CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL S. ROZÈS
VAN 24 NOVEMBER 1983 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
U hebt kennis te nemen van het beroepschrift de dato 27 september 1982, waarin Manette Turner-Krecké de nietigverklaring vordert van een door de Commissie van de Europese Gemeenschappen genomen besluit van 20 oktober 1981, alsmede toekenning van een bedrag van BFR 250000 wegens geleden immateriële schade.
Verzoekster komt in haar beroepschrift op tegen de tenuitvoerlegging van het arrest, op 9 juli 1981 door de tweede kamer gewezen in de zaken 59 en 129/80 ( 2 ), waarin de Commissie haar wederpartij was.
In het dispositief van het arrest zijn een besluit van 4 mei 1979, betreffende een nieuwe tewerkstelling van Mariette Turner in het kader van de reorganisatie der diensten, alsook een besluit van 20 mei 1980, betreffende overplaatsing ambtshalve van verzoekster naar een ambt bij directoraat-generaal XII (Onderzoeken, wetenschappen en onderwijs), nietigverklaard.
Rechtsoverweging 72 ( 3 ) van dit arrest luidt als volgt:
„overeenkomstig artikel 176, eerste alinea, EEG-Verdrag is de administratie gehouden verzoeksters rechtspositie opnieuw te bezien in het licht van de beginselen die aan het onderhavige arrest ten grondslag liggen, en nieuwe regelingen te treffen voor haar toekomstige tewerkstelling.”
Door dit arrest herkreeg verzoekster haar vroegere rechtspositie van hoofdadministrateur in de rang A 4 op de afdeling „Medische dienst voor het personeel te Brussel”, directeur-generaal IX („Personeelszaken en algemeen beheer”). Bij besluit van 20 oktober 1981 stelde de Commissie verzoekster evenwel — met behoud van post — tewerk op afdeling IX-A-6 „Ziekteverzekering, bouwleningen” van bedoeld directeur-generaal, waar zij als raadgevend arts werkzaam zou zijn.
Mariette Turner meent dat zodanige tewerkstelling niet te rijmen valt met de „beginselen” die aan het arrest van 9 juli 1981 ten grondslag liggen, immers noch in de lijn liggen van haar opleiding, noch in die van haar beroepservaring, terwijl bovendien haar aanwezigheid op de afdeling „ziekteverzekering” volmaakt onnodig zou zijn. Daarentegen zou een blijvend dienstverband op de „medische dienst voor het personeel te Brussel” zich niet alleen verdragen met de „beginselen” die aan het arrest van 9 juli 1981 ten grondslag lagen, maar ook alleszins gerechtvaardigd zijn geweest, nu er inmiddels voor die dienst een arts als fulltime ambtenaar en een plaatsvervangend arts waren aangetrokken. Haar nieuwe tewerkstelling zou, wat haar betreft, een eind maken aan ruim vijfentwintig jaar uitoefening der „geneeskunst”. Zij acht de redengeving van het besluit van 20 oktober 1980 dan ook onvoldoende of onjuist; zij meent dat er van détournement de pouvoir mag worden gesproken en dat de feitelijke gang van zaken welke er in aan den dag treedt, haar aanspraak op schadevergoeding geeft.
I —
Allereerst moet worden onderzocht of de Commissie gehouden was verzoekster met terugwerkende kracht — en definitief — op haar oude post tewerk te stellen.
Door het arrest van 9 juli 1981 wordt ten aanzien van Mariette Turner de oude toestand hersteld, maar daarbij blijft het onzes inziens. In het arrest wordt op haar toekomstige tewerkstelling niet vooruitgelopen; dit was ook niet mogelijk.
De Commissie beschikt over het recht haar diensten te organiseren. Het arrest van 9 juli 1981 hield geen kritiek in op de reorganisatie van het directoraat-generaal Personeelszaken en administratie waartoe was overgegaan en stelde het onderbrengen van de afdeling „Ziekteverzekering, bouwleningen” die tevoren deel uitmaakte van het directoraat Β „Management en organisatie”, op het directoraat Β „Algemeen beheer” van dat directoraat-generaal, niet opnieuw ter discussie. Sedert oktober 1980 valt de medische dienst te Brussel dan ooit onder de directeur-generaal.
Het arrest van 9 juli 1981 hield niet in dat er niet alsnog wijziging in verzoeksters tewerkstelling mocht worden aangebracht, als de behoeften van haar dienst en haar kwalificaties zulks rechtvaardigden, en het is nu onze taak na te gaan of die voorwaarden waren vervuld.
1.
De Commissie betoogt dat het centrale afwikkelingsbureau van het gemeenschappelijk stelsel van ziekteverzekering reeds vóór het arrest van 9 juli met steeds meer werk werd overladen. Het bureau is onder meer belast met de afdoening van verzoeken om restitutie van 100 % bij ernstige ziekte en van verzoeken van ambtenaren die een kuur wensen te ondergaan. Voordat verzoekster er op 20 oktober 1981 werd geplaatst, had één enkele arts zich te kwijten van deze taak, die hem veel meer tijd kostte dan overeenkwam met de halve dagtaak waarvoor hij in beginsel was aangeworven. Pas toen er in 1981 een aanvullende post op de begroting was toegekend, kon er iets aan worden gedaan. In afwachting van de nieuwe post heeft de Commissie de weg van overplaatsing van betrokkene — met post en al — naar een andere dienst, zonder kennisgeving van vacature bewandeld.
In uw jurisprudentie hebt u dit geoorloofd geacht en in de zaak Kindermann hebt u duidelijk uitgesproken dat
„... waar betrokkene met zijn ambt is overgeplaatst, het te zijnen aanzien genomen besluit geen vacature [heeft] doen ontstaan, zodat het niet als een overplaatsing in de zin van het Statuut is te beschouwen ( 4 ).”
Sedert 1 april 1983 is de arts vervangen door een andere, eveneens voor een halve dagtaak aangeworven geneesheer. Van toen af aan was het werk aldus verdeeld dat het voor ongeveer twee derden werd verricht door verzoekster, die een volledige dagtaak had te verrichten, en voor ongeveer een derde door de nieuwe arts. Die verhouding wettigt de conclusie dat Manette Turner terecht op het afwikkelingsbureau was geplaatst.
Trouwens, in een arrest van 14 juli 1983 ( 5 ) heeft de Derde kamer uitgesproken dat:
„de problemen die door het vertrek van de ambtenaar bij zijn vorige dienst kunnen ontstaan, het nut dat de herplaatsing voor zijn nieuwe dienst oplevert, zijn zaken die ... vallen” binnen de discretionaire bevoegdheid die in 's Hofs jurisprudentie tot nu toe aan de instellingen der Gemeenschap werd toegekend als het er om gaat „hun diensten te organiseren in overeenstemming met de hun opgedragen taken en het te hunner beschikking staand personeel met het oog op die taken tewerk te stellen”.
2.
Volgens de door alle instellingen gezamenlijk vastgestelde regeling wordt ieder afwikkelingsbureau bijgestaan door een raadgevend arts. Wordt bij zulk een bureau een „prise en charge” aangevraagd, dan kan daarover slechts op advies van een raadgevend arts worden beslist; zijn werk bestaat goeddeels uit het onderzoeken van zulke aanvragen.
Als onbetwist staat vast dat voor deze post van raadgevend arts niet in aanmerking komen „personen zonder een echte medische opleiding, of, tenminste, met slechts een gedeeltelijke opleiding op het gebied van de geneeskunde” ( 6 ). Als arts kwam Mariette Turner dus alleszins in aanmerking om zulk een post op het afwikkelingsbureau te Brussel, de belangrijkste plaats van vestiging der instellingen, te vervullen.
De aan verzoekster sedert 20 oktober 1981 opgedragen taken mogen dus niet als „onduidelijk” worden beschouwd ( 7 ).
Wij wijzen in dit verband op een in het arrest-Nebe van 14 juli 1983 ( 8 ) voorkomende overweging, volgens welke:
„een ambtenaar zich niet op zijn persoonlijk belang kan beroepen tegenover maatregelen die het ... gezag kennelijk in het belang van de dienst heeft genomen met het oog op de organisatie of de rationalisatie van de diensten.”
Het komt ons derhalve voor dat er met betrekking tot de bestreden beschikking rechtens noch feitelijk van dwaling mag worden gesproken.
Met betrekking tot het gestelde détournement de pouvoir behoeft er slechts op te worden gewezen dat daarvan met betrekking tot een besluit dat met het dienstbelang in overeenstemming is bevonden, geen sprake kan zijn.
Een en ander betekent dat er geen schadevergoeding kan worden gevorderd.
II —
Verzoekster klaagt er echter ook over dat men haar op het directoraat-generaal XII tussen de dag van de uitspraak van het arrest, 9 juli 1981, en 20 oktober 1981 geen instructies heeft gegeven en zonder werk heeft gelaten.
Het beginsel van artikel 34 EGKS, tweede alinea, waarin aan de Hoge Autoriteit een redelijke termijn wordt gelaten voor het nemen van de maatregelen die de tenuitvoerlegging van een beslissing tot vernietiging medebrengt, kan onzes inziens worden getransfereerd naar de artikelen 176, eerste alinea, en 171 EEG-Verdrag.
Gezien het vakantieseizoen en het door verzoekster opgenomen verlof, lijkt een tijdsverloop van ruim drie maanden tussen de uitspraak van het arrest en haar nieuwe tewerkstelling niet buitensporig.
Haar voorlopige wederindienstneming is haar noch op achteruitgang in rang, noch op vermindering van salaris komen te staan. Dat zij in die periode de „geneeskunst” niet kon uitoefenen, was een gevolg van de nieuwe situatie welke door het arrest in het leven was geroepen en van de maatregelen welke betrokkenes vroegere dienst inmiddels in haar belang had genomen. Daarbij komt dat het in de zaken 59 en 129/80 gedane verzoek om opschorting van tenuitvoerlegging niet was toegewezen en dat Mariette Turner er zelf bezwaar tegen had gemaakt per 8 juni 1979 op de gespecialiseerde „medische dienst voor het personeel te Brussel” te worden geplaatst.
Wij concluderen dat het Hof het beroep zal verwerpen en zal verstaan dat elk van beide partijen de eigen kosten heeft te dragen.
( 1 ) Vertaald uit het Frans.
( 2 ) Jurispr. 1981, blz. 1883 e.v.
( 3 ) Jurispr. 1981, blu. 1921.
( 4 ) Arrest van 21 5. 1981, zaak 60/80, Kindermann, r.o. 13, Jurispr. blz. 1341.
( 5 ) Zaak 176/82, Nebe, r.o. 18, Jurispr. 1983, blz. 2486.
( 6 ) R.o. 65 van het arrest van 9. 7. 1981, Jurispr. blz. 1919.
( 7 ) R.o. 61 van het arresi van 9. 7. 1981, Jurispr. blz. 1981.
( 8 ) Zaak 176/82, Nebe, r.o. 19, Jurispr. 1983, blz. 2486.
Full & Egal Universal Law Academy