CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
C. O. LENZ
van 21 maart 1985 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
A.
Verzoeker in het onderhavige geding — een hogere ambtenaar bij de Juridische dienst van de Raad van de Europese Gemeenschappen, met de Nederlandse nationaliteit (categorie A) — heeft in België een stuk grond gekocht en daarop een huis laten bouwen, dat hij sinds oktober 1979 bewoont. De financiering ervan regelde hij gedeeltelijk in DM bij een Duitse bank, gevestigd te Düsseldorf en met een filiaal zonder eigen rechtspersoonlijkheid te Brussel, zulks enerzijds op basis van een overeenkomst van april 1978 (volgens welke aanvankelijk DM 426 per maand moest worden terugbetaald en vervolgens — omdat een variabele rente was overeengekomen — na een renteverhoging per april 1981 DM 596 moet worden terugbetaald), alsmede anderzijds op basis van een overeenkomst van april 1979 (volgens welke het maandelijks terug te betalen bedrag bij een vast rentepercentage DM 1410 beloopt). In beide gevallen is voor de duur van 15 jaar hypotheek verleend op de gekochte grond (die inmiddels echter blijkbaar door een versnelde terugbetaling gedeeltelijk is afgelost).
In verband met de uit de genoemde overeenkomsten voortvloeiende betalingsverplichtingen heeft verzoeker reeds in oktober 1979 verzocht om van zijn bezoldiging maandelijks DM 1836 (het oorspronkelijk in aanmerking te nemen bedrag) rechtstreeks aan het filiaal in Brussel over te maken, zulks op grond van artikel 17 van bijlage VII bij het Ambtenarenstatuut, waarin wordt bepaald :
„Onder de voorwaarden van een regeling die, na advies van het Comité van het Statuut, in gemeenschappelijk overleg door de Instellingen van de Gemeenschappen wordt vastgesteld, kan de ambtenaar:
a)
door bemiddeling van de Instelling waartoe hij behoort, regelmatig een deel van zijn inkomsten laten overmaken, indien dit niet het bedrag van de ontheemdingstoelage of de buitenlandtoelage overschrijdt,
—
hetzij in de valuta van de Lid-Staat waarvan hij onderdaan is;
—
hetzij in de valuta van de Lid-Stàat waarin hij zelf woonachtig is, dan wel waar een gezinslid te zijnen laste verblijfplaats heeft;
—
hetzij in de valuta van het land waar hij zijn vorige standplaats had of van het land van de zetel van zijn Instelling, op voorwaarde dat het een ambtenaar betreft die buiten het grondgebied van de Gemeenschappen te werk is gesteld;
b)
boven het in de aanhef van sub a) aangegeven maximum regelmatig gelden laten overmaken, voor zover deze bestemd zijn voor de bestrijding van uitgaven die in het bijzonder verband houden met regelmatig terugkerende en met bewijzen gestaafde lasten die de ambtenaar buiten het land waar de zetel van zijn Instelling is gevestigd of waar hij zijn functie uitoefent, draagt;
c)
bij hoge uitzondering en in deugdelijk gemotiveerde gevallen worden toegestaan de bedragen waarover hij in de sub a) bedoelde valuta,s zou willen beschikken, buiten bovengenoemde regelmatige overmakingen te doen overmaken.”
Uit het in antwoord op dit verroek genomen besluit van 25 oktober 1979 kan worden opgemaakt, dat het niet werd ingewilligd omdat verzoeker de Nederlandse nationaliteit had en derhalve artikel 17, lid 2, sub a, niet kon worden toegepast. Verzoeker, die in het onderhavige geding betoogt dat zijn verzoek op artikel 17, lid 2, sub b, was gebaseerd, heeft de zaak destijds verder laten rusten.
In januari 1982 diende hij evenwel opnieuw een verzoek in op grond van genoemde bepaling, thans met betrekking tot het inmiddels gewijzigde bedrag van DM 2006. Daarin verzocht hij aanvankelijk (op 6 januari 1982) om bedoeld bedrag met ingang van 15 februari 1982 over te maken naar het bankfiliaal te Brussel; na contact met de administratie werd dit verzoek vervolgens op 12 januari 1982 in dier voege gewijzigd dat het bedrag op een rekening van bedoelde bank te Aken diende te worden overgemaakt. In een begeleidende nota van 6 januari 1982 werd dit verzoek uitdrukkelijk gebaseerd op artikel 17, lid 2, sub b, van bijlage VII bij het Ambtenarenstatuut, alsmede op de in januari 1980 in werking getreden Regeling (inzake de overmaking van een deel van de inkomsten van de ambtenaar), en werd betoogd dat het, waar verzoeker de lening in DM diende terug te betalen, een last buiten België betrof, op dezelfde voet als de als zodanig erkende terugbetalingsverplichtingen op grond van de leenovereenkomsten die zijn gesloten met het BHW Beamtenheimstättenwerk Gemeinnützige Bausparkasse für den öffentlichen Dienst GmbH, een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid naar Duits burgerlijk recht. Op 29 januari 1982 wees de administratie ook dit verzoek af, omdat het in werkelijkheid niet een last buiten België zou betreffen, daar de hypothecaire lening door een bankfiliaal te Brussel was verstrekt en verzoekers schuldeiser derhalve in België was gevestigd („installé”).
Omdat verzoeker zich gediscrimineerd voelde ten opzichte van ambtenaren op wie de genoemde bepaling wordt toegepast in verband met verplichtingen jegens het Beamtenheimstättenwerk, diende hij op 9 februari 1982 een klacht in. Daarin betoogde hij dat beslissend is dat zijn kredietgever een in de Bondsrepubliek Duitsland gevestigde rechtspersoon is, terwijl het daarentegen niet van belang kan zijn, dat de overeenkomsten zijn gesloten met een filiaal in België, dat niet voor eigen rekening kan handelen.
Op zijn verzoek werd geantwoord bij besluit nr. 211/82 van de secretarisgeneraal van de Raad van 23 maart 1982. Onder verwijzing naar artikel 17 van bijlage VII bij het Ambtenarenstatuut en de ter zake vastgestelde Regeling, in bijzonder artikel 5 daarvan (dat is gebaseerd op artikel 17, lid 2, sub c), alsmede onder verwijzing naar het feit dat verzoeker financiële verplichtingen in DM had, werd hem bij uitzondering toegestaan, van april 1982 tot maart 1983 van zijn bezoldiging een bedrag van DM 2000 per maand op een rekening in Duitsland te doen overmaken. In dit besluit werd beklemtoond, dat deze toestemming zou vervallen „en cas de changement de la situation sur la base de laquelle elle a été prise” en dat verzoeker verplicht was tot mededeling van „tout élément susceptible de modifier cette situation”.
In reactie daarop stuurde verzoeker op 29 mei 1982 een nota aan de directeurgeneraal Administratie. In verband met het feit dat bedoeld besluit was gebaseerd op artikel 17, lid 2, sub c, van bijlage VII bij het Ambtenarenstatuut, beklemtoonde verzoeker in deze nota dat zijn verzoek voldeed aan de voorwaarden van artikel 17, lid 2, sub b, dat bijgevolg als enig artikel had kunnen worden toegepast. Voorts verklaarde verzoeker, dat hij er geen belang bij had op te komen tegen het besluit, omdat hij aannam dat het stilzwijgend of in elk geval op enkel verzoek zou worden verlengd, wanneer de situatie ongewijzigd zou blijven. Ook verklaarde hij dat hij — zonder andersluidende mededeling — ervan uitging dat het besluit zou worden verlengd, zolang zijn financiële verplichtingen in DM zouden luiden.
Vervolgens ontving verzoeker besluit nr. 629/82 van de secretarisgeneraal van de Raad van 18 juni 1982. Onder verwijzing naar het feit dat de situatie op grond waarvan het besluit van 23 maart 1982 was genomen, niet meer bestond, werd de daarin vervatte toestemming met ingang van juli 1982 ingetrokken; bovendien werd in eerstgenoemd besluit verklaard dat de eventueel toegestane overmakingen van een gedeelte van verzoekers bezoldiging gehandhaafd zouden blijven „dans la limite de 35 % de sa rémunération nette.”
Nu zij reeds opgemerkt, dat met de situatie waarvan in het besluit sprake is, wordt gedoeld op de door het Belgisch-Luxemburgs Instituut voor de Wissel in december 1981 genomen en in juni 19S2 sterk gematigde maatregel (volgens welke slechts 25 % van de aan de Europese ambtenaren als bezoldiging op convertibele rekeningen overgemaakte bedragen voor de aankoop van buitenlandse valuta op de gereglementeerde markt kon worden gebruikt). Tevens zij opgemerkt, dat verzoeker kennelijk in verband met het als tweede genoemde punt in augustus 1982 met het Beamtenheimstättenwerk een — herhaaldelijk aangepaste — spaarovereenkomst heeft gesloten en op grond daarvan via het secretariaatgeneraal telkens 35 % van zijn netto-bezoldiging aan het Beamtenheimstättenwerk laat overmaken.
Met betrekking tot besluit nr. 629/82 is een standpunt ingenomen door een collega van verzoeker, in een aan de secretarisgeneraal van de Raad gericht schrijven van 25 juni 1982, alsmede door verzoeker zelf in een aan de directeurgeneraal van de Juridische dienst gerichte nota van 30 juni 1982; (aan het einde van genoemde nota werd uitdrukkelijk verzocht, beide schrifturen toe te zenden aan de secretarisgeneraal). In eerstgenoemd schrijven werd erop gewezen, dat de wijzigingen op het gebied van de omwisselbaarheid in België (waarop het besluit doelde) niets van doen hadden met verzoekers reeds lang bestaande betalingsverplichtingen; deze verplichtingen waren niet gewijzigd en zij moesten juist overeenkomstig artikel 17, lid 2, sub b, van bijlage VIII (bedoeld moet zijn VII) bij het Ambtenarenstatuut beoordeeld worden. Verzoeker zelf stelde in zijn nota, dat voor de toepassing van genoemde bepalingen van het Statuut — met het oog op een gelijke behandeling als debiteuren van het Beamtenheimstättenwerk — beslissend was, dat het in DM uitgedrukte terugbetalingsverplichtingen tegenover een Duitse bank betrof; daarentegen konden de plaats van sluiting van de overeenkomst en het feit dat de kredietbank een filiaal te Brussel had, niet van belang zijn. De gedachte beklemtonend dat de Belgische maatregelen betreffende de omwisselbaarheid niets van doen hadden met de uitlegging van het Ambtenarenstatuut, verzocht hij mitsdien om heroverweging van het genomen besluit.
Ten slotte zij nog vermeld dat de secretarisgeneraal van de Raad in een brief van 26 juli 1982 met betrekking tot verzoekers nota van 29 mei 1982 verklaarde, dat het bij het besluit van 23 maart 1982 ging om een „mesure exceptionnelle, utilisée pour pallier les effets négatifs que la situation en matière de convertibilité avait entraîné à l'époque” en dat het besluit derhalve niet kon worden gehandhaafd „au moment que la pleine convertibilité des rémunération e été réinstauré”. Bovendien werd daarin met betrekking tot het probleem van de regelmatige overmaking van een gedeelte van de bezoldiging in DM verklaard, dat artikel 17 van bijlage VII bij het Ambtenarenstatuut en de ter zake vastgestelde Regeling tot uiteenlopende interpretaties konden leiden; de wijze van toepassing van deze bepalingen kon slechts in gemeenschappelijk overleg met de andere Instellingen worden vastgesteld en derhalve was een werkgroep met de bestudering van de verschillende aspecten van dit probleem belast.
Niet tevreden met deze behandeling van zijn verzoek, heeft verzoeker vervolgens op 21 september 1982 beroep ingesteld bij het Hof van Justitie. Daarbij concludeerde hij dat het den Hove behage:
—
nietig te verklaren het besluit van de secretarisgeneraal van de Raad van 18 juni 1982;
—
voor zover nodig, nietig te verklaren het definitief (impliciet) afwijzen van verzoekers klacht van 9 februari 1982;
—
te verklaren voor recht, dat zijn oorspronkelijke verzoek binnen de termen van artikel 17, lid 2, sub b, van bijlage VII bij het Ambtenarenstatuut valt en zulks vanaf de maand februari 1982; alsmede
—
de Raad te veroordelen tot vergoeding van de schade welke ter zake aan verzoeker is opgekomen of nog zal opkomen, tot de datum van instelling van het beroep BFR 17624.
Verweerder — de Raad — acht het beroep niet-ontvankelijk, of ten minste ongegrond en verzoekt mitsdien om verwerping van het beroep, alsmede om verwijzing van verzoeker in de kosten van het geding.
B.
Ten aanzien van dit geschil dient het volgende te worden opgemerkt.
De ontvankelijkheid van het beroep
1.
Uit het beroep in zijn geheel blijkt duidelijk, dat het verzoeker vooral is te doen om een gunstige beschikking op zijn in januari 1982 ingediend verzoek, dat in verband met zijn verplichtingen tegenover een Duitse bank artikel 17, lid 2, sub b, van bijlage VII bij het Ambtenarenstatuut wordt toegepast op de betaling van zijn bezoldiging
a)
Voorzover het beroep ter zake een verzoek om een declaratoire uitspraak bevat, is de Raad van mening dat een dergelijk verzoek in beginsel ontoelaatbaar moet worden geacht, omdat het in het ambtenarenrecht voor de Gemeenschappen niet is voorzien.
Mijns inziens behoeft dit probleem in casu evenwel niet te worden behandeld. Het is namelijk duidelijk dat het verzoeker enkel gaat om de toekenning van een voorrecht (de vaststelling van een begunstigende administratieve handeling) op grond van genoemde bepaling van het Statuut. Daarvoor moet de betrokkene volgens het Ambtenarenstatuut een verzoek als bedoeld in artikel 90 indienen; wordt dit verzoek afgewezen, dan moet vervolgens een klacht worden ingediend; bij afwijzing van deze klacht kan binnen een termijn van drie maanden bij het Hof van Justitie beroep worden ingesteld.
Deze weg heeft verzoeker bewandeld, door op 6 januari 1982 een verzoek in te dienen; na de afwijzing van dit verzoek op 8 februari 1982 reageerde hij met een klacht. Van belang is dus slechts, welk lot deze klacht beschoren was en of verzoeker na afwijzing van de klacht met betrekking tot de instelling van het beroep bij het Hof correct heeft gehandeld. Is zulks niet het geval — en daarover zal ik mij onmiddellijk moeten uitspreken — dan zal het door hem opgeworpen probleem stellig niet met behulp van een verzoek om een declaratoire uitspraak kunnen worden opgelost, want dit zou uitmonden op een omzeiling van de in het Ambtenarenstatuut voor dergelijke gevallen voorziene termijnen.
b)
Het is in confesso, dat verzoeker met zijn klacht van 8 februari 1982 tijdig heeft gereageerd op de afwijzing van zijn verzoek. De Raad is evenwel van mening, dat de klacht reeds is afgewezen bij besluit nr. 211/82 van 23 maart 1982 waarmee het besluit van 29 januari 1982 waartegen verzoekers klacht was gericht, zou zijn bekrachtigd. Bijgevolg had het beroep binnen drie maanden, de voor België geldende termijn voor afstand in aanmerking genomen, moeten worden ingesteld, dus reeds eind juli 1982.
Wil men het besluit van 23 maart niet als een besluit op verzoekers klacht beschouwen, dan moet het besluit in elk geval worden geacht op 9 juni 1982 stilzwijgend te zijn afgewezen (artikel 90, lid 2, tweede alinea, tweede zin). In dat geval had het beroep, de voor België geldende termijn voor afstand in aanmerking genomen, uiterlijk op 11 september moeten worden ingediend. Derhalve zou moeten worden vastgesteld, dat het beroep van 21 september 1982 in elk geval te laat is ingesteld.
aa)
Deze beoordeling is stellig juist, voor zover het verzoeker is te doen om overmaking van een gedeelte van zijn bezoldiging vanaf februari 1982, alsmede om de toekenning van een schadevergoeding (overeenkomende met het verschil tussen de normale en de voor artikel 17 van bijlage VII bij het Ambtenarenstatuut geldende wisselkoersen) voor het feit dat in de maanden februari en maart 1982 geen overmakingen als bedoeld in deze bepaling van het Statuut hebben plaatsgevonden.
Uit besluit nr. 211/82 kan namelijk heel duidelijk worden opgemaakt, dat de toestemming voor overmaking van DM 2000 eerst per april 1982 is verleend; een desbetreffend verzoek voor de maanden februari en maart 1982 is dus niet expressis verbis, doch wel stilzwijgend afgewezen. Terzake had verzoeker dus reeds eind juni 1982 beroep bij het Hof van Justitie moeten instellen. Met een eerst in het najaar 1982 ingesteld beroep is daarentegen bedoelde wens zeker niet meer te verwezenlijken.
Hetzelfde geldt voor de eis tot schadevergoeding betreffende de maanden februari en maart (waarop reeds in de klacht van 8 februari is gewezen). Waar daarmee enkel het herstel van een situatie wordt nagestreefd, zoals deze zou hebben bestaan bij inwilliging van zijn verzoek van januari 1982, moet het uitgesloten worden geacht, dit resultaat met behulp van een eis tot schadevergoeding te verwezenlijken, wanneer is verzuimd, tijdig op te komen tegen de handeling waardoor de schade zou zijn veroorzaakt. Anders zouden namelijk middels beroepen wegens niet-contractuele aansprakelijkheid de ingevolge het Ambtenarenstatuut geldende termijnen worden omzeild.
bb)
Daarnaast acht ik ook het oordeel van de Raad ter zake dienend, dat verzoekers klacht, waarmee hij zijn aanspraak op toepassing van artikel 17, lid 2, sub b, van bijlage VII bij het Ambtenarenstatuut verdedigde, door besluit nr. 211/82 stilzwijgend is afgewezen.
In dit besluit wordt ergens zeer algemeen naar artikel 17 van bijlage VII bij het Ambtenarenstatuut verwezen. Dat evenwel een besluit op grond van artikel 17, lid 2, sub c werd beoogd, blijkt duidelijk uit de verwijzing naar artikel 5 van de ter zake van artikel 17 vastgestelde Regeling (dat enkel aan artikel 17, lid 2, sub c, refereert), uit de verklaring dat „à titre tout à fait exceptionnel” toestemming voor overmaking is verleend (wat eveneens in overeenstemming is met artikel 17, lid 2, sub c, van bijlage VII), en uit de beperking van de geldigheidsduur van het besluit tot één jaar, die bij een toepassing van artikel 17, lid 2, sub b, ter zake van een betalingsverplichting van — destijds nog — circa tien jaar onbegrijpelijk zou zijn geweest.
Overigens heeft ook verzoeker het besluit destijds aldus geïnterpreteerd, hetgeen gemakkelijk uit zijn nota van 29 mei 1982 kan worden opgemaakt. Daarin wijst hij erop, dat het in het besluit genoemde artikel 5 van de ter zake van artikel 17 vastgestelde Regeling verwijst naar lid 2, sub c, van laatstbedoeld artikel en hij vervolgt: „je persiste de mon côté a penser que ma demande répond pleinement aux critères de la même disposition sous b, de sorte qu'à mon avis aussi le seul paragraphe b aurait pu être appliqué”. Bovendien verklaart hij te verwachten, dat artikel 6 van de uitvoeringsregeling analoog op hem zal worden toegepast, dat wil zeggen: hij ziet in dat deze bepaling niet zonder meer van toepassing is, juist omdat zij slechts overmakingen als bedoeld in artikel 17, lid 2, sub a en b, betreft.
Op grond hiervan moet men wel tot de slotsom komen, dat de vraag of verzoeker recht heeft op toepassing van artikel 17, lid 2, sub b, van bijlage VII bij het Ambtenarenstatuut slechts kan worden beantwoord in een gerechtelijke procedure die uiterlijk drie maanden na de vaststelling van besluit nr. 211/82 van 23 maart 1982 had moeten zijn aangespannen, en dat zulks niet mogelijk is met behulp van een eerst in september 1982 ingesteld beroep.
Ook al zou ten gunste van verzoeker worden aangenomen, dat besluit nr. 211/82 van 23 maart 1982 geen afwijzing van verzoekers klacht van 8 februari 1982 bevat, dan nog is deze klacht, door het verstrijken van de termijn, uiterlijk op 9 juni 1982 stilzwijgend afgewezen (artikel 90, lid 2, tweede alinea, tweede zin, van het Ambtenarenstatuut) en is de beroepstermijn op 11 september verstreken. Ook in dat geval is het beroep van 23 september dus te laat ingesteld.
In geen geval kan besluit nr. 629/82 van 18 juni 1982 als een besluit ter zake van verzoekers klacht van 8 februari 1982 worden aangemerkt.
Ook is het uitgesloten, via besluit nr. 629/82 van 18 juni 1982 te komen tot toepassing van artikel 91, lid 3, van het Ambtenarenstatuut, waarin wordt verklaard :
„... wanneer echter een uitdrukkelijk besluit tot afwijzing van een klacht is afgekomen na het stilzwijgende besluit tot afwijzing, doch binnen de termijn voor het instellen van beroep, dan gaat de laatstgenoemde termijn hierdoor opnieuw in”.
Dit kan niet slagen, omdat het genoemde besluit in geen geval een uitdrukkelijke afwijzing bevat van de klacht betreffende de toepassing van artikel 17, lid 2, sub b, van bijlage VII bij het Ambtenarenstatuut, doch — afgezien van punt 2 ervan en de daarin vervatte machtiging — enkel de in besluit nr. 211/82 vervatte toestemming (artikel 17, lid 2, sub c) betreft.
Een andere overweging is gebaseerd op verzoekers poging om aan besluit nr. 211/82 thans een andere uitlegging te geven dan in zijn nota van 29 mei 1982. Wat de Raad betreft (dit blijkt in elk geval heel duidelijk na zijn besluit van 26 juli 1982, doch ook andere overwegingen pleiten daarvoor), is besluit nr. 211/82 vastgesteld als een voorlopige maatregel ter compensatie van de in december 1981 in België getroffen maatregelen op het gebied van de omwisselbaarheid. Daarentegen is verzoeker van mening dat daarvoor geen noodzaak bestond, omdat bij vaste, in buitenlandse valuta uitgedrukte betalingsverplichtingen ook van een Belgische bank een groter aandeel dan 25 % van de bezoldiging in franken tegen de gereglementeerde koers kon worden verkregen (hijzelf heeft met medeweten van de administratie van de Raad op 9 maart 1983 van deze mogelijkheid gebruik gemaakt). Verder is hij van mening dat het in zijn situatie in geen geval rechtmatig was om terug te vallen op artikel 17, lid 2, sub c, omdat dat slechts op zichzelf ¡taande transacties betreft (terwijl het bij verzoeker om vaste verplichtingen gaat) en omdat het een ambtenaar met de Nederkndse nationaliteit niet op grond van dit artikel is toegestaan DM's over te maken. Daar bovendien een dergelijke met het Statuut strijdige maatregel niet met een beroep op urgentie kan worden gerechtvaardigd (de genoemde Belgische maatregel had namelijk ook op een andere manier — bv. door betalingen in converteerbare franken — kunnen worden ondervangen) en omdat nu eenmaal enkel artikel 17, lid 2, sub b, voor verzoeker overmaking van DM's mogelijk maakte, kan mijns inziens slechts worden geconcludeerd, dat besluit nr. 211/82 in werkelijkheid op laatstgenoemde bepaling is gebaseerd en dus juist niet een stilzwijgende afwijzing van zijn klacht tot inhoud had. Ter zake zij echter opgemerkt, dat op grond van de door mij reeds vermelde gegevens het niet aan twijfel onderhevig kan zijn, dat besluit nr. 211/82 daadwerkelijk op artikel 17, lid 2, sub c, is gebaseerd. Evenzeer staat vast — ter zake heeft de Raad gelijk — dat het voor de vraag van de ontvankelijkheid van een op artikel 17, lid 2, sub b, berustend beroep, niet van belang is, of in verzoekers geval artikel 17, lid 2, sub c, had mogen worden toegepast. Beslissend is slechts, dat een dergelijke toepassing gewenst werd en dat daarmee gelijktijdig duidelijk werd, dat toepassing van artikel 17, lid 2, sub b, in verzoekers geval niet in aanmerking kwam.
Op grond hiervan is het ten slotte ook duidelijk, dat verzoeker zich ter rechtvaardiging van de ontvankelijkheid van zijn beroep ten onrechte beroept op het arrest van 9 maan 1985 in zaak 54/77 (Herpels, Jurispr. 1978, biz. 585), volgens hetwelk bij wijziging van een eerder aangevochten besluit de beroepstermijn wordt verlengd en eerst ingaat na een definitief en verduidelijkend standpunt met betrekking tot het betrokken verzoek. In het genoemde geval (het betrof een weigering om de ontheemdingstoelage te betalen) werd namelijk een eerder, afwijzend besluit later — door toekenning van een ontheemdingstoelage ad personam — gewijzigd, zodat in feite gezegd kon worden, dat het besluit betreffende de intrekking van de ontheemdingstoelage opnieuw was onderzocht. In casu ligt de zaak echter anders, omdat besluit nr. 211/82 in werkelijkheid geen wijziging bracht in de afwijzing van het op artikel 17, lid 2, sub b, gebaseerde verzoek, doch deze juist bevestigde en enkel tegelijkertijd een andere maatregel op grond van artikel 17, lid 2, sub c, trof, die dan weer bij besluit nr. 629/82 werd ingetrokken. Onder deze omstandigheden kan bezwaarlijk worden aangenomen, dat de termijn voor het beroep betreffende de afwijzing van het op artikel 17, lid 2, sub b, gebaseerde verzoek eerst inging bij de betekening van besluit nr. 629/82, dat wil zeggen bij de betekening van een besluit dat zich in het geheel niet uitsprak omtrent hetgeen verzoeker eigenlijk wilde.
c)
Derhalve kan nog slechts worden geconstateerd, dat voor de behandeling van de vraag of verzoeker vanaf 15 februari 1982 aanspraak had op toepassing van artikel 17, lid 2, sub b, van bijlage VII bij het Ambtenarenstatuut, zijn beroep van 21 september 1982 moet worden geacht te laat te zijn ingesteld. Bijgevolg dienen zijn verzoek tot nietigverklaring van de afwijzing van zijn klacht van 9 februari 1982, zijn verzoek om een declaratoire uitspraak en zijn eis tot schadevergoeding, voorzover het om een vergoeding gaat voor het feit dat in de maanden februari en maart 1982 artikel 17, lid 2, sub b, niet op hem is toegepast, niet ontvankelijk te worden verklaard.
Hierna lijkt het mij niet meer nodig, ook nog in te gaan op een nader bezwaar tegen de ontvankelijkheid, dat verband houdt met de vraag of hier — wat de beoordeling van de toepassing van artikel 17, lid 2, sub b, betreft — het procesbelang niet ontbreekt, omdat verzoeker in besluit nr. 629/82 werd toegestaan, 35% van zijn bezoldiging naar het buitenland over te maken, omdat hij — met inachtneming van artikel 17, lid 2, sub b — met betrekking tot een met het Beamtenheimstättenwerk gesloten bouwspaarovereenkomst vanaf augustus 1982 daadwerkelijk daarvan gebruik heeft gemaakt en omdat overmakingen die dit percentage te boven gaan, op grond van artikel 3 van de ter zake van artikel 17 vastgestelde Regeling niet mogelijk zijn.
2.
Zoals u zich herinnert, strekt het beroep ook tot nietigverklaring van besluit nr. 629/82.
Wat de naleving van de beroepstermijn betreft, zijn er geen problemen met de ontvankelijkheid, want het genoemde besluit heeft hij (zoals verzoeker onweersproken heeft verklaard) eerst op 21 juni 1982 ontvangen en vanaf die datum gerekend is het beroep — de voor België geldende termijn van afstand in aanmerking genomen — op 21 september 1982 tijdig ingesteld. Met betrekking tot de ontvankelijkheid zijn echter wel bezwaren aan te voeren vanuit twee andere gezichtshoeken: de niet inachtneming van artikel 91, lid 2, van het Ambtenarenstatuut (ontbreken van een voorafgaande klachi), alsmede het ontbreken van het procesbelang.
a)
Het eerste punt probeerde verzoeker met twee argumenten te weerleggen. Om te beginnen is hij van mening dat een nadere klacht niet nodig was, omdat in besluit nr. 629/82 het standpunt van de Raad met betrekking tot de toepassing van artikel 17, lid 2, sub b, van bijlage VII bij het Ambtenarenstatuut definitief is vastgelegd en dit besluit dus een bevestiging vormt van de op 29 januari 1982 uitgesproken afwijzing van zijn verzoek om toepassing van genoemde bepaling, waartegen al eens een klacht was ingediend. Bovendien is hij van mening, dat indien desondanks een klacht noodzakelijk mocht worden geacht, de reeds genoemde nota van 25 juni 1982 van een collega van verzoeker aan de secretarisgeneraal van de Raad alsmede de nota van 30 juni 1982 van verzoeker zelf aan de directeurgeneraal van de Juridische dienst als klacht kunnen worden aangemerkt.
Beide argumenten zijn mijns inziens niet overtuigend.
aa)
Het is duidelijk dat besluit nr. 629/82 qua inhoud geen uitspraak doet over de toepassing van artikel 17, lid 2, sub b, van bijlage VII bij het Ambtenarenstatuut en over verzoekers klacht van 9 februari 1982. Afgezien van de daarin vervatte machtiging voor overmakingen, beperkt het besluit zich tot nietigverklaring van besluit nr. 211/82, dat echter op grond van artikel 17, lid 2, sub c, is vastgesteld. Stellig kan dus niet worden gezegd, dat besluit nr. 629/82 een definitieve afwijzing van zijn verzoek om toepassing van artikel 17, lid 2, sub b, bevat.
bb)
De genoemde nota's kunnen niet als klacht worden aangemerkt, daar zij niet als zodanig zijn aangeduid. Ofschoon moet worden toegegeven, dat de procedure in artikel 90 van het Ambtenarenstatuut niet formalistisch is geregeld (zoals bij voorbeeld uit het eerdergenoemde arrest in zaak 54/77 kan worden afgeleid), mag in casu evenwel niet over het hoofd worden gezien, dat verzoeker jurist is. Van hem mag dus een correcte kwalificering van zijn verzoekschriften worden verwacht; met betrekking tot zijn klacht van 9 februari 1982 heeft hij dit trouwens ook duidelijk gedaan.
Daarnaast is van belang, dat de genoemde nota's op de keper beschouwd in het geheel niet de inhoud van besluit nr. 629/82 betreffen en dat zij ook om die reden niet als klachten tegen dit besluit kunnen worden aangemerkt. Dit geldt heel duidelijk voor de nota van verzoekers collega. Daarin wordt namelijk eigenlijk gewezen op het feit, dat de in DM uitgedrukte betalingsverplichtingen van verzoeker overeenkomstig artikel 17, lid 2, sub b, van bijlage VII bij het Ambtenarenstatuut moeten worden beoordeeld en wordt daarom verzocht om een „réponse complète” op verzoekers aanvragen die op bedoelde bepaling zijn gebaseerd. Deze nota bevat echter niets dat zou moeten worden aangemerkt als een specifiek bezwaar tegen de in besluit nr. 629/82 vervatte beslissing (intrekking van de uitzonderlijke toestemming op grond van artikel 17, lid 2, sub c). Het is duidelijk dat hetzelfde geldt voor verzoekers nota. Ook daarin wordt namelijk in wezen betoogd dat op grond van het bestaan van een in DM uitgedrukte betalingsverplichting aan de voorwaarden van artikel 17, lid 2, sub b, is voldaan, en wordt erop gewezen dat hij nooit een volledig antwoord op zijn op deze bepaling gebaseerd verzoek en de desbetreffende klacht heeft ontvangen (wat — zoals gezegd, niet het onderwerp van besluit nr. 629/82 was). Wanneer evenwel bovendien — zonder nadere substantiëring — wordt betoogd, dat besluit nr. 629/82 een tegenstrijdige motivering bevat en het gewettigd vertrouwen van verzoeker schendt, dan kan men zich terecht afvragen of aldus met het verzoek om het besluit te heroverwegen, werkelijk wordt voldaan aan de aan een klacht te stellen eisen.
b)
Daarnaast komt het mij voor, dat hetgeen de Raad ten aanzien van besluit nr. 629/82 met betrekking tot het procesbelang heeft opgemerkt, steekhoudend is.
Hier zij nogmaals herinnerd aan het feit dat verzoeker met dit besluit ook toestemming is verleend om 35 % van zijn bezoldiging over te maken (kennelijk op grond van artikel 17, lid 2, sub b, van bijlage VII bij het Ambtenarenstatuut en op grond van artikel 2 van de ter zake vastgestelde Regeling) en dat verzoeker met betrekking tot een met het Beamtenheimstättenwerk gesloten bouwspaarovereenkomst daarvan gebruik heeft gemaakt. Bovendien is nog van belang, dat volgens artikel 3 van genoemde Regeling de regelmatige overmakingen niet meer mogen bedragen dan 35% van de bezoldiging. Zou dit besluit gedeeltelijk worden nietigverklaard, met als gevolg dat de intrekking van besluit nr. 211/82 ongedaan zou worden gemaakt, dan zou daardoor de in laatstbedoeld besluit vervatte toestemming om voor ten hoogste één jaar DM 2000 over te maken weer van kracht worden. Dat is echter uitgesloten, omdat verzoeker van de in besluit nr. 629/82 vervatte mogelijkheid tot overmaking gebruik heeft gemaakt en daarmee zijn juridische mogelijkheden heeft uitgeput. Inderdaad valt dan ook niet in te zien, waarin zijn belang zou moeten bestaan bij nietigverklaring van het gedeelte van besluit nr. 629/82, waarbij besluit nr. 211/82 is ingetrokken. In het bijzonder is het niet mogelijk, de overmakingen ten gunste van het Beamtenheimstättenwerk gedeeltelijk, met terugwerkende kracht te transfereren naar de rekening van de bank tegenover welke verzoeker terugbetalingsverplichtingen heeft krachtens een leenovereenkomst (kennelijk moet verzoekers argument aldus worden opgevat, dat hij slechts voor het geval dat zijn beroep in zijn geheel slaagt, in de toekomst een verlaging van zijn spaarovereenkomst met het Beamtenheimstättenwerk overweegt, om zo daarnaast de mogelijkheid te hebben, zijn andere verplichtingen tegenover de bank met behulp van een overmaking op grond van artikel 17, lid 2, sub b, na te komen).
c)
Tenslotte is het op grond daarvan eveneens duidelijk, hoe verzoekers eis tot schadevergoeding — voorzover zij de periode na juli 1982 betreft — moet worden beoordeeld. Daar verzoeker bij besluit nr. 629/82 in de ruimst mogelijke mate toestemming is verleend om gedeelten van zijn bezoldiging over te maken onder de voorwaarden van artikel 17, lid 2, sub b, en hij daarvan gebruik heeft gemaakt, valt niet in te zien, hoe hij door de behandeling van zijn oorspronkelijke, op artikel 17, lid 2, sub b, gebaseerde verzoek kan zijn benadeeld. In elk geval heeft hij niet naar genoegen aangetoond, dat toestemming voor overmakingen ten behoeve van de terugbetaling van zijn schulden aan de bank voor hem van groter belang is dan de met het Beamtenheimstättenwerk gesloten spaarovereenkomst; in het bijzonder heeft hij ook niet duidelijk gemaakt, waarin de dienstfout van de Raad, die voor een eis tot schadevergoeding van beslissend belang is, bij de behandeling van zijn. onderscheiden verzoeken zou hebben bestaan. Zijn eis tot schadevergoeding moet derhalve eveneens — op zijn minst wegens het ontbreken van een behoorlijke substantiering — niet ontvankelijk worden verklaard.
3.
Op grond van deze overwegingen kan slechts worden vastgesteld, dat het beroep in zijn geheel de horde van de ontvankelijkheid niet kan nemen en dat het om deze reden moet worden verworpen.
Omdat ik de hier beschreven conclusie onontkoombaar acht (ook al kan niet worden ontkend, dat de administratie van de Raad bij de behandeling van verzoekers aanvragen grotere duidelijkheid had kunnen betrachten, met name bij de motivering van de besluiten nrs. 211/82 en 629/82), ga ik thans nog niet subsidiair in op de gegrondheid van het beroep. Mocht de Kamer evenwel mijn evaluatie van de ontvankelijkheid niet aanvaarden, dan ben ik gaarne bereid om desgewenst ook nog de gegrondheid van het beroep te onderzoeken.
C.
Bijgevolg geef ik in overweging, het door de heer Bräutigam ingediende beroep niet ontvankelijk te verklaren. Ingevolge artikel 69, § 2, en artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering dient elk der partijen haar eigen kosten te dragen. Er zijn geen redenen aanwezig om verzoeker overeenkomstig verweerders verzoek in de totale kosten van het geding te verwijzen.
( *1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy