CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL S. ROZÈS
VAN 19 MEI 1983 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Deze zaak betreft een beroep van Rudy Verzyck tegen de Commissie van de Europese Gemeenschappen, strekkende tot nietigverklaring van een besluit van 28 mei 1982, waarbij hem is meegedeeld dat de jury van algemeen vergelijkend onderzoek COM/A/325 hem niet heeft toegelaten tot het schriftelijk examen.
I — De feiten zijn de volgende.
De Commissie publiceerde in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen C 233 van 12 september 1981 onder nummer COM/A/325 een aankondiging van een „algemeen vergelijkend onderzoek aan de hand van schriftelijke bewijsstukken en een examen voor de vorming van een reserve van administrateurs voor de rangen 7 en 6 van categorie A.”
De aankondiging vermeldde de voorwaarden inzake leeftijd, getuigschriften of diploma's en beroepservaring, waaraan de solicitanten moesten voldoen om tot het examen te worden toegelaten. De sollicitaties moesten uiterlijk op 31 oktober 1981 zijn ingediend, maar deze termijn werd later verlengd tot 30 november daaropvolgend (PB C 270 van 22. 10. 1981).
Rudy Verzyck, een Belg met Nederlands als moedertaal, adjunct-inspecteur van Financiën bij de Belgische overheid, diende zijn sollicitatie in op 30 november 1981 (werkgebied openbare financiën/boekhouding/audit).
Op 1 maart 1982 deelde het hoofd van de afdeling Aanwerving, die zelf lid van de jury was, aan verzoeker mee, dat de jury in eerste instantie had vastgesteld dat hij aan de voorwaarden voor toelating tot het vergelijkend onderzoek voldeed; dat zij vervolgens de bewijsstukken van de toegelaten sollicitanten had beoordeeld in verband met de werkzaamheden die zij eventueel te verrichten zouden krijgen, en met de wenselijkheid om „de posten bij de Commissie in een redelijke verhouding over onderdanen van de verschillende Lid-Staten te verdelen”, en dat zij op basis van dit onderzoek, helaas tot het besluit was gekomen hem „niet voor het examen op te roepen.”
Op 5 maart 1982 deelde Verzyck mee, verbaasd te zijn over deze afwijzing en niet te begrijpen hoe de jury tot haar besluit had kunnen komen. Hij vroeg daarom hem mee te delen welke kwalificaties de Belgische sollicitanten hadden die wel tot het vergelijkend onderzoek waren toegelaten.
De directeur Personeelszaken antwoordde hem op 26 maart 1982, dat de jury zijn bewijsstukken nogmaals zou onderzoeken, met het oog op zijn toelating tot het examen.
Op 28 mei 1982 vernam hij dat ook dit heronderzoek ongunstig was uitgevallen; men deelde hem mee, dat de jury, na de bewijsstukken van de kandidaten onderling te hebben vergeleken, had besloten hem niet tot het examen toe te laten.
II — Verzyck verzoekt thans om nietigverklaring van dit besluit, waarbij hij drie middelen aanvoert.
1.
Vooraf doet zich evenwel een probleem voor inzake de ontvankelijkheid van het beroep.
Zonder uitdrukkelijk een exceptie van niet-ontvankelijkheid op te werpen, meent de Commissie immers dat het beroep tardief is, omdat verzoeker al in zijn brief van 5 maart 1982 had laten blijken dat hij bekend was met het hem betreffende besluit tot afwijzing van 1 maart 1982, het besluit van 28 mei slechts een bevestiging is van het vorige en het op 25 augustus 1982 ingeschreven beroep derhalve te laat is ingesteld.
Het Hof zal dit betoog niet kunnen volgen: toen hem op 26 maart 1982 werd meegedeeld dat zijn bewijsstukken nogmaals zouden worden onderzocht, mocht verzoeker ervan uitgaan — de Commissie is het daarmee eens — dat de termijn van artikel 91, lid 3, Ambtenarenstatuut eerst zou ingaan op het ogenblik dat hem een nieuw, gunstig dan wel ongunstig, besluit zou worden meegedeeld.
Op haar zittingen van 26 maart en 3 juni 1982 heeft de jury de dossiers van de 818 sollicitanten die aanvankelijk niet tot het examen waren toegelaten, opnieuw onderzocht. Na dit onderzoek werd een andere sollicitant, die voor hetzelfde werkgebied als verzoeker had geopteerd, wel tot het schriftelijk examen toegelaten. Hieruit blijkt, dat het besluit van 28 mei 1982 niet eenvoudig een bevestiging is van dat van 1 maart, maar ervoor in de plaats komt.
2.
Er zijn derhalve termen aanwezig om het beroep ontvankelijk te achten en over te gaan tot het bespreken van de aangevoerde middelen; motiveringsgebrek, schending van het gelijkheidsbeginsel, kennelijke dwaling feitelijk en rechtens.
Het eerste middel is ontegenzeglijk gegrond en doet mij concluderen tot nietigverklaring van het bestreden besluit van 28 mei 1982.
Hierin wordt de afgewezen sollicitant slechts meegedeeld dat de jury, na de bewijsstukken van de kandidaten onderling te hebben vergeleken, heeft besloten hem niet tot het examen toe te laten.
Tevergeefs zoekt men naar een „motivering” in deze simpele constatering, waarin ook iedere andere overweging ontbreekt waaruit men de criteria die tot het definitieve besluit hebben geleid, zou kunnen afleiden.
De argumenten van de Commissie, betreffende het grote aantal sollicitanten, de geheimhoudingsplicht met betrekking tot de beraadslagingen van de jury, en het feit dat verzoeker niet uitdrukkelijk heeft gevraagd welke de door de jury gehanteerde beoordelingscriteria waren, zijn niet relevant; ook al verklaren deze argumenten enigszins dat het voor de Commissie materieel moeilijk was om haar besluit te motiveren, het ontbreken van iedere motivering kunnen zij niet dekken.
In de rechtspraak van het Hof zijn al deze argumenten weerlegd.
a)
Wat het grote aantal sollicitanten betreft, heeft het Hof in een arrest van 28 februari 1980 (zaak 89/79, Bonu, Jurispr. 1980, blz. 553) overwogen:
„Gaat het om vergelijkende onderzoeken met grotere aantallen deelnemers, waartoe het onderhavige onderzoek behoort, dan is in geval van afwijzing niet een redengeving noodzakelijk welke door haar breedvoerigheid de werkzaamheden der jury's en de arbeid der personeelsadministratie al te zeer zou verzwaren” (r.o. 6).
Het Hof gaat er dus van uit, dat een minimale motivering vereist is: de enkele „onderlinge vergelijking van de bewijsstukken” van de sollicitanten, zonder verdere toelichting, is duidelijk niet te beschouwen als „minimale” motivering.
b)
Ook de noodzaak het geheim van de beraadslaging te eerbiedigen, is geen voldoende rechtvaardiging voor het gebrek aan motivering. In het arrest-Costacurta, waarvan de casuspositie een grote gelijkenis vertoont met die van de onderhavige zaak, preciseerde het Hof, dat de eerste fase van een vergelijkend onderzoek „bestaat in een toetsing van de door de kandidaten overgelegde schriftelijke bewijsstukken aan de in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek verlangde hoedanigheden” (arrest van 4 december 1975, zaak 31/75, Costacurta, Jurispr. 1975, blz. 1563, r.o. 11).
En het vervolgde :
„waar de toetsing geschiedt aan de hand van objectieve gegevens die overigens aan elke sollicitant — voor zover hem betreft — bekend zijn, moeten de resultaten voldoende worden gemotiveerd” (r.o. 12), en deze toetsing valt geenszins onder „het geheim der werkzaamheden van een jury in een vergelijkend onderzoek” (r.o. 11).
Recenter is uw overweging dat dit verweer uitgaat „van een onjuiste opvatting van de betekenis van het geheim der werkzaamheden, verricht door jury's belast met algemene vergelijkende onderzoeken” (zaak Bonu, r.o. 5), en dat „aan de geheimhoudingsplicht niet een zo vergaande strekking mag worden toegekend, dat mededeling zou mogen worden geweigerd van objectieve gegevens en wel met name van de normen, gehanteerd bij de selectie waartoe in de preliminaire fase van het onderzoek werd overgegaan, teneinde degenen wier sollicitaties nog voor de aflegging van enig examen terzijde werden gelegd, in staat te stellen na te gaan om welke redenen zij mogelijkerwijze werden afgewezen” (r.o. 5).
c)
Wat tenslotte het laatste argument van de Commissie betreft, beperk ik mij ertoe erop te wijzen, dat verzoeker al op 5 maart 1982 heeft gevraagd op welke gronden hij was afgewezen, en dat hij ook heeft gevraagd om informatie over de kwalificaties van de wel tot het examen toegelaten Belgische kandidaten.
Uit een en ander blijkt dat er dus wel degelijk sprake is van een gebrek aan motivering en dat derhalve het besluit van 28 mei 1982 moet worden nietigverklaard. Op de twee andere middelen van verzoeker behoeft dan ook niet meer te worden ingegaan.
III —
Indien het Hof het hiermee eens is, moet nog worden onderzocht, welke maatregelen de Commissie als auteur van de bestreden handeling krachtens artikel 176 EEG-Verdrag dient te nemen.
Het lijdt geen twijfel, dat de nietigverklaring van een procedure waarbij verscheidene honderden sollicitanten waren betrokken en die ertoe strekte te voorzien in ongeveer 80 vacatures, grote problemen kan stellen.
Doel van vergelijkend onderzoek COM/A/325 was de vorming van een aanwervingsreserve. De geldigheidsduur van de reservelijst verstrijkt op 31 december 1983, doch kan worden verlengd. Zolang niet is voorzien in de vacatures waarvoor de reservelijst is opgesteld, is de uitsluiting van verzoeker van deze lijst niet van invloed op de opneming in deze lijst van de door de jury geselecteerde personen die werden geacht wel te voldoen aan de in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek vermelde voorwaarden (zaak Costacurta, r.o. 16).
Verzoekers rechten zullen dus naar behoren beschermd zijn, indien de jury zich opnieuw beraadt over zijn geschiktheid om op de lijst van tot het examen toegelaten sollicitanten te worden geplaatst (zaak Costacurta, r.o. 17). Als dat gebeurt en hij voor het examen slaagt, kan hij vóór het verstrijken van die termijn worden ingeschreven op de reservelijst, zodat zijn rechten zijn gewaarborgd zonder dat dit gevolgen heeft voor de selectie die de jury reeds heeft verricht, voor het gehele resultaat van het vergelijkend onderzoek of voor de hierop gevolgde benoemingen (arrest van 30 november 1978, gevoegde zaken 4, 19 en 28/78, Salerno, Jurispr. 1978, blz. 2403, r.o. 35; arrest van 28 juni 1979, zaak 21/78, Anselme, Jurispr. 1979, blz. 2333, r.o. 15; arrest van 13 mei 1982, zaak 16/81, Alaimo, Jurispr. 1982, blz. 1568, r.o. 15).
Zeker, wanneer er nu ten behoeve van verzoeker een nieuw examen wordt georganiseerd, kan men zich afvragen, hoe het staat met het ondeelbare en vergelijkende karakter van het onderzoek. Maar dit inconvenient is nu eenmaal de keerzijde van de vernietiging van de voor verzoeker bezwarende handeling.
Op grond van het voorgaande concludeer ik tot nietigverklaring van het besluit van de jury om verzoeker niet toe te laten tot de schriftelijke examens van vergelijkend onderzoek COM/A/325, en tot verwijzing van de Commissie in de kosten van het geding.
( 1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy