CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 26 OKTOBER 1983 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
Verzoekster in dit geding is een betrekkelijk kleine Italiaanse onderneming, die vrijwel uitsluitend betonstaal vervaardigt, en wel zulks, althans in het desbetreffende tijdvak, door voor rekening van derden halffabrikaten te verwerken.
In voege als in de — bij beschikking nr. 1832/81 (PB L 184 van 4. 7. 1981, blz. 1) gewijzigde-beschikking nr. 1831/81 (PB L 180 van 1. 7. 1981, blz. 1) voorzien, deelde de Commissie verzoekster op 6 augustus 1981 mede dat haar produktiequotum voor het derde kwartaal van 1981, wat de categorieën V en VI betreft, 12729 ton bedroeg. Bij een controle in verzoeksters bedrijf bleek zij evenwel in dat kwartaal 13741 ton, ofwel 1012 ton te veel, te hebben geproduceerd.
De Commissie wees verzoekster hierop in een brief van 25 februari 1982 en verzocht verzoekster te dien aanzien haar standpunt te bepalen.
In haar opmerkingen van 4 maart 1982 voerde verzoekster met betrekking tot de haar verweten overschrijding van haar produktiequotum aan dat de Commissie er ten onrechte geen rekening mede had gehouden dat verzoekster toepasing had gegeven aan artikel 11, lid 2 en lid 3, van beschikking nr. 1831/81, luidende als volgt:
„Voor de ondernemingen die slechts één categorie produkten produceren wordt binnen de grenzen van het produktiequotum een overschrijdingsmarge van 3 % toegelaten van het gedeelte van hun produktiequotum dat zij op de gemeenschappelijke markt mogen leveren.
De ondernemingen die hun produktiequota of het gedeelte van hun quota dat zij op de gemeenschappelijke markt mogen leveren niet hebben uitgeput, kunnen deze voor dezelfde categorie produkten tot een hoeveelheid van 5 % van, respectievelijk, hun quota of gedeelte daarvan naar het volgende kwartaal overdragen.”
Stelt men nu tegenover verzoeksters quotum in het tweede kwartaal van 1981 — 13789 ton — haar werkelijke produktie — 11277 ton —, dan komt men volgens artikel 11, lid 3, van beschikking nr. 1831/81 uit op een verhoging van het produktiequotum voor het derde kwartaal van 1981 met 636 ton (= 5 % van 12729 ton). Daarbij zou dan nog komen de tolerantiemarge van artikel 11, lid 2 (3 % van 12729 ton) hetgeen een hoogsttoelaatbare produktie van 13746 ton zou opleveren, zodat de quota niet zouden zijn overschreden.
Op de hearing van 4 juni 1982 gaf verzoekster toe zich bij de toepassing van genoemd artikel 11 te hebben vergist; men diende haars inziens evenwel te bedenken dat zij te goeder trouw was geweest, terwijl zij voorts van belang achtte dat het te veel geproduceerde was opgeslagen. Tenslotte heeft verzoekster er bij brief van 21 juni 1982 op gewezen dat het voor het jaar 1981 in zijn geheel niet tot een overschrijding der quota was gekomen, integendeel, zij zou 1131 ton minder heben geproduceerd dan haar was toegestaan, en daarmede zou ook bij de toepassing van de boetebepalingen van beschikking nr. 1831/81 rekening moeten worden gehouden.
De Commissie achtte dit betoog evenwel niet steekhoudend en heeft op 13 augustus 1982 krachtens artikel 12 van beschikking nr. 1831/81 wegens overschrijding van de produktiequota voor categorieën V en VI met 1012 ton een boete opgelegd. Uitgaande van een „in de regel” toepasselijk percentage van 75 Ecu per ton te veel geproduceerd staal, werd de boete bepaald op 75900 Ecu ( = 100284393 lire), welk bedrag binnen twee maanden moest worden betaald; voorts werd de vertragingsrente op 1 % per maand bepaald.
Van die beschikking ging de firma Roè Volciano op 17 september 1982 in beroep bij het Hof, primair de verklaring voor recht vorderende dat zij de bij beschikking van 13 augustus 1982 opgelegde boete niet behoefde te betalen, subsidiair verlaging van de boete in voege als het Hof in goede justitie zou bepalen. In haar conclusie van repliek heeft zij het Hof subsidiair voorts nog verzocht uit te spreken dat voor in 1982 opgelegde sancties met een vertragingsrente van 1 % per maand kon worden volstaan.
Bij beschikking van's Hofs president van 15 maart 1983 werd uitstel van de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking tot aan de uitspraak gelast, zonder dat verzoekster de gebruikelijk bankgarantie behoefde te stellen.
1.
In de eerste plaats betoogt verzoekster dat zij in het jaar 1981 als geheel haar produktiequota niet heeft overschreden.
Inderdaad is verzoekster blijkens de cijfers, wat betreft categorie IV, waartoe onder meer betonstaal behoort, in het eerste en het tweede kwartaal van 1981 binnen de grenzen der toegestane produktie gebleven: in het eerste kwartaal bleef zij 29 ton, in het tweede kwartaal 2512 ton beneden het quotum; in het
vierde kwartaal van 1981 blijkt dit anders te zijn geweest.
Het moet er echter, zoals ik reeds in mijn conclusie in de zaak 179/82 ( 2 ) betoogde, principieel voor worden gehouden dat een globale benadering als die van verzoekster niet de conclusie rechtvaardigt dat er dan van overtreding van de quotaregeling geen sprake is. In het quotastelsel wordt ten duidelijkste van per kwartaal vastgestelde quota uitgegaan, zodat het er alleen maar om gaat wat er met die quota is gebeurd.
Het gaat ook niet aan de in verzoeksters bedrijf vastgestelde overschrijding der quota eenvoudigweg te willen rechtvaardigen met een beroep op het feit dat de quota voor het voorafgegane kwartaal niet waren uitgeput.
In zoverre dient artikel 8, lid 2, van beschikking nr. 2794/80 (PB L 191 van 31. 10. 1980, blz. 1), luidende als volgt:
„De ondernemingen die hun quota niet hebben uitgeput kunnen ten hoogste 50 % van de niet-gerealiseerde produktie naar het volgende kwartaal overdragen”,
stellig buiten beschouwing te blijven.
Deze mogelijkheid is kennelijk slechts in het kader van beschikking nr. 2794/80 voorzien; toen de beschikking op 30 juni 1981 buiten werking trad (vgl. art. 15 van beschikking 2794/80), is zij dus komen te vervallen.
Anders dan verzoekster in haar conclusie van repliek, in afwijking van het ten verhore ingenomen standpunt, aanneemt, speelt ten deze ook artikel 11, lid 3, van voormelde beschikking nr. 1831/81 geen rol. Tekst en redeverband dier beschikking maken duidelijk dat de regeling alleen betrekking heeft op quota die krachtens beschikking nr. 1831/81 zijn toegekend, en dus pas op het vierde kwartaal van 1981 toepassing heeft kunnen vinden. Dat alleen dit de bedoeling was, blijkt ook uit de omstandigheid dat de quotaregeling, wat de eronder vallende produkten en de daarvoor geldende quota betreft, vergeleken met de voorafgaande regeling van beschikking nr. 2794/80, aanzienlijk is gewijzigd. Werden er volgens beschikking nr. 2794/80 enerzijds quota vastgesteld voor categorie I (warmgewalst breedband en bandstaal gewalst op gespecialiseerde walsgroepen), anderzijds voor categorie IV (lichte profielen (walsdraad in bossen, betonstaal en overig staafstaal)), de quotering van beschikking nr. 1831/81 gold voor verschillende afgeleide produkten van categorie I (als in artikel 1 der beschikking opgesomd), en de produkten van categorie IV waren opgesplitst in de drie categorieën IV, V en VI — met verschillende quota. Voor het tweede kwartaal van 1981 vastgestelde, niet uitgeputte quota konden dus niet zomaar naar het derde kwartaal van 1981 worden overgedragen.
Kan een overschrijding der quota in het derde kwartaal van 1981 dus niet met een simpele verwijzing naar een „on-der”-produktie — met betrekking tot de betrokken produkten — in het tweede kwartaal van 1981 worden gerechtvaardigd, dan kunnen alleen de werkelijke produktieomstandigheden als „verzachtende omstandigheden” in aanmerking worden genomen, met dien verstande dat daarmede dan — juist omdat een nieuwe regeling een verdere toepassing van de regel van artikel 8 van verordening nr. 2794/80 op het volgende kwartaal uitsloot, terwijl beschikking nr. 1831/81 die mogelijkheid met ingang van het tweede kwartaal waarvoor zij gold, wederom bood — ook bij de vaststelling der boete rekening ware te houden. Ik kom daarop terug.
2.
Verzoekster heeft voorts betoogd dat zij de niet toegestane meerdere produktie niet heeft verkocht, doch opgeslagen, omdat zij uitsluitend werkt voor rekening van derden, die eigenaars van de produkten zijn gebleven, zodat zij niet aan de markt kon komen.
Ook dit is mijns inziens echter geen reden om van de oplegging van een boete af te zien.
In de quotaregeling wordt ten duidelijkste uitgegaan van de produktie, waaraan — in voege als reeds in artikel 58 van het EGKS-Verdrag voorzien — beperkingen worden gesteld. Daarvoor kunnen echter ook goede gronden worden aangevoerd: de goede werking van de regeling kan zo beter worden gewaarborgd dan wanneer de voorraadhuishouding zou moeten worden gecontroleerd. In principe kan dus voor de oplegging van een boete worden volstaan met de vaststelling dat er meer werd geproduceerd dan door de Commissie was toegestaan; hetgeen er verder met de produktie is gebeurd, doet niet terzake.
Verzoekster heeft in dit verband ook betoogd dat zij niet aan de markt kon komen en daardoor in moeilijkheden is geraakt; dit aspect moet echter voor het derde kwartaal van 1981 stellig buiten beschouwing worden gelaten. Omdat zij uitsluitend voor rekening van derden werkte, is te haren aanzien destijds terecht nog niet vastgesteld welk gedeelte van de beperkte produktie er op de gemeenschappelijke markt mocht worden afgezet. Dit is pas gebeurd in de zomer van 1982, toen zij de Commissie duidelijk maakte dat zij in moeilijkheden geraakte als gevolg van het feit dat haar opdrachtgevers thans zelf tot verwerking waren overgegaan; de Commissie vond hierin — in november 1982 — aanleiding om, in voege als in artikel 8, lid 3, van beschikking nr. 1696/82 voorzien, te haren behoeve aanvullende leveringsquota vast te stellen.
3.
In de derde plaats betoogt verzoekster dat zij, mocht zij tot betaling van de boete worden gedwongen, insolvent zou worden en haar fabriek zou moeten sluiten.
Een zodanig gevolg had door de Commissie moeten worden vermeden en zou ook stellig niet in overeenstemming zijn met artikel 3 van het EGKS-Verdrag, waarvan zij de letters a) en d) in haar conclusie van repliek met name heeft gereleveerd. Voor repliek stelde zij voorts dat er volgens de artikelen 14 en 15 van beschikking nr. 1831/81 rekening had moeten worden gehouden met de moeilijkheden die voor haar aan de boeteoplegging verbonden waren.
In dit verband behoeft niet te worden nagegaan of verzoekster aannemelijk heeft gemaakt dat betaling der boete tot de door haar gevreesde gevolgen zou moeten leiden. Zoals bekend — en door de Commissie onvoldoende wordt geacht — heeft zij gewezen op haar balans voor het jaar 1981, op een brief van 18 november 1982 volgens welke haar banken niet bereid zouden zijn de betaling der boete te garanderen, en op een aandeelhoudersvergadering, tijdens welke de situatie waarin verzoekster zich in december 1982 bevond, zou zijn besproken. Doorslaggevend acht ik de navolgende feiten en omstandigheden, die mijns inziens medebrengen dat verzoeksters betoog niet tot annulering of wijziging van de boetebeschikking kan leiden.
a)
De boetebeschikking is stellig niet strijdig met artikel 3 van het EGKS-Verdrag.
Waarom artikel 3, letter a) in dit verband te berde wordt gebracht, is mij niet duidelijk. Wordt letter d) niet geheel ten onrechte ter sprake gebracht, de Commissie heeft nochtans, met verwijziging naar de desbetreffende jurisprudentie, terecht betoogd dat er niet gelijktijdig naar een verwezenlijking van alle in artikel 3 omschreven doeleinden kan worden gestreefd; veeleer staat het de Commissie vrij om, naar gelang van de economische omstandigheden, aan één dier doelstellingen de voorrang toe te kennen, terwijl haars inziens in ieder geval niet is aangetoond dat zij, wat de door verzoekster bedoelde bepalingen betreft, haar discretionaire bevoegdheid heeft misbruikt.
b)
Voorts dient te worden erkend dat een goede werking van de quotaregeling, die bedoeld is om op een ernstige crisis greep te krijgen en de voorwaarden te scheppen waaronder er serieus naar verwezenlijking der in artikel 3 omschreven doeleinden kan worden gestreefd, kennelijk om gevoelige boeten vraagt. Het gaat dus niet aan te stellen dat er, wanneer een onderneming in ernstige financiële moeilijkheden is komen te verkeren, geen of slechts zeer geringe boeten mogen worden opgelegd, immers dan zouden zulke ondernemingen nagenoeg ongestraft quota kunnen overschrijden, hetgeen discriminerend ware. Daarbij komt dat er in de praktijk nauwelijks kan worden gewerkt met boeten die, van geval tot geval, naar de financiële mogelijkheden van de betrokken ondernemingen, moeten worden bepaald. Dit zou de boeteoplegging en — daarmede — de hantering van de quotaregeling al te zeer bemoeilijken.
Het komt mij derhalve voor dat er in principe genoegen zal moeten worden genomen met de door de Commissie uitgesproken bereidheid om, wanneer er bij de betaling der boeten problemen rijzen, betrokkenen passende termijnen te stellen of betaling in gedeelten toe te staan.
c)
De voorts door verzoekster ter sprake gebrachte artikelen 14 en 15 van beschikking nr. 1831/81 zijn in casu kennelijk niet van toepassing.
Eerstgenoemd artikel geldt slechts wanneer de berekening der produktiequota een onderneming voor uitzonderlijke moeilijkheden plaatst. Verzoekster heeft zich evenwel niet op zulke moeilijkheden beroepen, doch op moeilijkheden waarvoor zij zich door betaling der boete geplaatst zou zien. Ook heeft zij zich niet, zoals in artikel 14 voorzien, met een op die bepaling berustend verzoek tot de Commissie gewend.
Daarentegen betreft artikel 15 het geval dat een onderneming haar traditionele leveringspatroon in dier voege heeft gewijzigd dat een passende bevoorrading van de verwerkers die daarvan afhankelijk waren, niet meer mogelijk is. Volgens dit artikel hadden er hoogstens — en alleen na beklag, dat aan verzoeksters brief van 4 maart 1982 niet zonder meer kan worden afgelezen, om de verwerking te garanderen, aan haar leveranciers aanvullende quota kunnen worden toegekend, daargelaten dat de door verzoekster voor haar verwerking benodigde halffabrikaten ten duidelijkste niet onder het quotastelsel vallen.
4.
Zoals reeds tijdens de hearing, heeft verzoekster voorts betoogd dat, al mocht er in objectieve zin niet aan een toepassing van artikel 11, lid 2 en lid 3, van beschikking nr. 1831/81 op haar situatie kunnen worden gedacht, nochtans zou moeten worden erkend dat zij te goeder trouw heeft gemeend dat zij haar quota volgens deze voorschriften kon verhogen. Met andere woorden: bij de overschrijding der quota zou zij met betrekking tot het recht in dwaling hebben verkeerd, en die dwaling zou haar niet kunnen worden verweten, zodat haar geen boete zou mogen worden opgelegd.
Voor artikel 11, lid 2, gaat dit evenwel stellig niet op. Lid 2 is kennelijk niet voor een overschrijding der produktiequota geschreven, maar voor een — in het kader dier produktiequota — plaatsgevonden hebbende overschrijding der leveringsquota., die evenwel aan verzoekster, die uitsluitend voor derden werkt, helemaal niet zijn toegekend. Ook de bedoeling dezer bepaling is volkomen duidelijk: aan ondernemingen die slechts één produkt produceren, waarvoor bij overschrijding der quota van compensatie volgens artikel 11, lid 1, geen sprake kan zijn, zou een vrije marge worden ingeruimd. En uit artikel 11, lid 1, dat de overschrijding der produktiequota betreft, blijkt ten duidelijkste dat, ofschoon er een overschrijdingsmarge voor bepaalde categorieën gold, de gezamenlijke produktie van alle categorieën de gezamenlijke quota niet mocht overschrijden. Van verontschuldigbare rechtsdwaling kan dus met betrekking tot artikel 11, lid 2, stellig niet worden gesproken.
En in artikel 11, lid 3, werd overdracht van nietuitgeputte quota van het tweede naar het derde kwartaal van 1981 niet toegestaan. Dit kan mijns inziens niet in ernst worden betwijfeld, zodat er van dwaling omtrent het recht nauwelijks kan worden gesproken. Mocht dit verzoekster nochtans niet volkomen duidelijk zijn geweest, dan had zij er de Commissie zonder bezwaar naar kunnen vragen. Dat zij dit heeft verzuimd — terwijl niet kon worden aangetoond dat de controleurs der Commissie haar in haar opvatting met betrekking tot artikel 11 hebben gesterkt —, doet haar niet vrijuit gaan en leidt ertoe dat de overschrijding der quota niet zomaar met een beroep op artikel 11, lid 3 van beschikking nr. 1831/81 kan worden afgedaan.
Ik zou hieraan evenwel willen toevoegen — en zinspeelde er ook reeds op — dat het tenminste als een verzachtende omstandigheid ware aan te merken dat verzoekster haar produktiequotum in het tweede kwartaal van 1981 niet heeft uitgeput, hetgeen een verlaging van de boete, zo al niet overeenkomstig de overdrachtsmogelijkheden die in artikel 8, lid 2, van beschikking nr. 2794/80 zo royaal werden toegekend, dan toch in de lijn van artikel 11, lid 3, van beschikking nr. 1831/81, gerechtvaardigd maakt. Dit dient terdege te worden bedacht, omdat de mogelijkheid tot overdracht in alle quotaregelingen steeds weer werd voorzien, zodat men er in zekere zin op mocht rekenen dat er ook bij de overgang van de oude naar de nieuwe quotaregeling zulke mogelijkheden zouden worden geschapen. Zulk een benadering ligt temeer voor de hand in een geval als het onderhavige, waarin verzoekster maar één produkt vervaardigt, zodat er bij de omrekening geen problemen kunnen rijzen als gevolg van de omstandigheid dat beschikking nr. 1831/81 ten dele andere categorieën betreft dan de eraan voorafgegane beschikking.
5.
Tenslotte dient nog te worden ingegaan op twee aspecten waarover verzoekster zich niet in haar beroepschrift, maar pas in haar conclusie van repliek heeft uitgelaten: de renteregeling en het maximumboetebedrag in de zin van artikel 58, lid 4, van het EGKS-Verdrag, luidende als volgt:
„De Hoge Autoriteit kan aan ondernemingen, die haar beschikkingen gegeven ter uitvoering van dit artikel overtreden, boeten opleggen tot ten hoogste een bedrag gelijk aan de waarde van de ongeoorloofde produktie.”
a)
Een deel van het petitum betreft met name de rente; verzoekster meent dat een duidelijke beslissing dienaangaande ontbreekt en dat het ervoor moet worden gehouden dat de Commissie van land tot land een andere rente zou willen toepassen, i.e. de ondernemingen in de verschillende Lid-Staten ongelijk wenst te behandelen.
Ik kan daarover kort zijn. In de aangevochten beschikking wordt met zoveel woorden gezegd dat de boete per maand vertraging met 1 % wordt verhoogd, hetgeen niet de door verzoekster voor Italiaanse ondernemingen gevreesde 22 % 's jaars, doch 12 % 's jaars oplevert. Daarop komt het voor verzoekster aan, en ik zie niet in waarom het Hof nogmaals zou moeten uitspreken dat de Commissie woord heeft te houden. Voor zover de Commissie mocht overwegen het rentepercentage van land tot land te variëren, hoeft daarop niet reeds thans te worden ingegaan; het gaat ten deze kennelijk slechts om een ontwerp, dat nog moet worden bestudeerd en, voor zover ten deze van belang, inhoudelijk nog niet vastligt.
Zonder meer mag dan ook worden gezegd dat termen voor een uitspraak als door verzoekster verzocht, niet aanwezig zijn te achten.
b)
Wat het tweede punt betreft: reeds in een tot het Hof gerichte brief van 5 oktober 1982 en vervolgens ook bij repliek heeft verzoekster betoogd dat de opgelegde boete met genoemd artikel 58, lid 4, van het EGKS-Verdrag, volgens hetwelk het op de waarde van de ongeoorloofde produktie aankomt, niet te rijmen valt; men had dienen te bedenken dat de haar verweten ongeoorloofde produktie, ja haar hele produktie, geschiedde voor rekening van derden, die eigenaars van het bewerkte materiaal bleven. De boete zou dus niet hoger mogen uitvallen dan hetgeen haar voor haar loonarbeid werd betaald, met andere woorden, uitgaande van de gemiddelde waarde der verwerking — die in 1981 bij verzoekster 75307 lire per kg bedroeg — had er ten hoogste een percentage van 57 Ecu per ton mogen worden toegepast.
Afgezien van de vraag of verzoekster hiermede bij repliek nog wel kon komen aandragen, nu de hiervoor genoemde, tot het Hof gerichte brief niet door haar advocaat was ondertekend, kan ik het ook ten deze niet met verzoekster eens zijn.
Van schending van artikel 58 van het EGKS-Verdrag, waarin aan de op te leggen boeten grenzen worden gesteld, kan mijns inziens geen sprake zijn, immers de „waarde van de ... produktie” is reeds volgens de bewoordingen van dit artikel niet de waarde die er telkens door de bewerker aan wordt toegevoegd, maar de handelswaarde welke, vóór commercialisatie, aan het onder de quotaregeling vallend eindprodukt toekomt. Daarvoor zijn ook goede praktische gronden aan te voeren. De regeling zou veel minder hanteerbaar worden, wanneer de Commissie de van geval tot geval gecreëerde meerwaarde zou moeten vaststellen, omdat daartoe de verschillende verwerkingsfasen zouden moeten worden nagegaan, terwijl er ook met de verschillende produktiviteit der ondernemingen rekening zou moeten worden gehouden. Maar omdat de waarde van de hierbedoelde produkten, naar de Commissie aantoonde, een veelvoud van de in artikel 12 van beschikking nr. 1831/81 voorziene boete uitmaakt, kan niet worden volgehouden dat de boetebeschikking met artikel 58 van het EGKS-Verdrag onverenigbaar is.
Ook kan van de Commissie niet worden gevergd dat zij bij de oplegging van individuele boeten in aanmerking neemt dat ondernemingen als die van verzoekster uitsluitend voor rekening van derden werken — om op die manier, onafhankelijk van het in artikel 58 van het EGKS-Verdrag gestelde maximum, de billijkheid recht te doen wedervaren. Het is onnodig, omdat in de algemene quotabeschikking de in de regel toepasselijke boeten zijn vermeld, zodat iedere onderneming aanstonds van het aan overschrijding der quota verbonden risico op de hoogte was. Van belang is ook dat het anders zou komen tot een discriminatie van ondernemingen die soortgelijke arbeid als echte verwerkers presteren, maar voor wie de hierbedoelde overweging niet opgaat, omdat zij halffabrikaten aankopen en de eindprodukten zelf op de markt afzetten. Tenslotte zou de quotaregeling gevaar lopen te worden ondermijnd doordat bijvoorbeeld opdrachtgevers en verwerkers het eens worden over een overproduktie die dan echter niet bij eerstgenoemden maar bij laatstgenoemden aan den dag zou moeten treden, omdat er dan met lagere boeten zou mogen worden gerekend.
6.
Ik vat mijn conclusie als volgt samen: wanneer er, naar ik meen, rekening mee mag worden gehouden dat verzoekster in het tweede kwartaal van 1981 2512 ton minder heeft geproduceerd dan haar was toegestaan, en dat zij daarvan in het volgende kwartaal alleen niet kon profiteren omdat het quotastelsel was gewijzigd, en wanneer men voorts bedenkt dat de Commissie bij een eerste overschrijding der quota van minder dan 500 ton vooreerst van de oplegging van een boete pleegt af te zien, dan dient de boete in casu niet slechts aanzienlijk te worden verlaagd, doch achterwege te worden gelaten. Ik acht verzoeksters primaire vordering derhalve voor toewijzing vatbaar, hetgeen medebrengt dat de Commissie de kosten van het geding, met inbegrip van die gevallen op de procedure tot uitstel der tenuitvoerlegging, zal moeten dragen.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
( 2 ) Arrest, op 19 oktober 1983 gewezen in de zaak 179/82, Lucchini Siderurgica SpA, te Brescia, tegen Commissie van de Europese Gemeenschappen, Jurispr. 1983, blz. 3083.
Full & Egal Universal Law Academy