CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL S. ROZÈS
VAN 9 NOVEMBER 1983 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
In het geding tussen Rewe-Handelsgesellschaft Nord mbH, te Höhndorf, en Rewe-Markt Herbert Kureit, te Niendorf, enerzijds en de Hauptzollämter Flensburg, Itzehoe en Lübeck-West anderzijds heeft het Finanzgericht Hamburg het Hof drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de verordeningen en richtlijnen betreffende de douane- en belastingfaciliteiten voor goederen die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers ( 2 ) (zaak 272/82).
Daarnaast heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen beroep ingesteld tegen de Bondsrepubliek Duitsland wegens niet-nakoming van de fiscale bepalingen betreffende de vrijstellingen in het reizigersverkeer (zaak 325/82).
Ik zal deze twee zaken, die weliswaar een verschillende strekking hebben, maar feitelijk zeer nauw samenhangen, tegelijk behandelen.
De feiten vertonen veel gelijkenis met die waarover het Hof had te oordelen in de zogenoemde „Butterfahrten”-zaak (arrest van 7 juli 1981, zaak 158/80, Rewe-Handelsgesellschaft Nord mbH en Rewe-Markt Steffen, Jurispr. 1981, blz. 1805).
Aangezien zij in het rapport ter terechtzitting zijn beschreven, kan ik mij hier beperken tot een korte samenvatting.
Voor de nationale rechter is door dezelfde groothandel (Rewe-Handelsgesellschaft Nord mbH) en zijn filiaal te Niendorf (een haven aan de bocht van Lübeck) een proces aangespannen tegen de douanekantoren van Flensburg, Itzehoe en Lübeck. In dit verband wordt het Hof gevraagd, de regeling betreffende de vrijstellingen van douanerechten en belastingen te verduidelijken ten aanzien van goederen (al dan niet verwerkte landbouwprodukten, kosmetica, koffie, thee, tabak, lucifers, wijn, bier, sterke drank) die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers en door hen vrij van belasting zijn gekocht hetzij aan boord van veerboten die het reizigersverkeer verzorgen tussen derde landen en Lid-Staten (internationaal reizigersverkeer) respectievelijk tussen Lid-Staten (intracommunautair reizigersverkeer), hetzij aan boord van schepen die vanuit een haven van een Lid-Staat varen naar de haven van een andere Lid-Staat, waar de reizigers van boord gaan en vanwaar zij, zonder daar belasting te hebben betaald, over land (per autobus) terugkeren naar de Lid-Staat van vertrek.
Ondanks voornoemd arrest van het Hof blijft de rechtssituatie onzeker. Het Bundesfinanzhof heeft in zijn beschikking van 16 juni 1982 immers geen rekening gehouden met de rectificatie die het Hof op 15 juli 1981 heeft aangebracht in rechtsoverweging 37 en in punt 5 van het dictum van zijn arrest van 7 juli 1981. ( 3 ) Voorts verleent de Bondsrepubliek Duitsland nog steeds belastingvrijstellingen aan reizigers die tijdens zeereizen in de Noord- en Oostzee vrij van belasting gekochte goederen via de Duitse maritieme douanegrens invoeren. Daarom heeft de Commissie bij het Hof het beroep wegens niet-nakoming 325/82 ingesteld, dat wij in het tweede deel zullen onderzoeken.
Eerste deel
Bij het onderzoek van de vragen zullen wij onderscheiden tussen de drie soorten vervoermiddelen waarvan de reizigers gebruik maken enerzijds en, voor zover nodig, tussen de vrijstellingen van douanerechten (heffingen bij de invoer van al dan niet verwerkte landbouwprodukten) en de vrijstellingen van belasting (omzetbelasting en accijnzen) anderzijds.
1. Het internationale reizigersverkeer met veerboten (tussen derde landen en Lid-Staten)
De oplossing moet dezelfde zijn voor landbouwprodukten of door verwerking daarvan verkregen produkten en voor andere goederen. Artikel 1 van verordening nr. 1818/75 van de Raad van 10 juli 1975 bepaalt immers, dat verordening nr. 1544/69 van 23 juli 1969 ook van toepassing is op de landbouwheffingen en andere in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid voorziene invoerheffingen.
Deze oplossing volgt voor de vrijstellingen van douanerechten duidelijk uit punt 1 en voor de vrijstellingen van belasting uit punt 4 van het dictum van 's Hofs arrest van 7 juli 1981: beide soorten vrijstellingen gelden voor goederen die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van uit derde landen komende reizigers, ongeacht oorsprong en herkomst van die goederen.
2. Reizigersverkeer met veerboten tussen Lid-Staten (intracommunautaire reizigersverkeer)
In dit geval moet worden onderscheiden tussen de tariefbehandeling en de fiscale behandeling bij de invoer van goederen die door reizigers aan boord van deze veerboten vrij van belasting zijn gekocht.
2.1.
Wat de tariefbehandeling betreft, is de oplossing wederom in voornoemd arrest te vinden. De vrijstellingen van douanerechten gelden alleen voor goederen „die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers die uit derde landen komen”, en de gemeenschapsregeling terzake (verordeningen nrs. 1544/69 en 1818/75) is „uitputtend” (punt 2 van het dictum).
Bijgevolg zijn in het kader van bedoeld reizigersverkeer de Lid-Staten niet langer bevoegd om douanefaciliteiten toe te staan, wanneer de goederen zich aan boord van de schepen nog niet in het vrije verkeer bevonden in de zin van artikel 10, lid 1, EEG-Verdrag.
Op dit punt heeft overigens een verordening van 28 september 1982 de Duitse wettelijke regeling per 1 januari 1983 in overeenstemming gebracht met het gemeenschapsrecht.
2.2.
Over de fiscale behandeling daarentegen van goederen die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers en door hen in het kader van bedoeld reizigersverkeer zijn gekocht, zijn de meningen verdeeld: volgens sommigen mogen geen belastingvrijstellingen worden verleend, volgens anderen wel.
2.2.a)
Ten betoge dat geen belastingvrijstellingen mogen worden verleend, worden de volgende argumenten aangevoerd:
—
Richtlijn nr. 69/169 wil weliswaar dubbele belastingheffing bij invoer voorkomen, maar heeft niet tot gevolg dat belastingheffing achterwege wordt gelaten. Bijgevolg zouden door het verlenen van ontheffing bij de invoer van aan boord van schepen vrij van belasting gekochte goederen „fiscale paradijzen” in het leven worden geroepen.
—
Artikel 2 van de tweede richtlijn van de Raad van 12 juni 1972 (nr. 72/230) stelt verschillende kwantitatieve grenzen vast voor het internationale reizigersverkeer enerzijds en het intracommunautaire reizigersverkeer anderzijds. Voorts heeft deze richtlijn overeenkomstig het voorstel van de Commissie aan de Raad van 30 juli 1971 (PB C 106 van 1971, blz. 19) aan artikel 6 van de oorspronkelijke richtlijn een tweede lid toegevoegd, luidende als volgt:
„Onverminderd de regeling welke geldt voor de verkoop vanuit onder douanetoezicht staande verkoopinrichtingen in luchthavens en voor de verkoop aan boord van vliegtuigen, hebben de Lid-Staten met betrekking tot de verkoop in de kleinhandelsfase de bevoegdheid, in de gevallen en onder de voorwaarden welke in de leden 3 en 4 nader zijn vastgesteld, om ontheffing van de omzetbelastingen toe te staan voor goederen welke worden meegevoerd in de persoonlijke bagage van reizigers die een Lid-Staat verlaten. Met betrekking tot de accijnzen mag geen enkele ontheffing worden verleend.”
Dit uitdrukkelijke voorbehoud ten gunste van het luchtverkeer, dat — zij het iets anders geformuleerd — in de derde richtlijn van 19 december 1978 (nr. 78/1032) is overgenomen ( 4 ), zou niet bij analogie kunnen worden uitgebreid tot goederen die zijn verworven in het intracommunautaire zeeverkeer.
Dit voorbehoud kwam niet voor in het door de Commissie op 31 december 1976 bij de Raad ingediende voorstel voor een derde richtlijn (PB C 31 van 1977, blz. 5).
—
Tenslotte wordt aangevoerd, dat volgens punt 6 van het dictum van 's Hofs arrest van 7 juli 1981 de Raad „met de vaststelling van richtlijn nr. 69/169 en van de tweede en de derde richtlijn van respectievelijk 12 juli 1972 en 19 december 1978, die de eerste aanvullen, voor goederen die zich in de persoonlijke bagage van reizigers bevinden, geleidelijk een volledig stelsel van vrijstellingen van omzetbelasting en accijnzen (heeft) willen invoeren, zodat de Lid-Staten op dit gebied nog slechts beschikken over de hun door de richtlijnen verleende beperkte bevoegdheid om andere vrijstellingen toe te staan dan die welke in de richtlijnen zijn genoemd”.
De verlening van vrijstellingen voor onder vorenbedoelde omstandigheden verworven goederen zou niets te maken hebben met het nagestreefde doel, namelijk de bevolking van de Lid-Staten meer bewust te maken van het bestaan van een gemeenschappelijke markt, de door de reizigers bij het overschrijden van de binnengrenzen te verrichten aangiften te vereenvoudigen en dubbele belastingheffing te voorkomen.
2.2.b)
Andere argumenten worden aangevoerd om de verlening van belastingvrijstellingen te rechtvaardigen.
Betoogd wordt dat, nu in het luchtverkeer vrijstellingen mogen worden toegestaan, er geen bezwaar tegen bestaat ze ook in het zeeverkeer te verlenen. Uit de opmerkingen van zowel de oorspronkelijke Lid-Staten als die welke op 1 januari 1973 zijn toegetreden, blijkt dat ten tijde van de vaststelling van de tweede richtlijn in 1972 het probleem van de vrijstellingen in het zeeverkeer zich tussen de „continentale” Lid-Staten niet voordeed en eerst acuut is geworden na de toetreding van de drie nieuwe Lid-Staten, waarvan twee eilandstaten zijn.
Om de draagwijdte van het voorbehoud van artikel 6, lid 2, te beoordelen, moet het worden bezien in zijn specifieke context en in de ruimere context van de harmonisatie van de nationale bepalingen betreffende de belastingregeling in het internationale en intracommunautaire reizigersverkeer..
Gelijk de Commissie opmerkt, verschilt het stelsel van richtlijn nr. 69/169 wezenlijk van dat van de gemeenschappelijke BTW-regeling. Terwijl de tot dusver gerealiseerde BTW-harmonisatie berust op de handhaving van de fiscale grenzen, dat wil zeggen op het beginsel van belastingheffing bij invoer in het land van bestemming (met ontheffing bij uitvoer het land van herkomst) ( 5 ), is de harmonisatie van de belastingvrijstellingen bij invoer door particulieren gebaseerd op het beginsel van belastingheffing in het land van oorsprong (met ontheffing in het land van bestemming).
Artikel 6, lid 1, verplicht de Lid-Staten, passende maatregelen te treffen om te voorkomen dat ontheffingen worden verleend bij de aankoop van goederen door reizigers die hun verblijfplaats in de Gemeenschap hebben en gebruik maken van de in de richtlijn vervatte gemeenschappelijke vrijstellingsregeling.
Aansluitend op het voorbehoud betreffende het luchtverkeer, legt lid 2 de Lid-Staten de verplichting op, de nodige maatregelen te nemen ten aanzien van de verkoop in de kleinhandelsfase teneinde het, in de gevallen en onder de voorwaarden die in de leden 3 en 4 zijn vastgesteld, mogelijk te maken dat ontheffing van omzetbelasting wordt verleend voor leveringen van goederen die de reizigers bij het verlaten van het grondgebied van een Lid-Staat in hun persoonlijke bagage meevoeren. Van accijnzen mag evenwel geen ontheffing worden verleend.
Deze gevallen betreffen zowel niet-ingezetenen als ingezetenen die een Lid-Staat verlaten; voor deze laatsten is ontheffing slechts toegestaan voor voorwerpen waarvan de waarde per voorwerp, inclusief belastingen, hoger is dan het in artikel 2, lid 1, vermelde bedrag.
Voor goederen die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers, kan in de Lid-Staat van bestemming belastingheffing achterwege worden gelaten, omdat die goederen „in de regel” reeds in de Lid-Staat van herkomst zijn belast en er een vermoeden bestaat, dat daar geen ontheffing heeft plaatsgevonden. Maar dit sluit niet de mogelijkheid uit, onder bepaalde omstandigheden zelfs in geval van ontheffing bij het vertrek ook bij aankomst ontheffing te verlenen. Binnen de — lagere — grenzen die voor het reizigersverkeer met derde landen gelden, wordt dus de anomalie geduld dat in het geheel geen belasting wordt geheven.
Evenals advocaat-generaal Capotorti in zijn conclusie in zaak 158/80 (Rewe, Jurispr. 1980, blz. 1841, 1848) meen ik, dat het voorbehoud van artikel 6, lid 2, een ruime strekking heeft en de belastingregeling betreffende de belastingvrije verkopen in het intracommunautaire zeeverkeer onverlet Iaat.
Weliswaar is vóór de wijziging van artikel 6 overleg gepleegd met de staten waarmee toen toetredingsonderhandelingen gaande waren, maar de omstandigheid dat die staten op dat ogenblik geen bezwaar hebben gemaakt tegen een mogelijke uitlegging van die wijziging in het nadeel van de verkopen aan boord van veerboten, kan niet worden beschouwd als een stilzwijgende instemming met een uitlegging waarop zij niet speciaal attent waren gemaakt.
Tegenover het argument dat de richtlijnen in het intracommunautaire reizigersverkeer een „volledig” stelsel van belastingvrijstellingen hebben ingevoerd, valt op te merken dat het Hof in punt 6 van het dictum van zijn arrest van 7 juli 1981 heel bewust spreekt van „geleidelijk” invoeren; deze formulering staat in duidelijk contrast met die van punt 2 van het dictum, volgens welke de regeling betreffende de vrijstellingen van invoerrechten „uitputtend” is. Het geleidelijke karakter van de harmonisatie in deze sector wordt nog onderstreept door het feit dat de op dit gebied vastgestelde richtlijnen opklimmende nummers dragen.
De wettelijke regelingen van de Lid-Staten op het gebied van de omzetbelasting betreffen weliswaar een „gemeenschappelijk stelsel” van BTW, maar in werkelijkheid is dit stelsel slechts gedeeltelijk „gemeenschappelijk”. Volgens 's Hofs arrest van 5 mei 1981 (zaak 15/81, Schul, Jurispr. 1982, blz. 1409, r.o. 13) hebben de betrokken richtlijnen het BTW-stelsel immers slechts gedeeltelijk geharmoniseerd.
De zesde richtlijn van de Raad van 17 mei 1977 (nr. 77/388, PB L 145 van 1977, blz. 1) heeft de BTW-grondslag op uniforme wijze vastgesteld. Artikel 2 bepaalt, dat de invoer van goederen onder deze belasting valt.
Artikel 14 vermeldt alle gevallen van ontheffing bij invoer, maar geen daarvan betreft BTW-vrijstelling voor goederen die zijn verworven in het intracommunautaire reizigersverkeer, of het nu om luchtverkeer dan wel om zeeverkeer gaat. Maar zoals de Britse regering opmerkt, laten deze ontheffingen de overige fiscale gemeenschapsbepalingen onverlet (artikel 16 van richtlijn nr. 77/388).
Met de harmonisatie van de accijnzen is nog geen begin gemaakt, afgezien van de bepalingen betreffende bestanddelen van de belasting op tabak.
In deze context lijkt de verwijzing naar het Verdrag van New York van 1954, waarbij alle Lid-Staten partij zijn, ons niet van ieder belang ontbloot.
Volgens artikel 13 van dit verdrag ontneemt geen enkele bepaling daarvan de verdragsluitende staten die een douane-of economische unie vormen, het recht om bijzondere regels vast te stellen voor de ingezetenen van de'landen die tot die unie behoren.
Voorts bepaalt artikel 234 EEG-Verdrag, dat „de rechten en verplichtingen voortvloeiende uit overeenkomsten vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag gesloten tussen een of meer Lid-Staten enerzijds en een of meer derde Staten anderzijds, door de bepalingen van dit Verdrag niet worden aangetast”.
De Lid-Staten kunnen zich dus niet op het Verdrag van New York beroepen om zich te verzetten tegen de toepassing, in hun onderlinge betrekkingen, van voorschriften die de betrokken materie niet op dezelfde wijze regelen als dat verdrag. Maar bij gebreke van een uitputtende gemeenschappelijke regeling betreffende de belastingvrijstellingen bij invoer door particulieren, is het mogelijk de bestaande gemeenschapsbepalingen zodanig uit te leggen, dat zij verenigbaar zijn met het Verdrag van New York.
Het regiem van „duty-free shops” in het intracommunautaire reizigersverkeer over zee of door de lucht is nog steeds een zaak van de Lid-Staten en de door Rewe voorgestelde uitlegging lijkt mij onverenigbaar met voornoemd verdrag.
Tenslotte zijn zwaarwegende argumenten te vinden in de ontwikkeling van de wetgevende arbeid na de vaststelling van de richtlijn van 1972.
Na de invoering van bedoeld voorbehoud diende de Commissie op 22 september 1972 bij de Raad een voorstel in voor een derde richtlijn (PB C 113 van 1972, blz. 15), met name met het oog op de harmonisatie van de ontheffingsregelingen voor de onder douanetoezicht staande verkoopinrichtingen op luchthavens en voor de verkoop aan boord van vliegtuigen en schepen, met uitzondering evenwel van de belastingregeling voor het verbruik aan boord. Wegens het verzet van de Lid-Staten moest zij het voorstel evenwel intrekken. Vermeldenswaard is echter, dat zij er in dit voorstel zelf van uitging, dat nog geen gemeenschapsregeling voor de verkopen onder douanetoezicht, niet alleen in luchthavens en aan boord van vliegtuigen, maar ook aan boord van schepen, bestond en dat voor beide gevallen dezelfde regeling had te gelden.
Hangende de onderhavige procedure, heeft de Commissie tenslotte op 11 april 1983 bij de Raad een voorstel voor een zevende richtlijn tot wijziging van richtlijn nr. 69/169 ingediend (PB C 114 van 1983, blz. 7), waarin het zinsdeel „onverminderd de regeling...” eenvoudig is weggelaten op grond van de overweging „dat de Lid-Staten de voorschriften die zij thans toepassen ten aanzien van de verkoop vanuit onder douanetoezicht staande verkoopinrichtingen op luchthavens en in havens of aan boord van luchtvaartuigen of zeevaartuigen aan reizigers met bestemming derde landen, mogen handhaven”, waarbij wordt gepreciseerd dat „het wenselijk blijkt ten aanzien van reizigers die zich (aan boord van luchtvaartuigen, zeeschepen of draagvleugelboten voor het zeeverkeer) tussen Lid-Staten verplaatsen, de waarde van en de hoeveelheid goederen die belastingvrij aan hen kunnen worden geleverd, te beperken en bij invoer vrijstelling te verlenen, zit het binnen de grenzen van de vrijstellingen welke gelden voor uit derde landen komende reizigers.”
3. Het gecombineerde intracommunautaire reizigersverkeer (schip en autobus)
Zoals gezegd, heeft de nationale rechter het volgende geval voor ogen: aan boord van schepen die vanuit een haven in een Lid-Staat (de Bondsrepubliek Duitsland) naar een haven in een andere Lid-Staat (Denemarken) varen, kopen de reizigers, vrij van douanerechten en belasting, goederen die zich niet in het vrije verkeer bevinden en niet met omzetbelasting of accijnzen zijn belast; vervolgens gaan zij in de haven van de tweede Lid-Staat (Denemarken) van boord en keren over land (per autobus) terug naar de Lid-Staat van vertrek (de Bondsrepubliek).
3.1.
Alle partijen zijn het erover eens dat, evenals in het intracommunautaire reizigersverkeer met veerboten, voor deze goederen geen douanefaciliteiten gelden.
3.2.
Wat de belastingfaciliteiten betreft, impliceert — anders dan de rederij te Flensburg, interveniënte in het hoofdgeding, meent — de aanvaarding van de stelling dat deze vrijstellingen in het intracommunautaire reizigersverkeer met veerboten mogen worden verleend, nog niet dat dezelfde behandeling heeft te gelden voor het gecombineerde reizigersverkeer met schip en autobus.
Wil dit het geval zijn, dan mogen die „reizen” niet tot hoofddoel hebben de belastingvrije aankoop van goederen en de eveneens belastingvrije invoer daarvan in de Lid-Staat van vertrek mogelijk te maken. Het criterium zou kunnen zijn, of de belastingontheffing voor de reizigers tegen de reiskosten opweegt of, zonder deze volledig te compenseren, toch nog voldoende aantrekkelijk is. Ook zou aan de verlening van deze vrijstellingen de voorwaarde kunnen worden verbonden dat de reizigers, volgens de vermeldingen op het vervoerbiljet, daadwerkelijk de mogelijkheid hebben om van boord te gaan, het onder douanetoezicht staande havengebied te verlaten en zonder ontheffing van belasting inkopen te doen alvorens met de autobus te vertrekken. Kortom, het moet gaan, zoals de Ierse repectievelijk de Franse regering het uitdrukt, om „bonafide reizigers” of een „economisch verantwoorde reis”.
Concluderende geef ik het Hof in overweging, de vragen van het Finanzgericht Hamburg te beantwoorden als volgt:
1.
De douane- en belastingfaciliteiten bij invoer gelden voor goederen die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers en door hen zijn gekocht aan boord van veerboten die internationale lijndiensten (tussen derde landen en Lid-Staten) onderhouden, ook wanneer die goederen zich niet in de Lid-Staten in het vrije verkeer bevonden of niet met omzetbelasting of accijnzen van een Lid-Staat of een derde land waren belast.
2.
a)
De douanefaciliteiten bij invoer gelden niet voor goederen die zich niet in de Lid-Staten. in het vrije verkeer bevinden en door reizigers zijn gekocht aan boord van veerboten die intracommunautaire lijndiensten (tussen Lid-Staten) onderhouden.
b)
Bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht komen goederen die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers en door hen zijn gekocht aan boord van veerboten die intracommunautaire lijndiensten onderhouden, in aanmerking voor de belastingvrijstellingen die worden verleend bij invoer uit derde landen, zonder dat behoeft te worden onderzocht of die goederen onder de algemene belastingregeling van de binnenlandse markt van een Lid-Staat zijn verkregen.
3.
De belastingfaciliteiten die worden verleend bij invoer uit derde landen, gelden ook voor goederen die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers en door hen, vóór hun terugkeer over land naar de Lid-Staat van vertrek, zijn gekocht aan boord van een schip dat vanuit een haven in de Lid-Staat van vertrek naar een haven in een andere Lid-Staat vaart, mits de reizigers in laatstgenoemde Lid-Staat aan land zijn kunnen gaan en daar daadwerkelijk inkopen hebben kunnen doen onder de algemene belastingregeling van de binnenlandse markt van die Lid-Staat.
Tweede deel
Na 's Hofs arrest van 7 juli 1981 verzocht de Commissie bij brief van 2 februari 1982 alle Lid-Staten, uiterlijk per 31 maart 1982 hun praktijk met dat arrest in overeenstemming te brengen.
De Duitse regering antwoordde bij telexbericht van 31 maart 1982, waarin zij verklaarde dat haars inziens de Commissie zelf niet de nodige consequenties uit 's Hofs arrest had getrokken; zij gaf te verstaan, dat zij zich eerst naar de door de Commissie daaraan gegeven uitlegging zou voegen wanneer gemeenschapsbepalingen waren vastgesteld die het vraagstuk van de douane- en belastingfaciliteiten voor goederen in de persoonlijke bagage van reizigers op uniforme wijze zouden regelen voor alle vormen van intracommunautair reizigersverkeer.
De regeringen van de overige Lid-Staten reageerden blijkbaar in dezelfde zin als de Duitse regering.
Op 7 april 1982 herinnerde de Commissie alle Lid-Staten aan de inhoud van haar brief van 2 februari 1982. De Duitse regering liet zij met name weten (brief SG (82) D/5382), dat het antwoord in het telexbericht van 31 maart 1982 niet bevredigend was en dat zij haar een termijn van drie weken voor opmerkingen toestond.
Toen de Lid-Staten aan deze brief geen gevolg gaven, bracht de Commissie op 11 juni 1982 twee met redenen omklede adviezen uit:
—
met het eerste (nr. C (82) 545) gelastte zij alle Lid-Staten behalve de Bondsrepubliek Duitsland, binnen de maand een eind te maken aan de verkoop met vrijstelling van douanerechten van produkten uit derde landen aan reizigers in het intracommunautaire reizigersverkeer;
—
met het tweede (nr. C (82) 768) gelastte zij de Bondsrepubliek Duitsland, nu het Hof verordening nr. 3023/77 van de Raad ongeldig had verklaard, binnen de maand een einde te maken aan de verlening van vrijstellingen van douanerechten en van belastingen bij de invoer van goederen door reizigers die de maritieme douanegrens overschreden zonder eerst in een derde land van boord te zijn gegaan.
Op 30 augustus 1982 deelde de Bondsregering de Commissie mee, dat zij — evenals de andere Lid-Staten — had besloten, per 1 januari 1983 een eind te maken aan de vrijstellingen van douanerechten voor in het intracommunautaire lucht- en zeeverkeer of tijdens „minicruises” op zee verworven goederen. Zij was evenwel niet bereid tot afschaffing van de belastingvrijstellingen voor goederen die tijdens deze minicruises waren verworven, zolang dat ook niet gold voor aankopen in „duty-free shops” op luchthavens en aan boord van luchtvaartuigen, luchtkussenvoertuigen en lijnschepen.
Daarop heeft de Commissie op 20 december 1982 het Hof verzocht vast te stellen, dat de Bondsrepubliek Duitsland de krachtens het EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet nakomt door, in strijd met richtlijn nr. 69/169, vrijstellingen van belasting (omzetbelasting en accijnzen) te verlenen aan reizigers die tijdens „cruises” of „excursies” (Kurz- und Stichfahrten) op de Noorden Oostzee belastingvrij gekochte goederen via de maritieme douanegrens invoeren.
De regering van de Bondsrepubliek Duitsland concludeert tot niet-ontvankelijkheid van het beroep, subsidiair tot aanhouding van de zaak tot na de uitspraak in zaak 278/82, en meer subsidiair tot verwerping van het beroep.
1.
In werkelijkheid hebben de argumenten waarmee de Duitse regering de ontvankelijkheid van het beroep betwist, betrekking op de inhoud van het tot haar gerichte met redenen omkleed advies (C (82) 768) en op de gegrondheid van het beroep.
De Duitse regeling onderscheidt tussen de vrijstelling voor het „grote transitopakket”, wanneer het schip uit volle zee komt en hetzij laatstelijk uit een vreemde haven is vertrokken hetzij ten minste acht uur buiten het maritieme douanegebied heeft verbleven, en de vrijstelling voor het „kleine transitopakket”, wanneer de invoer geschiedt via de maritieme douanegrens na een boottocht van minder dan acht uur. ( 6 )
Reizigers die deelnemen aan een zeecruise met een schip dat geen vreemde haven aandoet, krijgen dus de belastingvrijstellingen „voor derde landen”, op voorwaarde dat het schip ten minste acht uur buiten het douanegebied verblijft.
Het beroep wegens niet-nakoming heeft juist betrekking op dit punt.
2.
Het probleem van de belastingvrijstellingen voor reizigers die goederen kopen tijdens cruises waarbij het schip ten minste acht uur buiten het douanegebied verblijft, verschilt van dat van de vrijstellingen van belasting (en eventueel van douanerechten) voor reizigers die gebruik maken van regelmatige veerdiensten over zee tussen Lid-Staten of tussen derde landen en Lid-Staten.
Het geval waarop het beroep wegens niet-nakoming betrekking heeft, vertoont veel gelijkenis met dat van de „Butterfahrten”, waarom het in 's Hofs arrest van 7 juli 1981 ging, en zelfs met dat van vorenbedoelde gecombineerde scheepsbusreizen.
Ofschoon het bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht nog steeds mogelijk is om belastingvrijstellingen te verlenen voor goederen die vrij van belasting zijn verworven aan boord van veerboten die het zeeverkeer tussen Lid-Staten onderhouden, zijn vrijstellingen voor tijdens gecombineerde scheepsbusreizen verworven goederen slechts toegelaten onder de hiervoor uiteengezette voorwaarden; maar de gemeenschapsbepalingen staan in ieder geval in de weg aan vrijstelling voor goederen die zijn verworven tijdens cruises waarbij het schip geen andere haven dan zijn thuishaven aandoet, zelfs indien het ten minste acht uur buiten het nationale douanegebied heeft verbleven.
In laatste instantie verschuilt de Duitse regering zich achter een document van de Raad (doc. 6041/82 FISC 16). Volgens haar zou op 31 maart 1982 in het COREPER zijn verklaard, dat het lot van de „mini-cruises” afhing van dat van de „duty-free shops” in het algemeen.
In werkelijkheid gaat het bij het overgelegde document om een verklaring van de Duitse delegatie. Zoals advocaat-generaal Sir Gordon Slynn opmerkte in zijn conclusie in zaak 8/81 (Becker, Jurispr. 1982, blz. 78, blz. 80), moet de vraag „of een beroep kan worden gedaan op een bepaling van een richtlijn,... worden beantwoord aan de hand van de richtlijn zelf en niet op basis van een niet gepubliceerde verklaring van een vertegenwoordiger van een van de bij het wetgevingsproces betrokken instellingen omtrent hetgeen hij meende dat het voornemen van die instelling was.”
Volgens de door mij voorgestelde uitlegging impliceert de tekst van richtlijn nr. 69/169, dat goederen die tijdens dergelijke cruises op de Noord- en Oostzee vrij van belasting aan reizigers zijn verkocht, bij invoer in de Bondsrepubliek Duitsland niet mogen worden vrijgesteld.
Concluderende geef ik het Hof in overweging, het beroep van de Commissie gegrond te verklaren en de Bondsrepubliek Duitsland in de kosten te verwijzen.
( 1 ) Vertaald uit het Frans.
( 2 ) De vrijstellingen van douanerechten (invoerrechten en heffingen bij de invoer van landbouwprodukten) zijn geregeld door verordening nr. 1544/69 van de Raad van 23 juli 1969 (PB L 191 van 1969, blz. I), zoals gewijzigd bij verordening nr. 3313/81 van 17 november 1981 (PB L 334 van 1981, blz. I), en door verordening nr. 1818/75 van de Raad van 10 juli 1975 (PB L 185 van 1975, blz. 3), zoals gewijzigd bij verordening nr. 2780/78 van 27 november 1978 (PB L 333 van 1978, blz. 7).
De vrijstellingen van belasting (omzetbelasting en accijnzen) zijn geregeld door richtlijn nr. 69/169 van de Raad van 28 mei 1969 (PB L 133 van 1969, blz. 6), zoals laatstelijk gewijzigd bij richtlijn nr. 82/443 van 29 juni 1982 (PB L 206 van 1982, blz. 35).
( 3 ) Deze rectificatie strekt ertoe, de verplichting voor de reiziger om aan te tonen dat de in zijn bagage meegevoerde goederen onder de belastingregeling van de binnenlandse markt van een Lid-Staat zijn verkregen en niet voor enigerlei teruggaaf van omzetbelasting of accijnzen in.aanmerking komen, te beperken tot het geval dat de reis plaatsvindt via het grondgebied van een derde land of vanuit een gebiedsdeel van een Lid-Staat, waarin die belastingen niet van toepassing zijn op goederen die aldaar worden verbruikt (artikelen 2, lid 4, en 4, lid 4, van richtlijn nr. 69/169).
( 4 ) Onverminderd de regeling welke van toepassing is op de verkoop vanuit onder douanetoezicht staande verkoopinrichtingen in luchthavens en op de verkoop aan boord van vliegtuigen, nemen de Lid-Staten de nodige maatregelen ten aanzien van de verkoop in de kleinhandelsfase ten einde het, in de gevallen en onder de voorwaarden die in de leden 3 en 4 zijn vastgesteld, mogelijk te maken dat ontheffing van omzetbelasting wordt verleend voor leveringen van goederen welke de reizigers bij het verlaten van een Lid-Staat in hun persoonlijke bagage meevoeren. Van accijnzen mag geen enkele ontheffing worden verleend.
( 5 ) Vgl. het arrest van 9 oktober 1980, zaak 823/79, Calciati, Jurispr. 1980, blz. 2773, r.o. 10: „Het door een Lid-Staat aan ingezetenen opgelegde verbod om met tijdelijke vrijstelling ingevoerde motorvoertuigen te gebruiken, vormt een doeltreffend middel om belastingfraude te voorkomen en te waarborgen dat de belasting wordt betaald in het land van bestemming der goederen”.
( 6 ) Paragraaf 3, lid 5, van de verordening betreffende de vrijstelling van rechten en heffingen bij invoer voor goederen in de persoonlijke bagage van reizigers van 3 december 1974 (Einrcisc-Frcimcngcn-Verordnung, BGBl. 1974, I, biz. 3377), zoals gewijzigd bij de derde verordening van 28 september 1982 (BGBl. 1982, I, biz. 1378):
„Bij binnenkomst per schip... worden tabaksproduktcn, in zoverre zij de in lid 4, sub I, vermelde hoeveelheden [het „kleine transitopakket” voor grensbewoners] overschrijden, alsook alcoholische dranken, koffie en thee slechts van rechten en heffingen vrijgesteld, wanneer het schip... uit volle zee komt en hetzij laatstelijk uit een vreemde haven is vertrokken hetzij ten minste acht uur buiten het douanegebied heeft verbleven.”
Full & Egal Universal Law Academy