CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
P. VERLOREN VAN THEMAAT
VAN 6 OKTOBER 1983
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
1. Inleiding
Opnieuw is een prejudiciële vraag aan U voorgelegd in verband met de tijdelijke schorsing van de vaststelling vooraf van de restitutie bij uitvoer van boter en butteroil van 20 tot en met 27 november 1980, ingesteld bij Commissieverordening nr. 2993/80 van 19 november 1980 (PB L 310 van 1980, blz. 18).
De vorige twee zaken 217/81 respectievelijk 109/82, Interagra, Jurispr. 1982, blz. 2233, respectievelijk 27 januari 1983, Jurispr. 1983, blz. 127, gingen met name over de vraag of voor een openbare inschrijving in een derde land een bijzondere regeling voor wat betreft de afgifte van het exportcertificaat gold of dat hiervoor ook de algemene regeling van toepassing was zoals gesteld in artikel 3, lid 3, van Commissieverordening nr. 2044/75 van 25 juli 1975 (PB L 213 van 1975, blz. 5), zoals deze luidde op 17 november 1980. In laatstgenoemde zaak stelde Uw Hof vast dat dit artikel inderdaad van toepassing was op alle aanvragen voor uitvoercertificaten met vaststelling vooraf van de restitutie voor de daarin vermelde produkten, waaronder ook begrepen de aanvragen voor certificaten ingediend in het kader van een in een invoerend derde land opengestelde openbare inschrijving.
Ditmaal gaat het echter om een andere vraag die bij de vorige zaken niet kwestieus was gesteld. Kort samengevat komt het onderwerp van onderhavige zaak neer op de vraag of een verzoek om prefixatie ingediend op 17 november 1980 afgewezen kon worden op 24 november wegens een schorsing van het prefixatiestelsel, van 20 tot en met 27 november, welke plaatsvond tijdens het zogenaamde wachtdagenregiem als voorzien bij artikel 3, lid 3, van Commissieverordening nr. 2044/75.
2. De feiten
De BV Roomboterfabriek „De beste boter” heeft op 17 november 1980 een drietal aanvragen ingediend bij het „Produktschap voor Zuivel” tot vaststelling vooraf van de restitutie bij uitvoer van boter en botervet in verband met deelname aan de volgende openbare inschrijvingen.
a)
de v/o Prodintorg Moscou, USSR (Soviet Foreign Trade organisation Prodintorg) van 13 november 1980, sluitingsdatum 25 november 1980, betreffende:
—
10000 ton (tien miljoen kg) botervet;
—
25000 ton (vijfentwintig miljoen kg) boter;
b)
de Empresa Cubana Importadora de Alimentos, La Habana, Cuba, van 10 november 1980, sluitingsdatum 21 november 1980, betreffende:
—
9000 ton (negen miljoen kg) boter.
De derde aanvrage had betrekking op een inschrijving in Portugal maar speelt in onderhavige zaak geen rol.
Bij circulaire van 20 november 1980, nummer EEG 958, heeft het Produktschap aan exporteurs van melk- en melk-produkten onder meer het volgende bericht:
„De Europese Commissie heeft besloten de mogelijkheid tot voorfixatie van de restitutie bij uitvoer van boter en boterolie (tariefpost 04.03) naar derde landen voor de periode van 20 tot en met 27 november 1980 te schorsen. Dit betekent dat verzoeken tot voorfixatie, gedaan gedurende de periode van 17 tot en met 19 november 1980, welke in verband met de wachttijd van 5 dagen, normaliter vanaf 24 november zouden worden gehonoreerd, niet worden ingewilligd.”
Daarop heeft het Produktschap de aanvragen op 24 november 1980 afgewezen. Het heeft de beslissing nader gemotiveerd aan „De beste boter” met de mededeling dat de schorsing van de prefixatie bij uitvoer gezien diende te worden als een „bijzondere maatregel” als bedoeld in artikel 3, lid 3, van Commissieverordening nr. 2044/75.
Dit artikel luidt, voor zover van belang, als volgt:
artikel 3, lid 3:
„De uitvoercertificaten voor produkten van de onderverdelingen ..., worden afgegeven op de vijfde werkdag volgende op de dag van indiening van de aanvraag, voorzover gedurende deze periode geen bijzondere maatregelen worden getroffen ...”
„De beste boter” heeft tegen deze beslissing beroep aangetekend bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven. Dit College heeft daarop de volgende prejudiciële vragen aan U voorgelegd :
„1.
Moet artikel 3, lid 3, van de Commissieverordening nr. 2044/75 van 25 juli 1975 aldus worden uitgelegd dat als ‚een bijzondere maatregel’ (mede) dient te worden aangemerkt een besluit tot schorsing van de mogelijkheid tot voorfixatie van de restitutie ingevolge het bepaalde bij de Raadsverordening nr. 876/68 van 28 juni 1968?
2.
Indien de eerste vraag bevestigend moet worden beantwoord, brengt dan ook overigens een juiste uitleg van dat artikel 3, lid 3, mee dat aanvragen om voorfixatie, welke zijn ingediend vóór de schorsingsperiode, doch waarop gedurende die periode moet worden beslist, dienen te worden afgewezen?
3.
Indien ook deze vraag bevestigend moet worden beantwoord, moet dan worden geoordeeld, dat genoemd artikel 3, lid 3, in strijd is met het gemeenschapsrecht, inzonderheid artikel 5, vierde lid, van Raadsverordening nr. 876/68 van 28 juni 1968, dan wel met het tot het gemeenschapsrecht te rekenen beginselen van rechtszekerheid?”
3. Achtergrond van de schorsing
Voorafgaand aan de schorsing van het prefixatiestelsel voor o. a. boter, welke in casu in het geding is, werd dit regiem in 1980 reeds vijf maal geschorst (verlengingsbesluiten inbegrepen). Uit het overzicht dat de Commissie in haar memorie heeft opgenomen blijkt dit stelsel in genoemd jaar gedurende de volgende periodes geschorst te zijn geweest: van 12 januari tot en met 1 februari, van 13 mei tot en met 15 mei, van 12 november tot en met 14 november en van 20 november tot en met 11 december 1980.
Met betrekking tot de kwestieuze schorsing van 20 november heeft de Commissie nog gesteld dat het hierbij ging om aanvragen voor een indrukwekkende hoeveelheid, waaruit zou blijken dat de schorsing niet overbodig was. Het zou meer dan de totale boterexport in 1980 naar derde landen bedragen. Het speculatieve karakter zou dus overduidelijk zijn gebleken. Ook al heeft de raadsman van „De beste boter” in de mondelinge behandeling de exacte cijfers die de Commissie had meegedeeld bekritiseerd, hij heeft ook opgemerkt dat hij hieraan geen juridische consequenties verbond voor de beantwoording van de gestelde vragen.
De schorsing als zodanig werd ook overigens door verzoekster niet ter discussie gesteld in de procedure.
4. De gemeenschapsregelingen
Voor een goed inzicht in de zaak, acht ik het nuttig eerst een overzicht te geven van het niet bepaald heldere stelsel van gemeenschapsregelingen welke voor onderhavige zaak van belang zijn.
In casu gaat het om een verzoek om vaststelling vooraf van restitutie of prefixatie bij uitvoer naar derde landen voor bepaalde zuivelprodukten. Hiervoor is noodzakelijk een uitvoercertificaat, waarop de prefixatie moet worden vermeld. De mogelijkheid van prefixatie hangt samen met de wijze waarop de afgifte van het certificaat is geregeld.
De grondslag van het systeem is neergelegd in Raadsverordening nr. 804/68 van 27 juni 1968„houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten” (PB L 148 van 1968, blz. 13).
Betreffende de certificaten kan verwezen worden naar artikel 13. Volgens lid 3 van dit artikel worden de uitvoeringsbepalingen volgens de zogenaamde beheerscomitéprocedure vastgesteld.
Voor wat betreft de restitutie is artikel 17 van belang. Dit schrijft wat betreft de uitwerking een gedifferentieerd regiem voor. De Raad stelt „... de algemene voorschriften vast betreffende de toekenning van de restituties, het bepalen van het bedrag en de voorafgaande vaststelling ervan” (lid 3). De „uitvoeringsbepalingen van dit artikel” worden daarentegen eveneens door de zogenaamde beheerscomitéprocedure vastgesteld (lid 4).
Ter uitvoering van lid 3 heeft de Raad de verordening nr. 876/68 van 28 juni 1968 vastgesteld „tot vaststelling van de algemene voorschriften betreffende de toekenning van de restituties bij de uitvoer en de criteria voor de vaststelling van het bedrag van de restitutie in de sector melk en zuivelprodukten” (PB L 155 van 1968, blz. 1).
De artikelen 2, 3 en 4 van deze verordening geven de criteria aan die van belang zijn voor de vaststelling van de restituties.
Volgens artikel 5, lid 3, kan de restitutie vooraf worden vastgesteld. Het vervolgt, voorzover van belang „in dit geval wordt op verzoek van de belanghebbende de op de dag van indiening van de aanvraag van een uitvoercertificaat geldende restitutie toegepast op een tijdens de geldigheidsduur van het certificaat plaatsvindende uitvoer ...”.
Het daaropvolgende lid 4 betreft de schorsing van het prefixatiesysteem en is voor onderhavige zaak van groot belang. Het werd ingevoerd door Raadsverordening nr. 2429/72 van 21 november 1972„betreffende het schorsen van de toepassing van de bepalingen inzake de vaststelling vooraf van de heffingen en restituties in verschillende sectoren van de gemeenschappelijke ordening der markten”.
In die verordening werd hiertoe onder meer overwogen:
„... dat evenwel de ervaring heeft geleerd dat in bepaalde omstandigheden, en met name wanneer de betrokkenen in abnormale mate van dit stelsel (= de vaststelling van restitutie vooraf) gebruik maken, moeilijkheden op de betrokken markt te duchten zijn; overwegende dat om een dergelijke situatie te verhelpen, spoedig maatregelen moeten kunnen worden getroffen; dat derhalve dient te worden voorzien in de mogelijkheid dat de Commissie deze maatregelen vaststelt ...”.
Het lid 4 luidt als volgt:
artikel 5, lid 4:
„Wanneer het onderzoek van de marktsituatie aanleiding geeft tot het constateren van het bestaan van moeilijkheden ten gevolge van de toepassing van de bepalingen inzake de vaststelling vooraf van de restitutie, of wanneer het gevaar bestaat dat dergelijke moeilijkheden zich kunnen voordoen, kan volgens de procedure van artikel 30 van verordening nr. 804/68 worden besloten de toepassing van deze bepalingen voor de strikt noodzakelijke duur te schorsen.
...
Aanvragen van certificaten vergezeld van verzoeken om vaststelling vooraf, die tijdens de schorsingsperiode worden ingediend, zijn niet ontvankelijk.”
De kwestieuze schorsing van de prefixatie van boter en butteroil van 20 tot en met 27 november vond plaats bij Commissieverordening nr. 2993/80 van 19 november 1980 (PB L 310 van 1980, blz. 18), welke uitdrukkelijk gebaseerd is op Raadsverordeningen nrs. 804/68 en 876/68 waarvan met name artikel 5, lid 4.
Voorts is van belang Commissieverordening nr. 2044/75, „houdende bijzondere uitvoeringsbepalingen inzake de invoeren uitvoercertificaten en inzake de vaststelling vooraf van de restituties, in de sector melk en zuivelprodukten”, welke gebaseerd is op Raadsverordening nr. 804/68 „... en inzonderheid op artikel 13, lid 3, en artikel 17, lid 4”.
Centraal in onderhavige vraag staat het reeds eerder geciteerde artikel 3, lid 3, van deze Commissieverordening, dat een „wachtdagenregiem” voor afgifte van de certificaten instelde, met betrekking tot de prefixatie van restitutie van boter, en ingevoerd werd bij Commissieverordening nr. 445/77 van 2 maart 1977, welke onder meer gebaseerd was op de artikelen 13, lid 3 en 17, lid 4, van Raadsverordening nr. 804/68, en waarin onder andere werd overwogen:
„... overwegende dat het, in het licht van de verkregen ervaring met de vaststelling vooraf van de restitutie voor boter, aanbeveling verdient slechts in de afgifte van de door dit produkt gevraagde uitvoercertificaten te voorzien na een termijn van drie dagen, teneinde de marktsituatie te taxeren en om, in voorkomend geval passende maatregelen met betrekking tot de lopende aanvragen te treffen ...”.
Tenslotte wijs ik voor de volledigheid nog op de „horizontale” Commissieverordening nr. 193/75 van 17 januari 1975 welke de gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen betreft inzake het stelsel van invoer-, uitvoer- en voorfixatie voor landbouwprodukten (PB L 25 van 1975, blz. 10). In artikel 2 is onder meer bepaald dat prefixatie kan plaatsvinden onder voorwaarden welke zijn vastgesteld in de regeling voor elke produktensector. Voor de produkten die in onderhavige zaak van belang zijn, met name boter en botervet, heb ik die reeds aangegeven. Voor de openbare inschrijving in derde landen verwijs ik met name naar het gestelde van artikel 19 van deze algemene Commissieverordening. Daaruit blijkt dat het certificaat slechts wordt afgegeven voor de hoeveelheden waarvoor gunning aan de aanvrager heeft plaatsgevonden. Het gedeelte van de waarborg dat overeenkomt met de resterende hoeveelheid wordt vrijgegeven.
5. De beoordeling van de gestelde vragen
Allereerst merk ik op, naar aanleiding van een preliminaire opmerking van verzoeker in de schriftelijke stukken daarover, dat, zoals ik hierboven reeds heb aangegeven, Uw Hof in de zaak 109/82, Interagra, op 27 januari 1983 heeft vastgesteld dat artikel 3, lid 3, van toepassing is op alle aanvragen, inclusief die met betrekking tot openbare inschrijvingen in derde landen, voor prefixatie inzake de daar vermelde produkten.
Vervolgens dient bij de beantwoording van de vragen goed in het oog te worden gehouden dat de vragen betrekking hebben op een situatie die is ontstaan door de samenloop van twee regelingen namelijk enerzijds het gestelde „wachtdagen-regiem” van 5 dagen voor afgifte van het certificaat met de mogelijkheid van het nemen van „bijzondere” maatregelen, volgens artikel 3, lid 3, van Commissieverordening nr. 2044/75. Anderzijds de schorsing van het stelsel van de prefixatie ingevolge, artikel 5, lid 4, van Raadsverordening nr. 876/68 jo. de daarop gebaseerde Commissieverordening nr. 2993/80, welke plaatsvond gedurende die wachtdagentermijn.
6. De eerste prejudiciële vraag
De eerste vraag van het College van Beroep komt neer op de vraag of een schorsingsbesluit, als voorzien in verordening nr. 876/68, uitgelegd dient te worden als een „bijzondere maatregel” als genoemd in artikel 3, lid 3, van verordening nr. 2044/75.
Deze vraag dient mijns inziens positief beantwoord te worden.
Het is juist; zoals verzoekster in het hoofdgeding heeft gesteld, dat het begrip „bijzondere maatregel” niet gedefinieerd is. Naar haar oordeel dient derhalve aansluiting bij het systeem van de gemeenschapsregelingen gezocht te worden. In dat licht stelt zij dat het schorsen tot de dagelijkse beheerstaak van de Commissie behoort en dientengevolge niet als „bijzonder” te kwalificeren is. Anderzijds wijst zij op de vrijwaringsmaatregelen die slechts in „buitengewone” omstandigheden genomen kunnen worden en dientengevolge als „bijzonder” aangeduid kunnen worden.
Bij de interpretatie van het begrip „bijzondere maatregel” als genoemd in artikel 3, lid 3, van verordening nr. 2044/75 dient naar mijn oordeel echter in de eerste plaats uitgegaan te worden van het doel en de strekking van die bepaling alsmede die van de schorsingsmaatregel, welke gebaseerd is op artikel 5, lid 4, van verordening nr. 876/68 jo. verordening nr. 2993/80.
De doelstelling van artikel 3, lid 3, van verordening nr. 2044/75 en met name het daarin neergelegde zogenaamde wachtdagenregiem is, zoals duidelijk aangegeven in de hiervoor geciteerde motivering van verordening nr. 445/77 waarbij het werd ingevoerd, dat de marktsituatie tijdens die wachtdagen getaxeerd kan worden teneinde zonodig passende maatregelen te treffen met betrekking tot de lopende aanvragen.
Hierbij sluit vervolgens logisch aan het besluit om het prefixatiestelsel te schorsen voor zover de situatie een dergelijke ingrijpende maatregel noodzakelijk maakt. In dit verband herinner ik aan de tekst van artikel 5, lid 4, van Raadsverordening nr. 876/68, die bepaalt dat tot schorsing kan worden overgegaan „wanneer het onderzoek van de marktsituatie aanleiding geeft tot het constateren van moeilijkheden ten gevolge van de toepassing van de bepalingen inzake de vaststelling vooraf van de restitutie of wanneer gevaar bestaat dat zulke moeilijkheden zich voor zullen doen”. Naar mijn mening is de schorsing uiteraard als een „bijzondere” maatregel te karakteriseren nu hiermee zo fundamenteel inbreuk wordt gemaakt op het normale functioneren van het prefixatiestelsel. Ik wijs, wellicht ten overvloede, nog op de motivering in verordening nr. 2429/72, waarbij de schorsingsmaatregel werd ingevoerd, waarin onder meer werd gesteld dat maatregelen noodzakelijk zijn in geval moeilijkheden op de betrokken markt te duchten zijn „... met name wanneer de betrokkenen in abnormale mate van dit stelsel gebruik maken.”
Tenslotte merk ik op dat de onderhavige schorsing op basis van verordening nr. 2993/80 gemotiveerd werd met de stelling dat de restitutie voor betrokken produkten aanleiding kon geven tot spculatieve voorfixaties.
Uit het bovenstaande blijkt mijns inziens dat een schorsingsmaatregel als ingesteld bij verordening nr. 2993/80 uitgelegd dient te worden als een „bijzondere maatregel” als bedoeld in artikel 3, lid 3, van verordening nr. 2044/75.
7. De tweede vraag
De tweede vraag van het College van Beroep komt neer op de vraag of artikel 3, lid 3, met zich mee brengt dat aanvragen om prefixatie afgewezen dienen te worden, wanneer het prefixatiestelsel wordt geschorst na indiening van de aanvraag, maar vóór de afloop van het wachtdagenregiem.
Bij de beantwoording van deze vraag dient opnieuw uitgegaan te worden van enerzijds tekst en ratio van artikel 3, lid 3, van verordening nr. 2044/75 en anderzijds van de gevolgen welke een besluit tot schorsing met zich brengt.
Het artikel 3, lid 3, stelt dat uitvoercertificaten voor de daarbedoelde produkten worden afgegeven vijf dagen na indiening, voor zover tijdens die periode geen bijzondere maatregelen worden getroffen. Het belang van dit artikel zit met name in de bepaling dat tijdens de vijf dagen bijzondere maatregelen ten aanzien van de aanvraag genomen kunnen worden. Dit betekent dat de indiening van de aanvraag slechts een uitgesteld recht op de afgifte geeft, of anders gezegd een recht onder de opschortende en voorwaardelijke voorwaarde dat tijdens de vijf dagen volgend op indiening geen maatregel wordt genomen die aan dit recht afdoet.
De bedoeling van deze bepaling, voor zover deze al niet op het eerste gezicht duidelijk is, blijkt uit de motivering van verordening nr. 445/77, welke haar invoerde, waar gesteld wordt dat deze wachttermijn voor bedoelde produkten ten doel heeft „ de marktsituatie te taxeren en om, in voorkomend geval, passende maatregelen met betrekking tot de lopende aanvragen te treffen ...”.
In onderhavig geval is de bedoelde „bijzondere” of passende maatregel van artikel 3, lid 3, de maatregel van schorsing. De vraag is nu welke consequenties een dergelijke schorsingsmaatregel met zich brengt voor een verzoek om prefixatie dat nog hangende is vanwege de wachttermijn van vijf dagen.
Het effect van de schorsing wordt mijns inziens duidelijk aangegeven door artikel 5, lid 4, van verordening nr. 876/68, laatste alinea, waar gesteld is dat aanvragen die tijdens de schorsing worden ingediend niet ontvankelijk zijn. Hieruit blijkt dat het prefixatiestelsel door de schorsing buiten werking is gesteld. Een aanvraag om prefixatie is dientengevolge zonder voorwerp en dus niet ontvankelijk.
Toegegeven moet worden, dat uit de bewoordingen van genoemd artikel 5, lid 4, niet kan worden afgeleid, dat een zelfde rechtsgevolg optreedt ten aanzien van aanvragen, die reeds vóór de schorsing waren ingediend. Evenmin volgt dit duidelijk uit de bewoordingen van artikel 3, lid 3, van de Comissieverordening. Daarentegen lijkt het mij wel evident, dat het klaarblijkelijk doel van het wachtregiem niet zou worden bereikt, wanneer de schorsing niet voor alle aanvragen, ingediend tijdens de wachtperiode, een geliik effect zou hebben.
Voor een aanvraag welke reeds is ingediend betekent de schorsing naar mijn oordeel derhalve, voor zover deze binnen het vijf dagen wachtregiem valt, eveneens dat deze zonder voorwerp is geraakt, aangezien het prefixatiestelsel buiten werking is gesteld. De aanvraag is derhalve niet meer ontvankelijk en zal dus afgewezen dienen te worden.
Ik kom op basis van het bovenstaande tot de conclusie dat artikel 3, lid 3, zodanig uitgelegd dient te worden dat aanvragen om voorfixatie, welke zijn ingediend vóór de schorsingsperiode, maar waarvoor het zogenaamde vijf dagen wachtregiem nog niet is afgelopen op het moment van de schorsing, afgewezen dienen te worden.
8. De derde vraag
Met de laatste vraag beoogt het College van Beroep van U te vernemen of genoemd artikel 3, lid 3, bij een bevestigend antwoord op de tweede vraag geen strijd oplevert met het gemeenschapsrecht, met name met artikel 5, lid 4, van verordening nr. 876/68, dan wel met het tot het gemeenschapsrecht te rekenen beginsel van rechtszekerheid.
Deze vraag houdt vanzelfsprekend nauw verband met de tweede vraag. Volgens verzoekster in het hoofdgeding is de hierboven gegeven uitleg van artikel 3, lid 3, dat aanvragen om voorfixatie welke getroffen worden door een schorsingsmaatregel van het stelsel tijdens het wachtdagenregiem en dientengevolge afgewezen dienen te worden, in strijd met het gemeenschapsrecht en met artikel 5, lid 4, van verordening nr. 876/68 in het bijzonder. Deze stelling is gebaseerd op het feit dat laatstgenoemd voorschrift in zijn derde alinea slechts uitdrukkelijk de gevolgen aangeeft voor aanvragen om voorfixatie welke tijdens een schorsingsperiode worden ingediend. Deze zijn, als, bekend, niet ontvankelijk.
De gevolgen van de hangende aanvragen welke tijdens het wachtdagenregiem door een schorsingsmaatregel worden getroffen zijn als eerder door mij opgemerkt inderdaad nergens geregeld. Het I gestelde van artikel 5, lid 4, zou volgens verzoekster in het hoofdgeding niet uitgebreid mogen worden tot de aanvragen die nog hangende zijn. Derhalve zou niet tot afwijzing van dergelijke aanvragen mogen worden overgegaan.
Het zal U op basis van hetgeen ik gesteld heb ter zake van de tweede vraag niet verrassen dat ik de mening van verzoekster uiteindelijk niet kan delen, al acht ik het inderdaad betreurenswaardig dat de wetgever er niet in geslaagd is zijn op zich zelf duidelijke bedoelingen ook op adequate wijze in de teksten tot uitdrukking te brengen. Ik heb op dit punt eigenlijk weinig toe te voegen aan hetgeen ik hierover reeds heb gezegd bij de behandeling van de tweede vraag.
Juist is dat de hierboven gegeven uitleg van artikel 3, lid 3, van Commissieverordening nr. 2044/75 in verband met een schorsingsmaatregel nergens uitdrukkelijk is vastgesteld. Ik meen echter als gezegd dat deze uitleg in overeenstemming is met doel en strekking van genoemd artikel 3, lid 3, en de aard van de schorsingsmaatregel, zoals bij de vorige vraag aangegeven. Nogmaals wijs ik op de overweging bij de invoering van dit artikel bij verordening nr. 445/77, waarin uitdrukkelijk wordt gesteld dat het „wachtdagenregiem” juist ten doel had om zonodig passende maatregelen te treffen ten aanzien van de „lopende aanvragen”.
Strijd met artikel 5, lid 4, laatste alinea van verordening nr. 876/68 levert deze uitleg ook al niet op wegens de eenvoudige reden dat de bedoelde situatie niet in dat artikel is geregeld, maar voortvloeit uit de samenloop van artikel 3, lid 3, van de geciteerde Comissieverordening en de schorsingsmaatregel.
Van belang is, zoals ik reeds eerder heb opgemerkt, in te zien dat het in casu gaat om de samenloop van deze twee regelingen, namelijk het effect van een schorsing van het prefixatiestelsel binnen het systeem van een uitgesteld en voorwaardelijk recht op afgifte van artikel 3, lid 3.
Het tweede onderdeel van deze vraag betreft de vraag of de hier verdedigde uitleg van artikel 3, lid 3, niet in strijd is met het beginsel van rechtszekerheid.
Verzoekster stelt dat het prefixatiestelsel de exporteurs zekerheid verschaft ten aanzien van de bedragen die zij zullen ontvangen bij de uitvoer. Op basis van de restitutievoet bij de aanvraag sluiten zij hun transacties af. De hierboven weergegeven uitleg van artikel 3, lid 3, zou de verbintenissen die de exporteurs zijn aangegaan in moeilijkheden kunnen brengen. Een dergelijke uitleg van dat artikel zou dientengevolge in strijd zijn met de rechtszekerheid.
In de mondelinge behandeling heeft de raadsman van verzoekster nog nader toegelicht dat „De beste boter” op 17 november 1980 zowel de aanvragen om certificaten bij het Produktschap indiende als tegelijkertijd reeds inschreef in het kader van de betrokken openbare inschrijvingen. Dit laatste verduidelijkte hij nog met de mededeling dat deze inschrijving zonder enige, beperkende clausule, plaatsvond voor het geval dat er enige wijziging in de restitutievoet zou plaatsvinden. Ik neem aan dat onderhavige vraag vooral verband houdt met laatstgenoemd aspect, alhoewel niet gesteld is dat verzoekster in een procedure gewikkeld is met de organisatoren van de inschrijvingen.
Ook dit beroep op het beginsel van rechtszekerheid kan verzoekster naar mijn oordeel niet baten.
Ik vraag mij af in hoeverre de tekst van genoemd artikel 3, lid 3, niet reeds bij een handelaar in de betrokken produkten tot enige voorzichtigheid zou moeten leiden. Afgezien van de specifieke vragen die onderhavige zaak hebben opgeleverd, blijkt toch wel reeds uit de bewoordingen „voor zover geen bijzondere maatregelen worden getroffen” dat de afgifte van de certificaten met enige onzekerheid omgeven wordt. Bovendien kon het een handelaar in de betrokken produkten toch niet ontgaan zijn dat in de loop van 1980 de prefixatie van de restitutie reeds vijfmaal eerder geschorst was; hetgeen toch een voldoende indicatie kon zíjn voor de ongewisheid van de situatie voor betrokken produkten in het jaar 1980. Het komt míj voor dat een handelaar met deze onzekerheid rekening kan houden door zijn verbintenis onder de opschortende voorwaarde aan te gaan dat na vijf dagen hem het certificaat met aangegeven restitutievoet wordt afgegeven. Blijkens de eerder vermelde termijnen kon verzoekster in het hoofdgeding in het bijzonder bij de Cubaanse openbare inschrijving inderdaad met zijn offerte niet tot het einde van de wachttijd wachten, maar dit behoefde nog niet een opschortende voorwaarde als aangegeven te verhinderen. Ook volgens Uw vaste rechtspraak kan het middel niet slagen nu Uw Hof meerdere malen heeft gesteld dat ondernemers niet met een beroep op het beginsel van gewettigd vertrouwen aanspraak kunnen maken op het onveranderd in stand blijven van een bestaande reglementering, wanneer te voorzien was dat deze zou kunnen worden gewijzigd (zaak 146/77, British Beef Company, Jurispr. 1978, blz. 1355, rechtsoverwegingen II-15).
9. Conclusie
Concluderend stel ik U voor de drie vragen als volgt te beantwoorden:
a)
Artikel 3, lid 3, van Commissieverordening nr. 2044/75 van 25 juli 1975 dient aldus te worden uitgelegd dat als een daarin vermelde „bijzondere maatregel” kan worden aangemerkt een besluit tot schorsing van het prefixatiestelsel ingevolge Raadsverordening nr. 876/68 van 28 juni 1968, jo. Commissieverordening nr. 2993/80 van 19 november 1980.
b)
Genoemd artikel 3, lid 3, in samenhang met het eveneens in casu toepasselijke besluit tot schorsing van het prefixatiestelsel dient aldus te worden uitgelegd dat aanvragen om voorfixatie welke vóór de schorsingsperiode worden ingediend maar waarvoor op het moment van schorsing het zogenaamde wachtdagenregiem niet is verstreken, na het verstrijken van de wachtdagen en bij voortduren van de schorsing, dienen te worden afgewezen.
c)
Een dergelijke afwijzing is niet in strijd met artikel 5, lid 4, van Raadsverordening nr. 876/68 noch met het in het gemeenschapsrecht erkende beginsel van rechtszekerheid.
Full & Egal Universal Law Academy