CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. F. MANCINI
VAN 14 JULI 1983 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
In het beroepschrift de dato 15 oktober worden door mevrouw C. Papageorgopoulos, voorheen werkzaam bij
het Economisch en Sociaal Comité (hierna te noemen: ESC), tegen die instelling een aantal vorderingen ingesteld — betreffende nietigverklaring van het rapport betreffende de proeftijd en het ontslag waartoe het leidde, met doorbetaling van salaris en smartegeld.
2.
Ik zal eerst een overzicht geven van de feiten. Verzoekster werd in juni 1981 als tijdelijk functionaris door het ESC aangenomen om aldaar als typiste werkzaam te zijn. Zij had met goed gevolg deelgenomen aan het in december 1980 gehouden vergelijkend onderzoek C/22/79, uitgeschreven voor de vorming van een aanwervingsreserve van Griekstalige typisten; op 1 juli 1981 werd zij op proef tewerkgesteld.
De proeftijd verliep echter ongunstig. Uit het rapport door de Administratie (overeenkomstig artikel 34, lid 2, Statuut van de Ambtenaren) uitgebracht over haar geschiktheid, prestaties en gedrag in de dienst, bleek van een groot aantal tekortkomingen, zodat in overweging werd gegeven haar te ontslaan. „Ofschoon vakkennis en vaardigheid van mevrouw Papageorgopoulos als voldoende zijn te beschouwen, vertoont”, zo staat in de samenvattende beoordeling te lezen, „haar kennis van de moedertaal ernstige leemten, hetgeen haar prestaties in kwalitatief opzicht en qua uitvoering duidelijk onvoldoende doet zijn”. Voorts zou zij, toen haar hierop werd gewezen, blijk hebben gegeven het gezag van hogergeplaatsten moeilijk te kunnen aanvaarden, moeilijk in teamverband te kunhen werken en zich aan de werkmethoden der instelling moeilijk te kunnen aanpassen.
Het op 27 november 1981 opgestelde rapport werd haar op 30 november 1981 medegedeeld. Zij achtte het niet objectief en voegde er vijf dagen later haar eigen opmerkingen aan toe, maar bij besluit van 21 december 1981 ontsloeg het tot aanstelling bevoegd gezag haar met ingang van 31 december 1981. Betrokkene diende toen (op 18 maart 1982) een klacht in, waarin zij om nietigverklaring van dat besluit verzocht; de klacht werd door het algemeen secretariaat van het ESC bij nota van 16 juli 1982 afgewezen.
Vervolgens wendde zij zich bij beroepschrift van 15 oktober 1982 tot het Hof, nietigverklaring vorderende van het over haar opgemaakte rapport en van het ontslag waartoe het had geleid, alsook doorbetaling van achterstallig salaris en schadeloosstelling vanaf de dag van ontslag, met interesten à 10 % 's jaars. Voorts vorderde zij smartegeld ten bedrage van BFR 10000 per maand met interesten.
3.
Zij meent dat er aan het rapport betreffende de proeftijd verschillende fouten kleven:
a)
het zou in strijd zijn met artikel 34, lid 2, van het Statuut (omdat het zou zijn opgemaakt en ondertekend door iemand die daartoe technisch niet gekwalificeerd zou zijn);
b)
het zou schending van wezenlijke vormvoorschriften inhouden (i.e. het zou niet op de voorgeschreven wijze zijn samengesteld en niet met redenen omkleed zijn);
c)
het zou in strijd zijn met de algemene beginselen van de communautaire ordening (inzake gewettigd vertrouwen en bijstandsplicht);
d)
er zou overschrijding van rechtsmacht zijn begaan (een der opstellers zou er belang bij hebben gehad haar kennis van het Grieks onjuist te beoordelen, om haar op die manier te kunnen ontslaan).
Deze grieven komen aanstonds ter sprake. Ik zou echter reeds thans, in limine, willen vaststellen hoe het proeftijdstelsel rechtens te beoordelen is, en in hoeverre hetgeen er na zulk een proeftijd is geschied, in rechte kan worden getoetst.
Volgens artikel 34 van het Statuut hebben de „ambtenaren, alvorens in vaste dienst te kunnen worden aangesteld, een proeftijd te volbrengen” (lid 1), en worden zij ontslagen, wanneer zij zich „ niet voldoende geschikt hebben betoond (lid 2, eerste alinea). Aanstelling of ontslag is dan ook de uitkomst van een procedure in etappes, die in titel III, hoofdstuk I, (artikelen 27-34) is geregeld.
Met betrekking tot de rapporten betreffende de overgangsperiode wijs ik erop dat zij, wanneer er negatieve beoordelingen in zijn vastgelegd, als bezwarende besluiten zijn te beschouwen; zij leiden tot ontslag van betrokkene en raken dus betrokkenes rechtspositie rechtstreeks. Al mogen deze rapporten volgens uw jurisprudentie (betreffende periodieke beoordelingen, maar er kan in gevallen als het onderhavige eveneens mee worden gewerkt) „uit moeilijk te toetsen beoordelingen bestaan”, er kan sprake zijn van „een onregelmatigheid in de vorm en de procedure of van kennelijke onjuistheden en misbruik van beoordelingsbevoegdheden van dien aard dat zulks hun onwettigheid zou kunnen meebrengen” (arresten, op 17 maart 1971, 25 november 1976, 12 mei 1977 en 3 juli 1980 onderscheidenlijk gewezen in de zaak 29/70, Marcato t. Commissie, Jurispr. 1971, blz. 243, 122/75, Küster t. Parlement, Jurispr. 1976, blz. 1685, r.o. 7-10, 31/76, Macevičius t. Parlement, 1977, blz. 883 en in de gevoegde zaken 6 en 97/79, Grassi t. Raad, Jurispr. 1980, blz. 2141).
De grieven van verzoekster zullen met inachtneming van dit een en ander moeten worden onderzocht.
4.
Daar is alllereerst de beweerde schending van grondbeginselen der communautaire rechtsorde. Verzoekster acht de beginselen betreffende het gewettigd vertrouwen en de bijstandsplicht geschonden; maar deze grieven welke volgens het beroepschrift in de conclusie van repliek nader zouden worden ontwikkeld, zijn onuitgewerkt gebleven. In ieder geval is van hun juistheid noch uit de stukken, noch tijdens de mondelinge behandeling gebleken.
Ingewikkelder vragen doet de grief rijzen volgens welke artikel 34, lid 2, van het Statuut zou zijn geschonden. Met uitzondering van mevrouw Pallis, zouden de ambtenaren die het rapport hebben opgesteld en ondertekend, de Griekse taal niet machtig zijn en dus haar vakbekwaamheid niet hebben kunnen beoordelen.
Ik acht dit betoog ongegrond. Uw Hof heeft zelf overwogen dat „het Statuut nergens het gezag aanwijst dat bevoegd is om het in artikel 34, lid 2 ... bedoelde rapport aan het einde van de proeftijd op te stellen en te ondertekenen” (arrest op 1 juni 1978 gewezen in de zaak 99/77, D'Auria t. Commissie, Jurispr. 1978, blz. 1267, r.o. 4). Bij het ESC en bij andere instellingen pleegt men zich echter te houden aan de in april 1975 ter uitvoering van artikel 43 van het Statuut — betreffende de beoordelingsrapporten — vastgestelde algemene bepalingen en, gezien de overeenstemming tussen de hierbedoelde rapporten en periodieke beoordelingsrapporten, hebt u dit ook niet onjuist geacht (voormeld arrest D'Auria, r.o. 9).
Ik wijs er nog op dat uw Hof in een soortgelijk geval (waarin een Nederlandstalige vertaalster van de Commissie zich erover beklaagde dat het rapport was opgemaakt door ambtenaren die niet gekwalificeerd zouden zijn om haar vakbekwaamheid te beoordelen) heeft uitgesproken „dat de directeur van het directoraat „Vertaling, documentatie” en het hoofd van de afdeling „Vertaling, algemene zaken” aan de hand van het oordeel van de coördinator van de groep waarin verzoekster werkzaam was, in staat waren te zamen met haar rechtstreekse hiërarchieke meerdere verzoeksters geschiktheid te beoordelen en dat hun beoordeling van verzoeksters bekwaamheid niet ongegrond voorkomt” (arrest, op 27 februari 1976 gewezen in de zaak 92/75 Van de Roy t. Commissie, Jurispr. 1976, blz. 343, r.o. 7-8).
Ik acht die uitspraak als geheel billijk en redelijk. Dat allereerst een ambtenaar die niet betrokkenes rechtstreekse meerdere is — en dus niet per se over specifieke vakkennis kan oordelen — de rapporten ondertekent, terwijl alleen de rechtstreekse meerderen er opmerkingen aan kunnen toevoegen, is in het belang van het op proeftijd aangestelde personeelslid. Dat er meer dan een persoon aan de eindbeoordeling medewerkt, biedt betere garanties. Medewerking van degene die het meest met haar werk te maken kreeg, kan een juistere beoordeling van de vakbekwaamheid verzekeren, waarmede het dienstbelang gebaat is.
Ik wijs er nog op dat in het na afloop van de proeftijd opgemaakte rapport een afgerond oordeel wordt gegeven, dat niet slechts de „geschiktheid voor het vervullen van de ... uit hoofde van [de] functie opgedragen taken” betreft, maar ook de „prestaties” en het „gedrag” in de dienst„ (artikel 34, lid 2, Statuut van de Ambtenaren). En om over deze laatste aspecten te kunnen oordelen, behoeft men stellig geen kennis van een bepaalde taal, zoals het Grieks, te bezitten; althans in zoverre waren de samenstellers van het rapport alleszins tot oordelen bevoegd.
5.
Daar is vervolgens de grief volgens welke er wezenlijke vormvoorschriften zouden zijn geschonden. Verzoekster noemt twee punten: het rapport zou niet regelmatig zijn samengesteld en het zou niet met redenen zijn omkleed; zij wenst het derhalve, met een beroep op uw arrest van 6 oktober 1982 (gewezen in de zaak 206/81, Alvarez t. Parlement), te zien nietigverklaard.
Met name beklaagt verzoekster er zich over dat er een aantal vakjes oningevuld zouden zijn gelaten, zoals die voor rang, salaristrap, belangrijkste taken (in casu: het uittypen van bandjes), tijd gedurende welke zij op de interne dienst van het Directoraat-generaal ESC gedetacheerd is geweest, de opmerkingen van haar meerderen. Het ESC acht een en ander voor een globale beoordeling van verzoekster irrelevant. De voornaamste taken die door een typiste op proef worden verricht, vallen uiteraard met het haar opgedragen werk samen. Weliswaar ontbreken ook de opmerkingen van de meerdere; maar dat zij het rapport hebben getekend, wil zeggen dat zij het oordeel van de eerste beoordelaar tot het hunne hebben gemaakt. En haar detachering bij de interne dienst is in het rapport wei degelijk in aanmerking genomen; haar kennis van het Engels en het Frans wordt uitstekend genoemd (zij had in die periode met een Engelstalige administrateur samen te werken).
Ik acht deze argumenten overtuigend; en al mocht er in formeel opzicht op het rapport een en ander zijn af te dingen, dat de globale beoordeling daardoor niet is beïnvloed, acht ik evident. Nog gauwer ben ik klaar met de grief dat het uittypen van bandjes niet werd vermeld. Door zich van die grief te bedienen, geeft verzoekster alleen maar blijk van een onjuiste opvatting van haar taak, die uiteraard het uittypen van bandjes omvat.
Zoals reeds opgemerkt, acht verzoekster een tweede schending van wezenlijke vormvoorschriften gelegen in het feit dat het ontslagbesluit niet zou zijn gemotiveerd. De in het rapport voorkomende kwalificaties „onvoldoende” en „uitstekend” zijn, haars inziens, niet van commentaar voorzien. Het ESC brengt hiertegen in dat voor de kwalificatie „onvoldoende” door de opsteller van het rapport ten duidelijkste naar de samenvattende beoordeling (supra, lid 2) wordt verwezen. En dat niet werd vermeld waarom verzoekster voor haar kennis van het Engels en het Frans de kwalificatie „uitstekend” zou verdienen, is niet relevant; die kwalificatie spreekt voor zichzelf, en bovendien behoeft verzoekster niet in die talen, maar in het Grieks te werken.
Ik ben het alweer met het ESC eens. Dat er een commentaar als verlangd moet worden gegeven, staat weliswaar zowel te lezen in het formulier dat voor de rapporten betreffende de proeftijd wordt gebruikt als in de instructies voor het opmaken van periodieke beoordelingsrapporten die, als gezegd, ook in casu van toepassing zijn. Er zij echter op gewezen dat er voor een commentaar als bedoeld weinig plaats is, zo weinig dat er, formeel gesproken, met drie of vier woorden kan worden volstaan. Wel moet het adequaat zijn gemotiveerd, opdat de ambtenaar bij het maken van zijn opmerkingen met de vastgestelde tekortkomingen rekening kan houden; en met name moet er, zoals in artikel 34 van het Statuut met zoveel woorden wordt bepaald, bij beëindiging van de proeftijd een procedure op tegenspraak worden gevolgd.
Maar in verzoeksters geval zijn de redenen die tot de negatieve beoordeling leidden, beknopt, doch genoegzaam in de samenvattende beoordeling terug te vinden. Het rapport werd bovendien met inachtneming van de vormvoorschriften aan verzoekster betekend, en uit de door haar aan het rapport toegevoegde opmerkingen blijkt wel dat zij van voormelde beoordeling kennis heeft gedragen. Met andere woorden: de eisen van hoor en wederhoor zijn inachtgenomen; en om die reden faalt mijns inziens verzoeksters beroep op het arrest, door u gewezen in de zaak Alvarez t. Parlement, waarin u een ontslag nietigverklaarde omdat die regelen niet zouden zijn inachtgenomen, volkomen.
Dat het besluit niet met redenen zou zijn omkleed, gaat dus noch op voor de artikelen 25 jo. 34 van het Statuut, noch voor de op proeftijdrapporten toepasselijke regels voor de opstelling van periodieke beoordelingsrapporten.
6.
Bespreking vraagt thans nog het middel volgens hetwelk er van overschrijding van rechtsmacht zou mogen worden gesproken. Volgens verzoekster zou het negatieve oordeel mede berusten op:
a)
het feit dat zij het in een op 3 november 1981 tot de directeur-generaal van het ESC gerichte brief voor een collega heeft opgenomen;
b)
het feit dat een van de opstellers van het rapport, mevrouw Pallis, er belang bij had haar te benadelen, omdat zij, mèt verzoekster gesolliciteerd had naar de post van hoofd van de Griekse onderafdeling van de centrale typekamer. Omdat zij als enige van de opstellers Grieks kende, had Pallis vrij spel; bij haar oordeel is zij echter kennelijk vooringenomen geweest. Dat verzoekster het Grieks beheerst, zou zijn gebleken tijdens het algemeen vergelijkend onderzoek voor de aanwerving van Griekstalige typistes.
Verzoekster heeft haar beschuldigingen evenwel niet waargemaakt. Uit niets blijkt dat het feit dat zij het voor een collega heeft opgenomen, hoe dan ook, tot de haar ten deel gevallen negatieve beoordeling heeft geleid; en hetzelfde kan worden gezegd van de vooringenomenheid die er jegens haar bij mevrouw Pallis zou hebben geleefd. Verweerster heeft erop gewezen dat de beide dames helemaal niet naar dezelfde post dongen: mevrouw Pallis was te oud om deel te nemen aan het vergelijkend onderzoek, dat leidde tot de aanwijzing van een hoofd van de Griekse afdeling van de pool. In ieder geval waren beider loopbanen — typiste, respectievelijk secretaresse — verschillend.
Over verzoeksters kennis van het Grieks is ten processe, ook door mij, genoeg gezegd. Zij moet echter worden beoordeeld in het kader van complexe waardeoordelen die aan uw controle zijn onttrokken. Ik wil slechts op een ding wijzen: zoals het ESC heeft opgemerkt — en door verzoekster niet kon worden weersproken — worden de in het rapport genoemde leemten bewezen door het nauwelijks meer dan minimale resultaat dat zij tijdens het algemeen vergelijkend onderzoek met haar snelheidsproef behaalde, en door de negatieve uitslag waartoe haar deelneming aan een aantal vergelijkende onderzoeken bij Raad eri Commissie van de Gemeenschap hebben geleid. Al evenmin gegrond acht ik het argument dat verzoekster, door het enkele feit dat zij een algemeen vergelijkend onderzoek met goed gevolg heeft afgelegd, reeds blijk zou hebben gegeven van voldoende kennis van het Grieks. Mocht die stelling worden aanvaard, dan zou een proeftijd geen zin meer hebben: zoals de advocaat-generaal Slynn in zün conclusie in de zaak 223/82 (de Bruyn t. Parlement) betoogde, is de bedoeling van de proeftijd dat de administratie kandidaten die met voldoende resultaat aán een examen hebben deelgenomen, maar in de praktijk niet bleken te voldoen, buiten de deur kan houden.
7.
Een enkel woord tenslotte over verzoeksters geldelijke vorderingen. Zij maakt, zoals gezegd, aanspraak op het salaris vanaf de dag van het ontslag, vermeerderd met interesten à 10 % 's jaars, en smartegeld ten bedrage van BFR 10000 voor iedere maand dat zij geen werk had, wederom met interesten. In deze vorderingen kan zij niet worden ontvangen.
Voor ontslag van een op proef aangenomen ambtenaar voorziet 34, lid 2, van het Statuut een schadeloosstelling die, wanneer de ambtenaar wel respectievelijk niet zes maanden in dienst is geweest, twee maanden onderscheidenlijk een maand basissalaris bedraagt. Verzoekster heeft die schadeloosstelling ontvangen, en omdat haar dienstbetrekking statutair is beëindigd, is men haar niets meer schuldig.
Hetzelfde geldt voor het gevorderde smartegeld. Het verlenen van ontslag aan een op proef aangenomen ambtenaar is, nogmaals, een door het Statuut voorziene handeling, die, wanneer de statutair voorziene aanzegging heeft plaatsgehad, voor de instelling geen enkele aansprakelijkheid medebrengt. In formeel opzicht zijn er dus op de wijze waarop verzoekster werd behandeld, geen aanmerkingen te maken. Schadevergoeding kan zij dus niet vorderen.
8.
Op grond van een en ander geef ik het Hof in overweging het door verzoekster op 15 oktober 1982 tegen het Economisch en Sociaal Comité aanhangig gemaakte beroep te verwerpen.
Ik stel voor dat de kosten volgens artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering zullen worden gecompenseerd.
( 1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy