CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL S. ROZÈS
VAN 17 NOVEMBER 1983 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
De Raad van Beroep te Amsterdam heeft krachtens artikel 177, eerste en tweede alinea, EEG-Verdrag het Hof vier prejudiciële vragen gesteld. De Nederlandse rechter vraagt om een uitspraak over de uitlegging van enkele bepalingen van verordening nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, en van de toepassingsverordening nr. 574/72 van 21 maart 1972 (PB L 149 van 1971, blz. 2, resp. PB L 74 van 1972, blz. 1; gecodificeerde versie in PB C 138 van 1980, blz. 1 en 65). De vragen hebben in hoofdzaak betrekking op artikel 15, lid 1, sub b en c, van de toepassingsverordening, waarin wordt bepaald hoe bij de toepassing van artikel 46, lid 2, sub b, van de basisverordening rekening moet worden gehouden met samenvallende verzekeringstijdvakken.
Het hoofdgeding betreft een geschil tussen een voormalig werknemer van Duitse nationaliteit, die in Nederland heeft gewerkt, Wilhelm J. Derks, en de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging (hierna: NAB), een Nederlands orgaan van sociale zekerheid, over de wijze van berekening en bijgevolg over de hoogte van de uitkering krachtens de Nederlandse Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: WAO), die de NAB met toepassing van genoemde verordeningen aan Derks uitkeert. Een van de oorzaken van dit geschil is, dat Derks een deel van de verzekeringstijdvakken die voor de berekening van de uitkering in aanmerking moeten worden genomen, heeft vervuld onder vigeur van de Invaliditeitswet, die thans door de hiervan in belangrijke mate verschillende WAO is vervangen. Met de problemen die deze verandering van wetgeving heeft opgeroepen, heeft het Hof reeds kennis gemaakt in zaak 109/76 (Blottner, arrest van 9. 6. 1977, Jurispr. 1977, blz. 1141), die eveneens door de Raad van Beroep te Amsterdam aan het Hof was voorgelegd.
I —
Laat ik de feiten samenvatten.
Van 7 juni 1955 tot 1 april 1971 was Derks in loondienst werkzaam in Nederland.
Van het begin tot en met 31 december 1964 betaalde hij 500 weekpremies krachtens de Invaliditeitswet; hiermee was het betrokken risico over de gehele periode gedekt (antwoord van de NAB op een ter terechtzitting gestelde vraag). Ingevolge de Invaliditeitswet hing de hoogte van de uitkering af van het aantal door de werknemer vervulde verzekeringstijdvakken. Het was dus een wettelijke regeling van het type B, zoals's Raads verordening nr. 3 van 25 september 1958 ze noemt, een aanduiding die men gemakshalve maar blijft gebruiken.
De in de Invaliditeitswet geregelde verzekeringen werden geliquideerd bij de Liquidatiewet Invaliditeitswetten van 10 december 1964, met latere wijzigingen. Ingevolge artikel 3, lid 1, van deze laatste wet kon vanaf 1 januari 1965 geen premie meer worden betaald op grond van de Invaliditeitswet) maar werknemers zoals Derks bleven tot aan de inwerkingtreding van de WAO verzekerd tegen het risico van invaliditeit (ingevolge artikel 10 van de Liquidatiewet Invaliditeitswetten is artikel 71 van de Invaliditeitswet buiten werking getreden behoudens voor zover aan het bepaalde in dat artikel recht op ¡nvaliditeitsrente wordt ontleend terzake van invaliditeit welke is ingetreden vóór 1 juli 1967, en de aanvraag om ¡nvaliditeitsrente uiterlijk op 1 juli 1969 is ingediend).
De WAO trad op 1 juli 1967 in werking. Tot en met 31 maart 1971 was Derks krachtens deze wet verzekerd. De WAO is een wettelijke regeling van het type A, in de zin die deze aanduiding in verordening nr. 3 heeft, aangezien de hoogte van de op grond ervan verstrekte uitkering losstaat van de duur van de verzekering op het moment dat de verzekerde gebeurtenis zich voordoet.
Het grootste deel van de tijd dat hij in Nederland werkte, betaalde Derks ook in de Bondsrepubliek Duitsland premies ter dekking van het invaliditeitsrisico. Hij deed dit op grond van het „Arbeiterren-tenversicherungs-Neuregelungsgesetz” (wet houdende nieuwe regeling van de invaliditeits- en ouderdomsverzekering van werknemers), een wettelijke regeling van het type Β (bijlage III bij verordening nr. 1408/71). Derks betaalde deze premies vrijwillig: hij had zich in zijn eigen land verzekerd omdat hij dacht zo een hoger pensioen te zullen krijgen dan wanneer hij zich aansloot bij de aanvullende verzekering van zijn Nederlandse werkgever (zie zijn klaagschrift tegen de beslissing van de NAB). De vrijwillige verzekering van Derks in Duitsland omvat twee tijdvakken: de periode van 1 januari 1957 tot en met 31 december 1966 en die van 1 januari tot en met 31 december 1968.
Vanaf 1 april 1971 — vermoedelijk de datum waarop hij weer in de Bondsrepubliek Duitsland werk in loondienst ging verrichten — viel Derks enkel nog onder de verplichte Duitse invaliditeitsverzekering.
Op 8 oktober 1976 werd hij arbeidsongeschikt.
Hij vroeg daarop bij de NAB een WAO-uitkering aan, die hem bij beslissing van 31 mei 1978 werd toegekend met ingang van 7 oktober 1977. Deze beslissing berust op artikel 45, lid 3, van verordening nr. 1408/71, dat betrekking heeft op wettelijke regelingen zoals de WAO, die geen eisen stellen betreffende de verzekeringsduur, maar verlangen dat de werknemer aan de wetgeving is onderworpen op het moment dat de verzekerde gebeurtenis zich voordoet. Als de werknemer op dat moment is onderworpen aan de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat, zoals Derks aan de Duitse regeling, dan wordt de aansluitingsvoorwaarde ingevolge deze bepaling geacht te zijn vervuld.
Omdat betrokkene slechts aanspraak had op een Nederlandse uitkering wanneer rekening werd gehouden met de in de Bondsrepubliek Duitsland vervulde verzekeringstijdvakken, paste de NAB artikel 46, lid 2, van verordening nr. 1408/71 toe. Voor de berekening van het werkelijke uitkeringsbedrag in de zin van artikel 46, lid 2, sub b, bepaalde zij de verhouding van de duur van de in Nederland vervulde verzekeringstijdvakken (en daarmee gelijkgestelde tijdvakken) tot de totale duur van de in Nederland en Duitsland vervulde (en daarmee gelijkgestelde) tijdvakken.
De tijdvakken van 1 januari 1957 tot en met 31 december 1966 en van 1 januari tot en met 31 december 1968 vielen onder de dekking van een verzekering krachtens de Nederlandse wet en tevens van een verzekering krachtens de Duitse wet; voor de toepassing van de bepalingen voor de berekening van de door de NAB te betalen uitkering zijn dit samenvallende tijdvakken. Naar de eis van artikel 46, lid 2, sub d, bepalende: „De wijze waarop voor het toepassen van de in dit lid aangegeven methode van berekening tijdvakken worden medegerekend, welke geheel of gedeeltelijk samenvallen, wordt in de in artikel 97 bedoelde toepassingsverordening geregeld”, gaf de NAB derhalve toepassing aan artikel 15 van verordening nr. 574/72.
Voor 1968, toen Derks in de Bondsrepubliek Duitsland vrijwillig en in Nederland verplicht was verzekerd, hield de NAB enkel rekening met deze verplichte verzekering, zoals artikel 15, lid 1, sub b, verlangt. Dit onderdeel van haar beslissing wordt niet betwist.
Het verschil van mening tussen partijen in het hoofdgeding betreft de periode van 1 januari 1957 tot eind 1966. Voor dit tijdvak heeft de NAB enkel rekening gehouden met de tijdvakken van verzekering in Duitsland, met voorbijgaan aan de in Nederland vervulde tijdvakken. Daartoe baseerde zij zich op artikel 15, lid 1, sub c, bepalende dat wanneer een krachtens de wetgeving van een Lid-Staat vervuld tijdvak van verzekering dat geen gelijkgesteld tijdvak is, samenvalt met een krachtens de wetgeving van een andere Lid-Staat gelijkgesteld tijdvak, alleen het niet-gelijkgestelde tijdvak in aanmerking wordt genomen.
Haar redenering berust dus op twee premissen:
— het onder de Invaliditeitswet vervulde verzekeringstijdvak is een gelijkgesteld tijdvak;
— wanneer een tijdvak van vrijwillige verzekering dat geen gelijkgesteld tijdvak is, samenvalt met een tijdvak dat met dat van verplichte verzekering is gelijkgesteld, moet het eerstgenoemde tijdvak prevaleren.
Het gevolg hiervan is, dat het bedrag van de Nederlandse uitkering die aan betrokkene wordt betaald, een derde bedraagt van het bedrag dat zou zijn bereikt als van het Nederlandse verzekeringstijdvak was uitgegaan.
Het NAB heeft er nog op gewezen, dat deze beslissing een standaardbeslissing was.
Derks was het niet met deze benadering eens. Op 6 juli 1978 diende hij derhalve een klaagschrift in bij de Raad van Beroep, waarin hij in hoofdzaak stelde, dat het tijdvak van 1 januari 1957 tot en met 31 december 1966 evenzeer een tijdvak van verplichte verzekering in Nederland was als het jaar 1968.
Van mening dat de oplossing van het geschil afhangt van de uitlegging van de gemeenschapsverordeningen inzake de sociale zekerheid van migrerende werknemers, heeft de Raad van Beroep de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:
1.
Is voor de toepassing van artikel 46, lid 2, van verordening nr. 1408/71 een tijdvak van premiebetaling ingevolge de Invaliditeitswet te beschouwen als te zijn vervuld ingevolge een wetgeving of wettelijke regeling als bedoeld in artikel 1, lid j, in samenhang met artikel 1, lid r, en artikel 94, lid 2, van deze verordening?
2.
Indien zich voordoet een tijdvak van premiebetaling ingevolge in genoemd artikel 1, lid j, in samenhang met lid r, moet dan worden gesproken van een niet gelijkgesteld tijdvak in de zin van artikel 15, lid 1, sub c, van verordening nr. 574/72 of is sprake van een krachtens de wetgeving van een Lid-Staat gelijkgesteld tijdvak als bedoeld in laatstgenoemde bepaling?
3.
Indien zich voordoet een tijdvak gelegen vóór 1 juli 1967, waarover geen premie ingevolge de Invaliditeitswet is betaald, maar waarin wel arbeid in loondienst is verricht als bedoeld in bijlage V, onderdeel H, sub 4a, van verordening nr. 1408/71 (zoals deze bepaling luidde ten tijde van de bestreden beslissing), moet dan worden gesproken van een niet gelijkgesteld tijdvak in de zin van artikel 15, lid 1, sub c, van verordening nr. 574/72 of is sprake van een krachtens de wetgeving van een Lid-Staat gelijkgesteld tijdvak als bedoeld in laatstgenoemde bepaling?
4.
Indien een krachtens de wetgeving van een Lid-Staat gelijkgesteld tijdvak van verplichte verzekering samenvalt met een niet gelijkgesteld tijdvak van vrijwillige verzekering, prevaleert in het kader van artikel 15 van verordening nr. 574/72 dan de vraag „verplicht of vrijwillig” (lid 1, sub b), of de vraag „niet of wel gelijkgesteld krachtens de wetgeving van een Lid-Staat” (lid 1, sub c)?
Ik merk op, dat de eerste drie vragen gemeen hebben dat zij gaan over de kwalificatie van vóór 1 juli 1967 in Nederland vervulde tijdvakken van arbeid in loondienst.
II —
Met de eerste vraag wil de verwijzende rechter vernemen, of onder de Invaliditeitswet vervulde tijdvakken van premiebetaling zijn te beschouwen als tijdvakken die zijn vervuld ingevolge een wetgeving of wettelijke regeling in de zin van artikel 1, lid j, van verordening nr. 1408/71 in samenhang met artikel 1, lid r, en artikel 94, lid 2, van deze verordening.
Voor een bruikbaar antwoord hierop dient men niet uit het oog te verliezen, dat de vraag niet algemeen is gesteld, maar enkel voor de toepassing van artikel 46, lid 2, van verordening nr. 1408/71, en dat dit artikel is toegepast op een moment dat de betrokken wet niet langer van kracht was. Ook moeten we bedenken, dat deze vraag geen betrekking heeft op de gehele periode vóór de inwerkingtreding van de WAO, doch enkel op dat gedeelte van die periode, waarin nog premie op grond van de Invaliditeitswet kon worden betaald, dat wil dus zeggen tot 31 december 1984.
1.
Volgens de NAB moet men voor de vraag of tijdvakken van premiebetaling krachtens de Invaliditeitswet in aanmerking kunnen worden genomen voor de toepassing van artikel 46, lid 2, van verordening nr. 1408/71, enkel uitgaan van de „vóór 1 juli 1967 in Nederland vervulde tijdvakken van arbeid in loondienst en de daarmede gelijkgestelde tijdvakken” die worden genoemd in bijlage V, onderdeel H, sub 4a, van die verordening. De NAB merkt op, dat dit begrip in de plaats is gekomen van dat van „tijdvakken van premiebetaling”, dat werd gebruikt toen de wet van kracht was.
Men zou niet meer van tijdvakken van premiebetaling kunnen spreken, omdat de krachtens de Invaliditeitswet betaalde premies geheel zijn afgekocht en de krachtens deze wet vervulde tijdvakken zijn gekapitaliseerd, ook voor zover zij recht konden geven op invaliditeitsuitkeringen.
Voor het internationale verkeer, en vooral voor de toepassing van artikel 46, lid 2, sub b, van verordening nr. 1408/71 was het echter nodig, dat de vóór de inwerkingtreding van de WAO vervulde verzekeringstijdvakken werden vastgesteld. Dit geschiedde bij een circulaire van de Sociale Verzekeringsraad (hierna: SVR) van 8 maart 1967 (nr. 315), waarvan de inhoud in essentie is overgenomen in voornoemde bepaling van bijlage V. Het begrip „tijdvakken van premiebetaling” werd daarbij vervangen door het begrip „vóór 1 juli 1967 in Nederland vervulde tijdvakken van arbeid in loondienst en de daarmee gelijkgestelde tijdvakken”. Dit laatste begrip is aanzienlijk ruimer dan het eerste.
Onder vigeur van de Invaliditeitswet werd een groot deel van de tijdvakken van arbeid in loondienst namelijk niet aangemerkt als tijdvakken van verzekering: in de eerste plaats gold voor de verzekering krachtens de Invaliditeitswet een loongrens; werknemers ouder dan 35 jaar konden niet in de verzekering worden opgenomen: in het algemeen konden tijdvakken waarvoor geen enkele premie was betaald, niet in aanmerking worden genomen als tijdvakken van verzekering. Bovendien worden ingevolge voornoemde circulaire van de SVR tijdvakken van wonen in Nederland aangemerkt als tijdvakken van verzekering, tenzij vaststaat dat de betrokkene gedurende die tijdvakken in die Lid-Staat niet in loondienst heeft gewerkt. Vaststaat dat de woorden „daarmee gelijkgestelde tijdvakken” in bijlage V, onderdeel H, sub 4a, op laatstgenoemde tijdvakken doelen.
2.
De opmerkingen van de NAB zijn mijns inziens juist: voor de toepassing van artikel 46, lid 2, wordt niet meer uitgegaan van de tijdvakken van premiebetaling krachtens de Invaliditeitswet — die horen bij een reeds lang voorbije fase van het Nederlands recht —, maar van de in circulaire nr. 315 van de SVR aanvaarde en in genoemde bepaling van bijlage V overgenomen tijdvakken van arbeid in loondienst en daarmee gelijkgestelde tijdvakken.
3.
De eerste vraag van de Raad van Beroep moet dan ook worden gelezen als volgt:
„Zijn voor de toepassing van artikel 46, lid 2, van verordening nr. 1408/71 ‚de vóór 1 juli 1967 in Nederland vervulde tijdvakken van arbeid in loondienst en de daarmede gelijkgestelde tijdvakken’ te beschouwen als te zijn vervuld ingevolge een wetgeving of wettelijke regeling als bedoeld in artikel 1, sub j, in samenhang met artikel 1, sub r, en artikel 94, lid 2, van deze verordening?”
3.1.
Op het eerste deel van deze vraag is mijns inziens in de rechtspraak van het Hof het antwoord reeds gegeven.
Artikel 1, sub j, van verordening nr. 1408/71 bepaalt:
„ ... ten aanzien van elke Lid-Staat (worden) onder ‚wetgeving’ of ‚wettelijke regeling’ verstaan de bestaande of toekomstige wetten, regelingen, statutaire bepalingen en andere uitvoeringsmaatregelen, welke betrekking hebben op de in artikel 4, leden 1 en 2, bedoelde takken en stelsels van sociale zekerheid” (in artikel 4, leden 1 en 2, worden de takken van sociale zekerheid beschreven, waarop de verordening van toepassing is).
Het Hof nu overwoog in het reeds genoemde arrest-Blottner van 9 juni 1977:
„dat de vraag rijst of de woorden ‚bestaande of toekomstige’ meebrengen dat van het toepassingsgebied dezer omschrijving worden uitgesloten de bepalingen die niet meer van kracht waren ten tijde van de vaststelling van de betrokken verordening en de uitvoeringsverordening ...;
dat artikel 51 van het Verdrag de invoering voorziet van een stelsel van sociale zekerheid, hetwelk de migrerende werknemers waarborgt dat, met het oog op het verkrijgen en het behoud van het recht op uitkeringen alsmede voor de berekening daarvan, al die tijdvakken worden samengeteld welke door de verschillende nationale wetgevingen in aanmerking worden genomen;
dat het doel van dit artikel niet zou worden bereikt, indien de werknemer de hoedanigheid van verzekerde in de zin der betrokken verordeningen zou verliezen door het enkele feit dat ten tijde van de vaststelling dier verordeningen de nationale wettelijke regeling die gold in de tijd dat de werknemer was verzekerd, door een andere wettelijke regeling was vervangen;
dat hieruit volgt dat de uitdrukking ‚bestaande of toekomstige’ niet aldus mag worden verstaan, dat bepalingen die tevoren hebben gegolden, doch op het ogenblik van vaststelling der gemeenschapsverordeningen buiten werking waren getreden, worden uitgesloten” (r.o. 10-13, Jurispr. 1977, blz. 149-150).
3.2.
De tweede bepaling die in de vraag wordt genoemd, artikel 1, sub r, van verordening nr. 1408/71, pleit mijns inziens eveneens voor een bevestigend antwoord.
Volgens deze bepaling
„worden onder ‚tijdvakken van verzekering’ verstaan, de tijdvakken van premie- of bijdragebetaling of van arbeid welke als zodanig worden omschreven of aangemerkt ingevolge de wetgeving waaronder zij zijn vervuld, of geacht worden te zijn vervuld, alsmede alle met deze tijdvakken gelijkgestelde tijdvakken, voor zover zij als zodanig door deze wetgeving zijn erkend”.
Omdat voor de toepassing van artikel 46, lid 2, de begrippen die ten tijde van de Invaliditeitswet van belang waren, zijn vervangen door die van de circulaire van de SVR en van bijlage V, onderdeel H, sub 4a, kan men niet meer aanknopen bij de begrippen van de Invaliditeitswet, de nationale wet waaronder de betrokken tijdvakken zijn vervuld, maar moet men aansluiting zoeken bij de twee recentere bronnen.
Het antwoord op de vraag ligt dan voor de hand: de vóór 1 juli 1967 in Nederland vervulde tijdvakken van arbeid in loondienst en de daarmee gelijkgestelde tijdvakken in de zin van de bijlage zijn respectievelijk tijdvakken van arbeid als omschreven in de bijlage, en gelijkgestelde tijdvakken die daarin worden erkend als gelijkwaardig met verzekeringstijdvakken.
3.3.
Deze beoordeling wordt tenslotte nog bevestigd door artikel 94, lid 2, van verordening nr. 1408/71, de derde bepaling die de Raad van Beroep noemt. De tekst van deze bepaling lijkt mij overtuigend genoeg:
„Voor de vaststelling van de aan deze verordening te ontlenen rechten wordt rekening gehouden met elk tijdvak van verzekering ... dat krachtens de wetgeving van een Lid-Staat vóór de datum van de inwerkingtreding van deze verordening ... is vervuld.”
III —
Gelet op het voorgaande, en in aanmerking nemende dat de tijdvakken van premiebetaling bij de toepassing van artikel 46, lid 2, in gevallen als het onderhavige niet meer meetellen, is de tweede vraag, waarin aan dat begrip wordt aangehaakt, niet meer van belang.
IV —
Voor de vaststelling of de tijdvakken van arbeid in loondienst in de zin van bijlage V, onderdeel H, sub 4a, als niet gelijkgestelde tijdvakken zijn te beschouwen dan wel als krachtens de wetgeving van een Lid-Staat gelijkgestelde tijdvakken, in de zin van artikel 15, lid 1, sub c, van verordening nr. 574/72, kan dus worden volstaan met een onderzoek van de derde vraag.
1.
De Commissie kiest voor de eerste oplossing.
Zij stelt in de eerste plaats, dat de vóór 1 juli 1967 in Nederland vervulde tijdvakken van arbeid in loondienst niet passen binnen het begrip „gelijkgestelde tijdvakken” zoals dit uit artikel 1, sub r, van verordening nr. 1408/71 naar voren komt. In de drieledige definitie van „tijdvakken van verzekering”, die in deze bepaling wordt gegeven, maken tijdvakken van arbeid in loondienst deel uit van de categorie tijdvakken van verzekering die geen gelijkgestelde tijdvakken zijn. Hieronder vallen, zoals wij zagen, in de eerste plaats „tijdvakken van ... arbeid welke als zodanig worden omschreven of aangemerkt ingevolge de wetgeving waaronder zij zijn vervuld ...”
Ook merkt de Commissie op, dat luidens artikel 1, sub r, het de toepasselijke nationale wetgeving is die een tijdvak als „gelijkgesteld tijdvak” moet aanmerken, gelijk ook het Hof te verstaan heeft gegeven in het arrest van 5 december 1967 (zaak 14/67, Welchner, Jurispr. 1967, blz. 413, 422). Bijlage V, onderdeel H, sub 4, is enkel van toepassing op het stelsel van samentelling en prorata-berekening van verordening nr. 1408/71.
Tenslotte wijst zij erop, dat de vóór 1 juli 1967 in Nederland vervulde tijdvakken van arbeid in loondienst geen gelijkgestelde tijdvakken in de zin van artikel 15 van de toepassingsverordening kunnen zijn, omdat artikel 1, sub r, al bepaalt dat gelijkgestelde tijdvakken van verzekering worden beschouwd. Als er bij de verbinding die bijlage V legt tussen de vóór 1 juli 1967 in Nederland vervulde tijdvakken van arbeid in loondienst en de onder de WAO vervulde tijdvakken eenvoudig sprake zou zijn van een gelijkstelling, dan zou deze bijlage geen zin hebben. Die verbinding is volgens de Commissie dan ook van andere aard: de betrokken tijdvakken moeten veeleer worden geacht krachtens de WAO te zijn vervuld, in de zin van de tweede categorie van de definitie van artikel 1, sub r („... tijdvakken ... van arbeid welke als zodanig [i.e. als tijdvakken van verzekering] worden ... aangemerkt ingevolge de wetgeving waaronder zij zijn vervuld ...”).
Mijns inziens wordt in deze argumenten, die alle gebaseerd zijn op een verwijzing naar de wetgeving waaronder de betrokken tijdvakken zijn vervuld of worden geacht te zijn vervuld, dat wil zeggen naar de Nederlandse wetgeving die vóór 1 juli 1967 van kracht was, over het hoofd gezien dat deze verwijzing voor de toepassing van artikel 46, lid 2, niet meer van betekenis is. ( 2 )
We moeten dus enkel uitgaan van bijlage V, onderdeel H, sub 4a.
2.
Om vast te stellen, of de vóór 1 juli 1967 in Nederland vervulde tijdvakken van arbeid in loondienst wel of geen gelijkgestelde tijdvakken zijn in de zin van artikel 15, lid 1, sub c, van verordening nr. 574/72, ga ik uit van de drieledige definitie van tijdvakken van verzekering in artikel 1, sub r, van de basisverordening. De hierin voorkomende verwijzing naar de wetgevingen waaronder de tijdvakken van verzekering zijn vervuld, in casu de Invaliditeitswet, vat ik uiteraard op als een verwijzing naar bijlage V, onderdeel H, sub 4a.
Het kan geen kwaad om hier de letterlijke tekst van bijlage V, onderdeel H, sub 4a, van verordening nr. 1408/71 weer te geven. Deze luidt:
„Als tijdvakken van verzekering, vervuld krachtens de Nederlandse Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering worden bij de toepassing van artikel 46, lid 2, van de verordening mede aangemerkt de vóór 1 juli 1967 in Nederland vervulde tijdvakken van arbeid in loondienst en de daarmede gelijkgestelde tijdvakken.”
Legt men deze formulering naast die van het hiervóór geciteerde artikel 1, sub r, dan dringt de volgende conclusie zich op: bij de verbinding die bijlage V legt tussen de vóór 1 juli 1967 in Nederland vervulde tijdvakken van arbeid en de WAO is geen sprake van gelijkstelling in de zin van het derde onderdeel van de definitie van tijdvakken van verzekering. Deze tijdvakken maken deel uit van de tweede categorie verzekeringstijdvakken die in artikel 1, sub r, van de verordening nr. 1408/71 worden omschreven, omdat zij worden geacht krachtens de WAO te zijn vervuld.
V —
De vierde vraag van de Raad van Beroep rijst alleen, indien men de vóór 1 juli 1967 in Nederland vervulde tijdvaltken van arbeid beschouwt als gelijkgestelde tijdvakken in de zin van artikel 15, lid 1, sub c, van de toepassingsverordening. Mijns inziens is dit niet mogelijk, en ik behandel deze vraag dus enkel voor het geval het Hof dit standpunt niet zou delen.
De Nederlandse rechter vraagt of, indien een gelijkgesteld tijdvak (in de zin van artikel 15, lid 1, punt c) van verplichte verzekering (in de zin van lid 1, punt b, van dat artikel) samenvalt met een tijdvak van vrijwillige verzekering (in de zin van punt b) dat geen gelijkgesteld tijdvak (in de zin van punt c) is, het gelijkgestelde dan wel het verplichte karakter moet prevaleren.
Ik herhaal, in casu is het niet-gelijkgestelde tijdvak van vrijwillige verzekering het tijdvak van verzekering dat Derks in de Bondsrepubliek Duitsland heeft vervuld, en het beweerdelijk gelijkgestelde tijdvak van verplichte verzekering is dat waarin hij in Nederland in loondienst werkzaam was. Beide tijdvakken lopen van 1 januari 1957 tot en met 31 december 1966.
1.
De volgorde van de in een dergelijk geval in aanmerking te nemen tijdvakken is volgens de NAB :
—
tijdvakken van verplichte verzekering,
—
tijdvakken van vrijwillige verzekering waarover, evenals over de tijdvakken van verplichte verzekering, premie moet worden betaald, waarbij de twee categorieën gemeen hebben dat zij tijdvakken van werkelijke verzekering zijn,
—
gelijkgestelde tijdvakken.
Volgens de NAB is het belangrijkste onderscheid tussen de verschillende categorieën verzekeringstijdvakken dus niet dat tussen verplichte en vrijwillige tijdvakken, maar dat tussen tijdvakken van werkelijke — verplichte dan wel vrijwillige — verzekering (dat wil zeggen, tijdvakken die geen gelijkgestelde tijdvakken zijn) en gelijkgestelde tijdvakken.
In het stelsel van artikel 15, lid 1, van verordening nr. 574/72, zou punt b enkel betrekking hebben op het samenvallen van „echte” tijdvakken van verzekering, in de ene Lid-Staat verplicht, in de andere vrijwillig. Volgens de NAB gaat het in deze bepaling volstrekt niet om gelijkgestelde tijdvakken.
Punt c van hetzelfde lid zou een geheel andere materie regelen dan de eraan vooraf gaande alinea. De twee alinea's zouden geheel los van elkaar moeten worden gezien. Punt c zou betrekking hebben op het samenvallen van gelijkgestelde en „echte” tijdvakken van — verplichte dan wel vrijwillige — verzekering, waarbij de woorden „tijdvak dat geen gelijkgesteld tijdvak is” beide categorieën dekken.
Een ander bewijs voor de voorrang van het onderscheid „niet gelijkgesteld — gelijkgesteld” boven het onderscheid „verplicht—vrijwillig” zou te vinden zijn in punt d van dit lid, waarin het samenvallen van twee gelijkgestelde tijdvakken wordt geregeld. Inderdaad speelt het verplichte of vrijwillige karakter van het verzekeringstijdvak geen enkele rol bij de vraag, welk van deze tijdvakken in aanmerking moet worden genomen. Volgens de NAB is in alinea d evenals in alinea b de term „verplichte verzekering” uitsluitend gebruikt met betrekking tot de tijdvakken die geen gelijkgestelde tijdvakken zijn.
2.
Deze opvatting moet mijns inziens van de hand worden gewezen.
Zoals de NAB ook zelf erkent, kan zij slechts juist zijn indien men aan de woorden tijdvakken van verzekering in artikel 15, lid 1, sub b en d, van verordening nr. 574/72 een engere betekenis toekent — in die zin dat zij niet doelen op de aan tijdvakken van verzekering gelijkgestelde tijdvakken — dan in artikel 1, sub r, van verordening nr. 1408/71.
2.1.
Een dergelijke uitlegging lijkt mij uitgesloten.
In de eerste plaats hebben, zoals u weet, de in verordening nr. 574/72 gebruikte begrippen, die in artikel 1 van verordening nr. 1408/71 zijn gedefinieerd, voor de toepassing van verordening nr. 574/72 de betekenis die er in genoemd artikel aan is gegeven (artikel 1, sub c, van verordening nr. 574/72).
Verder is er geen enkele goede reden om binnen het systeem van artikel 15, lid 1, aan de woorden tijdvakken van verzekering een verschillende betekenis te geven al naar gelang men het heeft over de alinea's b en d of over alinea c.
2.2.
Deze opvatting stuit tenslotte ook af op een systematische analyse van artikel 15, lid 1; uit de logische opbouw van deze bepaling blijkt, dat zij aan het onderscheid „tijdvakken van verplichte verzekering — tijdvakken van vrijwillige verzekering” voorrang toekent.
In het algemeen kan men drie gevallen van samenvallende verzekeringstijdvakken onderscheiden, waarin het criterium „tijdvakken van werkelijke verzekering — tijdvakken van vrijwillige verzekering” een rol speelt: samenval van een tijdvak van al dan niet gelijkgestelde, verplichte verzekering met een tijdvak van vrijwillige verzekering; samenval van twee tijdvakken van verplichte verzekering, en samenval van twee tijdvakken van vrijwillige verzekering.
Voor het eerste geval geeft artikel 15, lid 1, sub b, voorrang aan de tijdvakken vervuld krachtens een verplichte verzekering.
Bij samenval van twee tijdvakken van verplichte verzekering zijn in theorie drie situaties denkbaar: samenval van twee tijdvakken van verzekering die geen gelijkgestelde tijdvakken zijn; samenval van een tijdvak dat geen gelijkgesteld tijdvak is, met een gelijkgesteld tijdvak, en samenval van twee gelijkgestelde tijdvakken. Doch enkel de laatste twee mogelijkheden kunnen zich in werkelijkheid voordoen, daar artikel 13, lid 1, van verordening nr. 1408/71 bepaalt dat de werknemer op wie de verordening van toepassing is, slechts aan de wetgeving van één enkeie Lid-Staat is onderworpen. Het zijn juist deze twee mogelijkheden die de alinea's c respectievelijk d van het hierbesproken artikellid op het oog hebben.
Tenslotte is in theorie ook samenval mogelijk van twee tijdvakken van vrijwillige verzekering; artikel 15, lid 2, tweede streepje, van verordening nr. 1408/71 verplicht de betrokkene dan, voor één van beide te kiezen.
2.3.
De stelling van de NAB lijkt mij bovendien en wellicht in de allereerste plaats onverenigbaar met het doel van de artikelen 48-51 EEG-Verdrag en de gemeenschapsverordeningen inzake de sociale zekerheid. Wanneer bij samenval van een vóór 1 juli 1967 gelegen tijdvak van arbeid in loondienst in Nederland (zelfs als men hierin een gelijkgesteld tijdvak ziet) met een tijdvak van vrijwillige verzekering in de Bondsrepubliek Duitsland dit laatste in aanmerking zou moeten worden genomen, zouden de betrokken werknemers niet alleen minder ontvangen dan waarop zij recht hadden gehad indien de Nederlandse tijdvakken in aanmerking waren genomen, maar zelfs minder dan waarop zij recht hadden gehad indien zij in Duitsland niet vrijwillig verzekerd waren geweest.
Deze consequentie lijkt mij in strijd met de beginselen van's Hofs rechtspraak inzake de sociale zekerheid van migrerende werknemers. Ik noem hiervan slechts enkele zeer recente arresten. In het arrest van 10 maart 1983 (zaak 232/82, Baccini, Jurispr. 1983) overwoog het Hof, dat „de verordeningen nrs. 1408/71 en 574/72 van de Raad overeenkomstig de artikelen 48 en 51 EEG-Verdrag vooral tot doel hebben te voorkomen, dat de migrerend werknemer wegens zijn migratie naar een andere Lid-Staat ... in een minder gunstige situatie komt te verkeren dan wanneer hij al zijn arbeidsjaren in één Lid-Staat had vervuld” (r.o. 17).
In het arrest van 15 september 1983 (zaak 279/82, Jerzak, Jurispr. 1983) oordeelt het Hof, dat „het door de artikelen 48 tot en met 51 van het Verdrag nagestreefde doel niet zou worden bereikt indien de toepassing van [de gemeenschapsverordeningen inzake de sociale zekerheid van migrerende werknemers] zou leiden tot de intrekking of de vermindering van de voordelen inzake sociale zekerheid, die een werknemer uitsluitend aan de nationale wettelijke regeling van een Lid-Staat ontleent” (r.o. 11). In casu zijn de voordelen die op die wijze zouden worden verminderd, die welke Derks aan het tussen 1 januari 1957 en 31 december 1966 in Nederland vervulde tijdvak van arbeid zou ontlenen indien hij niet gedurende diezelfde tijd in zijn land van oorsprong vrijwillig premie had betaald.
Mijn subsidiaire antwoord op de vierde vraag is daarom, dat wanneer een met een tijdvak van verplichte verzekering gelijkgesteld tijdvak samenvalt met een niet-gelijkgesteld tijdvak van vrijwillige verzekering, het verplichte karakter prevaleert.
Op grond van het voorgaande geef ik het Hof in overweging, op de prejudiciële vragen van de Raad van Beroep te Amsterdam in het geding tussen Derks en de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging te verklaren voor recht:
1.
Voor de toepassing van artikel 46, lid 2, van verordening nr. 1408/71 zijn de vóór 1 juli 1967 in Nederland vervulde tijdvakken van arbeid in loondienst en daarmee gelijkgestelde tijdvakken te beschouwen als te zijn vervuld ingevolge een wetgeving of wettelijke regeling als bedoeld in artikel 1, lid 1, sub j, junctis de artikelen 1, sub r, en 94, sub 2, van de verordening.
2.
De vóór 1 juli 1967 in Nederland vervulde tijdvakken van arbeid in loondienst zijn tijdvakken van verzekering die geen gelijkgestelde tijdvakken zijn in de zin van artikel 15, lid 1, sub c, van verordening nr. 574/72.
3.
De laatste vraag van de Raad van Beroep behoeft niet te worden beantwoord.
Subsidiair voeg ik hier echter aan toe, dat indien een gelijkgesteld tijdvak (in de zin van artikel 15, lid 1, sub c, van verordening nr. 574/72) van verplichte verzekering (in de zin van lid 1, punt b, van dat artikel) samenvalt met een tijdvak van vrijwillige verzekering (in de zin van punt b) dat geen gelijkgesteld tijdvak (in de zin van punt c) is, het verplichte karakter moet prevaleren.
( 1 ) Vertaald uit het Frans.
( 2 ) Dit verklaart, waarom ik een andere oplossing voorste! dan die van het arrest-Welchner; dit betrof in de eerste plaats de uitlegging van verordening nr. 3, die geen bepaling bevatte die vergelijkbaar is met bijlage V, onderdeel H, sub 4a, van verordening nr. 1408/71, en in de tweede plaats ging het niet over de Nederlandse wetgeving, maar over de Duitse.
Full & Egal Universal Law Academy