CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
P. VERLOREN VAN THEMAAT
VAN 3 MAART 1983 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Mijn persoonlijke bijdrage tot dit nieuwe hoofdstuk in de lange strijd van mevrouw Baccini tegen de Belgische Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening zal kort zijn. De gronden die de Commissie tot staving van haar ontwerp van antwoord in overweging geeft (in de laatste alinea van blz. 13 en op blz. 14 en 15 van het Rapport ter terechtzitting samengevat en ter terechtzitting nader uitgewerkt), hebben mij volkomen overtuigd. Evenals de Commissie stel ik derhalve voor, op de vragen van het Hof te Bergen te antwoorden, dat „artikel 40, lid 4, van verordening nr. 1408/71 aldus moet worden uitgelegd, dat het uitsluitend betrekking heeft op de beslissing tot erkenning van de invaliditeit, en niet op de beslissing waarbij die toestand later weer wordt ontkend”. In de eerste zaak-Baccini (zaak 79/81) was ik trouwens tot dezelfde conclusie gekomen. Uit de processtukken in die eerste zaak bleek immers toen reeds, dat de vraag die het Hof te Bergen u thans voorlegt, eveneens van belang was voor de beslechting van het geding.
Ik zou het hier natuurlijk bij kunnen laten. Voor een goed begrip van de betekenis van het antwoord dat met het oog op de afdoening van de zaak door de nationale rechter wordt voorgesteld, lijkt het mij echter nuttig daar nog het volgende aan toe te voegen. Indien het Hof zich bij mijn conclusie aansluit, betekent dat vanuit communautair oogpunt, dat de doorbetaling van een Italiaans invaliditeitspensioen tot de dag waarop de nationale instanties het hebben beëindigd, volstrekt geldig blijft. Naar wij anderzijds uit de memorie van Baccini weten, is intrekking met terugwerkende kracht van die Italiaanse uitkering ingevolge de Italiaanse rechtspraak onmogelijk. Aangenomen mag dus worden, dat het naar Italiaans recht eveneens wettig was haar, nadat zij in België weer arbeidsgeschikt was bevonden, de Italiaanse uitkering nog enige tijd door te betalen.
Zoals het in het verwijzingsarrest van het Hof te Bergen wordt geformuleerd (blz. 9), had Baccini dus „le pouvoir légal de bénéficier de l'allocation visée à l'article 146, paragraphes 2 et 3, de l'arrêté royal belge du 20 décembre 1963”.
Dat de Italiaanse uitkeringen na het einde van Baccini's arbeidsongeschiktheid op volstrekt wettige wijze zijn doorbetaald, neemt anderzijds niet weg, dat die uitkeringen destijds waren toegekend wegens een arbeidsongeschiktheid ten gevolge van een invaliditeit van veel meer dan 50 %. De Commissie toont zich dan ook verbaasd (blz. 5 en 8 van haar memorie), dat het Hof te Bergen niettemin onderzoekt of toepassing kan worden gegeven aan voornoemd artikel 146, volgens hetwelk aftrek van een buitenlandse uitkering mogelijk is indien deze is toegekend wegens een invaliditeit van minder dan 50 %. Alleen het Hof te Bergen kan de — nationaalrechtelijke — vraag beantwoorden, of de Italiaanse invaliditeitsuitkeringen desondanks van de Belgische werkloosheidsuitkering kunnen worden afgetrokken zonder in strijd te komen met artikel 146, paragrafen 2 en 3, van het Koninklijk Besluit van 20 december 1963 (waarvan de belangrijkste bepalingen op blz. 9 van het verwijzingsarrest van het Hof te Bergen worden geciteerd.)
Daarbij is, zo komt mij voor, voor het Hof alleen de vaststelling van belang, dat zulk een uitlegging niet in tegenspraak is met uw arrest in de eerste zaak-Baccini of met het gemeenschapsrecht in het algemeen, zoals de Commissie ter terechtzitting heeft bevestigd. De vaststelling dat het gemeenschapsrecht op zich zich geenszins verzet tegen een met het oog daarop ingevoerde nationale anti-cumulatiebepaling, weerlegt naar mijn mening het hoofdargument van de RVA ter terechtzitting, namelijk dat bij de door de Commissie voorgestelde uitlegging de migrerende werknemers in voorkomend geval beter af zouden zijn dan de binnenlandse werknemers.
( 1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy