CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
SIR GORDON SLYNN
VAN 30 JUNI 1983 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Verzoekster in de onderhavige zaak, Hilde de Bruyn, werd per 1 maart 1981 aangesteld als ambtenaar op proef in de rang LA 7 bij de Nederlandse vertaalafdeling van het Europees Parlement te Luxemburg. Aan het einde van haar proeftijd werd een ongunstig beoordelingsrapport opgesteld, en zij werd ontslagen met ingang van 28 februari 1982. Gelukkig heeft het Hof vandaag vernomen dat zij nu ander werk heeft gevonden.
Ik moge eerst even stilstaan bij een voorval dat zich kort na haar indiensttreding heeft voorgedaan en dat in de voor het Hof aangevoerde argumenten telkens weer opdook.
Op vrijdag 3 april verliet verzoekster haar werk en vertrok zij naar Athene. Blijkbaar heeft zij geen toestemming gevraagd om weg te gaan en evenmin een reden opgegeven; wel vertelde zij aan haar collega's zich onwel te voelen. Zij heeft beweerd geen toestemming te hebben gevraagd omdat zij als nieuwkomer niet wist wat zij moest doen om verlof te krijgen. Bovendien geeft zij nu twee verschillende verklaringen voor haar vertrek naar Athene. Eerst zou zij daarheen zijn gegaan voor een heelkundige ingreep waartoe was besloten vóór haar indiensttreding bij het Parlement. Maar ter terechtzitting verklaarde zij dat zij haar arts in Athene wilde consulteren op grond dat zij zich onwel voelde. Wat ook de juiste, verklaring zij, zodra zij in Athene was zond zij achtereenvolgens twee medische attesten van een Atheense arts naar het Parlement. In het eerste attest werd verzoekster wegens ziekte arbeidsongeschikt verklaard voor een periode van tien dagen, ingaande op 6 april, en in het tweede werd die periode verlengd tot 17 april. Op 28 april begon zij opnieuw te werken.
Op 2 juni 1981 werd een door verzoeksters afdelingshoofd Van Mulders en twee réviseurs ondertekende nota naar de directeur van de talendienst gezonden en ter kennis gebracht van verzoekster. In die nota werd gesteld, dat verzoekster de administratieve voorschriften nauwgezetter moest naleven en zich sneller de terminologie diende eigen te maken, maar dat haar kennis van het Nieuwgrieks goed was. Tenslotte werd gezegd, dat verzoeksters langdurige afwezigheid wegens ziekte het onmogelijk maakte met kennis van zaken een beoordeling over haar op te stellen.
Op 7 september 1981 kreeg verzoekster opnieuw een nota van de heer Van Mulders, waarin haar werd meegedeeld dat haar werk onbevredigend was en dat haar beoordeling betreffende de proeftijd dan ook ongunstig zou kunnen uitvallen. Van Mulders stelde in die nota dat hij bereid was, de tegen verzoekster aangevoerde klachten mondeling toe te lichten. Zij ging in op dit voorstel, maar beweert, dat haar alleen maar „op vaderlijke toon” werd gezegd dat zij kranten moest lezen en de instelling beter leren kennen. Zij kreeg de indruk dat alles in orde zou komen indien zij hard werkte.
Verzoekster kreeg geen inzage in een meer gedetailleerde nota van Van Mulders aan de heer Vinci met nadere toelichtingen op zijn bevindingen. Vervolgens was Van Mulders zo redelijk, om verlenging van verzoeksters proeftijd met één maand te vragen, wegens het ziekteverlof dat zij had genomen. Dit voorstel werd niet aanvaard op grond dat artikel 34, lid 1, tweede alinea, Ambtenarenstatuut een dergelijke verlenging enkel voorziet wanneer een ambtenaar op proef wegens ziekte of ongeval ten minste één maand verhinderd is geweest zijn werkzaamheden te verrichten. In casu is verzoekster slechts vierentwintig dagen afwezig geweest.
Het eerste deel van het beoordelingsrapport werd opgesteld op 21 september 1981. Daarin staan hoofdzakelijk algemene inlichtingen over verzoekster, zoals haar naam, geboortedatum en beroepskwalificaties. De enige beoordeling die in dat deel van het rapport van haar wordt gegeven, heeft betrekking op haar talenkennis. Het rapport is op dit punt duidelijk gunstig voor verzoekster; haar kennis van het Nieuwgrieks wordt immers niet slechts goed, maar zeer goed genoemd.
Het tweede deel van het rapport blijkt door Van Mulders te zijn opgesteld. Voor haar werktempo en de betrekkingen in de dienst en met derden, kreeg zij de beoordeling „redelijk”. De beoordeling luidde echter „laat te wensen over” voor alle andere punten, namelijk: de voor het uitoefenen van de functie vereiste kennis, inzicht en aanpassingsvermogen, initiatief, organisatievermogen, plichtsgevoel en toewijding, kwaliteit van het werk en stiptheid. Derhalve werd in overweging gegeven haar aan het einde van de proeftijd te ontslaan.
Dit ontwerprapport werd op 28 oktober samen met een door Van Mulders ondertekende en door een reviseur en een taalkundig adviseur medeondertekende nota, aan directeur-generaal Palmer toegezonden. In de nota stonden de opmerkingen en toelichtingen waarvoor op het beoordelingsformulier slechts een klein vakje is voorzien en die bij het rapport dienden te worden gevoegd om te verklaren waarom verzoekster voor een aantal criteria met „laat te wensen over” werd beoordeeld. Tegen verzoekster werden de volgende bezwaren gemaakt: „Gebrek aan inzicht en algemene vorming, hetgeen heeft geleid tot een verkeerd begrip van teksten; onbedachtzaam eri onverschillig optreden; door haar onbezonnenheid heeft zij de goede werking van de dienst herhaaldelijk bijna verstoord; gebrek aan initiatief en toewijding in haar werk; zij is er niet in geslaagd zich voldoende vertrouwd te maken met de werking van de instellingen noch met de meest elementaire begrippen en termen die in het Parlement werden gehanteerd; voorts voert zij haar werk traag uit; gebrek aan ijver en stiptheid; te weinig orde”. De heer Palmer ondertekende het rapport op 28 oktober en verzoekster kreeg het op of omstreeks 5 december.
Bij brief van 11 december 1981 bestreed verzoekster de inhoud van haar rapport en op 8 februari 1982 deed zij haar beklag over de onzekerheid waarin zij verkeerde. Tenslotte deelde de secretarisgeneraal haar bij brief van 9 februari 1982 mee, dat zij per 28 februari was ontslagen. Nadat haar formele klacht in de zin van artikel 90, lid 2, Ambtenarenstatuut was afgewezen, stelde zij op 23 augustus 1982 het onderhavige beroep in.
In hoofdzaak vordert zij dat de beoordeling betreffende haar proeftijd en dienvolgens haar ontslag wordt nietigverklaard, voorts vordert zij achterstallige bezoldigingen, emolumenten en vergoedingen, alsmede schadevergoeding.
Het Parlement betwist niet de ontvankelijkheid van het beroep, voor zover betrekking hebbende op de nietigverklaring.
Verzoekster heeft heel wat punten aangevoerd die ik alle, zij het niet in dezelfde volgorde, zal behandelen.
Vooreerst voert zij aan dat het beoordelingsrapport was opgesteld op 21 september 1981, te weten twee maanden en negen dagen voor het einde van de proeftijd. Volgens verzoekster had men het rapport een maand voor het verstrijken van de proeftijd, dus op 30 november 1981 moeten opstellen. Bijgevolg zou het rapport moeten worden nietigverklaard. Ik ben het daarmee niet eens. Het eerste deel van het rapport is duidelijk op 21 september opgesteld. Omstreden was wel, wanneer precies het tweede deel van het rapport werd opgesteld. Ter terechtzitting werd verklaard, dat het tweede deel van het rapport werd opgesteld op of kort vóór 28 oktober, toen het werd gedateerd en ondertekend, en ik ga er vanuit dat dit de relevante datum is.
Belangrijker is, dat artikel 34, lid 2, Ambtenarenstatuut bepaalt, dat het rapport „uiterlijk een maand voor het verstrijken van de proeftijd” wordt opgesteld. Daaruit blijkt duidelijk, dat het gaat om een uiterste tijdstip waarop het rapport moet worden opgeteld, en niet om een begintijdstip. Het rapport mag evenwel — behoudens duidelijke ongeschiktheid in de zin van artikel 34, lid 2, tweede alinea — niet zo vroeg worden opgesteld dat het redelijkerwijs niet mogelijk is de ambtenaar op proef te beoordelen. Naar mijn mening bestaat er geen strikte bepaling ingevolge welke het rapport één maand voor het verstrijken van de proeftijd moet worden opgesteld.
Voorts betoogt verzoekster, dat men haar rapport later had moeten opstellen wegens het ziekte- en vakantieverlof dat zij had genomen. Zoals gezegd heeft haar ziekteverlof niet lang genoeg geduurd om haar recht te geven op een verlenging van haar proeftijd in de zin van artikel 34, lid 1, Ambtenarenstatuut, en zoals het Hof heeft geoordeeld in zaak 92/75, van de Roy (Jurispr. 1976, blz. 343), behoeft de proeftijd niet te worden verlengd om vakantieverlof te compenseren. Het argument dat het opmaken van het beoordelingsrapport had moeten worden uitgesteld omdat zij een vakantieverlof van bijna één maand had genomen, komt mij dan ook ongegrond voor.
Verzoeksters volgende grief houdt in dat Van Mulders, als afdelingshoofd, niet bevoegd was om het rapport op te stellen. Zoals het Hof heeft overwogen in zaak 99/77, D'Auria (Jurispr. 1978, blz. 1267), bepaalt het Ambtenarenstatuut niet wie de beoordeling betreffende de proeftijd moet opstellen en ondertekenen, zodat daarop het intern reglement van elke instelling van toepassing is. Volgens het intern reglement van het Parlement schijnen de directeuren dit te moeten doen, en volgens verzoekster was Van Mulders een afdelingshoofd.
Ter terechtzitting werd echter gesteld, dat de talendienst op dat tijdstip geen directeur had. Bovendien staat vast dat het rapport, ook al was het opgesteld door Van Mulders, werd ondertekend door directeur-generaal Palmer. Indien er in casu al enige onregelmatigheid had plaatsgevonden, is deze volgens mij daardoor hersteld. In repliek wordt verzoeksters bezwaar afgezwakt tot de bewering dat Van Mulders alleen heeft nagelaten te vermelden dat hij optrad namens de directeur. Dit zou moeten volstaan om nietigverklaring van het rapport te rechtvaardigen. Nu de heer Palmer het rapport heeft ondertekend meen ik echter dat dit niet van belang is.
Het volgende punt betreft de inhoud van het rapport en de nota van 28 oktober. Verzoeksters voornaamste bezwaren zijn, dat de gegeven toelichting subjectief is en dat de gevolgde redenering ontoereikend is. Het onderscheid tussen een „subjectieve” en een „objectieve” toelichting is niet altijd gemakkelijk te maken. Terecht is gesteld dat een rapport niet louter subjectief mag zijn in die zin, dat het gebaseerd is op vooroordelen, emotionele reacties of animositeit. In zoverre het evenwel is gebaseerd op vaststaande feiten moeten bij een aantal beoordelingspunten wel waardeoordelen meespelen, en naar mijn mening is de subjectiviteit van een rapport in deze zin geen grond tot nietigverklaring. Het staat evenmin aan het Hof, zijn eigen waardeoordeel in de plaats te stellen van dat van de ambtenaar die het rapport opstelt. Het komt mij hoe dan ook voor, dat heel wat punten in de toelichting evenzeer objectief als subjectief van aard zijn. Ik concludeer dan ook tot afwijzing van deze grief.
Ter zake van de beweerde ontoereikende redengeving worden twee grieven aangevoerd. Allereerst wordt gezegd dat de redenen niet gedetailleerd of nauwkeurig genoeg zijn, en voorts wordt de gegrondheid van elke reden afzonderlijk aangevochten. Ik voel wel wat voor het argument dat de toelichtingen zeer algemeen zijn geformuleerd. „Gebrek aan inzicht en algemene vorming”, „onbedachtzaam en onverschillig handelen”, „te weinig orde” zijn algemene formuleringen die als zodanig weinig of niets meedelen over de precieze klachten die men heeft. Het zou volgens mij veel beter zijn geweest, de praktische moeilijkheden in eenvoudige bewoordingen aan te geven, zeker nu er voor de ambtenaar op proef zo veel op het spel staat. Anderzijds lijkt uit het rapport als geheel duidelijk naar voren te komen, dat verzoekster niet de nodige inspanning had geleverd om inzicht in haar werk te krijgen, dat haar werk niet goed was georganiseerd en dat zij, b.v. door naar Athene te gaan zonder zulks op de voorgeschreven wijze te melden of eerst navraag te doen, voor organisatorische problemen in haar dienst had gezorgd. Ondanks enige gerechtvaardigde kritiek op de algemene aard van het rapport, geloof ik dan ook niet dat verzoekster heeft aangetoond dat de gevolgde redenering zo ontoereikend is dat het Hof het besluit zou moeten vernietigen.
Wat de bewering betreft dat de afzonderlijke punten van kritiek ongegrond zijn, komt het mij gezien het voorafgaande voor, dat het op basis van de stukken misschien wel mogelijk, maar toch onjuist zou zijn, dat het Hof de gegrondheid van de verschillende aangevoerde klachten beoordeelt. Er is evenwel één punt waarop ik zou willen ingaan omdat het als een algemeen argument wordt gehanteerd. Gesteld wordt, dat verzoeksters diploma en het feit dat zij is geslaagd voor het vergelijkend onderzoek voor indiensttreding bij het Parlement aantonen, dat het eerste punt (gebrek aan inzicht en algemene vorming, hetgeen heeft geleid tot een verkeerd begrip van teksten) niet gegrond kan zijn, en dat een dergelijk standpunt hoe dan ook het besluit van de jury teniet doet, zodat het gehele rapport zou moeten worden verworpen. Indien deze stelling juist was zou, zoals het Parlement opmerkt, in feite het doel van de proeftijd worden ondermijnd, erin bestaande dat de administratie een uitweg wordt geboden wanneer een kandidaat die een goed examen heeft afgelegd in de praktijk te kort schiet.
Vervolgens wijst verzoekster op een vergissing in het eerste deel van het rapport, waar wordt vermeld dat zij twee jaar had gestudeerd, terwijl haar studie in feite vier jaar had geduurd. Het Parlement geeft deze vergissing toe. Verzoekster voert aan, dat indien de heer Palmer had geweten dat aan haar diploma een vierjarige en geen tweejarige studie was voorafgegaan, hij onmogelijk zou hebben aangenomen dat zij onvoldoende inzicht en algemene vorming had. Ik geloof evenwel niet dat deze vergissing invloed heeft gehad op degenen die het rapport hebben opgesteld of het besluit hebben genomen verzoekster te ontslaan. Naar mijn mening is dit een onbelangrijke vergissing die geen nietigverklaring rechtvaardigt.
Voorts heeft verzoekster het over een inconsequentie in het rapport. Enerzijds krijgt zij in het rapport voor werktempo de beoordeling „redelijk” anderzijds vermeldt de bij het ontwerprapport gevoegde nota van 28 oktober 1981, dat zij traag zou werken. Deze beoordelingen zijn uiteraard duidelijk tegenstrijdig. Het is niettemin ook duidelijk dat het besluit om verzoekster te ontslaan is gebaseerd op een aantal andere factoren die niet noodzakelijk van de hier besproken factor afhangen, zodat deze inconsequentie mijns inziens geen voldoende grond vormt om het rapport en het ontslagbesluit te vernietigen.
Verzoekster klaagt erover, dat mevrouw Kroon, reviseur, niet werd gehoord over het rapport. Kennelijk had zij enige vertalingen van verzoekster in het begin van haar proeftijd gereviseerd, en zij was volgens verzoekster de enige réviseur die Grieks kende. Bovendien was zij een van de ondertekenaars van de nota van 2 juni 1981. Mevrouw Kroons deskundigheid betrof evenwel met name haar kennis van het Grieks, en in het beoordelingsrapport staat dat verzoeksters kennis van het Grieks zeer goed was. Bijgevolg is het zeer onwaarschijnlijk dat het rapport voor verzoekster gunstiger zou zijn uitgevallen indien mevrouw Kroon was gehoord. Bovendien werd verklaard dat mevrouw Kroon gedurende verzoeksters proeftijd lange tijd met ziekteverlof was, zodat zij niet goed in staat was om haar te beoordelen. Daarom moet mijns inziens ook dit argument worden verworpen.
Voorts heeft verzoekster in de schriftelijke behandeling beklemtoond dat het Parlement zijn bijstandsverplichting jegens verzoekster gedurende haar proeftijd niet heeft nageleefd. Verzoekster baseert zich te deze niet op een bepaald artikel van het Ambtenarenstatuut, en zij zou zich niet kunnen beroepen op artikel 24 daarvan, aangezien het Hof reeds heeft geoordeeld dat de in dat artikel neergelegde bijstandsverplichting ziet op de verdediging van de ambtenaren door de instelling tegen handelingen van derden, en niet tegen handelingen van de instelling zelf, het toezicht waarop in andere bepalingen van het Ambtenarenstatuut wordt geregeld (zaak 178/80, Bellardi-Ricci, Jurispr. 1981, blz. 3187, r.o. 23).
Het zou stellig onjuist zijn indien een instelling een ambtenaar op proef ontslaat op grond dat hij onvoldoende kennis heeft van de werking van de instelling, wanneer die kennis slechts in het ambt, en met de bijstand en instructies van collega's en meerderen is te verwerven en laatstgenoemden hebben nagelaten die te verlenen. Tussen partijen is omstreden, hoeveel bijstand verzoekster heeft gekregen, maar het lijkt duidelijk dat zij wel enig advies heeft gekregen en dat haar de gereviseerde tekst van haar vertalingen werd terugbezorgd, zodat zij kon nagaan wat er fout was en haar kennis kon vergroten. Ik geloof niet dat verzoekster voldoende bewijs heeft bijgebracht om haar beweringen te deze hard te maken.
Voorts stelt verzoekster, dat het Parlement het gewettigd vertrouwen heeft geschonden. Mij dunkt evenwel dat de nota's van 2 juni en 7 september 1981 verzoekster duidelijk genoeg te verstaan gaven, dat haar werk en gedrag te wensen overlieten en dat een merkbare verbetering nodig was. Daarom zou ik ook dit argument willen verwerpen.
Tenslotte voert verzoekster aan dat er in casu misbruik van bevoegdheid is gepleegd. Zij stelt dat zij in feite niet werd ontslagen op grond van haar eigen werk of gedrag, maar omdat men had besloten haar post beschikbaar te stellen voor een heer Vermeulen, een freelance vertaler die zeer goed Grieks kende, en dat zij bijgevolg moest verdwijnen. Uit de feiten blijkt evenwel dat de heer Vermeulen reeds vóór het verstrijken van verzoeksters proeftijd, toen er nog drie vacatures open stonden als ambtenaar bij de Nederlandse vertaalafdeling in dienst trad. Bovendien werd hij aangesteld op basis van een ander algemeen vergelijkend onderzoek, waarvoor andere deelnemingsvoorwaarden golden. Indien was aangetoond dat verzoekster op deze grond is ontslagen, zouden er uiteraard andere overwegingen gelden. De beschikbare gegevens hebben mij echter niet tot de overtuiging gebracht dat de vage beweringen in dit verband plausibel zijn.
Ook al kunnen vormgebreken, kennelijke dwalingen ten aanzien van de feiten of het recht, of willekeur rechtvaardigen dat het Hof een besluit als het onderhavige nietigverklaart, concludeer ik tot afwijzing van het verzoek tot nietigverklaring.
Dat geldt ook voor verzoeksters vorderingen betreffende achterstallig loon en schadevergoeding.
Krachtens artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering moet elk der partijen in haar eigen kosten worden verwezen.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy