CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
P. VERLOREN VAN THEMAAT
VAN 10 JANUARI 1984
Mijnheer de President,
mijne heren Rechten,
1. Inleiding
1.1. Voorwerp van de verzoekschriften
In de gevoegde zaken 239 en 275/82 vragen verzoeksters (Allied Corporation, met zetel in Morristown, New Jersey, USA, Mr. Morelle als curator in het faillissement van de NV Demufert te Brussel, Transcontinental Fertilizer Company, gevestigd te Philadelphia, USA en Kaiser Aluminium and Chemical Corporation, gevestigd te Wilmington, Delaware, USA) vernietiging van de verordening (EEG) nr. 1976/82 van 19 juli 1982 (PB L 214 van 1982, biz. 7), waarbij een voorlopig anti-dumpingrecht op bepaalde uit de Verenigde Staten ingevoerde kunstmeststoffen werd ingesteld en van verordening (EEG) nr. 2302/82 van 18 augustus 1982 (PB L 246 van 1982, blz. 5), waarbij eerdergenoemde verordening werd gewijzigd, alsmede schadevergoeding.
Naast de in haar memorie geformuleerde vragen en verweren betreffende de ontvankelijkheid, het voldoen aan het motiveringsvereiste en het voldoen aan de materiële vereisten voor het treffen van voorlopige maatregelen met betrekking tot het concrete geval, heeft de Commissie tijdens de schriftelijke en vooral tijdens de mondelinge procedure een belangrijke algemene vraag van rechtsbeschermingsbeleid opgeworpen ( 1 ).
Met name heeft zij tijdens de mondelinge behandeling een opmerkelijk pleidooi gehouden voor een ruime uitleg van artikel 173 van het EEG-Verdrag met betrekking tot de ontvankelijkheid van beroepen van exporteurs uit derde landen tegen antidumpingmaatregelen, die ten aanzien van hun exporten naar de EEG zijn getroffen. Deze ruime uitleg acht de Commissie ook niet alleen wenselijk ten aanzien van definitieve, maar ook ten aanzien van voorlopige antidumpingmaatregelen.
Voor deze opvatting voert de Commissie in hoofdzaak twee argumenten aan. Het eerste argument is het argument van het wederkerigheidsbeginsel. Dit argument vindt inderdaad expliciet steun in de vijfde overweging van de verordening (EEG) nr. 3017/79 van de Raad van 20 december 1979 (PB L 339 van 1979, blz. 1), en wel in de volgende bewoordingen: „overwegende dat het van wezenlijk belang is, dat de Gemeenschap bij de toepassing van deze voorschriften ( 2 ) met het oog op de handhaving van het met deze overeenkomsten nagestreefde evenwicht tussen rechten en verplichtingen, rekening houdt met de interpretatie ervan door haar belangrijkste handelspartners, zoals die in de wetgeving of het gevestigde gebruik tot uiting komt.” De Commissie merkt in dit verband nog op, dat ook de Verenigde Staten een ruime mogelijkheid van rechtsbescherming van de belangen van exporteurs uit andere landen kennen, die ook een doeltreffende rechtsbescherming tegen voorlopige maatregelen omvat.
Het tweede argument, dat de Commissie voor een ruime toegang van benadeelde exporteurs uit derde landen tot Uw Hof aanvoert, is de constatering, dat deze exporteurs geen rechtstreeks beroep kunnen instellen bij nationale rechters van de Lid-Staten tegen in concrete gevallen toegepaste anti-dumpingrechten. Ons eigen onderzoek heeft de juistheid van deze constatering in hoofdzaak bevestigd. Slechts in België en Nederland lijkt een dergelijk beroep in beginsel niet geheel uitgesloten, maar in de praktijk is ook in deze Lid-Staten, voor zover mij bekend, nog niet gebleken, dat deze rechtsgang ook in de praktijk mogelijk is. Het belang van deze constatering ligt uiteraard hierin, dat overwegingen van een rationele taakverdeling tussen de gemeenschapsrechter en de nationale rechters in casu dan geen rol kunnen spelen. Niet ontvankelijk verklaren van beroepen van exporteurs uit derde landen tegen antidumpingmaatregelen op grond van artikel 173 van het EEG-Verdrag heeft, anders dan in de meeste gevallen, onder deze omstandigheden niet ten gevolge, dat deze exporteurs in feite naar een bevoegde nationale rechter worden verwezen. Het heeft integendeel ten gevolge dat aan hen in het geheel geen rechtsbescherming wordt geboden, terwijl als opgemerkt omgekeerd exporteurs uit de Gemeenschap naar de Verenigde Staten daar wél bescherming genieten.
Ik wil gaarne aanstonds verklaren, dat ik de beide argumenten van de Commissie — vooral in onderlinge samenhang beschouwd — op zich zelf gezien sterk acht. Ook heb ik er alle begrip voor, dat de Commissie in het kader van haar betrekkingen tot de Amerikaanse autoriteiten behoefte heeft aan een duidelijke en algemene uitspraak van Uw Hof over deze ontvankelijkheidsvraag, een uitspraak dus die zich niet beperkt tot de min of meer toevallige omstandigheden van het concrete geval. Ook brengen de twee door de Commissie naar voren gebrachte argumenten naar hun aard mede, dat een dergelijke algemene uitspraak geen precedentwerking behoeft te hebben ten aanzien van interne verordeningen van de Gemeenschap (bijvoorbeeld op het gebied van de gemeenschappelijke landbouwpolitiek), waar bovendien ten aanzien van individuele toepassingsbesluiten wél een beroep op de bevoegde nationale rechter mogelijk is. Aan die argumenten kan nog worden toegevoegd, dat dumping een verschijnsel is, dat naar zijn aard verwant is met vormen van concurrentievervalsing die in het systeem van het EEG-Verdrag met beschikkingen plegen te worden bestreden. Dumping is met name een vorm van grensoverschrijdende prijsdiscriminatie (mogelijk gemaakt door het bestaan van douanegrenzen) ( 3 ) die naar haar aard nauw verwant is met de in artikel 85, eerste lid onder d) en in artikel 86, onder c) verboden discriminatiepraktijken. In haar effecten is dumping voorts vergelijkbaar met de uitwerking van door artikel 92 met de gemeenschappelijke markt onverenigbaar verklaarde steunmaatregelen, in het bijzonder exportsteunmaatregelen, die eveneens met beschikkingen plegen te worden bestreden. Niettemin zal de voor deze bijzondere gevallen door de Commissie bepleite ruime interpretatie uiteraard nader getoetst moeten worden aan de tekst van artikel 173, de aard van antidumpingmaatregelen als hier in geding en Uw eerdere rechtspraak. Tot deze toetsing zal ik overgaan in het tweede deel van mijn conclusie.
Daarbij zal ik uiteraard ook aandacht besteden aan de ontvankelijkheid van het beroep van de curator in het faillissement van de NV Demufert, waarbij genoemde algemene overwegingen in veel mindere mate een rol spelen. Als binnen de Gemeenschap gevestigde importeur had de NV Demufert in concrete toepassingsgevallen met name wel toegang tot de bevoegde nationale rechter van het invoerland.
1.2. De belangrijkste feiten en procedurefases
Voor goed begrip van de onderhavige procedure acht ik het gewenst allereerst een chronologisch overzicht te geven van de verschillende procedurefases vóór en ná de ingestelde beroepen.
—
Op 26 februari 1980 verscheen in PB L 47 van 1980, een kennisgeving van de Commissie van de opening van een anti-dumpingprocedure inzake chemische meststoffen uit de USA. De opening van de procedure vond plaats naar aanleiding van een in december 1979 ingediende klacht van de communautaire kunstmestindustrie.
—
Op 12 februari 1981 volgde de instelling van een definitief anti-dumpingrecht bij verordening nr. 349/81 (PB L 39 van 1981, blz. 4) met vaststelling van een gemiddelde dumpingmarge van 6,5 %. Op de considerans van deze voor de beoordeling van het geschil belangrijke verordening zal ik nog terugkomen.
—
Op 15 augustus 1980 werd een voorlopig anti-dumpingrecht ingesteld bij verordening nr. 2182/80 (PB L 212 van 1980).
—
Op 9 februari 1981 waren de betrokken Amerikaanse ondernemingen met de Commissie verbintenissen aangegaan tot naleving en vrijstelling op grond van artikel 2 van verordening nr. 349/81 (zie bijlagen 6 en 9 van het verzoekschrift in de zaak 239/82 en Besluit 81/35 (PB L 39 van 1981, blz. 35).
—
Op 24 maart 1982 verzocht Allied Corporation op grond van gewijzigde omstandigheden om een nieuw onderzoek, als bedoeld in artikel 14 van de verordening nr. 3017/79 ( 4 ).
—
Op 18 mei 1982 verzocht de bevoegde dienst van de Commissie daarop om overlegging van nader bewijsmateriaal voor de aangevoerde nieuwe omstandigheden, alvorens een beslissing te nemen over de noodzaak van een nieuw onderzoek ( 4 ).
—
Op 7 juni 1982 heeft Allied Corporation daarop met inachtneming van de daartoe in paragraaf 9 van de door haar aangegane verbintenis gestelde termijn van 20 dagen, die verbintenis opgezegd ( 5 ).
—
Eerder had reeds op 5 mei 1982 de NV Demufert een beroep bij het Hof ingesteld tegen een weigering van de Commissie bij brief van 22 maart 1982 aan een soortgelijk en reeds in februari 1982 gedaan verzoek tot instelling van een nieuw onderzoek gevolg te geven. Toen later de Commissie alsnog tot instelling van een nieuw onderzoek besloot, werd dit verzoek ingetrokken.
—
Op 2 juli 1982 en 23 juli 1982 zegden ook Transcontinental en Kaiser de door hen aangegane verbintenissen op.
—
Op 16 juli 1982 gaf de Commissie in PB C 179 van 1982, kennis van een hernieuwd onderzoek inzake dumping van chemische meststoffen.
—
Op 19 juli 1982 werd voor Allied Corporation en Transcontinental en op 18 augustus 1982 ook voor Kaiser een voorlopig anti-dumpingrecht vastgesteld (verordeningen nrs. 1976/82, PB L 214 van 1982, blz. 7 en 2302/82, PB L 246 van 1982, blz. 3). Het zijn deze verordeningen, waarvan verzoeksters de vernietiging vragen.
—
Op 18 november 1982 werd de geldigheid van deze verordeningen met twee maanden verlengd bij verordening nr. 3044/82, PB L 322 van 1982, blz. 4).
—
Op 17 januari 1983 volgde de instelling van een definitief anti-dumpingrecht voor de drie genoemde ondernemingen bij verordening nr. 101/83, PB L 15 van 1983, blz. 1. Zoals U weet, gingen de verzoeksters tegen deze definitieve verordening in beroep in de zaak 53/83.
Voor de overige relevante feiten volsta ik op deze plaats met een verwijzing naar het rapport ter terechtzitting.
2. De ontvankelijkheidsvragen
2.1.
Ik zal thans achtereenvolgens behandelen de ontvankelijkheid van de beroepen van de drie Amerikaanse exporteurs in het algemeen (2.2.), de door de Commissie aan de orde gestelde vraag naar algemene criteria terzake (2.3.), de ontvankelijkheid van dergelijke beroepen met betrekking tot voorlopige maatregelen als in casu aan de orde (2.4.) en de ontvankelijkheid van het beroep van de curator in het faillissement van de NV Demufert (2.5.).
2.2.
Wegens de vergaande analogie met de zaak 113/77 („kogellagers”, Jurispr. 1979, blz. 1185), is het op zich zelf eenvoudig tot een conclusie te komen, dat de beroepen van Allied Corporation, Transcontinental Fertilizer Company en Kaiser Aluminium and Chemical Corporation ontvankelijk zijn. Afgezien van het hierna nog afzonderlijk te behandelen punt van de ontvankelijkheid van beroep tegen voorlopige maatregelen als hier in het geding, stelt artikel 1 van de aangevochten verordening nr. 1976/82 met zoveel woorden een voorlopig antidumpingrecht vast voor ureum-ammoniumnitraatoplossing, uitgevoerd door Allied Corporation en Transcontinental Fertilizer Company. Even duidelijk breidt de wijzigingsverordening nr. 2302/82 de gelding van dit voorlopig anti-dumpingrecht uit tot de derde verzoekster (Kaiser Aluminium).
Mede gelet op rechtsoverwegingen 8, 9, 11 en 12 van Uw arrest in de geciteerde kogellagerzaak is het niet twijfelachtig, dat deze verzoeksters door de aangevochten verordeningen rechtstreeks en individueel worden geraakt. Aan die conclusie kan ook niet afdoen de omstandigheid, dat deze verordeningen ten opzichte van onafhankelijke importeurs van de bedoelde produkten het karakter van een verordening hebben en in zoverre een dubbel karakter dragen. Dit was namelijk in de zaak 113/79 eveneens het geval, zoals met name duidelijk blijkt uit hetgeen de advocaat-generaal Warner hierover op blz. 1244 en 1245 (Jurispr. 1979) van zijn conclusie in die zaak heeft opgemerkt. Niettemin heeft dit dubbele karakter van de toen toepasselijke verordening Uw Hof niet verhinderd het beroep van de betrokken exporteurs ontvankelijk te verklaren. Wanneer een verordening enerzijds individueel bepaalde adressaten heeft (in casu met name genoemde Amerikaanse exporteurs van kunstmest, in de kogellagerzaak zowel de Japanse producenten als hun importerende dochterondernemingen) en anderzijds een slechts door abstracte, objectieve kenmerken aangeduide groep adressaten (zowel in de zaak 113/77 als in de onderhavige zaak alle onafhankelijke importeurs), is een dergelijk dubbel karakter op zichzelf evident. ín dergelijke gevallen is rechtsoverweging 18 van het door de Commissie in haar memories vermelde arrest van Uw Derde kamer in de zaak Moksel (zaak 45/81, Jurispr. 1982, blz. 1129) blijkens Uw eerdere rechtspraak in dumpingzaken kennelijk niet toepasselijk. In genoemde rechtsoverweging werd voor de daar aan de orde zijnde verordening vastgesteld „eenzelfde bepaling kan immers niet tegelijkertijd van algemene strekking en een individuele maatregel zijn.” Van dergelijke rechtshandelingen met een duidelijk dubbel karakter zijn overigens gemakkelijk ook andere voorbeelden te vinden. Wanneer bijvoorbeeld aan een onderneming een uitsluitend recht wordt verleend als bedoeld in artikel 90, eerste lid, van het EEG-Verdrag, is deze verlening duidelijk een beschikking. Niettemin heeft deze beschikking per definitie tevens de algemene strekking dat alle andere ondernemingen zich van de betrokken activiteiten dienen te onthouden.
2.3.
Als eerder opgemerkt zou de Commissie echter op de door haar naar voren gebrachte beleidsgronden gaarne een meer algemeen standpunt van Uw Hof over de ontvankelijkheid van beroepen van exporteurs uit derde landen tegen antidumpingmaatregelen van de Gemeenschap vernemen. In de kogellagerzaak verklaarde de advocaat-generaal Warner op blz. 1245 van zijn conclusie over deze algemene vraag slechts, dat de in die procedure terzake naar voren gebrachte argumenten vóór en tegen elkaar in evenwicht houden.
Op grond van de tekst van de verordening (EEG) nr. 3017/79 van de Raad en de daaraan ten grondslag liggende anti-dumpingcode van de GATT is het naar mijn oordeel intussen zeer wel mogelijk terzake tot duidelijke uitspraken te komen. Ik zie dan nog af van het naar hun aard in beginsel individuele karakter van dumpingpraktijken, waarover ik in mijn inleidende opmerkingen reeds het nodige heb gezegd.
Artikel 2, eerste lid van verordening nr. 3017/79 bepaalt, dat „een antidumpingrecht kan worden toegepast op ieder produkt ten aanzien waarvan dumping plaats vindt, wanneer de invoer tot verbruik in de Gemeenschap schade veroorzaakt.” Het tweede lid van hetzelfde artikel voegt daaraan toe, dat „ten aanzien van een produkt wordt geacht dumping plaats te vinden indien de prijs van bet produkt bij uitvoer naar de Gemeenschap lager is dan de normale waarde van een soortgelijk produkt. In de Duitse tekst wordt ten aanzien van de laatste door mij onderstreepte woorden, maar in overeenstemming met artikel VI GATT gesproken van „der gleichartigen Art”. Artikel VI GATT spreekt hier inderdaad van „the comparable price, in the ordinary course of trade, for the like product when destined for consumption in the exporting country.” De Engelse tekst van de verordening spreekt eveneens van „the like product”. Uit de door mij onderstreepte woorden en hun zinsverband ( 6 ) blijkt naar mijn oordeel reeds, dat de antidumpingrechten op geïndividualiseerde produkten en niet op alle gelijksoortige produkten (bijvoorbeeld van de betrokken douanetariefcategorie) dienen te worden gelegd. Althans in landen met een markteconomie zal de normale waarde van een produkt op de thuismarkt, evenals de uitvoerprijs van dat produkt inderdaad van producent tot producent uiteen kunnen lopen. Reeds artikel 2A van de onderwerpelijke verordening levert dus een belangrijke aanwijzing op, dat anti-dumpingrechten in beginsel slechts met betrekking tot exportprodukten van geïndividualiseerde ondernemingen kunnen worden opgelegd.
De belangrijkste uitzonderingen op dit beginsel zijn uiteraard exporten uit Staatshandellanden en exporten waarbij voor een gehele bedrijfstak subsidies een lagere exportprijs mogelijk maken. Voor die gevallen voorzien artikel 2, lid 5 en artikel 3 dan echter ook in afwijkende regels, die het door mij uit artikel 2, eerste en tweede lid, afgeleide beginsel indirect bevestigen.
Nog duidelijker aanwijzingen voor het aanwezig achten van een dergelijk beginsel vindt men in de hoofdregel van artikel 2, derde lid (onder a). Volgens deze hoofdregel wordt onder normale waarde verstaan „de vergelijkbare prijs die bij normale handelstransacties werkelijk is betaald of moet worden betaald voor een soortgelijk produkt (Engelse tekst weer: the like product) dat bestemd is voor verbruik in het land van uitvoer of het land van oorsprong.” Ook artikel 2, lid 4 (dat overigens als uitzonderingsregel in deze vorm geen duidelijke steun lijkt te vinden in de GATT-code) gaat duidelijk uit van individuele ondernemingen. Slechts ten aanzien van individuele ondernemingen zullen immers (bijvoorbeeld op grond van uit hun jaarstukken blijkende verliescijfers) „geldige redenen (kunnen) bestaan om aan te nemen of te vermoeden dat de prijs waartegen een produkt werkelijk wordt verkocht met het oog op verbruik in het land van oorsprong, lager is dan. de normale vaste plus variabele produktiekosten van dat produkt” (artikel 2, lid 4, eerste alinea).
De leden 7, 8, 9 en 10 van artikel 2 wijzen eveneens duidelijk op een beginsel van individuele beoordeling van de afzonderlijke exporteurs en hun individuele exportvoorwaarden.
De praktijk van de anti-dumpingpolitiek, waarbij voor verschillende ondernemingen veelal uiteenlopende heffingen worden vastgesteld, bevestigt tenslotte eveneens het principieel individuele karakter van dumpingpraktijken.
Ik concludeer dan ook, dat — behoudens bijzondere en in een concreet geval aan te tonen omstandigheden — inderdaad van de regel kan worden uitgegaan, dat alle door antidumpingheffingen getroffen exporterende ondernemingen uit derde landen door de heffingen rechtstreeks en individueel geraakt worden in de zin van artikel 173 van het EEG-Verdrag. Uit paragraaf 14 van het verweerschrift van de Commissie blijkt overigens dat ook de Commissie — zij het met een wat andere en kortere argumentatie — een dergelijke conclusie niet onmogelijk acht. Met de Commissie zou ik het op de door haar tijdens de mondelinge behandeling genoemde gronden ook van groot belang achten, een dergelijke algemene regel in Uw arrest voorop te stellen, voordat daarnaast de bijzondere gronden worden aangegeven, die de juistheid van die algemene regel in het concrete geval bevestigen. Het belang van een dergelijke algemene regel ligt niet alleen in de dooide Commissie aangevoerde overweging, dat Uw uitspraken anders te zeer afhankelijk zouden kunnen worden van de van toevallige omstandigheden afhankelijke wijze, waarop een dergelijke verordening wordt geformuleerd. Het belang ligt daarnaast in de vaststelling, dat de Gemeenschap aldus over een gelijkwaardige rechtsbescherming ten behoeve van exporteurs uit derde landen beschikt als de Verenigde Staten, waardoor aan het wederkerigheidsbeginsel van de GATT wordt voldaan.
2.4.
Pas in haar dupliek heeft de Commissie de vraag opgeworpen of met betrekking tot voorlopige antidumpingrechten geen afzonderlijke gronden bestaan om te twijfelen aan de ontvankelijkheid van beroepen als hier aan de orde.
Anders dan de Commissie meen ik, dat zij deze twijfel ten onrechte primair baseert op rechtsoverweging 6 van Uw arrest in de zaak Alusuisse (zaak 307/81, Jurispr. 1982, blz. 3463). Uit de tweede en de derde volzin van deze rechtsoverweging volgt naar mijn oordeel veeleer, dat Uw Hof in dit arrest de ontvankelijkheidsvraag ten aanzien van definitieve en voorlopige maatregelen geheel volgens dezelfde maatstaven heeft onderzocht.
Vervolgens baseert de Commissie haar twijfel op rechtsoverweging 10 van Uw IBM-arrest (zaak 60/81, Jurispr. 1981, blz. 2639). Deze rechtsoverweging zal echter gelezen moeten worden in samenhang met de voorafgaande rechtsoverweging 9. Daarin wordt het beslissende criterium als volgt geformuleerd:
„Volgens vaste rechtspraak zijn als handelingen of besluiten die vatbaar zijn voor beroep tot nietigverklaring in de zin van artikel 173, te beschouwen maatregelen die bindende rechtsgevolgen in het leven roepen, welke de belangen van de verzoeker kunnen aantasten doordat zij diens rechtspositie aanmerkelijk wijzigen.”
In de IBM-zaak ging het blijkens rechtsoverwegingen 19 en 20 om de vraag of een inleiding van een kartelprocedure, alsmede een mededeling van punten van bezwaar een dergelijke maatregel opleveren en het is ten aanzien van deze handelingen, dat Uw Hof op grond van de in rechtsoverwegingen 9 en 10 neergelegde beginselen tot de conclusie kwam, dat het beroep niet ontvankelijk was. Met betrekking tot de thans aangevochten verordeningen kan echter op grond van de duidelijke tekst van artikel 1 van verordening nr. 1976/82, zoals gewijzigd door verordening nr. 2302/82, onmogelijk bestreden worden, dat zij bindende rechtsgevolgen in het leven roepen, als bedoeld in rechtsoverweging 9 van Uw IBM-arrest. Wat dit betreft, zou een vergelijking met Uw door de advocaat-generaal Sir Gordon Slynn in zijn conclusie in de IBM-zaak geciteerde arrest in de zaken 9-11/66 (Cementbedrijven NV, Jurispr. 1967, blz. 92) meer op haar plaats zijn.
Ik concludeer dan ook, dat aan de ontvankelijkheid van het beroep van de drie Amerikaanse verzoeksters in casu ook niet afdoet, dat dit beroep gericht was tegen verordeningen met het karakter van een voorlopige maatregel.
2.5.
Anders dan de Commissie, ben ik tenslotte van oordeel, dat ook het beroep van de curator in het faillissement van de NV Demufert ontvankelijk is. Niet bestreden is, dat de NV Demufert sinds 1971 alleenimporteur was van verzoekster Allied Corporation en derhalve ondanks haar juridische zelfstandigheid, economisch volledig van de exportmogelijkheid van deze verzoekster afhankelijk was. Aldus behoorde zij niet tot een slechts abstract naar objectieve kritéria omschreven groep van zelfstandige importeurs, als in rechtsoverwegingen 9 en 11 van Uw arrest in de zaak Alusuisse aan de orde (zaak 307/81, Jurispr. 1982, blz. 3463). De NV Demufert werd als opgemerkt integendeel door de door haar aangevochten verordening geraakt als exclusief importeur van één van de door de verordening individueel getroffen Amerikaanse exporteurs. Het is deze kwaliteit, die haar ten opzichte van alle niet-exclusieve importeurs individualiseerde op het tijdstip dat de voorlopige instelling van de anti-dumpingvoorschriften plaats vond. Ook de NV Demufert werd aldus — in tegenstelling tot onafhankelijke importeurs — door de voorlopige antidumpingmaatregelen rechtstreeks en individueel geraakt in de zin van artikel 173, tweede alinea, van het EEG-Verdrag.
Voor goed begrip voeg ik hieraan nog slechts toe, dat ook de Commissie erkent, dat ingevolge Uw rechtspraak — ondanks het in de anti-dumpingverordeningen zelf niet voorkomen van een dergelijk onderscheid — inderdaad voor de ontvankelijkheidsvraag een onderscheid moet worden gemaakt tussen zelfstandige en (van een exporteur) afhankelijke importeurs. Ten aanzien van Alusuisse werd het begrip „zelfstandig importeur” in rechtsoverweging 3 van het Alusuissearrest aldus gepreciseerd „dat zij geen banden heeft met een producent of exporteur.” De NV Demufert heeft, als gezegd, dergelijke banden wel. In de kogellagerzaak werden — ondanks haar juridische zelfstandigheid — ook binnen de Gemeenschap gevestigde dochtermaatschappijen van de Japanse kogellagerproducenten wegens „het nauwe associatieve verband tussen NTN en haar dochtermaatschappijen”, op gelijke voet als de Japanse producenten als rechtstreeks en individueel geraakte importeurs beschouwd (rechtsoverweging 9). Rechtsoverweging 11 voegt daaraan — naar aanleiding van een desbetreffend verweermiddel van de Raad „dat de importeurs alleen door uitvoeringshandelingen van de nationale gezagsorganen rechtstreeks worden geraakt, zodat zij zich des nodig tot de bevoegde nationale rechter dienen te wenden” — de belangrijke overweging toe: „dit betoog houdt een miskenning in van het feit dat bedoelde uitvoering volkomen automatisch verloopt en bovendien geen uitvoering van intermediaire nationale regelen, doch alleen van het gemeenschapsrecht is.” De conclusie in rechtsoverweging 12 van het kogellagerarrest luidde dan ook: „bedoelde importeurs worden derhalve door artikel 3 van de verordening nr. 1778/77 rechtstreeks en individueel geraakt, zodat de dochtermaatschappijen als importeurs van de NTN's produkten in hun beroepen kunnen worden ontvangen.”
Als alleenimporteur van Allied Corporation was de NV Demufert economisch even afhankelijk van de betrokken Amerikaanse producent. Zij zal derhalve evenzeer in haar beroep ontvankelijk moeten worden verklaard.
3. De middelen ten gronde
3.1.
De beroepen zijn primair gebaseerd op artikel 173 en subsidiair op artikel 215, tweede alinea, van het EEG-Verdrag.
Verzoeksters stellen primair dat verordeningen nrs. 1976/82 en 2302/82 gebrekkig zijn gemotiveerd omdat zij niet spreken over het in artikel 4, artikel 7 en artikel 11 van verordening nr. 3017/79 ook voor de instelling van voorlopige rechten geldende vereiste van „aanmerkelijke schade (of dreiging van schade) aan een gevestigde bedrijfstak van de Gemeenschap” (artikel 4, eerste lid). Dit middel moet worden verworpen, omdat de (door verordening 2302/82 gewijzigde) verordening nr. 1976/82 in haar tweede overweging onder verwijzing naar verordening (EEG) nr. 349/81 wel degelijk het bestaan van schade in de zin van artikel 4 van de basisverordening heeft gemotiveerd. Ik verwijs hiervoor ook naaide laatste overweging op blz. 5 en de drie eerste overwegingen op blz. 6 van het Publikatieblad L 39 van 1981, waarin verordening nr. 349/81 werd gepubliceerd. Toegegeven kan worden, dat de motivering in casu summier was en met name niet inging op de motieven van verzoeksters voor respectievelijk haar verzoek om een nieuw onderzoek en voor opzegging van haar contracten. Ingevolge Uw in paragraaf 10 van mijn conclusie en rechtsoverweging 19 van Uw arrest in de gevoegde zaken 292 en 293/81 (Lion, Loiret & Haentjens, Jurispr. 1982, blz. 3887) geciteerde rechtspraak zal echter ook deze omstandigheid verzoeksters niet kunnen baten. Het middel van gebrekkige motivering dient derhalve te worden verworpen.
3.2.
Het argument van verzoeksters dat beide verordeningen een automatische toepassing inhouden van artikel 10, lid 6, van verordening nr. 3017/79 moet eveneens worden verworpen. Uit de laatste overweging van verordening (EEG) nr. 1976/82 blijkt duidelijk dat de instelling van voorlopige heffingen heeft plaats gevonden nadat de Commissie ten behoeve van een verder onderzoek de procedure had heropend. Juist is slechts, dat de voorlaatste overweging van deze verordening, alsmede de voorlaatste overweging van verordening nr. 2302/82 de indruk wekken, dat de vrijstelling van het genoemde anti-dumpingrecht voor verzoeksters inderdaad werd ingetrokken op de enkele grond dat deze hun verbintenissen hadden opgezegd. In dit verband lijkt mij de vaststelling van belang, dat een opzegging van een verbintenis als hier aan de orde, met inachtneming van de hiertoe in die verbintenis uitdrukkelijk opgenomen opzegtermijnen, als zodanig inderdaad geen voorlopige maatregel in de zin van artikel 10, zesde lid, van de basisverordening kan rechtvaardigen. Blijkens de tekst van genoemd artikellid moet ook een dergelijke voorlopige maatregel niet alleen door het belang van de Gemeenschap vereist zijn, maar bovendien „gewettigd” zijn. Door dit laatste vereiste wordt duidelijk verwezen naar de drie vereisten die artikel 11 van de verordening steeds aan de instelling van voorlopige anti-dumpingrechten stelt, waaronder het vereiste van voldoende bewijzen voor door de vastgestelde dumping veroorzaakte schade. Deze vaststelling lijkt mij daarom van bijzonder belang, omdat zowel de verwijzing in de aangevochten verordeningen naar met name artikel 10 van de basisverordening, als de voorlaatste rechtsoverweging van beide aangevochten verordeningen, als het verweerschrift van de Commissie, de indruk hebben gewekt, dat de Commissie haar voorlopige maatregelen aanvankelijk inderdaad uitsluitend op de opzegging van de door de Amerikaanse verzoeksters aangegane verbintenissen heeft gebaseerd. Tijdens de mondelinge behandeling hebben verzoeksters daarop terecht gewezen. Wanneer verbintenissen in de zin van artikel 10 van de basisverordening zijn aangegaan, moet opzegging van deze verbintenissen overeenkomstig de daarvoor in die verbintenissen opgenomen bepalingen ook mogelijk zijn, zonder dat deze opzegging als zodanig reeds voorlopige maatregelen in de zin van artikelen 10, lid 6 en 11 kan rechtvaardigen. Intussen is uit de dupliek van de Commissie en uit haar uiteenzettingen ter terechtzitting gebleken, dat de gewekte andere indruk in feite niet met de werkelijkheid overeenkwam en dat de Commissie wel degelijk ook aan de andere vereisten aandacht heeft geschonken.
3.3
De belangrijkste middelen van verzoeksters betreffen dan ook de door hen aangevoerde nieuwe feiten, die een nieuw licht zouden werpen op de beweerde schade. Deze nieuwe feiten zijn:
a)
drie op 12 december 1981 door de Franse minister van Economie en Financiën gepubliceerde maatregelen tegen kartelpraktijken in de sector van de produktie en handel van kunstmeststoffen; op deze maatregelen gebaseerde verzoeken van verzoeksters van 1 februari 1982, 22 februari 1982 en 24 maart 1982 om heronderzoek van de getroffen antidumpingmaatregelen werden op 22 maart 1982 in een brief van de Commissie aan de NV Demufert en later ook in een volgende brief afgewezen (zie verzoekschrift met betrokken bijlagen in de zaak 239/82).
b)
de aanzienlijke waardestijging van de dollar sinds de opening van de antidumpingprocedure op 26 februari 1980;
c)
het aanzienlijk teruglopen van de invoer van de betrokken kunstmestsoorten in de EEG (van een marktaandeel van 50 % in 1979/1980 tot 28,5 % in 1981/1982).
d)
het bij repliek van verzoeksters aangevoerde nieuwe feit van de op 14 juni 1982 door de Franse minister van Economie en Financiën getroffen prijsmaatregel; als gevolg van deze maatregel lagen de prijzen van verzoeksters in het tweede semester van 1982 boven het niveau van de Franse kunstmestprijzen.
Wat het eerste nieuwe feit a) betreft, heeft de Commissie echter in haar verweerschrift reeds naar voren gebracht, dat haar maatregelen gebaseerd waren op eigen marktonderzoek van de Commissie tijdens een periode, gelijk aan of zelfs volgend op de periodes waarop de Franse antikartelbesluiten betrekking hadden. Ook zouden verzoeksters niet hebben aangetoond, dat bedoelde antikartelbesluiten ook betrekking hadden op de hier in het geding zijnde ureum-ammoniumnitraatoplossing. Dit verweemiddelr roept uiteraard de vraag op, of de Commissie zelf wellicht twijfel heeft of de Franse kunstmestproducenten dit specifieke produkt, dat het voorwerp van de antidumpingmaatregelen vormt, wel produceren. Vraagtekens plaats ik ook bij het antwoord van de Commissie aan de NV Demufert van 22 maart 1982, dat bij afwezigheid van genoemde kartelpraktijken, de reeds onvoldoende hoge prijzen van de Franse industrie nog lager zouden zijn geweest en de door de industrie geleden verliezen dus nog groter (bijlage 7 van het verzoekschrift in de zaak 239/82, waarnaar het verweerschrift op blz. 6 verwijst). Ik acht het twijfelachtig, of het met de strekking van de GATT-code en van de basisverordening in overeenstemming is te brengen, de omvang van de schade te relateren aan een door kartelpraktijken kunstmatig verhoogd prijspeil van het invoerland.
Wat het tweede nieuwe feit b) betreft, merkt de Commissie om te beginnen terecht op, dat de exportprijzen in dollars waren uitgedrukt en dat de waardestijging van de dollar in de vastgestelde dumpingmarge derhalve geen wijziging heeft gebracht. Wat de relevantie van de waardestijging van de dollar voor het schadevereiste betreft, merkt de Commissie in haar dupliek op, dat ondanks deze waardestijging de Amerikaanse invoeren van de betrokken kunstmeststoffen in de eerste vier maanden van 1982 nog met 60 % waren gestegen. Naar aanleiding van een vraag van Uw Hof heeft de Commissie daaraan tijdens de mondelinge behandeling nog toegevoegd, dat waardestijging van de munt van een exportland in beginsel slechts relevant kan zijn, wanneer zij zeer belangrijk is, voor een voldoende lange periode niet door waardedaling onderbroken werd en belangrijke gevolgen heeft gehad voor de schade, ondervonden door de communautaire producenten. Wat de schade betreft, zou de Commissie om te beginnen vastgesteld hebben, dat de gemiddelde invoerprijzen van de betrokken Amerikaanse kunstmest ondanks de waardestijging van de dollar ongeveer 10 % beneden de verkoopprijzen van de vier belangrijkste Franse kunstmestproducenten bleven liggen. Vervolgens zou de Commissie hebben vastgesteld, dat de invoer van de betrokken kunstmest uit de Verenigde Staten, na een daling in 1981, in de eerste maanden van 1982, in vergelijking met dezelfde periode in 1981, met 60 % gestegen zou zijn. Ook in de Duitse Bondsrepubliek zouden de betrokken Amerikaanse invoeren van juni 1981 tot mei 1982 na een aanvankelijke daling aanmerkelijk zijn gestegen.
Met dit verweer heeft de Commissie eveneens haar visie gegeven op het derde door verzoeksters genoemde nieuwe feit c), de beweerde daling van de uitvoer.
Wat het vierde nieuwe feit d) betreft, de prijsblokkeringsmaatregelen van 14 juni 1982, merkt de Commissie in haar dupliek op, dat deze op het tijdstip van de voorlopige maatregelen nog geen invloed konden hebben op het prijspeil van de Franse kunstmest.
Ik wil niet ontkennen, dat bij het betoog van de Commissie een aantal kanttekeningen en vraagtekens kunnen worden geplaatst. De belangrijkste kanttekening is wel, dat uit de ter zitting door verzoeksters overgelegde statistieken — na toetsing van hun juistheid — zou kunnen blijken, dat de door de Commissie gestelde schade voor de Franse producenten in 1982 en ook in 1983 in veel sterkere mate door de invoer uit Nederland dan door de invoer uit de Verenigde Staten is veroorzaakt. Dit roept vragen op in verband met de tweede volzin van artikel 4, eerste lid, van verordening nr. 3017/79. Ook kan men zich afvragen of de Commissie wel terecht het onderzoek naar „de schade aan een gevestigde bedrijfstak” heeft toegespitst op de schade voor de Franse producenten, nu uit deze statistieken (en ook uit een gedeelte van het verweer van de Commissie) wellicht moet worden afgeleid dat de Nederlandse producenten tijdens de relevante periode een belangrijker marktaandeel op de Franse markt voor ureum-ammoniumnitraatoplossing (UAN) hadden dan de Franse producenten.
Voor de onderhavige procedure zijn deze kanttekeningen en vraagtekens echter naar mijn oordeel niet van beslissend belang. Voorlopige rechten kunnen op grond van artikel 11 van de basisverordening in het algemeen reeds op grond van een voorlopig onderzoek worden ingesteld en daarbij zal aan de Commissie in het algemeen reeds een belangrijke beleidsvrijheid moeten worden toegekend. Bij opzeggen van een verbintenis door contractpartijen, als bedoeld in artikel 10, zesde lid, geldt deze beleidsvrijheid stellig in versterkte mate. Blijkens de laatste zin van dit artikellid kan de Commissie dan, wanneer het belang van de Gemeenschap zulks vereist, onmiddellijk voorlopige maatregelen treffen, wanneer zij op grond van de beschikbare gegevens tot de overtuiging komt dat deze voorlopige maatregelen gewettigd zijn (dat wil zeggen naar mijn oordeel, dat aan de in de eerste volzin van artikel 11, eerste lid voor voorlopige maatregelen gestelde drie vereisten is voldaan).
Uit het verweer van de Commissie blijkt in elk geval, dat zij aan de door verzoeksters naar voren gebrachte nieuwe feiten wel degelijk aandacht heeft besteed. Zij heeft naar mijn oordeel ook wel aannemelijk gemaakt, dat zij in het kader van haar beleidsvrijheid bij voorlopige maatregelen — op grond van artikel 10, zesde lid, van de verordening — aan deze nieuwe feiten geen doorslaggevende betekenis behoefde toe te kennen tegenover de haar uit andere bronnen op dat tijdstip bekende gegevens. Aan het verzoek van de Commissie aan verzoeksters om nader bewijsmateriaal voor genoemde nieuwe feiten voor te leggen, hebben deze verzoeksters tenslotte blijkens de na de zitting overgelegde correspondentie niet voldaan, zoals de verzoeksters zelf hebben erkend. De Commissie kon in het kader van haar beleidsvrijheid naar mijn oordeel terecht menen, dat bij opzeggen van een verbintenis onder dergelijke omstandigheden het belang van de Gemeenschap ter voorkoming van een rechtsvacuüm onmiddellijk voorlopige maatregelen vereiste.
Ik ben dan ook van oordeel, dat de beroepen van verzoeksters tot vernietiging van de door hen aangevochten verordeningen moeten worden verworpen.
4. De subsidiaire verzoeken tot schadevergoeding
Nu de primaire verzoeken van verzoeksters tot vernietiging van de verordeningen nrs. 1976/82 en 2302/82 naar mijn oordeel, hoewel ontvankelijk, moeten worden verworpen, lijkt het mij duidelijk, dat haar subsidiaire verzoeken tot schadevergoeding eveneens dienen te worden verworpen. Niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap voor eventuele schade, ontstaan uit rechtmatig getroffen voorlopige maatregelen als hier aan de orde, kan naar mijn oordeel niet worden erkend. Op door de Commissie in dit verband opgeworpen ontvankelijkheidsvragen meen ik daarom evenmin te behoeven ingaan als op de vraag, in hoeverre voorlopige maatregelen als hier aan de orde wel definitieve en concretiseerbare schade kunnen veroorzaken.
5. Conclusie
Samenvattend, concludeer ik:
1.
dat de verzoeken van Allied Corporation, Mr. Morelle als curator in het faillissement van de NV Demufert, Transcontinental Fertilizer Company en Kaiser Aluminium and Chemical Corporation tot vernietiging van de verordeningen van de Commissie nrs. 1976/82 en 2302/82, hoewel ontvankelijk, als ongegrond dienen te worden verworpen;
2.
dat de subsidiaire verzoeken van verzoeksters tot schadevergoeding, voorzover zij al ontvankelijk zijn, eveneens dienen te worden verworpen;
3.
dat elk van de verzoeksters in een kwart van de kosten van het geding dient te worden verwezen.
( 1 ) De Commissie gebruikte ter zitting in dit verband de uitdrukking „politique juridictionnelle”, welke uitdrukking de strekking van haar betoog naar mijn oordeel echter minder scherp weergeeft dan de uitdrukking „rechtsbeschermingsbeleid”.
( 2 ) Blijkens overwegingen 3 en 4 van de considerans betreft het hier voorschriften tot wijziging van de eerder geldende anli-dumpingvoorschriften van de Gemeenschap in het licht van de in 1979 in het kader van het GATT overeengekomen anti-dumpingcode 1979 en van een in hetzelfde kader gesloten overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen.
( 3 ) De interne dumpingvoorschriften in artikel 91 van het EEG-Verdrag golden wegens deze feitelijke binding aan het bestaan van douanegrenzen slechts gedurende de overgangsperiode.
( 4 ) Afschriften van deze drie brieven werden na de mondelinge behandeling op 15 november 1983 door de Commissie aan het Hof toegezonden, dit overeenkomstig een ter zitting naar aanleiding van een vraag van de zijde van het Hof gedane toezegging. Bi) brief van 16 november 1983 heeft één van de advocaten van verzoekster aan het Hof bevestigd, dat inderdaad door deze verzoekster geen andere brieven in die periode waren geschreven.
( 5 ) Afschriften van deze drie brieven werden na de mondelinge behandeling op 15 november 1983 door de Commissie aan het Hof toegezonden, dit overeenkomstig een ter zitting naar aanleiding van een vraag van de zijde van het Hof gedane toezegging. Bij brief van 16 november 1983 heeft één van de advocaten van verzoekster aan het Hof bevestigd, dat inderdaad door deze verzoekster geen andere brieven in die periode waren geschreven.
( 6 ) Dit zinsverband is inderdaad zeer verschillend van het zinsverband, waarin de woorden „the like product” voorkomen in de artikelen L 1 en II.2. sub a) van de GATT. Zie terzake ook artikel 2, paragraaf 12 van de onderwerpelijke verordening.
Full & Egal Universal Law Academy