie een beschikking waarin wordt vastgesteld dat niet aan artikel 3, lid 1, sub b, van verordening nr. 1798/75 is voldaan, en stelt zij de Lid-Staten daarvan in kennis; in het tegenovergestelde geval verklaart de Commissie dat er wel aan is voldaan (artikel 4, lid 6). Indien de Commissie binnen zes maanden, te rekenen vanaf de datum waarop het verzoek bij haar werd ingediend, geen beschikking heeft gegeven, wordt de voorwaarde geacht te zijn vervuld (artikel 4, lid 7).
In de onderhavige zaak omschreef de Universiteit Hamburg in de douaneaangifte het onderzoeksproject waarvoor zij de spectrometer nodig had als: „meting van de radioactiviteit in het weefsel en het lichaamsvocht van proefdieren in het kader van het experimenteel anatomisch onderzoek, met het oog op de lokalisatie en kwantitatieve opsporing van chemische stofwisselingsprocessen in het organisme van zoogdieren”. Volgens de Universiteit was de wetenschappelijke, culturele en opvoedkundige waarde van de spectrometer gelegen in de „opsporing van stofwisselingssubstanties van het organisme na opname van toegediende, radioactief gemerkte bouwstoffen tot de grootte van een pico-mol, door bepaling en meting van het radioactieve verval van de radioactieve sporensubstantie, en de foto-elektrische impulsvermenigvuldiging van het radioactieve vervalproces”.
In augustus 1976 werd de spectrometer eerst vrij van douanerechten ingevoerd, zij het met heffing van de omzetbelasting bij invoer. In de verwijzingsbeschikking wordt gezegd dat de douane vervolgens het geval voorlegde aan de Zolltechnische Prüfungs- und Lehransalt (ZPLA) te Berlijn om uit te maken of de spectrometer met vrijstelling van rechten kon worden ingevoerd. Het ZPLA concludeerde dat in de Gemeenschap apparaten van gelijke wetenschappelijke waarde werden vervaardigd, waarop de douane op 16 augustus 1977 een gecorrigeerde aanslag uitbracht (i.e. één jaar na haar eerste beschikking, waarin niet stond dat die voorwaardelijk was). Bij deze beschikking werden alsnog douanerechten ten bedrage van DM 5698,38 en omzetbelasting bij invoer ten bedrage van DM 626,28 geheven. De Commissie had inmiddels een tot alle Lid-Staten gerichte beschikking gegeven, waarin werd gesteld dat het betrokken apparaat — althans indien gebruikt voor medisch onderzoek — niet voldeed aan de voorwaarden om met vrijstelling van rechten te worden ingevoerd (zie beschikking van de Commissie nr. 77/382 van 23. 5. 1977, PB L 143 van 1977, blz. 25). Op 31 augustus 1977 diende de Universiteit tegen de gecorrigeerde aanslag een bezwaarschrift in. Op 27 april 1978 richtte de Duitse regering op aandrang van de douane-instanties aan de Commissie een verzoek om een beschikking te nemen op grond van de artikelen 4 en 5 van verordening nr. 3195/75 om vast te stellen of was voldaan aan de voorwaarden om de spectrometer vrij van rechten in te voeren. Het gebruik dat men van het apparaat zou maken was in dat verzoek op dezelfde wijze omschreven als in de douaneaangifte. Voorts vermeldde de brief dat de invoer met vrijstelling van rechten was geweigerd op grond van beschikking nr. 77/382.
De Commissie stelde de Lid-Staten bij een circulaire van 18 mei 1978 op de hoogte. Bij brief van 17 juli meldde de Nederlandse regering aan de Commissie dat in de Gemeenschap twee soorten apparaten van gelijke wetenschappelijke waarde werden vervaardigd, de Searle ISOCAP 300 en de Philips PW 4540. De groep deskundigen kwam bijeen op 14 september 1978. Op die bijeenkomst stelde de Nederlandse delegatie dat beide Nederlandse modellen dezelfde wetenschappelijke waarde hadden als de Packard, en maakte de Franse delegatie bekend dat ook de firma Intertechnique apparaten van gelijke wetenschappelijke waarde vervaardigde. Na die bijeenkomst legde de Franse delegatie een door Intertechnique opgestelde bespreking van de Packard-machine over. Het Comité douanevrijstellingen kwam tot de conclusie dat laatstgenoemd apparaat, voornamelijk wegens het door Intertechnique vervaardigde apparaat, niet vrij van rechten kon worden ingevoerd.
Op 5 oktober 1978 gaf de Commissie beschikking nr. 78/851 (PB L 293 van 1978, blz. 30), waarin zij tot de bevinding kwam dat niet was voldaan aan de voorwaarden om met vrijstelling van rechten in te voeren. Volgens de considerans luidde de vraag van de Duitse, regering, of er momenteel in de Gemeenschap apparaten met gelijke wetenschappelijke waarde werden vervaardigd als het Packard 2425-model „gelet op het bijzondere gebruik ervan dat ge-: baseerd is op de meting van de radioactiviteit in het weefsel en het vocht van de lichamen van proefdieren in het kader van het experimentele ontleedkundige onderzoek; ... op grond van de door de Lid-Staten verzamelde inlichtingen, is gebleken dat apparaten van- gelijke wetenschappelijke waarde als genoemd apparaat en geschikt voor hetzelfde gebruik momenteel in de Gemeenschap worden vervaardigd.”
Daarop heeft de douane bij beschikking van 7 mei 1979 het bezwar van de Universiteit ongegrond verklaard. Op 11 juni stelde de Universiteit beroep in tegen die beschikking. Voor het Finanzgericht werd gesteld dat beschikking nr. 78/851 onjuist was omdat het door de Universiteit geplande onderzoeksprogramma met de Nederlandse of Franse apparaten niet zou kunnen worden uitgevoerd. De Universiteit betwijfelde of de Commissie voldoende aandacht had besteed aan de aard van het onderzoek en laakte het feit dat de beschikking van de Commissie slechts een algemene beschrijving van de gebruiksmogelijkheden van het apparaat, doch geen gedetailleerde motivering bevatte. De douane beriep zich erop door die beschikking te zijn gebonden en de zakelijke juistheid ervan niet opnieuw te kunnen onderzoeken. Het Finanzgericht heeft twee deskundigen om advies gevraagd die beiden concludeerden dat de Commissie zich had vergist.
Het Finanzgericht vraagt zich af of de beschikking van de Commissie anders dan op grond van artikel 173 EEG-Verdrag, of althans binnen de in dat artikel bepaalde termijn, kan worden bestreden, en wat de verhouding is tussen de actie op grond van artikel 173 en de prejudiciële procedure van artikel 177 EEG-Verdrag.
De eerste prejudiciële vraag houdt in feite in of de importeur van een apparaat waarvoor de Commissie krachtens artikel 4, lid 6, van verordening nr. 3195/75 een negtieve beschikking heeft gegeven, beroep tot nietigverklaring van de beschikking in de zin van artikel 173 EEG-Verdrag kan instellen. Alle Lid-Staten moeten van een dergelijke beschikking „in kennis worden gesteld”, hetgeen in casu is gebeurd. De vraag is dus, of die beschikking de importeur „rechtstreeks en individueel” raakt. In casu werd de beschikking inzonderheid gegeven op het verzoek van de Duitse instanties van 27 april 1978 betreffende het door de Universiteit Hamburg ingevoerde apparaat. Verzoeksters situatie verschilt dus niet erg van die van verzoekster in zaak 294/81, Control Data Belgium N.V. (arrest van 17 maart 1983, nog niet gepubliceerd). Gelet op de door het Hof gehanteerde normen werd de Universiteit mijns inziens door deze beschikking zowel „rechtstreeks” als „individueel” geraakt, zodat zij binnen een termijn van twee maanden, aanvangend op de vijftiende dag na de verschijning van de beschikking in het Publikatieblad (artikel 81, paragraaf 1, Reglement voor de procesvoering) beroep kon instellen. In de onderhavige zaak behoeft niet te worden uitgemaakt of dat ook geldt voor de andere importeurs van dezelfde apparatuur.
De volgende vraag is of zulk een procedure op grond van artikel 173 de enige beroepsweg is die open staat voor een importeur die in de positie van de Universiteit verkeert, dan wel of hij de wettigheid van een beschikking van de Commissie ook kan betwisten in een procedure tegen een handeling van de nationale douane-instanties, en zo ja, of zulks nog na het verstrijken van de termijn voor een beroep ex artikel 173 mogelijk is. Deze vragen waren aan de orde in zaak 59/77, De Bloos (Jurispr. 1977, blz. 2359), maar het Hof behoefde ze toen niet te beantwoorden. De verhouding tussen de artikelen 173 en 177 heeft in de doctrine al heel wat inkt doen vloeien, maar in 's Hofs rechtspraak schijnt op de vraagstukken ter zake nog geen gedetailleerd antwoord te zijn gegeven.
Zoals herhaaldelijk is gezegd, verschillen beide artikelen qua grondslag, werkingssfeer en doel. Volgens artikel 173 moet het Hof de wettigheid van bepaalde handelingen van de Raad en van de Commissie toetsen aan welbepaalde middelen, zoals onbevoegdheid en schending van het Verdrag. Het beroep moet binnen een korte termijn worden ingesteld en natuurlijke of rechtspersonen kunnen slechts in een beperkt aantal gevallen in beroep komen bij het Hof. Staat de onwettigheid vast, dan verklaart het Hof de handeling nietig. Dit geldt erga omnes, zelfs wanneer de gevolgen van de nietigverklaring kunnen worden beperkt naar tijd en omvang. Volgens artikel 177 is het Hof, afgezien van uitleggingsvragen, bevoegd om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de geldigheid van de door de instellingen verrichte handelingen. Hier geldt geen termijn; er wordt niet nader aangeduid waarop de nietigheid kan worden gebaseerd; voorts ontbreekt de in artikel 173 neergelegde beperking ter zake van tot een persoon gerichte beschikkingen, dan wel verordeningen of andere beschikkingen die hem rechtstreeks en individueel raken. De nationale rechter kan of moet de zaak naar het Hof verwijzen, 's Hofs onderzoek van de voorgelegde vragen leidt niet tot een nietigverklaring maar tot een prejudiciële beslissing over de „geldigheid”, wat iets anders kan zijn dan de „wettigheid”. De bestreden handeling blijft dus bestaan, ook al bindt de ongeldigverklaring van het Hof de nationale rechter voor wie het betrokken geding aanhangig is, en moet zij door de andere rechterlijke instanties en de instellingen worden gevolgd, wil er iets terechtkomen van de eenvormigheid binnen de Gemeenschap.
Hoewel de praktische gevolgen van uitspraken op grond van een van beide artikelen soms dus dezelfde kunnen zijn, verschillen beide procedures en de resultaten waartoe zij leiden fundamenteel. Artikel 177 sluit niet uitdrukkelijk uit dat een prejudiciële vraag over de geldigheid kan worden gesteld wanneer een beroep tot nietigverklaring openstaat, en er is geen geldige systeeminherente reden om zulk een uitsluiting impliciet aanwezig te achten. Het Hof heeft daarentegen juist erkend, dat de procedure van artikel 177 de burger een noodzakelijke beroepsweg biedt, die hij anders niet zou hebben gehad. In beginsel kan- mijns inziens een prejudiciële vraag over de geldigheid evengoed worden voorgelegd, wanneer een beroep tot nietigverklaring kan worden ingesteld, als wanneer iemand niet de mogelijkheid heeft om krachtens artikel 173 in beroep te komen (zaak 16/65, Schwarze, Jurispr. 1965, blz. 1103).
Of een prejudiciële vraag over de geldigheid kan worden gesteld wanneer een beroep tot nietigverklaring openstond, doch niet tijdig werd ingesteld, is een andere vraag. Het niet in acht nemen van de in artikel 173 gestelde termijn „brengt het verlies van het recht van beroep zelve mee” (zaak 20/65, Collotti, Jurispr. 1965, blz. 1183). Daarna is de handeling niet meer te vernietigen. Daaruit volgt evenwel niet, dat in een procedure voor een nationale rechter waarin niet de nietigheid wordt gevorderd, een partij niet na het verstrijken van de in artikel 173 gestelde termijn van twee maanden de geldigheid zou kunnen betwisten van een handeling van een instelling, of een handeling of procedure van een nationale instantie die voortvloeit uit een gemeenschapshandeling en afhankelijk is van de geldigheid daarvan. De handelingen waarmee nationale instanties de gemeenschapsmaatregelen uitvoeren worden meestal vastgesteld na de in artikel 173 bedoelde termijn van twee maanden, en de behoefte aan rechtszekerheid zou wel erg tekort worden gedaan wanneer een betwisting van de geldigheid van dergelijke handelingen voor de nationale rechter, op grond dat de communautaire maatregel zelf nietig was, in het algemeen zou worden uitgesloten en daardoor ook de mogelijkheid van verwijzing krachtens artikel 177, zodra de termijn om nietigverklaring te vorderen is verstreken.
Het Hof heeft geoordeeld dat een verzoeker de niet-ontvankelijkheid van een vordering op grond van een artikel van het Verdrag niet ongedaan kan maken via een beroep op grond van een ander artikel. Derhalve werd in verschillende zaken de schadevordering verworpen op grond dat het beroep tot nietigverklaring niet-ontvankelijk was, of niet tijdig was ingesteld, en er een nauw verband bestond tussen het beroep tot nietigverklaring en de schadevordering (zie b.v. zaak 4/67, Collignon, Jurispr. 1967, blz. 455; zaak 11/72, Giardano, Jurispr. 1973, blz. 417). In dergelijke zaken nu gaat het steeds om twee procedures voor hetzelfde rechtscollege, het Hof van Justitie. In casu evenwel wordt de geldigheidsvraag opgeworpen in een procedure voor de nationale rechter, waarin de nietigverklaring van een handeling van een gemeenschapsinstelling niet aan de orde is. De nationale rechter is trouwens niet bevoegd tot die nietigverklaring.
Zelfs nu een specifieke bepaling zoals artikel 184 EĖG-Verdrag (waarop de Lid-Staten die krachtens artikel 173 hadden kunnen optreden, blijkbaar en beroep kunnen doen — zaak 32/65, Italië t. Commissie en Raad, Jurispr. 1966, blz. 579) ontbreekt, geloof ik niet dat een procespartij die krachtens artikel 173 de nietigverklaring had kunnen vorderen, maar dit niet heeft gedaan, de geldigheid van een handeling niet meer zou kunnen betwisten op grond dat de termijn voor de vordering tot nietigverklaring is verstreken. Indien men met mij van mening is dat een dergelijke betwisting voor een nationale rechter kan worden gebracht, kan mijns inziens een vraag ter zake van de geldigheid op grond van artikel 177 aan het Hof worden voorgelegd. Ware dit niet zo, dan zou volgens mij de fundamentele structuur van de verdragsbepalingen worden miskend.
Bezien wij thans het probleem van de geldigheid van beschikking nr. 78/851. Duidelijk is, dat de bevoegde nationale autoriteit ingevolge verordening nr. 3195/75 kan beslissen op verzoeken om met vrijstelling van rechten in te voeren. De zaak wordt ter beslissing aan de Commissie gezonden wanneer de nationale autoriteit „niet in staat is” een beslissing te nemen. In casu heeft de douane de zaak naar het ZPLA doorgezonden, en niet naar de Commissie. De douane was van mening dat zij het verzoek op basis van het door het ZPLA uitgevoerde onderzoek kon afwijzen, en bracht een gecorrigeerde aanslag uit, waarbij één jaar na de onvoorwaardelijke toelating van de invoer van het materiaal rechten werden geheven. Dit werd uiteengezet in de brief waarmee de Bondsminister van Financiën de zaak naar de Commissie verwees. Artikel 4, lid 2, van verordening nr. 3195/75 bepaalt, dat wanneer de bevoegde nationale autoriteit het verzoek om met vrijstelling van rechten in te voeren aan de Commissie zendt, zij daarbij „een korte uiteenzetting [dient te voegen] van de redenen waarom de bevoegde autoriteit ten aanzien van het verlenen of weigeren van de vrijstelling geen beslissing heeft kunnen nemen”. In plaats daarvan werd in de onderhavige brief duidelijk gezegd dat het verzoek was afgewezen. Het ziet er derhalve voorshands naar uit, dat niet is voldaan aan de basisvoorwaarde om de zaak krachtens artikel 4, lid 2 — namelijk het niet kunnen nemen van een beslissing in de zin van artikel 4, lid 1 — naar de Commissie te verwijzen en dat de zaak niet op de juiste wijze voor de Commissie werd gebracht. Men kan echter evengoed stellen dat een verwijzing naar de Commissie in elke fase — en niet slechts in de beginfase — van het besluitvormingsproces binnen de bevoegde nationale autoriteit mogelijk is, wanneer men tot de conclusie komt dat men geen beslissing kan nemen. Nu het Finanzgericht deze vraag niet aan het Hof heeft voorgelegd, behoeft daarop niet nader te worden ingegaan.
Tijdens het onderzoek van artikel 4, lid 5, van verordening nr. 3197/75 worden de kenmerken en de bijzonderheden van de betrokken instrumenten of apparaten onderling vergeleken om uit te maken (1) of zij voor dezelfde wetenschappelijke doeleinden zijn te gebruiken, en (2) of hun prestaties vergelijkbaar zijn. De kenmerken en bijzonderheden van de betrokken apparaten behoeven niet over de hele lijn gelijk te zijn. Bij het onderzoek moet de groep deskundigen uitgaan van de vraag of aan de hand van de kenmerken en bijzonderheden van de betrokken instrumenten of apparaten kan worden gezegd dat zij kunnen worden gebruikt voor dezelfde wetenschappelijke doeleinden en dat de prestaties van de in de Gemeenschap vervaardigde instrumenten of apparaten vergelijkbaar zijn met die welke van het ingevoerde instrument of apparaat worden verwacht. Voor de beantwoording van deze vraag moet, zoals de raadsman van de Commissie heeft beaamd, worden gelet op het specifieke gebruiksdoel van het ingevoerde instrument of apparaat zoals dat is omschreven in het verzoek om met vrijstelling van rechten te kunnen invoeren.
De beoordeling ligt voornamelijk in handen van de deskundigen, en zij mogen niet zomaar afgaan op de verklaringen van concurrerende producenten. In casu is duidelijk, dat de deskundigen de in het verzoek vervatte inlichtingen en de vergelijkende studies van de ondernemingen die beweerdelijk vergelijkbare apparaten vervaardigen, in aanmerking hebben genomen om te kunnen antwoorden op de vragen, of de uitrusting kon worden gebruikt voor dezelfde wetenschappelijke doeleinden en of de prestaties vergelijkbaar waren. Bovendien mochten zij terugvallen op hun eigen deskundigheid en op de beschikbare technische gegevens, wat zij in casu ook hebben gedaan.
Het onderhavige geschil draait hoofdzakelijk rond het begrip „vergelijkbare prestaties”; er is gesteld dat het door de Universiteit geplande onderzoeksprogramma niet kan worden uitgevoerd met de andere apparaten, omdat blijkens de derde vraag, hun prestaties minder goed zouden zijn dan die van de Packard-spectrometer.
„Vergelijkbaar” wil hier niet zeggen „gelijk over de hele lijn”; het is een relatief begrip dat in elk geval moet worden uitgelegd in het licht van het doel, waarvoor het ingevoerde apparaat is bestemd. Zo kan de graad van „vergelijkbaarheid” verschillen naargelang het ingevoerde apparaat voor zuiver of toegepast onderzoek is bestemd en, in het laatste geval, afhankelijk van het geplande gebruik. Essentieel is, of de in de Gemeenschap vervaardigde apparaten het ingevoerde apparaat kunnen vervangen. Derhalve toont een verschil in prestatie of zelfs het feit dat het ingevoerde apparaat hogere prestaties kan leveren, op zichzelf niet genoegzaam aan dat het prestatievermogen niet „vergelijkbaar” is voor de vaststelling van de gelijke wetenschappelijke waarde.
Het Hof kan een beschikking ongeldig verklaren indien wordt aangetoond dat de deskundigen hun opdracht niet conform de verordeningen hebben waargenomen, indien zij de verkeerde problemen hebben bekeken, feiten in aanmerking hebben genomen waarop zij niet dienden te letten, hebben nagelaten belangrijke gegevens te onderzoeken, bevoegdheden hebben misbruikt dan wel tot een conclusie zijn gekomen waartoe, gelet op de beschikbare gegevens, geen redelijke groep van deskundigen zou zijn gekomen. Afgezien daarvan berust de beoordeling in de eerste plaats bij de deskundigen.
Ofschoon een expertise werd overgelegd die afwijkt van het standpunt van de groep deskundigen, en de resultaten van het deskundigenonderzoek op kritiek werden onthaald en hoewel er, gelet op de specifieke gebruiksdoeleinden van de Universiteit, meningsverschillen mogelijk zijn wat de vergelijkbaarheid betreft, toch is naar mijn mening niet aangetoond dat er in casu zulk een klaarblijkelijke fout — feitelijk of rechtens — is gemaakt, of dat er zich geen feiten of omstandigheden voordeden op grond waarvan de deskundigen konden concluderen dat de betrokken apparaten geschikt waren. Derhalve acht ik de ongeldigheid van de beschikking niet bewezen.
Op grond van een en ander concludeer ik mitsdien dat u de vragen van het Finanzgericht beantwoorde als volgt:
1.
Degene die door een beschikking van de Commissie, gegeven krachtens artikel 4. lid 6, van verordening nr. 3195/75, rechtstreeks en individueel wordt geraakt, kan de ongeldigheid van de beschikking voor de nationale rechter in het kader van een beroep tegen de vaststelling van een douanerecht inroepen, en de nationale rechter kan de vraag inzake de geldigheid van de beschikking in het kader van een prejudiciële procedure naar het Hof verwijzen, zelfs indien de betrokkene niet tijdig krachtens artikel 173 EEG-Verdrag beroep heeft ingesteld tegen de wettigheid van de beschikking.
2.
Bij onderzoek van de gestelde vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van beschikking nr. 78/851 van de Commissie kunnen aantasten.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy