CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. F. MANCINI
VAN 14 JULI 1983 ( 1 )
Mijnheer de President;
mijne heren Rechters,
1.
De in deze zaak gestelde prejudiciële vragen betreffen de tariefindeling van een als verbandgaas aangeduid produkt. Het Bundesfinanzhof vraagt om verduidelijking van de draagwijdte van post 30.04 van het gemeenschappelijk douanetarief (GDT), gezien in verband met verordening nr. 2282/79 van de Commissie van 17 oktober 1979, teneinde uitspraak te kunnen doen in een geschil tussen de Oberfinanzdirektion Frankfurt/Main en de firma Lohmann te Neuwied.
Lohmann importeert uit Joegoslavië een gebleekte, hydrofiele, 100 % katoenen stof in linnenbinding, zigzag gevouwen, niet geïmpregneerd of bedekt met farmaceutische zelfstandigheden. Het is verpakt per vijf lengten van 40 m, elk met een breedte van 80 cm. Ieder pakket is voorzien van een etiket, dat wordt aangebracht door Lohmanns handelspartner, de Joegoslavische producent; het vermeldt de aard, de afmetingen en de samenstelling van het gaas alsmede de naam en het adres van de importeur. Het produkt wordt gebruikt in de ziekenverpleging en wordt zonder wijziging in opmaak of afmetingen door Lohmann enkel in de Bondsrepubliek Duitsland verkocht. Het gaat voor 91,6 % naar ziekenhuizen en klinieken, voor 4,3 % naar apotheken en wat de resterende 4,1 % betreft, naar EHBO-diensten van grote bedrijven. De kopers knippen het gaas op de gewenste lengte en steriliseren het zonodig.
Op 14 april 1981 vroeg Lohmann — die het verbandgaas tot dan toe had ingevoerd onder post 30.04 van hoofdstuk 30 van het GDT (farmaceutische produkten), de Oberfinanzdirektion Keulen om een bindend tariferingsadvies. Dit advies werd op 19 mei 1981 verstrekt, doch door de Oberfinanzdirektion Frankfurt/Main, die het goed indeelde onder post 55.09 AI van hoofdstuk 55 (katoen). Deze post omvat „andere weefsels van katoen: bevattende ten minste 85 gewichtspercenten katoen, met een breedte van minder dan 85 cm”. Voor deze post gold destijds een autonoom invoerrecht van 17 % en een conventioneel recht van 13%.
Op 5 juni 1981 diende Lohmann een bezwaarschrift tegen deze indeling in, onder overlegging van een deskundigenrapport van de „Bundesvereinigung Verbandsstoffe und medizinische Hilfsmittel e.V.”, volgens hetwelk het goed was „opgemerkt voor de verkoop in het klein voor geneeskundige of voor chirurgische doeleinden”, zodat het moest worden ingedeeld onder tariefpost 30.04 van het GDT. Deze post omvat namelijk „watten, gaas, verband en dergelijke artikelen, geïmpregneerd of bedekt met farmaceutische zelfstandigheden of opgemaakt voor de verkoop in het klein voor geneeskundige of voor chirurgische doeleinden (zwachtels en pleisters, mosterdpleisters, enz.), andere dan de in Aantekening 3 op hoofdstuk 30 genoemde artikelen.” Ten tijde van de feiten van de zaak gold voor deze produkten een autonoom invoerrecht van 17 % en een conventioneel invoerrecht van 10,1 %. Lohmann wees er voorts op, dat het ingevoerde gaas voldeed aan norm DIN 61630, opgesteld door de Commissie ziekenhuiswezen en de Commissie technische normen textiel- en textielmachine-industrie, en dat de handelsaanduiding van het omstreden produkt overeenstemde met een specificatie van de Farmacopea Europea.
Bij beschikking van 10 augustus 1981 wees de Oberfinanzdirektion Frankfurt/Main het bezwaarschrift af op grond dat het produkt weliswaar individueel was verpakt en geëtiketteerd, doch wegens zijn afmetingen niet kon worden geacht „te zijn verpakt voor de verkoop in het klein voor geneeskundige of voor chirurgische doeleinden.” Zij wees hiertoe op verordening nr. 2282/79 van de Commissie van 17 oktober 1979 betreffende de indeling van goederen onder post 55.09 A I van het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 262 van 1979, blz. 23).
In het door Lohmann ingestelde beroep tot nietigverklaring van de beschikking van de Oberfinanzdirektion besloot het Bundesfinanzhof (Vile Senat) bij beschikking van 12 oktober 1982, ingeschreven ten Hove op 3 november 1982, de behandeling van de zaak te schorsen en krachtens artikel 177 EEG-Verdrag het Hof van Justitie te verzoeken om een uitspraak over twee prejudiciële vragen.
2.
In de eerste plaats vraagt het Bundesfinanzhof of „post 30.04 van het gemeenschappelijk douanetarief aldus moet worden uitgelegd, dat voor het begrip ‚opgemaakt voor de verkoop in het klein voor geneeskundige of chirurgische doeleinden’beslissend is dat bepaalde maximale afmetingen niet worden overschreden.” Ik vermeldde, hoe de tekst van bedoelde post luidt. Onder voorbehoud van hierna te bespreken punten, merk ik al aanstonds op, dat deze post de indeling van het goed niet laat afhangen van de afmetingen ervan. Dit is ook de mening van het Bundesfinanzhof. Het gaat er hem met zijn vraag dus om, of genoemde verordening nr. 2282/79, bepalende dat verbandgaas met bepaalde afmetingen moet worden ingedeeld onder post 55.09 A I, voor de indeling van belang is.
Laten we echter met het begin beginnen. Zoals ik in mijn conclusie in zaak 175/82 (Dinter) heb opgemerkt, heeft het Hof, ter waarborging van de rechtszekerheid, herhaaldelijk verklaard dat de indeling van de goederen in het gemeenschappelijk douanetarief moet geschieden aan de hand van de objectieve kenmerken en eigenschappen van de goederen, zoals deze ter inklaring worden aangeboden. In het onderhavige geval moet worden vastgesteld of het goed als objectief kenmerk vertoont dat het is opgemaakt „voor de verkoop in het klein” voor geneeskundige of voor chirurgische doeleinden. De betekenis van deze woorden blijkt eveneens uit uw rechtspraak. Volgens het GDT, aldus het Hof, moet een goed in het algemeen worden beschouwd als te zijn „aangeboden” of „opgemaakt” voor de verkoop in het klein, wanneer het zich „objectief bezien”, zonder verdere opmaak leent voor de verkoop in het klein (arrest van 11 februari 1982, zaak 278/80, Chem-Tec, Jurispr. 1982, blz. 439, r.o. 12); met andere woorden, wanneer het goed rechtstreeks wordt verkocht aan de eindgebruiker.
Het onderzoek moet dus gericht zijn op de koper: men kan zich afvragen of het bij Lohmanns verkoop van verbandgaas — zoals wij zagen, is dat voor meer dan 90 % verkoop aan ziekenhuizen en klinieken — inderdaad om verkoop in het klein gaat. Het antwoord kan slechts bevestigend luiden. Dit vindt uitdrukkelijk bevestiging in de Toelichtingen op de IDR-nomenclatuur, die ten doel hebben het toepassingsgebied van de verschillende tariefposten te omschrijven en die, gelijk het Hof verklaarde in het arrest van 8 september 1970 (zaak 14/70, Deutsche Bakels, Jurispr. 1970, blz. 1001), bij gebreke van communautaire toelichtingen een waardevol hulpmiddel vormen bij de uitlegging van het GDT.
De toelichting bij post 30.04 luidt als volgt: „Tot de post behoren eveneens verbandwatten en verbandgaas (gewoonlijk van hydrofielkatoen), verband, enz., welke, hoewel niet geïmpregneerd of bedekt met farmaceutische zelfstandigheden, door de wijze van verpakking (etikettering, opmaak in zigzag of op andere wijze speciaal gevouwen banden of stroken, enz.), kunnen worden onderkend als zijnde rechtstreeks en zonder herverpakking bestemd voor de verkoop aan de gebruikers (particulieren, ziekenhuizen, enz.), voor medische of voor chirurgische doeleinden” (cursivering van mij).
Bij een zo duidelijke tekst kan de Commissie niet anders dan erkennen dat ook de verkoop van verbandgaas aan ziekenhuizen of aan soortgelijke inrichtingen verkoop in het klein is. Zij betwist echter dat hiervan ook sprake is in het geval van het door Lohmann verkochte verbandgaas, en zij voert daartoe argumenten aan, die geen verband houden met de aard van de koper. Volgens haar kan het gaas ook voor andere doeleinden worden gebruikt, bijvoorbeeld als verpakkingsmateriaal voor bepaalde soorten kaas, voor melkfilters, ter vervaardiging van thermisch isolatiemateriaal, bij het inbinden van boeken en ter vervaardiging van maandverband. Ook de afmetingen van het gaas zouden indeling onder post 30.04 beletten: in de eerste plaats wijken zij af van die van verbandgáas dat gewoonlijk in het klein (bijvoorbeeld in apotheken) wordt verkocht, en in de tweede plaats is het uitgesloten dat het onderhavige produkt, gezien zijn afmetingen, voorziet in een „directe behoefte” van de kopers. Om het te kunnen gebruiken, moeten de ziekenhuizen en klinieken het immers „opnieuw opmaken” door het te steriliseren en op de gewenste maat te knippen.
Ik vind deze argumenten niet overtuigend. Het is stellig juist dat de hierbedoelde weefsels ook worden gebruikt voor de door de Commissie genoemde doeleinden, maar in dat geval deelt het GDT het produkt in onder andere tariefposten; zo vallen maandverbanden en tampons onder post 48.21, weefsels van synthetische of van kunstmatige stapelvezels onder post 56.07, enz. Op de afmetingen van het verbandgaas kom ik nog terug wanneer ik het heb over verordening nr. 2282/79. Maar reeds nu kom ik niet eraan voorbij, te wijzen op de innerlijke tegenstrijdigheid van het betoog van de Commissie. Men kan immers niet erkennen dat de verkoop van verbandgaas aan ziekenhuizen verkoop in het klein is, en terzelfder tijd een argument ontlenen aan de afmetingen van het produkt dat in apotheken wordt verkocht. Tenslotte zijn de behoeften van particulieren en die van ziekenhuizen en dergelijke instellingen verschillend, zo al niet volstrekt onvergelijkbaar.
Evenmin overtuigt de Commissie wanneer zij, wederom verwijzend naar de afmetingen van het verbandgaas, zegt dat dit niet „opgemaakt is voor de verkoop in het klein”, omdat ziekenhuizen het moeten knippen en steriliseren. Hieromtrent kan worden opgemerkt dat steriliseren geen voorwaarde is voor alle onder post 30.04 vallende produkten, met name niet die welke niet met farmaceutische zelfstandigheden geïmpregneerd of bedekt zijn, en op maat knippen is slechts als heropmaak te beschouwen, wanneer het gebeurt met het oog op doorverkoop van het produkt aan derden. In ieder geval lijkt het mij onbetwistbaar, dat de opmaak van verbandgaas verschilt naar gelang van de aard van de koper (particulier of ziekenhuis) en het doel waarvoor deze het gebruikt.
3.
Ik wees er al op, dat de verwijzende rechter met zijn eerste vraag wenst te vernemen, of en in hoeverre verordening nr. 2282/79 van de Commissie van belang is voor de omstreden indeling. Deze verordening is vastgesteld krachtens 'sRaads verordening nr. 97/69 van 16 januari 1969 (PB L 14 van 1969, blz. 1), die een uniforme toepassing beoogt van de nomenclatuur van het GDT in de verschillende Lid-Staten, en met het oog daarop de Commissie machtigt, bepalingen vast te stellen die „de inhoud van de posten en postonderverdelingen van het gemeenschappelijk douanetarief nader aangeven, zonder evenwel de tekst ervan te wijzigen” (tweede overweging). Ter terechtzitting verklaarde de gemachtigde van de Commissie, dat verordening nr. 2282/79 is vastgesteld op voorstel van de Franse delegatie bij het Comité voor de Nomenclatuur van het GDT, teneinde enkele heel specifieke problemen op te lossen (bijvoorbeeld de indeling van een bepaald soort verbandgaas dat in Frankrijk wordt verkocht). Alleen al deze omstandigheid ontneemt naar mijn mening aan genoemde bron een deel van het belang dat de Commisssie eraan toekent voor de uitlegging van de onderhavige (veel ruimere) tariefpost.
Laten wij echter eens zien wat deze verordening behelst. Artikel 1 bepaalt: „Weefsels van katoen aan het stuk (hydrofiel gaas), niet geïmpregneerd of bedekt met farmaceutische zelfstandigheden, in lengten van 100 m en met een breedte van 0,65 m, zigzag gevouwen, afzonderlijk verpakt en geëtiketteerd, dienen ... te worden ingedeeld onder post 55.09 A I.” In de vierde en vijfde overweging wordt geze keuze gemotiveerd: „... dat, gelet op de afmetingen daarvan” — aldus eerstgenoemde overweging — „kunnen deze artikelen, zelfs indien zij afzonderlijk zijn verpakt en geëtiketteerd, bij invoer niet beschouwd worden als zijnde verpakt voor de verkoop in het klein voor geneeskundige of voor chirurgische doeleinden; dat zij derhalve niet onder post 30.04 kunnen worden ingedeeld.”„... dat de onderhavige artikelen” — zo vervolgt de vijfde overweging — „op grond van hun aard en hun afmetingen onder post 55.09 A I dienen te worden ingedeeld.”
Wat te zeggen van deze verordening? Niet ten onrechte, zo komt mij voor, betwijfelt het Bundesfinanzhof, of de Commissie bij de vaststelling ervan „binnen de grenzen van de haar bij verordening nr. 97/69 verleende machtiging is gebleven.” Zij wijzigt immers de tekst van de tariefposten, ofschoon dit zoals gezegd, in de tweede overweging van de basisverordening uitdrukkelijk is verboden. En dat is nog niet alles. De regeling is niet alleen in strijd met die basisverordening, doch ook met Algemene bepaling 3a voor de toepassing van de nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief: „Indien goederen ... vatbaar zijn voor indeling onder twee of meer posten ... heeft de post met de meest specifieke omschrijving voorrang boven posten met een meer algemene strekking” (PB L 335 van 1981, blz. 11). Tenslotte — en dit argument lijkt alleszins beslissend — heeft de vertegenwoordiger van de Commissie ter terechtzitting zelf erkend, dat verordening nr. 2282/79, zelfs wanneer zij als geldig is te beschouwen, niet van toepassing kan zijn op het verbandgaas van de firma Lohmann. De afmetingen hiervan komen immers niet overeen met die welke de verordening noemt (een lengte van 40 m, breedte 80 cm).
4.
Voor de indeling van het onderhavige verbandgaas onder post 30.04 zijn de afmetingen uiteindelijk dus niet van belang. Daarmee kan de tweede vraag van het Bundesfinanzhof, te weten „welke de maximale afmetingen zijn die niet mogen worden overschreden”, als vervallen worden beschouwd. Toch wil ik er enkele opmerkingen aan wijden, omdat daarin een bevestiging kan worden gevonden voor de door mij verdedigde zienswijze.
Zoals verzoekster in het hoofdgeding heeft aangetoond, zijn de afmetingen van verbandgaas afhankelijk van het doel waarvoor het wordt gebruikt. Dit gebruik nu varieert naar gelang de gebruiker een particulier is of een ziekenhuis, of, wanneer het een ziekenhuis is, naar gelang van de daar verrichte ingrepen. Dan resteert dus slechts de in post 30.04 gestelde voorwaarde, te weten — ik herhaal het — de opmaak van het verbandgaas voor de verkoop in het klein voor geneeskundige of voor chirurgische doeleinden. Afgezien daarvan komt het mij voor, dat het criterium van het GDT beantwoordt aan een legitiem vereiste van sociaal beleid: het is billijk dat op verbandgaas voor medische of chirurgische doeleinden, dat in ziekenhuizen of andere dergelijke instellingen wordt gebruikt, geen zwaardere fiscale last wordt gelegd dan op een zelfde produkt in andere opmaak, dat voor gebruik door particulieren is bestemt.
Tenslotte een enkel woord over het antwoord dat Lohmann op de tweede.vraag van het Bundesfinanzhof gegeven wenst te zien. Volgens Lohmann zou bij de beantwoording van die vraag rekening moeten worden gehouden met de maximumafmetingen volgens norm DIN 61630. Zoals gezegd is deze norm echter opgesteld door een particuliere Duitse instelling en heeft zij in Duitsland gelding als handelsgebruik. Het is stellig onaanvaardbaar om bij de uitlegging van een post van het GDT aansluiting te zoeken bij nationale praktijken of gebruiken, ongeacht of deze een particulier dan wel een overheidsstempel dragen. Door dit te doen, zou men in strijd komen met het doel van het GDT, namelijk de eenvormige behandeling van goederen binnen de gemeenschappelijke markt.
5.
Concluderende geef ik het Hof in overweging, de door het Bundesfinanzhof (Vile Senat) bij beschikking van 12 oktober 1982 krachtens artikel 177 EEG-Verdrag gestelde vraag te beantwoorden als volgt:
Voor de uitlegging van de uitdrukking „opgemaakt voor de verkoop in het klein voor geneeskundige of voor chirurgische doeleinden” in post 30.04 van het gemeenschappelijk douanetarief, is niet van belang of bepaalde afmetingen zijn aangehouden.
( 1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy