CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 5 OKTOBER 1983 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
De zaak waarin ik thans te concluderen heb, heeft betrekking op een boete die verzoekster is opgelegd krachtens artikel 9 van algemene beschikking nr. 2794/80 (PB L 291 van 1980, blz. 1).
Omtrent de feiten kan ik kort zijn :
Bij beschikking van 6 april 1981 werden verzoekster de krachtens beschikking nr. 2794/80 juncto beschikking nr. 644/81 (PB L 69 van 1981, blz. 22) vastgestelde produktiequota voor het tweede kwartaal 1981 meegedeeld voor de produkten van de categorieën I, III, IV alsook voor ruwstaal. Tegen deze beschikking tekende verzoekster beroep aan bij het Hof (zaak 119/81 ( 2 )), in zoverre daarbij het produktiequotum voor categorie I was vastgesteld op 538325 ton. Verzoekster werd evenwel in het ongelijk gesteld. Haar bezwaren tegen beschikking nr. 2794/80 werden verworpen, evenals haar grief, dat bij de aanpassing van de referentieproduktie overeenkomstig artikel 4, lid 3, van beschikking nr. 2794/80 de produktiecapaciteit van walsgroep II te Bremen verkeerd was gewaardeend. Bovendien werd in het arrest met verwijzing naar het doel van artikel 58 EGKS-Verdrag beklemtoond, dat de Commissie niet verplicht is de betrokken ondernemingen een minimumbezetting of een maximumproduktie te waarborgen, die op hun eigen criteria inzake rentabiliteit en ontwikkeling is afgestemd.
Het staat vast dat verzoekster zich niet heeft gehouden aan het haar toegekende en door het Hof wettig geoordeelde quotum voor produkten van categorie I. Dit werd vastgesteld in een schrijven van de Commissie van 1 februari 1982, waarin de overschrijding van het quotum werd becijferd op 123072 ton. Tijdens de daaropvolgende administratieve procedure vond men elkaar in een hoeveelheid van 122781 ton.
Wegens deze overschrijding heeft de Commissie krachtens artikel 9 van beschikking nr. 2794/80 een boete opgelegd. Aangezien verzoekster reeds in het eerste kwartaal 1981 meer had geproduceerd dan haar was toegestaan, paste de Commissie het tweede lid van dit artikel toe, dat luidt als volgt:
„In het geval dat de produktie van een onderneming het quotum met 10 % of meer overschrijdt of indien de onderneming gedurende een van de voorafgaande kwartalen haar quotum of quota reeds heeft overschreden, kunnen de boeten het dubbele van deze bedragen per ton belopen”,
dat wil zeggen het dubbele van 75 Ecu respectievelijk 150 Ecu voor iedere ton waarmee het quotum voor gewoon staal respectievelijk voor speciaal staal wordt overschreden. Aangezien echter verzoeksters balans een negatief saldo vertoonde, werd het basisbedrag (75 Ecu per ton quotumoverschrijding) slechts met 10 % verhoogd. Bij beschikking van 13 augustus 1982 werd de door verzoekster verschuldigde boete derhalve vastgesteld op een bedrag van 10129432 Ecu of 23909916 DM.
Tegen deze beschikking richt zich het onderhavige beroep tot nietigverklaring.
Tegelijk met het beroep diende verzoekster een verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging in. Bij beschikking van 11 november 1982 werd de tenuitvoerlegging van artikel 2 van de boetebeschikking opgeschort, op voorwaarde dat binnen 15 dagen na de betekening ervan een bankgarantie zou worden gesteld. Een tweede verzoek, waarin verzoekster om onvoorwaardelijke opschorting van de tenuitvoerlegging tot het eindarrest vroeg, omdat zij niet in staat was een bankgarantie te stellen, werd bij beschikking van 7 december 1982 afgewezen. Aangezien de bankgarantie kennelijk niet is gesteld, is de Commissie nog steeds doende betaling van de in casu bestreden boete te verkrijgen.
Ter staving van haar beroep tot nietigverklaring betoogt verzoekster, dat ook het gemeenschapsrecht als algemeen rechtsbeginsel de rechtsfiguur noodtoestand kent: deze zou een op zichzelf onrechtmatige handeling rechtvaardigen of tenminste de aansprakelijkheid van degene die zich in een noodtoestand bevindt, uitsluiten. Ten tijde van de overschrijding van het produktiequotum zou verzoekster in een dergelijke noodtoestand hebben verkeerd, zodat haar geen boete zou mogen worden opgelegd. Al sinds 1974 had zij zeer grote verliezen geleden, die slechts met de grootste moeite konden worden gecompenseerd. Zo zij het toegekende quotum had nageleefd — gezien de produktiecapaciteit van walsgroep II te Bremen, namelijk 459000 ton/maand, zou haar bezettingsgraad dan ver onder het communautaire gemiddelde voor walsgroepen voor warm breedband zijn komen te liggen —, zou dit tot zulke hoge extra verliezen hebben geleid, dat de onderneming niet meer levensvatbaar was geweest. Onder deze omstandigheden mocht zij het rechtsgoed van haar eigen voortbestaan, waarvan een groot aantal arbeidsplaatsen afhankelijk is, beschermen door een quotumoverschrijding die was afgestemd op de gemiddelde bezettingsgraad in de Gemeenschap. Het zou immers geen twijfel lijden, dat dat rechtsgoed van hogere orde is dan een inbreuk op het quotastelsel, die bovendien nauwelijks merkbaar was omdat alle andere ondernemingen hun produktie tegen de voorziene prijzen zouden hebben verkocht en de markt dus niet aantoonbaar zou zijn verstoord.
De Commissie heeft op de eerste plaats twijfel geuit over de ontvankelijkheid Van verzoeksters betoog, zulks in verband met zaak 119/81 ( 3 ) en het daarin gewezen arrest. Voorts meent zij dat het begrip noodtoestand, ook indien het in het gemeenschapsrecht zou moeten worden aanvaard, in het kader van de quotaregeling moeilijk te verenigen is met het doel van artikel 58 EGKS-Verdrag, te meer omdat het nuttig effect van het quotastelsel erdoor zou worden aangetast. In ieder geval zou in casu niet zijn voldaan aan de voorwaarden waaronder een beroep op noodtoestand mogelijk is. Uitgaande van de capaciteit van walsgroep II te Bremen, die volgens de rechtspraak aannemelijk is — zoals bekend werd het door verzoekster genoemde cijfer van 459000 ton per maand door het Hof in de zaken 119/81 ( 3 ) en 303/81 ( 4 ) niet bewezen geacht —, zou men al niet staande kunnen houden dat de bezettingsgraad van de betrokken walsgroep ver onder het communautaire gemiddelde ligt. Bovendien is volgens de Commissie geenszins bewezen dat verzoeksters voortbestaan onmiddellijk in gevaar was geweest indien zij zich in het tweede kwartaal 1981 aan de quota had gehouden. Voorts zou het onjuist zijn, dat het geschonden belang niet opweegt tegen verzoeksters voortbestaan: het gaat immers niet zozeer om de correcte toepassing van het quotastelsel, als wel om het feit dat bij een slecht geregelde aanpassing van de produktie aan de gedaalde vraag het voortbestaan van tal van ondernemingen in gevaar zou komen. Volgens algemene rechtsopvatting mag het gevaar dat men door schending van het recht tracht af te keren, niet zijn veroorzaakt door degene die zich op noodtoestand beroept. In casu staat voor de Commissie echter vast, dat verzoeksters moeilijkheden het gevolg zijn van de reeds lang vóór de invoering van het quotastelsel genomen beslissing om haar installatie te Bremen uit te breiden, hetgeen tot enorme verliezen heeft geleid. Tenslotte kan eigenrichting met een beroep op noodtoestand slechts „ultima ratio” zijn, indien het gestelde gevaar niet met andere middelen kan worden afgewend. Verzoekster had de Commissie evenwel overeenkomstig artikel 14 van beschikking nr. 1794/80 om verhoging van het quotum kunnen verzoeken met het oog op extra leveringen naar derde landen; ook had zij in de procedures voor het Hof over de vaststelling van de quota een verzoek om voorlopige maatregelen kunnen indienen met het oog óp correctie van het quotum, doch zij heeft geen van deze mogelijkheden aangegrepen.
1.
Wat de exceptie van niet-ontvankclijkheid betreft, heeft de Commissie aangevoerd, dat de noodtoestand volgei s verzoekster een gevolg is van de omvang van het produktiequotum; haar kritiek is in feite dus gericht tegen de vaststelling van het quotum, en wanneer zij tracht toestemming te verkrijgen om het quotum te overschrijden, dan wil zij in werkelijkheid niets anders dan een verhoging van het oorspronkelijke quotum bewerkstelligen. Dit argument had zij moeten aanvoeren in het geding dat op de vaststelling van de quota betrekking had, zoals onder meer ook in zaak 219/82 ( 5 ) is gebeurd. Nu in zaak 119/81 ( 6 ), die de quota voor het tweede kwartaal 1981 betrof, reeds arrest is gewezen, is dit evenwel niet meer mogelijk. Het gezag van gewijsde van het arrest brengt mee, dat geen beroep kan worden gedaan op feiten die tijdens eerdere gedingen reeds bestonden en verband hielden met het onderwerp van geschil daarvan, indien daarmee hetzelfde doel als in de afgesloten eerdere procedure wordt nagestreefd.
Dit betoog vind ik echter niet geheel overtuigend.
a)
In de eerste plaats valt het standpunt van de Commissie in deze zaak niet geheel te rijmen met de in zaak 219/82 ( 5 ) naar voren gebrachte opvatting, dat bij de beoordeling van de wettigheid van de quotumvaststelling geen beroep op noodtoestand kan worden gedaan; daarmee zou alleen een onrechtmatige gedraging kunnen worden gerechtvaardigd, maar er zou geen beroep op kunnen worden gedaan met het doel tot wijziging van een rechtsregeling te komen. Ware dit juist — hetgeen hier niet behoeft te worden onderzocht —, dan kon verzoekster zich in zaak 119/81 ( 6 ) bezwaarlijk met een beroep op noodtoestand teweerstellen tegen de vaststelling van de quota, en dan kan het beroep op noodtoestand nu natuurlijk niet worden verworpen met het argument dat verzoekster het in het voornoemde geding niet heeft aangevoerd.
b)
Bovendien is artikel 42 van het Reglement voor de procesvoering, dat voor de procedure voor het Hof een soort regel inzake de concentratie van middelen vastlegt, in de onderhavige procedure en met betrekking tot verzoeksters stelling zeker niet toepasselijk. Deze bepaling heeft duidelijk alleen betrekking op de houding van een partij in een en dezelfde procedure en zegt niets over de ontvankelijkheid van middelen in een op zichzelf staande latere procedure.
c)
In zover de Commissie evenwel een beroep doet op het beginsel van het gezag van gewijsde, dus op artikel 65 van het' Reglement voor de procesvoering, is het onderwerp van het geding, dus het daarin gevorderde, beslissend; voor zover daarover is beslist, sluit het gezag van gewijsde uit dat het in een nieuwe procedure nogmaals wordt gevorderd.
In zaak 119/81 ( 6 ) werd het op verschillende middelen gebaseerde beroep tot nietigverklaring van de voor het tweede kwartaal 1981 vastgestelde quota afgewezen, zodat ingevolge het dictum en de voornaamste rechtsoverwegingen van het in die zaak gewezen arrest vaststaat dat de quota wettig zijn. In casu gaat het evenwel niet meer om de vaststelling van het produktiequotum voor het tweede kwartaal 1981, maar enkel over de vraag, of wegens overschrijding van een wettig vastgesteld quotum een boete kan worden opgelegd dan wel of dit wordt verhinderd door het bestaan van bepaalde rechtvaardigings- en schulduitsluitingsgronden. Aangezien in het arrest in zaak 119/81 niet wordt gerept van het recht van de Commissie om boete op te leggen, en wat daartegen eventueel kan worden ingebracht, valt een nieuw geding, waarin nieuwe daarop betrekking hebbende middelen worden aangevoerd, niet uit te sluiten. Met name kan niet worden gesteld, dat artikel 9 van beschikking nr. 2794/80 geen beoordelingsruimte laat, dat de boete dus een automatisch gevolg van de quotaoverschrijding is; want ook al wordt in het arrest in zaak 312/81 ( 7 ) van een verplichting tot boeteoplegging in geval van quotaoverschrijding gesproken, dit betekent niet — en uit andere zaken is dit inmiddels duidelijk geworden —, dat in boeteprocedures rechtvaardigings- of schulduitsluitingsgronden geen rol zouden kunnen spelen.
2.
Wanneer wij vervolgens ingaan op verzoeksters betoog betreffende de noodtoestand, rijst de prealabele vraag of deze rechtsfiguur ook in het gemeenschapsrecht geldt. Deze vraag wil ik zonder meer bevestigend beantwoorden; om dit aan te tonen, is thans geen uitvoerige uiteenzetting van rechtsvergelijkende aard nodig.
Ik verwijs te dezen naar het door verzoekster overgelegde advies van de directeur van het Max-Planck-Institut für ausländisches und internationales Strafrecht van 6 november 1982. Hieruit blijkt, dat deze rechtsfiguur in de rechtsorde van alle Lid-Staten voorkomt, en ofschoon dit in het Verenigd Koninkrijk en Ierland — afgezien van bijzondere wetten, waarin in verband met bijzondere bepalingen soortgelijke regelingen zijn opgenomen — anders ligt, wordt daar kennelijk hetzelfde resultaat bereikt in het kader van het procesrecht en de straftoemeting.
In dit verband zijn tevens enkele arresten van dit Hof van belang. Ik denk niet in de eerste plaats aan het arrest in zaak 303/81 ( 7 ) , waarin enkel wordt gezegd „aangenomen al dat het begrip noodtoestand in het gemeenschapsrecht in beginsel wordt aanvaard” (r.o. 47), doch vooral aan dat in zaak 16/61 ( 8 ) — betreffende een sanctie wegens niet-naleving van prijsschalen —, waarin de verwante rechtsfiguur van noodweer aan de orde was. Hiervoor is vereist, dat een handeling noodzakelijk is ter afwending van het gevaar dat de betrokkene bedreigt, dat sprake is van een rechtstreekse bedreiging en van een onmiddellijk gevaar, en dat het gevaar met geen ander geoorloofd middel kan worden bestreden. Daarnaast is het recente arrest in de gevoegde zaken 100-103/80 ( 9 ) van belang; in rechtsoverweging 90 worden als vereisten voor een beroep op noodtoestand genoemd: een bedreiging van het bestaan van degene die zich erop beroept, en de vaststelling dat de gewraakte rechtsinbreuk het enige middel was om het voortbestaan van de onderneming te verzekeren.
3.
Meer moeilijkheden ondervindt men bij de vraag, in welke vorm de rechtsfiguur noodtoestand, uitgaande van de rechtsbeginselen die de Lid-Staten gemeen hebben, in het gemeenschapsrecht precies voorkomt, en inzonderheid, in hoeverre het een plaats heeft in het economisch recht, hetgeen slechts in enkele rechtsorden, zoals de Duitse, de Belgische en de Nederlandse, duidelijk het geval is. Verder zou men moeten nagaan, of de aard van het krachtens artikel 58 EGKS-Verdrag ingevoerde quotastelsel een beroep op noodtoestand bij de niet-naleving van quota uitsluit omdat het — zoals de Commissie meent — niet verenigbaar is met het doel van die bepaling en de werking van het quotastelsel aantast.
Deze vragen kunnen hier evenwel onbesproken blijven, omdat mijns inziens met enkele andere argumenten kan worden aangetoond dat er, in elk geval in de onderhavige zaak, geen grond bestaat om de bestreden boetebeschikking wegens verzoeksters noodtoestand nietig te verklaren.
a)
Het zou op zichzelf voor de hand liggen om daarvoor terug te grijpen op overwegingen uit het arrest in zaak 303/81 ( 10 ), waarin het ging om een aan verzoekster opgelegde boete wegens overschrijding van haar quotum in het eerste kwartaal 1981. In antwoord op een overeenkomstig middel stelde het Hof daar immers vast, dat de toewijzing van een — aan haar werkelijke produktiecapaciteit gemeten — te laag quotum niet in aanmerking kon worden genomen (r.o. 44). Bovendien waren de zeer hoge kosten van de sinds 1973 doorgevoerde herstructurering een gevolg van een economische beleidskeuze van de onderneming zelf. Wil er echter sprake zijn van noodtoestand, dan mag de gevaarssituatie die het onrechtmatig handelen rechtvaardigt, niet door de betrokkene zelf in het leven zijn geroepen (r.o. 45). Het quotastelsel zou evenwel worden ondermijnd, zo al niet weggevaagd, wanneer iedere onderneming zich met een beroep op een door ernstige economische moeilijkheden veroorzaakte noodtoestand aan de beperkingen zou kunnen onttrekken en het haar toegekende produktiequotum naar believen zou kunnen overschrijden. De daartoor uitgelokte kettingreactie zou tot ineenstorting van het quotastelsel leiden (r.o. 46).
Met deze verwijzing kan echter niet worden volstaan, want ter terechtzitting heeft verzoekster met klem betoogd, dat de vaststellingen in dat arrest voor een deel op een misvatting van haar argumentatie met betrekking tot de produktiecapaciteit berusten en voor een deel onjuist zijn, omdat ook in geval men de gevaarssituatie mede heeft veroorzaakt, een beroep op noodtoestand mogelijk blijft. Bovendien heeft verzoekster de veronderstelling, dat het quotastelsel ineen zou storten wanneer individuele ondernemingen met een beroep op noodtoestand hun quota zouden mogen overschrijden, reeds in de schriftelijke behandeling omstandig bestreden.
b)
Een wezenlijk vereiste voor een beroep op noodtoestand is het bestaan van een reëel aanwezig gevaar voor verzoekster, een onmiddellijke bedreiging van haar voortbestaan, dat met geen ander middel dan een rechtsinbreuk kan worden bestreden. Dit kan op grond van de ter beschikking staande rechtsvergelijkende onderzoeken zonder meer als juist en dus ook als bestanddeel van het gemeenschapsrecht worden beschouwd. In tweeërlei opzicht heeft verzoekster evenwel niet aannemelijk weten te maken dat in haar geval aan deze vereisten was voldaan.
aa)
Verzoekster heeft betoogd dat zij — indien zij zich in het tweede kwartaal 1981 aan het produktiequotum had gehouden in plaats van de produktie te verhogen tot de gemiddelde bezettingsgraad van de walsgroepen in de Gemeenschap — een extra verlies van 21000000 DM zou hebben geleden. Daartoe verwijst zij naar een rapport betreffende het derde kwartaal 1981, waarin de verliezen over de gehele geldigheidsduur van beschikking nr. 1831/81 (PB L 180 van 1981, blz. 1) — van juli 1981 tot juni 1982 — zijn berekend. Daarnaast zou echter ook met de uit het quotastelsel in zijn geheel voortvloeiende verliezen rekening moeten worden gehouden, dat wil zeggen met de extraverliezen die bij naleving van de quota tot juni 1983 zouden zijn ontstaan en door haar adviseurs op rond een half miljard DM werden geschat. Deze extra verliezen zou verzoekster naar haar zeggen niet hebben kunnen compenseren, omdat zij sinds 1974 al zeer grote verliezen had geleden die slechts met grote moeite en onder overschrijding van quota konden worden opgevangen. Indien deze verliezen inderdaad waren opgetreden, zou zij beslist falliet zijn gegaan, en om dit te vermijden, hat zij de quotabeschikkingen naast zich neer mogen leggen.
Evenmin als de Commissie kan ik verzoeksters opvatting accepteren. Daarbij kan in het midden blijven, of de door verzoekster genoemde cijfers juist zijn. Aangezien het produktieschema voor het betrokken kwartaal reeds begin maart 1981 gereed moest zijn, is, zoals verzoekster zelf heeft opgemerkt, veeleer de situatie vóór het begin van het tweede kwartaal 1981 belsissend voor de beoordeling van het beroep op noodtoestand. Omdat de aan een beroep op noodtoestand te stellen voorwaarden moeten zijn vervuld op het moment van de desbetreffende handeling, is dus uitsluitend verzoeksters situatie op dat moment van belang. Bijgevolg dienen in elk geval buiten beschouwing te blijven de gestelde extra verliezen, die zich na afloop van het bij beschikking nr. 2794/80 ingevoerde quotastelsel zouden voordoen onder een nieuw quotastelsel waarvan in maart 1981 nog niet bekend was of het er zou komen en hoe het er precies zou uitzien. Gaat men echter enkel uit van het gestelde extraverlies over het tweede kwartaal 1981 (rond 20000000 DM), dan valt niet aan te nemen dat verzoeksters voortbestaan werd bedreigd, of dat een groot aantal arbeidsplaatsen in gevaar was.
Ook verzoekster lijkt zich hiervan rekenschap te geven, want zij heeft alle tot juni 1983 verwachte verliezen in aanmerking genomen en verklaard, dat zij hoogstens een vijfde daarvan, dus rond 100000000 DM, had kunnen opvangen. Verder heeft zij niet enkel niet aannemelijk weten te maken dat zij uit liquiditeitsoogpunt eigenlijk al veel vroeger had moeten sluiten; opmerkelijker is nog, dat haar adviseurs niet hebben onderzocht, of genoemde verliezen konden worden gecompenseerd met winsten in andere takken van de onderneming of met buitengewone baten, en dat zij omtrent verzoeksters solvabiliteit volstaan met de algemene opmerking, dat de door hen becijferde bedragen het voortbestaan van verzoekster bedreigden. En zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, is in dat verband verder nog van belang, dat verzoekster naar eigen zeggen erin is geslaagd om tot september 1981 een verlies van anderhalf miljard DM te compenseren, en slechts vaag heeft aangegeven dat nadien — dus herfst 1981 — nagenoeg geen vermogen aanwezig was.
Ook zonder een speciaal onderzoek mag hieruit worden geconcludeerd, dat er in het tweede kwartaal 1981 geen sprake was van een noodtoestand die verzoeksters voortbestaan bedreigde. De quotaoverschrijding waarom het thans enkel gaat, kan dus niet worden gerechtvaardigd of verontschuldigd met een beroep op noodtoestand, en evenmin kan daarmee de rechtmatigheid van de opgelegde sancties worden betwist.
bb)
Wat de andere in aanmerking te nemen voorwaarde betreft — eigenrichting met een beroep op noodtoestand is als „ultima ratio” slechts toelaatbaar, wanneer geen andere middelen ter beschikking staan — kan op de eerste plaats worden gedacht aan een verzoek krachtens artikel 14 van beschikking nr. 2794/80; een dergelijk verzoek kan — naar uit andere procedures bekend is — niet alleen worden ingediend wegens een ver onder het communautair gemiddelde liggende bezettingsgraad, maar ook in verband met leveringen naar derde landen. Inderdaad valt moeilijk in te zien, dat deze mogelijkheid om langs legale weg tot een hogere produktie te komen, verzoekster geen enkele kans van slagen bood omdat zij geen orders uit derde landen kon binnenhalen, zoals zij ter rechtvaardiging voor het achterwege laten van een dergelijk verzoek heeft aangevoerd. De Commissie heeft immers verklaard, dat andere ondernemingen daarin wel zijn geslaagd. Hier kan ook worden gewezen op verklaringen van verzoekster tijdens de terechtzitting in zaak 244/81 ( 11 ), volgens welke zij geen extra verkoopinspanning in derde landen heeft gedaan en, indien de uitvoer in beginsel niet door produktiequota was beperkt, een totaal ander produktiebeleid zou hebben gevoerd. Op diezelfde terechtzitting kwam naar voren, dat verzoekster voor het derde kwartaal 1981 om verhoging van de produktiequota had verzocht in verband met toegenomen exporten; dit verzoek stuitte evenwel af op het feit dat in de toen geldende quotaregeling een overeenkomstige bepaling als artikel 14 van beschikking nr. 2794/80 ontbrak.
Anderzijds heeft de Commissie mijns inziens terecht ook gewezen op de — niet door verzoekster aangegrepen — mogelijkheid om in de procedure betreffende haar produktiequota voor het tweede kwartaal 1981, om voorlopige maatregelen te verzoeken, met andere woorden te trachten met behulp van een gewoon rechtsmiddel, dat eerst moet worden aangewend alvorens aan eigenrichting kan worden gedacht, een hogere produktie te verkrijgen. Wanneer verzoekster werkelijk van het bestaan van een noodtoestand overtuigd was — in de op het derde kwartaal 1981 betrekking hebbende zaak 244/81 ( 12 ) heeft zij immers al een beroep op noodtoestand gedaan en een voor haar voortbestaan noodzakelijk minimumquotum verlangd —, kon deze mogelijkheid haar op dat ogenblik niet bij voorbaat uitgesloten lijken. Het feit dat de Commissie dit betoog in genoemde zaak niet steekhoudend achtte, kan thans zeker voor verzoekster geen geschikt verweer zijn.
4.
Het lijkt mij dan ook niet nodig, te onderzoeken of het beschermde rechtsgoed — verzoeksters voortbestaan — prevaleert boven de door de quotumoverschrijding geschade rechtsgoederen, en in hoeverre van belang is dat verzoekster door haar vroeger ondernemingsbeleid zelf heeft bijgedragen tot het ontstaan van de noodtoestand. In elk geval staat vast, dat verzoekster de niet-naleving van de betrokken quotabeschikking niet kan rechtvaardigen of verontschuldigen met een beroep op noodtoestand. Aangezien zij geen andere middelen heeft voorgesteld, kan de bestreden boetebeschikking nietigverklaard noch gewijzigd worden.
5.
Mitsdien geef ik het Hof in overweging, het beroep als ongegrond te verwerpen en verzoekster te verwijzen in de kosten, daaronder begrepen die welke op haar verzoeken om opschorting van de tenuitvoerlegging zijn gevallen.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
( 2 ) Arrest van 7. 7. 1982 in zaak 119/81 — Klöckncr-Wcrkc AG t. Commissie, Jurispr. 1982, blz. 2627.
( 3 ) Arresi van 7. 7. 1982 in zaak 119/81 — Klöckner-Werke AG t. Commissie, Jurispr. 1982, blz. 2627.
( 4 ) Arrest van 11. 5. 1983 in de gevoegde zaken 303 en 312/81 — Klöckncr-Werke AG t. Commissie, Jurispr. 1983, blz. 1507.
( 5 ) Zaak 219/82 — Klockner-Werke AG t. Commissie, nog aanhangig.
( 6 ) Arrest van 7. 7. 1982 in zaak 119/81 — Klöckner-Werke AG t. Commissie, Jurispr. 1982, blz. 2627.
( 7 ) Arrest van 11. 5. 1983 in de gevoegde zaken 303 en 312/81 — Klöckncr-Wcrkc AG t. Commissie, Jurispr. 1983, blz. 1507.
( 8 ) Arresi van 12. 7. 1962 in zaak 16/61 — Acciaierie Ferriere e Fonderie di Modena t. Hoge Autoriten, Jurispr. 1962, blz. 581, 612.
( 9 ) Arrest van 7. 6. 1983 in de gevoegde zaken 100-103/80 — Pioneer e.a. t. Commissie, Jtirispr. 1983.
( 10 ) Arrest van 11. 5. 1983 in de gevoegde zaken 303 en 312/81 — Klöckner-Werke AG t. Commissie, Jurispr. 1983, blz. 1507.
( 11 ) Arrest van 11. 5. 1983 in zaak 244/81 — Klöckner-Werke AG t. Commissie, Jurispr. 1983, blz. 1451.
( 12 ) Arrest van 11. 5. 1983 in zaak 244/81 — Klöckncr-Wcrkc AG t. Commissie, Jurispr. 1983, bli. 1451.
Full & Egal Universal Law Academy