CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
M. DARMON
van 5 december 1984 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
Het onderhavige beroep dat de vennootschap Timex Corporation (hierna: Timex) krachtens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag heeft ingesteld, is gericht tegen artikel 1 van verordening nr. 1882/82 van de Raad van 12 juli 1982 houdende instelling van een definitief anti-dumpingrecht op mechanische polshorloges van oorsprong uit de USSR (PB 1982, L 207, biz. 1).
Verzoekster is de voornaamste fabrikant van mechanische horloges en mechanische horloge-uurwerken in de Gemeenschap en de enige in het Verenigd Koninkrijk. Zij betwist de wettigheid van de wijze waarop de Raad toepassing heeft gegeven aan verordening nr. 3017/79 van 20 december 1979 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap (PB 1979, L 339, biz. 1).
Voor een goed begrip van de feiten van deze zaak zal ik kort de voorgeschiedenis ervan schetsen.
2.
Van mening dat haar marktpositie en haar verkoop aanzienlijk hadden geleden onder dumping in de vorm van kunstmatig laag gehouden prijzen van uit de USSR ingevoerde mechanische horloges en mechanische horloge-uurwerken, diende Timex in april 1979 een klacht in bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen. Deze klacht werd afgewezen, omdat zij afkomstig was van één enkele fabrikant uit het Verenigd Koninkrijk. In juni 1980 werd de klacht opnieuw ingediend door de belanghebbende beroepsorganisatie (British Clock and Watch Manufacturers Association Ltd.) namens de Franse en Britse fabrikanten, die het grootste deel van de produktie van mechanische horloges in de Gemeenschap voor hun rekening nemen.
In de loop van de op deze klacht ingeleide anti-dumpingprocedure heeft de Commissie bij verordening nr. 84/82 (PB 1982, L 11, biz. 14) een voorlopig anti-dumpingrecht ingesteld op uitsluitend mechanische polshorloges van oorsprong uit de USSR. Op horloge-uurwerken daarentegen heeft zij geen recht ingesteld, omdat
„hoewel er aanzienlijke dumpingmarges bestaan, er gezien het geringe marktaandeel en het effect van de kwantitatieve beperkingen die gelden in Frankrijk, geen aanzienlijke schade wordt veroorzaakt noch dreigt te worden veroorzaakt” (overweging 31 van de considerans van verordening nr. 84/82). Bij verordening nr. 1072/82 van de Raad van 4 mei 1982 (PB 1982, L 125, biz. 1) werd de geldigheidsduur van dit voorlopig anti-dumpingrecht verlengd. Vervolgens stelde de Raad bij artikel 1, lid 2, van genoemde verordening nr. 1882/82 een definitief anti-dumpingrecht in, overeenkomend met de vastgestelde dumpingmarge, te weten — 12,6% voor horloges zonder verguldsel of met verguldsel van een dikte tot en met 5 micrometer, en — 26,4% voor horloges met een verguldsel dikker dan 5 micrometer.
3.
Ik herinner eraan, dat de vaststelling van maatregelen ter bescherming van de communautaire produktie tegen dumpingpraktijken is geregeld in verordening nr. 3017/79, die de voorwaarden en de modaliteiten voor de instelling van anti-dumpingrechten behelst.
Deze verordening bepaalt onder meer dat
„een anti-dumpingrecht kan worden toegepast op ieder produkt ten aanzien waarvan dumping plaatsvindt, wanneer de invoer tot verbruik in de Gemeenschap schade veroorzaakt”,en dat ten aanzien van een produkt dumping plaatsvindt indien
„de prijs van het produkt bij uitvoer naar de Gemeenschap lager is dan de normale waarde van een soortgelijk produkt” (artikel 2A, leden 1 en 2).
Inzet van het onderhavige geding is de vaststelling van de normale waarde „in geval van invoer uit landen die geen markteconomie hebben”. Ingevolge artikel 2, lid 5, van voornoemde verordening moet de normale waarde in dit geval
„op passende en niet onredelijke wijze op basis van een van de volgende criteria worden vastgesteld :
a)
de prijs waartegen een soortgelijk produkt van een derde land met een markteconomie werkelijk wordt verkocht:
i)
voor verbruik op de binnenlandse markt van dat land,
of
ii)
aan andere landen, inclusief de Gemeenschap,
of
b)
de aangenomen waarde van een soortgelijk produkt in een derde land met een markteconomie,
of
c)
wanneer noch de prijs, noch de aangenomen waarde als bedoeld sub a) of b), een deugdelijke basis verschaft, de prijs die in de Gemeenschap werkelijk is betaald of moet worden betaald voor een soortgelijk produkt, zo nodig naar behoren aangepast om er een redelijke winst in op te nemen.”
4.
Timex is van oordeel, dat verordening nr. 1882/82 van de Raad in strijd is met bepaalde formele en materiële voorschriften van verordening nr. 3017/79. Daarom heeft zij het onderhavige beroep ingesteld, waarin zij verzoekt om nietigverklaring van artikel 1 van verordening nr. 1882/82, op grond dat
—
het definitieve anti-dumpingrecht op horloges te laag is,
—
en geen anti-dumpingrecht is ingesteld op mechanische horloge-uurwerken van oorsprong uit de USSR.
Alvorens in te gaan op de door Timex aangevoerde middelen, dient te worden onderzocht, of de door verweerders opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid gegrond is.
De ontvankelijkheid
5.
Deze kwestie, waarover aanvankelijk een diepgaande discussie is gevoerd, is later, zoals ook de Raad en de Commissie hebben opgemerkt, in een nieuw licht komen te staan door de arresten van 4 oktober 1983 (zaak 191/82, FEDIOL) en 21 februari 1984 (gevoegde zaken 239 en 275/82, Allied Corporation) die het Hof in tussentijd heeft gewezen. Verweerders hebben hun exceptie evenwel formeel gehandhaafd. Derhalve dient eerst te worden ingegaan op de inhoud van deze rechtspraak, alvorens de consequenties ervan voor de ontvankelijkheid van het onderhavige beroep onder ogen te zien.
6.
Op grond van de in het arrest-FEDIOL ontwikkelde beginselen kan worden gesteld, dat de klagers in het kader van verordening nr. 3017/79 kunnen verlangen, dat het Hof zijn toetsingsbevoegdheid zowel uitoefent ten aanzien van het formele aspect — inachtneming van de in deze verordening voorziene processuele waarborgen — als ten aanzien van de grond van de zaak — afwezigheid van kennelijk verkeerde beoordeling of van misbruik van bevoegdheid — (zaak 191/82, r.o. 28-30). Deze principiële beslissing is gebaseerd op het stelsel van verordening nr. 3017/79 en op de algemene beginselen van het Verdrag. Als zodanig geldt zij voor alle handelingen van de instellingen in het kader van anti-dumping- en anti-subsidieprocedures en met name voor verordeningen waarbij rechten worden ingesteld.
De ontvankelijkheid van verzoeksters beroep tot nietigverklaring van de verordening van de Raad dient dus enkel te worden getoetst aan de voorwaarden van artikel 173, tweede en derde alinea, EEG-Verdrag.
7.
Aangezien de beroepstermijn niet in geding is, behoeft enkel te worden onderzocht, of verordening nr. 1882/82 van de Raad een in de vorm van een verordening genomen beschikking is die verzoekster rechtstreeks en individueel raakt.
Het Hof had deze vraag al eens te beantwoorden in het kader van een beroep van ondernemingen die anti-dumpingrechten verschuldigd waren. Op grond van de omstandigheid dat anti-dumpingrechten slechts kunnen „worden ingesteld in verband met de blijkens gehouden onderzoeken, door geïndividualiseerde ondernemingen berekende produktie- en exportprijzen”, concludeerde het Hof, dat de betrokken ondernemingen voor de ontvankelijkheid van hun beroep enkel behoefden aan te tonen „dat hun identiteit uit de handelingen van Commissie of Raad blijkt dan wel dat het vooronderzoek hen heeft betroffen” (voornoemde zaken 239 en 275/82, r.o. 11 en 12).
8.
Kan deze oplossing ook worden toegepast op het probleem van de ontvankelijkheid van het beroep van Timex ?
In dit verband moet worden opgemerkt, dat de situatie van een klager niet dezelfde is als die van een onderneming waaraan het antidumpingrecht wordt opgelegd. Terwijl immers de verordening houdende instelling van een anti-dumpingrecht, is gericht tegen praktijken van ondernemingen wier identificatie zij mogelijk maakt, dient zij tevens een communautaire bedrijfstak in zijn geheel te beschermen in het belang van de Gemeenschap (artikel 4, lid 1, en artikel 11, lid 1, van verordening nr. 3017/79). Op de betrokken gemeenschappelijke markt is zij aldus van toepassing op „objectief omschreven situaties” en heeft zij rechtsgevolgen voor „algemeen en in abstracto omschreven categorieën van personen” (zaak 307/81, Alusuisse, Jurispr. 1982, blz. 3463, r.o. 9).
Deze vaststelling sluit evenwel niet uit, dat een dergelijke verordening in feite een beschikking kan zijn die de klager rechtstreeks en individueel raakt. Dit is in casu het geval. Dit blijkt ondubbelzinnig uit de considerans van verordening nr. 84/82 en van verordening nr. 1882/82, die naar de eerste verwijst, volgens welke bij de instelling van het anti-dumpingrecht rekening is gehouden met de gevolgen van de dumping voor verzoekster.
In verordening nr. 84/82 verklaart de Commissie immers, dat zij zich op de situatie van deze onderneming is gaan concentreren omdat Timex
„op zichzelf het grootste deel van de totale communautaire produktie van mechanische horloges voor haar rekening neemt en de uitvoer van het betrokken produkt naar de Gemeenschap voornamelijk op de markt van het Verenigd Koninkrijk gericht is, waar andere producenten uit de Gemeenschap slechts een zeer klein deel van hun produktie verkopen...” (overweging 22 van de considerans van verordening nr. 84/82 en overweging 12 van de considerans van verordening nr. 1882/82).
Daarom heeft de Raad, in verband met „de omvang van de voor Timex door de gedumpte invoer veroorzaakte schade” (laatste overweging van de considerans van verordening nr. 1882/82), het bedrag van het definitieve recht bepaald op de vastgestelde dumpingmarge.
Waar de bedreigde communautaire bedrijfstak nagenoeg samenvalt met de produktie van Timex, zijn in werkelijkheid de antidumpingprocedure en de afloop daarvan uitsluitend bepaald door de situatie van verzoekster. Zij lijkt de rechtstreekse begunstigde van de verordening, die een einde beoogde te maken aan een praktijk waarvan alleen Timex nadeel ondervond. Deze verordening raakt haar overigens niet omdat zij tot de abstract omschreven categorie producenten van het betrokken produkt behoort, maar
„uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie, welke [haar] ten opzichte van ieder ander karakteriseert en [haar] derhalve individualiseert op soortgelijke wijze als de adressaat” (zaak 25/62, Plaumann, Jurispr. 1963, blz. 205).
Verordening nr. 1882/82 dient dus niet als een maatregel van algemene strekking, maar als een verzoekster rechtstreeks en individueel rakende beschikking te worden aangemerkt. Verzoeksters vordering dient derhalve ontvankelijk te worden verklaard.
Ten gronde
9.
Ik herinner eraan, dat Timex het Hof verzoekt om nietigverklaring van artikel 1 van verordening nr. 1882/82 van de Raad, op grond dat het definitieve anti-dumpingrecht voor de invoer van horloges van oorsprong uit de USSR niet hoog genoeg is en geen recht is ingesteld op horloge-uurwerken.
In dit verband is het nuttig erop te wijzen, dat de discretionaire bevoegdheid waarover de instellingen bij de toepassing van verordening nr. 3017/79 beschikken, met name betrekking heeft op de vaststelling — de belangen van de Gemeenschap in aanmerking genomen — van het bedrag van de compenserende rechten of anti-subsidierechten die nodig zijn om de door een communautaire bedrijfstak geleden schade te keren. Mitsdien staat het niet aan het Hof, een oordeel uit te spreken over de opportuniteit van het instellen van anti-dumping- of anti-subsidierechten en dus zeker niet over het bedrag ervan. Het Hof kan in voorkomend geval echter wel vaststellen — discretionair is immers niet hetzelfde als willekeurig —, dat de instellingen de in de verordening voorziene processuele waarborgen niet in acht hebben genomen, dat zij de feiten die aanleiding hebben gegeven tot het instellen van de rechten, kennelijk verkeerd hebben beoordeeld, of dat zij hun bevoegdheid hebben gebruikt voor een ander doel dan het openbare belang van de Gemeenschap (ar-rest-Fediol, reeds aangehaald, r.o. 26, 29 en 30).
Deze inleidende opmerking brengt mij ertoe Timex' vordering opnieuw te kwalificeren. Haar verzoekschrift, waarin geen misbruik van bevoegdheid wordt gesteld, is gebaseerd op middelen van tweeërlei aard, waarvan de ene betrekking hebben op de inachtneming van bepaalde processuele waarborgen en de andere op de beoordeling van een aantal feitelijke gegevens. Omwille van de duidelijkheid zal ik echter onderscheid maken tussen het geval van de horloges en het probleem van de horloge-uurwerken.
A — De horloges
10.
Timex betoogt, dat de Commissie het in artikel 7, lid 4, sub a, van verordening nr. 3017/79 voorziene recht op toegang tot de gegevens heeft geschonden; voorts is zij het er niet mee eens, dat de instellingen, met het oog op de vaststelling van de normale waarde van het soortgelijke produkt, hun keuze hebben laten vallen op Hong Kong als land met een markteconomie, dat vergelijkbaar zou zijn met de USSR (artikel 2, lid 5).
1. De vrije toegang tot de gegevens (schending van artikel 7, lid 4, sub a)
11.
Verzoekster wijst erop, dat de Commissie bepaalde gegevens die zij had verkregen van de als referentieondernemingen uitgekozen firma's in Hong Kong, niet aan haar heeft willen meedelen. Daardoor zou de Commissie inbreuk hebben gemaakt op haar recht om tijdens het onderzoek te worden gehoord; dit recht is gewaarborgd in artikel 7, lid 4, sub a, volgens hetwelk de klager kennis kan nemen
„van alle gegevens die de bij het onderzoek betrokken partijen aan de Commissie hebben verstrekt...”
Uit het dossier blijkt immers, dat de Commissie, op het desbetreffende verzoek van Timex, van alle gegevens die zij met het oog op de vaststelling van de aangenomen waarde van het soortgelijke produkt had verkregen van de referentieondernemingen in Hong Kong, slechts de lijst van in Frankrijk geselecteerde horloge-uurwerken heeft toegezonden, die als vergelijkbaar met die uit de USSR werden beschouwd. Voorts zond zij Timex een „tabel betreffende de berekeningswijze van de normale waarde (zonder vertrouwelijke gegevens betreffende prijzen en kosten)”.
a) Argumenten van partijen
12.
Timex betoogt, dat de Commissie heeft geweigerd om haar gegevens te verstrekken over enerzijds de in Hong Kong vervaardigde horlogekasten en -wijzerplaten die vergelijkbaar werden geacht met die van horloges uit de USSR, en anderzijds de factoren voor de berekening van de aangenomen waarde, inzonderheid de prijs van de in Hong Kong geassembleerde artikelen.
Wat de kasten en wijzerplaten betreft, klaagt Timex erover, dat de Commissie haar geen monsters heeft toegestuurd, ofschoon de horloges uit Hong Kong juist vanwege hun uiterlijk vergelijkbaar werden geacht met de horloges uit de USSR. Door het ontbreken van gegevens daarover was het haar niet mogelijk, zelf geschikte monsters aan te schaffen.
De instellingen wijzen erop, dat artikel 7, lid 4, sub a, enkel geldt voor de „betrokken partijen”, en daarmee de ondernemingen in een referentiestaat uitsluit; deze bepaling verplicht de Commissie enkel tot het verstrekken van gegevens en niet van monsters; tenslotte relativeert de Commissie de financiële betekenis van deze delen voor de totale kostprijs van het horloge en het belang van het uiterlijk voor het vaststellen van de soortgelijkheid van het produkt.
Met betrekking tot de prijs van de in Hong Kong vervaardigde en geassembleerde artikelen klaagt Timex erover, dat de Commissie haar slechts een lijst zonder prijzen heeft toegezonden. In casu zou geen beroep op de bepalingen van artikel 8, waarin de vertrouwelijke behandeling wordt geregeld, kunnen worden gedaan, omdat de bescherming van het zakengeheim blijkens dit artikel duidelijk tot het strikt noodzakelijke moet worden beperkt. Overigens had de bij de ondernemingen in Hong Kong ingewonnen informatie haar op verschillende wijzen kunnen worden meegedeeld, zonder afbreuk te doen aan het eventueel vertrouwelijk karakter ervan.
De instellingen brengen hiertegen in, dat de medewerking van ondernemingen uit een derde land vereist dat het zakengeheim wordt geëerbiedigd, wil men de informatiebronnen niet geleidelijk laten uitdrogen. Artikel 8 van verordening nr. 3017/79, waarnaar artikel 7, lid 4, sub a, uitdrukkelijk verwijst, waarborgt het vertrouwelijk karakter van de door de Commissie ingewonnen informatie. Ofschoon dit artikel de bekendmakingsverplichting en de vertrouwelijkheid met elkaar tracht te verzoenen, legt het toch de klemtoon op de eerbiediging van de vertrouwelijkheid. Ten aanzien van de door Timex bedoelde andere wijzen van mededeling stellen zij, dat Timex tijdens het onderzoek geen enkel verzoek in die zin heeft gedaan; bovendien zouden de voorgestelde alternatieven onuitvoerbaar zijn geweest, met name omdat de prijzen van de referentieondernemingen met elkaar overeenstemden.
b) Beoordeling
13.
Blijkens de door partijen aangevoerde argumenten betwist niemand, dat de „door de Commissie bij het onderzoek gebruikte gegevens” voor de behartiging van de belangen van verzoekster van betekenis zijn (artikel 7, lid 4, sub a).
Dient nu met de instellingen te worden aangenomen, dat het in artikel 7, lid 4, sub a, neergelegde recht om te worden gehoord geen betrekking kan hebben op de door de referentieondernemingen verstrekte gegevens ?
Deze al te restrictieve uitlegging kan ik niet aanvaarden.
In de eerste plaats gaat zij in tegen het doel zelf van artikel 7, lid 4, sub a. Artikel 7, dat de aanvang van de procedure en het daaropvolgend onderzoek regelt, machtigt de Commissie om rechtstreeks of door bemiddeling van de Lid-Staten onderzoekingen in te stellen bij ondernemingen van een derde land, op voorwaarde dat deze daarmee instemmen (artikel 7, lid 2, sub b, en lid 3, sub a). Deze gegevens kunnen door de Commissie in de loop van het onderzoek worden gebruikt en haar beslissing ten aanzien van de anti-dumpingrechten bepalen. Derhalve valt moeilijk in te zien, waarom deze gegevens — voor zover zij niet vertrouwelijk zijn — niet kunnen worden bekendgemaakt aan de klager alsook aan de onderneming waaraan eventueel een anti-dumpingrecht wordt opgelegd, en waarom hun geen gelegenheid kan worden gegeven tot een weerwoord; anders zou het hen onmogelijk worden gemaakt om hun belangen behoorlijk te behartigen (artikel 7, lid 4, sub a).
Deze uitlegging is ook moeilijk te verenigen met de tekst van artikel 7. De kring van betrokken partijen wordt daar immers — zoals men kan zien — uitdrukkelijk alleen beperkt voor de latere fasen van het onderzoek: zo kunnen enkel worden gehoord de partijen „waarvoor de resultaten van de procedure gevolgen kunnen hebben”, en met elkaar worden geconfronteerd „de rechtstreeks betrokken partijen” (artikel 7, leden 5 en 6; cursivering van mij). Bovendien wijs ik erop, dat bij de ontmoeting die in het onderhavige geval plaatsvond, behalve de vertegenwoordigers van Timex en van de voornaamste importeur van het betrokken produkt, ook een gemachtigde van een van de ondernemingen uit Hong Kong aanwezig was.
Dient derhalve niet met Timex te worden aangenomen, dat de Commissie de haar in artikel 7, lid 4, sub a, opgelegde informatieplicht niet is nagekomen en dat de bestreden verordening dus onwettig is ?
In zoverre wordt door niemand betwist, dat aan klaagster geen enkele informatie is verstrekt over de kasten en wijzerplaten, noch over de prijs van de verschillende delen van de in Hong Kong geassembleerde polshorloges.
Wat de kasten en wijzerplaten betreft, volsta ik met erop te wijzen, dat — naar de instellingen hebben erkend — de keuze van het soortgelijke produkt is geschied op grond van het uiterlijk van de verschillende geselecteerde horlogetypen, en dat geen van de partijen, en niet alleen Timex, in de gelegenheid is gesteld om concreet haar standpunt over de gedane keuze uiteen te zetten.
Wat de prijs van de in Hong Kong voor de vervaardiging van de horloges gebruikte delen betreft, berust het aan de vertrouwelijkheid ontleende argument op een verkeerde uitlegging van het in de artikelen 7 en 8 van verordening nr. 3017/79 neergelegde stelsel. De vertrouwelijke behandeling van de ingewonnen inlichtingen verplicht de Commissie om het juiste midden te vinden tussen de eisen van het recht op informatie en die van het zakengeheim. Dit volgt duidelijk uit de structuur van artikel 8 : ingevolge het tweede lid, sub a, hiervan zijn de instellingen en hun ambtenaren weliswaar tot terughoudendheid verplicht, doch op grond van de leden 2, sub b, 3, en 4 moet de Commissie tijdens het onderzoek de mate van vertrouwelijkheid tot het strikt noodzakelijke beperken. Zo heeft de vertrouwelijkheid enkel betrekking op gegevens waarvan de „bekendmaking aanzienlijk nadeel kan berokkenen aan degene die ze verstrekt of de bron ervan is” (artikel 8, lid 3). De vertrouwelijke behandeling zelf moet worden aangevraagd, gerechtvaardigd zijn, en vergezeld gaan van „een niet-vertrouwelijke samenvatting van de gegevens of van een opgave van de redenen waarom de gegevens niet kunnen worden samengevat” (artikel 8, lid 2, sub b). En wat meer is, wanneer de Commissie van oordeel is dat een verzoek om vertrouwelijke behandeling van gegevens niet gerechtvaardigd is, kan zij beslissen dat de „betrokken gegevens buiten beschouwing worden gelaten” (artikel 8, lid 4).
Niemand twijfelt eraan, dat de vrijwillige medewerking van ondernemingen in derde landen onontbeerlijk is voor het verrichten van een onderzoek, omdat de gevraagde gegevens niet dan met hun instemming kunnen worden verkregen. Daarbij moet men zich echter houden aan de regels betreffende het recht van alle partijen om te worden gehoord, want anders zou de verordening van hen geen voorafgaand verzoek om vertrouwelijke behandeling hebben verlangd. Terloops wijs ik erop, dat verordening nr. 2176/84 van de Raad van 23 juli 1984 (PB 1984, L 201, biz. 1), die per 1 augustus 1984 in de plaats is gekomen van verordening nr. 3017/79, de formulering van artikel 8, lid 2, sub a, op dit punt heeft gerectificeerd en dit vereiste uitdrukkelijk vermeldt.
In het onderhavige geval was de Commissie derhalve verplicht, Timex kennis te laten nemen van de tijdens het onderzoek met name bij ondernemingen te Hong Kong verzamelde gegevens, aangezien geen van deze ondernemingen om een vertrouwelijke behandeling daarvan had verzocht. Zij kon zich niet ertoe beperken ambtshalve te beslissen, dat de ene of andere inlichting vertrouwelijk was. Deze oplossing klemt temeer, omdat de normale waarde niet op basis van de marktprijs in een derde land, maar op basis van de aangenomen waarde moest worden bepaald. In een dergelijk geval is de Commissie in nog sterkere mate verplicht om de beginselen van doorzichtigheid en vertrouwelijkheid met elkaar te verzoenen, want anders zouden de artikelen 7 en 8 elke betekenis verliezen.
Timex heeft haar belangen derhalve niet behoorlijk kunnen verdedigen, omdat de Commissie haar niet de middelen heeft gegeven voor een gefundeerde standpuntbepaling ten aanzien van zowel de gelijksoortigheid van het produkt als de vastgestelde aangenomen waarde, twee gegevens die samen met de keuze van de referentiestaat van fundamenteel belang zijn voor de bepaling van de normale waarde. De strikte inachtneming van deze processuele waarborg is evenwel de tegenhanger van de discretionaire bevoegdheid die de instellingen in het kader van verordening nr. 3017/79 hebben. Niet-inachtneming daarvan vormt derhalve een „schending van wezenlijke vormvoorschriften” in de zin van artikel 173, eerste alinea, EEG-Verdrag, die de nietigheid meebrengt van artikel 1 van de verordening die de Raad op grond van de bepalingen van verordening nr. 84/82 van de Commissie heeft vastgesteld.
2. De keuze van Hong Kong
14.
Met haar tweede middel wil verzoekster aantonen, dat de instellingen bij de bepaling van de normale waarde van het betrokken produkt een kennelijke beoordelingsfout hebben gemaakt. Om de gegrondheid van dit middel te kunnen beoordelen, zal ik eerst kort ingaan op de toepasselijke bepalingen en op de voornaamste punten van geschil.
a) De toepasselijke bepalingen
15.
De dumpingmarge, op grond waarvan de anti-dumpingrechten worden vastgesteld, drukt in de regel het verschil uit tussen de prijs bij uitvoer van het „gedumpte” produkt en de prijs van een soortgelijk produkt, zoals voortvloeiend uit de normale werking van de wet van vraag en aanbod in het land van uitvoer.
Wanneer dit laatste evenwel een land met Staatshandel is, kan men zich niet baseren op de prijs van het produkt op de binnenlandse markt, omdat deze dan niet het resultaat is van „normale handelstransacties” (artikel 2, lid 3, sub a, van verordening nr. 3017/79), maar van een niet op uitsluitend economische overwegingen gebaseerde overheidsbeslissing. Bovendien is die prijs uitgedrukt in een niet-convertibele munt.
Voornoemd artikel 2, lid 5, bepaalt daarom, dat de Commissie in dat geval de normale waarde „op passende en niet onredelijke wijze” vaststelt op basis van de prijs waartegen een soortgelijk produkt in een derde land met een markteconomie wordt verkocht. Uit het vijfde lid blijkt, dat de Commissie tin aanmerking moet nemen, hetzij de prijs waartegen het produkt in dat land „werkelijk wordt verkocht”, hetzij, indien dat niet mogelijk is, de „aangenomen” waarde ervan (de kosten van materialen en fabricage in het kader van normale handelstransacties, verhoogd met winst en algemene kosten — zie artikel 2, lid 3, sub b, ii, van verordening nr. 3017/79), hetzij, indien ook dat niet mogelijk is, de prijs die in de Gemeenschap werkelijk is betaald of moet worden betaald.
Dit is het kader waarin de door Timex betwiste keuze van de Commissie moet worden gezien.
b) Argumenten van Timex
16.
Uit de considerans van verordening nr. 84/82 (overweging 12) blijkt, dat de Commissie voor de berekening van de normale waarde is uitgegaan van de aangenomen waarde van in Hong Kong vervaardigde polshorloges die zij als vergelijkbaar met de horloges uit de USSR beschouwde. Bij deze berekening baseerde zij zich op de aankoopprijs in Hong Kong van een selectie van uit Frankrijk ingevoerde horloge-uurwerken en de assemblagekosten in Hong Kong, vermeerderd met de kosten van de kasten, wijzerplaten en wijzers, alsmede de algemene kosten en de winst.
Partijen zijn verdeeld over de keuze van Hong Kong als referentiestaat. De Commissie heeft de andere door Timex voorgestelde referentiestaat, Zwitserland, afgewezen, omdat daar geen onderzoek ter plaatse kon worden ingesteld.
Timex wijst erop, dat volgens een vaste praktijk van de instellingen de gelijksoortigheid van de produktieprocédés en -technieken beslissend is voor de keuze van het land dat vergelijkbaar is met het land met staatshandel. De keuze van Hong Kong zou ingaan tegen deze praktijk. De horloge-industrie in Hong Kong kent in tegenstelling tot die in de USSR, geen volledige produktiecyclus. De aldaar geassembleerde horloge-uurwerken zouden uit Frankrijk worden ingevoerd. Er zou geen enkel land bestaan dat tegelijkertijd een hoogontwikkelde technologie, zoals Frankrijk, en goedkope arbeidskrachten, zoals Hong Kong, bezit. In een land dat beide heeft, zou de salariëring van de voor de vervaardiging van de horlogeuurwerken nodige geschoolde arbeidskrachten noodzakelijkerwijs gevolgen hebben voor het loonniveau van de ongeschoolde arbeidskrachten die de assemblage moeten verrichten. De Commissie zou aldus van een kunstmatige produktiecyclus zijn uitgegaan die binnen een land met markteconomie niet kan voorkomen. De door de Commissie gekozen berekeningsgrondslag zou niet tot een normale, maar tot een „optimale” waarde leiden, omdat het niveau ervan afhangt van abnormaal lage prijzen. Door de normale waarde te berekenen op basis van de in twee verschillende landen vastgestelde kosten, zou de Commissie inbreuk hebben gemaakt op de bepalingen van artikel 2, lid 5, volgens hetwelk de berekening in één enkel land moet worden verricht.
c) Beoordeling
17.
Ik kan deze opvatting niet delen. Het komt mij namelijk voor, dat de keuze van Hong Kong blijft binnen de grenzen van de beoordelingsvrijheid die de instellingen krachtens verordening nr. 3017/79 bezitten. In dit verband zij eraan herinnerd, dat het Hof slechts een beperkte rechtscontrole kan uitoefenen wanneer de aangevoerde onwettigheid op een dergelijke beoordelingsbevoegdheid betrekking heeft. Blijft dus enkel nog de vraag of de instellingen, door Hong Kong als referentiestaat te kiezen, een kennelijke beoordelingsfout hebben gemaakt.
In het kader van artikel 2, lid 5, beschikken de instellingen evenwel over een ruime beoordelingsbevoegdheid met betrekking tot de kenmerken op grond waarvan een vergelijkbaar land moet worden uitgezocht. De daarbij gebruikte criteria zijn niet alleen de gelijksoortigheid van het produkt, die een noodzakelijke voorwaarde is, maar ook het ontwikkelingsniveau, het concurrentievermogen van de markt en de structuur van het produktieproces in het betrokken land. Deze praktijk, waarmee de vergelijkbaarheid kan worden verfijnd, is ingegeven door het streven om de normale waarde op „passende en niet onredelijke wijze” vast te stellen.
De kenmerken op grond waarvan de Commissie de referentiestaat uitkiest, kunnen dus van velerlei aard zijn. Daarbij komt dat, anders dan Timex beweert, het criterium van de vergelijkbaarheid van de produktiestructuren niet noodzakelijkerwijs van beslissende betekenis is. De keuze van een land waar de produktiecyclus bestaat uit het invoeren van bepaalde delen en het ter plaatse assembleren daarvan, vormt in het onderhavige geval op zichzelf dan ook geen kennelijk foutieve beoordeling.
Voor deze conclusie pleit ook, dat de economische realiteit wordt gekenmerkt door een toenemende vervlechting van de nationale economieën alsmede door het streven naar kostenbeperking, inzonderheid van de loonkosten; uit het voorbeeld van Japan blijkt overigens, dat een zekere technologische voorsprong en goedkope arbeidskrachten binnen een en hetzelfde land met een markteconomie zeer wel hand in hand kunnen gaan.
Bijgevolg heeft verzoekster niet het bewijs geleverd, dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door Hong Kong uit te kiezen wegens zijn ontwikkelingsniveau en het concurrentievermogen van zijn markt.
B — De horloge-uurwerken
18.
Verzoeksters laatste grief houdt in, dat bij verordening nr. 1882/82 van de Raad geen anti-dumpingrechten op de invoer van horloge-uurwerken uit de USSR zijn ingesteld.
Deze op het ontbreken van motivering gebaseerde grief is mijns inziens verkeerd aangewend. Immers, zodra de Commissie had besloten niet tot instelling van een recht voor horloge-uurwerken over te gaan, moest het onderzoek op dit punt als afgesloten worden beschouwd. Verzoekster kan de bezwaren die zij te gelegener tijd tegen de voorlopige verordening van de Commissie had moeten geldend maken, niet opnieuw aanvoeren tegen de verordening van de Raad. Deze grief kan evenals de voorgaande niet worden aanvaard.
Draagwijdte van de nietigverklaring
19.
Mijn conclusie is, dat artikel 1 van verordening nr. 1882/82 van de Raad, al berust het niet op een kennelijke fout, door het Hof overeenkomstig artikel 173, eerste alinea, van het Verdrag moet worden nietigverklaard wegens schending van wezenlijke vormvoorschriften.
In een geval als dit is het evenwel niet voldoende de bestreden handeling eenvoudig nietig te verklaren. Vanuit een oogpunt van rechtszekerheid zou zulk een oplossing immers ingaan tegen zowel de belangen van verzoekster als die van de Gemeenschap. Zij zou een hiaat veroorzaken dat niet kan worden opgevuld door een nieuwe verordening, aangezien deze laatste geen terugwerkende kracht kan hebben.
Artikel 174, tweede alinea, EEG-Verdrag biedt het Hof evenwel de mogelijkheid om dit probleem op te lossen door „die gevolgen van de vernietigde verordening aan [te wijzen], welke als gehandhaafd moeten worden beschouwd.” Op grond van deze bepaling zou het anti-dumpingrecht waarin de nietigverklaarde handeling voorziet, kunnen worden gehandhaafd totdat de instelling waarvan de handeling uitgaat, overeenkomstig artikel 176, eerste alinea, de maatregelen neemt „welke nodig zijn ter uitvoering van het arrest van het Hof.”
20.
Mitsdien geef ik het Hof in overweging:
1)
artikel 1 van verordening nr. 1882/82 van de Raad van 12 juli 1982 nietig te verklaren;
2)
de gevolgen ervan te handhaven totdat de bevoegde instelling de voor de uitvoering van het arrest van het Hof noodzakelijke maatregelen heeft genomen;
3)
de instellingen te verwijzen in de kosten van het geding.
( *1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy