CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
P. VERLOREN VAN THEMAAT
VAN 5 OKTOBER 1983
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. De vraag, haar achtergrond en de door haar opgeworpen problemen
1.1. Eerste benadering van de gestelde prejudiciële vraag
De Østre Landsret heeft U in haar verwijzingsbeschikking van 19 november 1982 de volgende prejudiciële vraag voorgelegd :
„Moeten het EEG-Verdrag, inzonderheid het Tweede deel, Titel II, betreffende de landbouw, met name de artikelen 39 en 40, en de krachtens het Verdrag vastgestelde rechtshandelingen aldus worden uitgelegd, dat zij zich ertegen verzetten dat een Lid-Staat een tijdelijke verhoging van de belasting over de waarde van landbouwgronden invoert, wanneer dit geschiedt in rechtstreeks verband met een door de Raad besloten devaluatie van de ‚groene munt’ van die Lid-Staat en wanneer de belastingverhoging tot doel heeft een belangrijk deel van de voor de landbouwers uit die devaluatie voortvloeiende inkomensstijging ten gunste van de staatskas af te romen, zulks als onderdeel van een globaal economisch plan dat de meeste bevolkingsgroepen raakt?”
Op het eerste gezicht lijkt de beantwoording van deze vraag in het licht van Uw arrest in de gevoegde zaken Irish Creamery Milk Suppliers Association e. a. t. Ierse regering e. a. van 10 maart 1981 (Jurispr. 1981, blz. 725) eenvoudig. Nadere bestudering van de verschillende elementen van de vraag en van de daarover in de prejudiciële procedure gemaakte schriftelijke en mondelinge opmerkingen toont echter, dat de thans aan U voorgelegde vraag een probleem van aanzienlijke draagwijdte impliceert. Weliswaar speelde dit probleem in de Irish Creamery-zaak eveneens een rol, maar uiteindelijk kon het daar toch op de achtergrond blijven. Ik doel hier op het probleem van de bevoegdhedenverdeling tussen de Gemeenschap en de Lid-Staten op het punt van de inkomensvorming van landbouwproducenten. Dit probleem kon in de Ierse zaak op de achtergrond blijven, omdat het ging om een indirecte belasting op binnenlandse landbouwprodukten, waarbij de marktprijs van die produkten als belastinggrondslag diende. Het hoofdaccent kon daardoor in Uw arrest worden gelegd op de gevolgen van de betrokken Ierse belasting voor de vorming van de marktprijzen en voor de marktbevoorrading. Ik verwijs daarvoor naar de rechtsoverwegingen 15-20 en het derde en vierde punt van het dictum van Uw geciteerde arrest.
In de onderhavige zaak zijn verzoekers, de drie regeringen die opmerkingen maakten en de Commissie het er daarentegen over eens, dat de omstreden grondbelasting geen gevolgen heeft voor de prijsvorming, het vrije goederenverkeer en de marktbevoorrading van landbouwprodukten, maar wel voor de inkomens van landbouwproducenten. Het hoofdaccent zal in het antwoord op de U thans gestelde vraag derhalve moeten worden gelegd op de verenigbaarheid van nationale inkomenspolitieke maatregelen als hier aan de orde met de gemeenschappelijke landbouwpolitiek in het algemeen en met het Raadsbesluit tot devaluatie van de groene Deense kroon in het bijzonder. Het valt op, dat alleen de Italiaanse regering daarbij in haar schriftelijke en mondelinge opmerkingen zonder meer een antwoord heeft voorgesteld in de geest van de laatste zin van rechtsoverweging 13 van Uw arrest in de Ierse zaak. Deze slotzin van genoemde rechtsoverweging 13 luidt als volgt:
„Met de vaststelling van gemeenschappelijke prijzen in het kader van de gemeenschappelijke marktordening wordt overigens niet beoogd, de landbouwproducenten ongeacht de door de nationale instanties opgelegde fiscale lasten een nettoprijs te waarborgen, terwijl juist uit de bewoordingen van artikel 39, lid 1, sub b), blijkt dat de verhoging van het hoofdelijk inkomen van de landbouwers wordt geacht in de eerste plaats voort te vloeien uit de sub a) genoemde structurele maatregelen.”
Wanneer men deze stelling uitbreidt tot alle marktordenende maatregelen in het kader van de gemeenschappelijke landbouwpolitiek, met inbegrip van agri-monetaire maatregelen als hier in het geding, zou Uw antwoord inderdaad primair op deze stelling kunnen worden gebaseerd. Zoals ik nog nader uiteen zal zetten, zijn voor een dergelijk antwoord inderdaad sterke juridische argumenten aan te voeren en zou een zodanig antwoord ook met de economische realiteit in overeenstemming zijn. Daarentegen zou een dergelijk rechtlijnig antwoord in de politieke realiteit van het gemeenschappelijk landbouwbeleid enige problemen opleveren, waaraan ik eveneens aandacht zal schenken. Alvorens op een en ander nader in te gaan acht ik het echter wenselijk eerst de achtergrond van de vraagstelling kort weer te geven.
1.2. De achtergrond van de gestelde vraag
Zoals in de verwijzingsbeschikking wordt medegedeeld, betreft zij de vraag of wet nr. 541 van 28. 12. 1979 betreffende de grondbelasting, ten behoeve van de staat geheven op landbouwgronden, geldig is dan wel of zij onverenigbaar is met de in de vraagstelling genoemde gemeenschapsbepalingen. De wet behelsde, voor de periode van één jaar, de invoering van een grondbelasting op landbouwgronden van 7 promille van de waarde van de grond, vastgesteld overeenkomstig de wet inzake de waardebepaling van onroerende goederen. Daar de grondbelasting ten behoeve van de staat niet van het belastbare inkomen kon worden afgetrokken, zouden de grondbelasting en de gewone inkomstenbelasting volgens het oorspronkelijke wetsontwerp tezamen een bedrag opbrengen dat gemiddeld voor de gehele landbouwsector overeenkwam met de inkomensstijging als gevolg van de devaluatie van de „groene” Deense kroon. Tijdens de parlementaire behandeling werd het voorgestelde grondbelastingspercentage van 11 promille tot 7 promille verlaagd. Tegelijkertijd werd echter een voorstel betreffende een subsidie aan de landbouw van ca. DKR 200 miljoen ingetrokken waardoor het globale effect van de verlaging van de voorgestelde grondbelasting werd gecompenseerd. De opbrengst van de belasting vloeide in de algemene middelen en had geen bepaalde bestemming.
Terwijl deze gegevens reeds uit de verwijzingsbeschikking blijken, is ten aanzien van de onderhavige grondbelasting tijdens de procedure voorts nog gebleken, dat bij de waardebepaling van de grond noch met de waarde van de daarop geproduceerde landbouwprodukten, noch met structurele verbeteringen van de betrokken landbouweigendommen werd rekening gehouden. Ook is gebleken, dat de grondbelasting weliswaar geheven werd van de grondeigenaren, maar dat naar schatting van verzoekers in het hoofdgeding 85 % van de landbouwgrond in Denemarken niet door pachters, maar door landbouwproducenten, tevens eigenaren van de grond, wordt geëxploiteerd. Voor zover de gronden niet door de eigenaren zelf worden geëxploiteerd, zou de grondbelasting bovendien in een niet nauwkeurig bekend aantal gevallen op de pachters zijn afgewenteld. Derhalve kan worden aangenomen, dat globaal gesproken de belasting inderdaad hoofdzakelijk de inkomens van de landbouwproducenten trof.
De tijdelijke grondbelastingmaatregel werd blijkens de verwijzingsbeschikking genomen in het kader van een plan tot „meerjarige globale oplossing” in het kader van het economisch beleid, omschreven in een verklaring van de Deense regering van 3 december 1979. In dat verband zou een aantal maatregelen worden getroffen, onder meer met het doel de inkomensontwikkeling van alle maatschappelijke groepen af te remmen en te verzekeren dat de lasten die de bevolking werden opgelegd, rechtvaardig zouden worden verdeeld. De in geding zijnde belastingmaatregel hield verband met de op 3 december 1979 op verzoek van de Deense regering bij Raadsverordening nr. 2717/79 (PB L 309 van 1979, blz. 1) vastgestelde verlaging van de „groene” koers van de Deense kroon. Zij diende met name om de als gevolg van die koersverlaging te verwachten stijging van de netto-inkomens in de landbouw in 1980 (van DKR 800 miljoen) voor ongeveer de helft af te romen. Uit de considerans van genoemde Raadsverordening blijkt met zoveel woorden, dat zij met name beoogde de instelling van monetair compenserende bedragen in Denemarken te voorkomen, welke invoering het normale gevolg zou zijn geweest van de met ingang van 30 november 1979 in het kader van het Europese monetaire stelsel doorgevoerde wijziging van de spilkoers van de Deense kroon. Een dergelijke doelstelling is uiteraard in overeenstemming met het ook voor landbouwprodukten geldende beginsel van vrij goederenverkeer.
Vast staat derhalve, dat het bij de in geding zijnde belastingmaatregel ging om een inkomenspolitieke maatregel, genomen in het kader van een alle maatschappelijke groepen treffend inkomensbeleid van de Deense regering, dat op zijn beurt samenhing met de devaluatie van de Deense kroon.
1.3. Precisering van de door de gestelde vraag opgeworpen problemen
Vast lijkt ook te staan, dat vermelde wijziging van de „groene” koers van de Deense kroon, anders dan verzoekers in het hoofdgeding blijkens de verwijzingsbeschikking menen, geenszins ten doel had de inkomens in de Deense landbouw te vergroten. De Deense belastingmaatregel ter gedeeltelijke afroming van deze inkomensvergroting zou in zoverre dus ook niet in strijd kunnen komen met genoemde Raadsverordening. Voorts vermeldt de verwijzingsbeschikking, dat tussen partijen vaststaat (anders dan in de Ierse zaak het geval was, voeg ik daaraan toe) „dat de belasting geen invloed heeft op de prijsvorming, het vrije warenverkeer of de hoeveelheid waren op de markt, en dat zij niet het effect heeft van een douanerecht of een heffing van gelijke werking”. Ook in zoverre lijkt er dus geen vuiltje aan de lucht.
Helaas kan ik niettemin mijn betoog niet met een dergelijke eenvoudige conclusie afsluiten.
In de eerste plaats zou de juistheid van een op dergelijke feitelijke vaststellingen gebaseerd antwoord op de U gestelde vraag twijfelachtig zijn, wanneer de Raad bij de vaststelling van het gemeenschappelijk landbouwbeleid in het algemeen en bij de vaststelling van „groene koersen” in het bijzonder verplicht zou zijn mede met de inkomenspolitieke gevolgen van de getroffen maatregelen voor de landbouwproducent rekening te houden. Het is algemeen bekend en verzoekers in het hoofdgeding hebben daarop tijdens de procedure terecht gewezen, dat de Raad in elk geval bij de vaststelling van „groene koersen” in het kader van de jaarlijkse vaststelling van het landbouwprijsbeleid wel degelijk met de inkomenspolitieke gevolgen van dergelijke agri-monetaire maatregelen rekening houdt.
De formulering van Uw antwoord op de gestelde vraag zal ter voorkoming van ongewilde consequenties van Uw antwoord voor andere gevallen met deze politieke realiteit rekening dienen te houden. Voor zover men meent, dat de Raad op grond van artikel 39 van het EEG-Verdrag ook verplicht is met de inkomenspolitieke gevolgen van zijn besluiten voor de landbouwinkomens rekening te houden, zal men voorts kunnen veronderstellen, dat de Raad dat ook in casu impliciet heeft gedaan. Ook aan de uitlegging van artikel 39 van het EEG-Verdrag zal derhalve nader aandacht moeten worden besteed.
Vervolgens blijkt uit Uw rechtspraak (onder meer uit het derde punt van Uw dictum in de geciteerde Ierse zaak), dat U niet alleen nationale maatregelen, die de doelstellingen van de gemeenschappelijke landbouwpolitiek verstoren onverenigbaar acht met het gemeenschapsrecht. Integendeel acht U steeds beslissend voor de aanvaardbaarheid van de getoetste nationale maatregelen of de werking van de gemeenschappelijke landbouwpolitiek daardoor wordt verstoord. In casu staat vast, dat doel en gevolg van de omstreden belastingmaatregel was de inkomenspolitieke werking van de door de Raad ten aanzien van de „groene koers” van de Deense kroon getroffen maatregel (voor ongeveer de helft) te neutraliseren. In de Ierse zaak was geen sprake van een vergelijkbare rechtstreekse samenhang met een concrete maatregel van gemeenschapsrecht met gevolgen voor de landbouwinkomens. Ook de Commissie geeft in de laatste alinea van blz. 14 van haar schriftelijke opmerkingen uitdrukkelijk toe, dat sterke argumenten voor de onverenigbaarheid van de Deense belastingmaatregel met het genoemde devaluatiebesluit kunnen worden aangevoerd. De weg die zij vervolgens op blz. 15 van haar memorie inslaat om toch tot verenigbaarheid te concluderen is door de Deense regering terecht als „bochtig” gekwalificeerd. Zij is behalve „bochtig” ook weinig overtuigend naar mijn oordeel, omdat de Commissie hier zonder nadere argumentatie de stelling van de verenigbaarheid van nationale directe belastingen met de gemeenschappelijke landbouwpolitiek poneert, die zij in de laatste alinea van blz. 14 van haar memorie juist voor het onderhavige geval verworpen had. De stelling op blz. 15 dat agri-monetaire maatregelen als de onderhavige niet in sterkere mate dan de marktordening zelf ten doel hebben de belangen van de landbouwers (in casu nettoprijzen) te verdedigen en dat deze agri-monetaire maatregelen slechts de goede werking van de eigenlijke marktordening ten doel hebben, zouden als een poging gezien kunnen worden de vraagstelling te verleggen naar de vraag van de verenigbaarheid van de Deense maatregel met de gemeenschappelijke markt- en prijspolitiek, die ook door verzoekers niet bestreden wordt.
Aan het slot van haar memorie merkt de Commissie nog terecht op, dat de Deense belastingmaatregel in casu ook voor wat betreft haar structuurpolitieke gevolgen aan het gemeenschapsbeleid moet worden getoetst. Bij handhaving gedurende een langere periode dan één jaar zou zij inderdaad tot wijzigingen in de produktiestructuur kunnen leiden, die met de doeleinden van de gemeenschappelijke landbouwpolitiek in strijd zouden kunnen komen. Aan dit aspect zal Uw antwoord ook naar mijn oordeel aandacht moeten besteden.
2. Beantwoording van de vraag
Voor een eerste element van Uw antwoord kan aansluiting worden gezocht bij de opvatting van alle partijen dat de belastingsouvereiniteit van de Lid-Staten in beginsel door het EEG-Verdrag niet wordt aangetast. De uitzonderingen die de Commissie op dit beginsel vermeldt, hebben hoofdzakelijk betrekking op indirecte belastingen en zijn voor de onderhavige zaak reeds daarom niet van beslissend belang. De arresten waarop verzoekers in het hoofdgeding zich beroepen zijn in dit verband evenmin van belang, voorzover zij betrekking hebben op heffingen, die rechtstreeks op bepaalde produkten of diensten of op transacties in of de prijsvorming van landbouwprodukten betrekking hadden (zaken 2/73, Geddo; 51/74, van der Hulst; 77/76, Cucchi en 177/78, McCarren). De door verzoekers in het hoofdgeding ter ondersteuning ingeroepen arresten in de zaken 31/74, Galli; 154/77, Dechmann; 223/78, Grosoli en 5/79, Denkavit, zijn evenmin voor de onderhavige vraagstelling van belang, daar zij niet-fiscale maatregelen van marktordenende aard betreffen welke al dan niet rechtstreeks ingrijpen in het prijsmechanisme van de betrokken landbouwmarktordeningen. Als eerder opgemerkt, zijn partijen het er over eens, dat daarvan in casu geen sprake is. Ook Uw door verzoekers geciteerde arresten in de zaken 39/72, Commissie t. Italië; 42/82, Commissie t. Verenigd Koninkrijk; 261/81, Rau en 5/79, Buys, betroffen geheel andere onderwerpen als hier aan de orde. Tenslotte moet het beroep van verzoekers op het Cassis-de-Dijon-arrest falen, omdat dit arrest op de geheel andere problematiek van de artikelen 30-36 van het EEG-Verdrag betrekking heeft, terwijl in casu een toetsing aan de gemeenschappelijke landbouwpolitiek aan de orde is.
Een tweede element van Uw antwoord zou als eerder opgemerkt kunnen aansluiten bij het beginsel, tot uiting gebracht in de eerder geciteerde laatste volzin van rechtsoverweging 13 van Uw arrest in de Ierse zaak, welk arrest in de onderhavige zaak terecht zo veelvuldig is aangehaald. Artikel 39, eerste lid, onder b), van het EEG-Verdrag legt inderdaad als doel van het gemeenschappelijk landbouwbeleid vast, „aldus” (dat wil zeggen door produktiviteitsvergroting van de landbouw en dus niet door marktordenende maatregelen) „de landbouwbevolking een redelijke levensstandaard te verzekeren, met name door de verhoging van het hoofdelijk inkomen van hen die in de landbouw werkzaam zijn”. Het op 18 december 1968 door de Commissie vastgestelde „Programma landbouw 1980” voorzag als bekend voor dit doel een groot aantal structuurpolitieke maatregelen, met inbegrip van inkomenstoeslagen voor onder meer „bergboeren”. Een aantal van deze structuurpolitieke maatregelen is sindsdien ook tot stand gekomen. Daarentegen stelt artikel 39 voor de eigenlijke marktordeningspolitiek alleen marktstabilisatie, veiligstelling van de voorziening en de verzekering van redelijke prijzen bij de levering aan verbruikers, niet ook een redelijk inkomen van de landbouwers als doeleinden (artikel 39, eerste lid, onder c), d) en e)). Ook de Italiaanse regering legt in haar schriftelijke opmerkingen (blz. 4 en 5) veel nadruk op deze aan artikel 39 ontleende argumenten.
De economische realiteit lijkt mij de juistheid van deze aan artikel 39 ontleende argumenten in zoverre te bevestigen, dat het algemeen bekend is, dat de gemeenschappelijke landbouwmarktordening — ook wanneer het om dezelfde produkten gaat — in de verschillende Lid-Staten tot sterk uiteenlopende inkomens van de landbouwers heeft geleid.
Kennelijk is de landbouwmarktordening dus — ondanks pogingen daartoe — niet in staat een gelijkwaardige ontwikkeling van de landbouwinkomens in de gehele Gemeenschap te verzekeren. De ontwikkeling van de landbouwinkomens is blijkbaar primair afhankelijk van de produktiestructuur, van verschillen in klimaat en bodemgesteldheid en van de algemene economische, sociale, fiscale en monetaire situatie in de verschillende Lid-Staten. Wat dit laatste aspect betreft, is er in de onderhavige zaak van verschillende zijde terecht op gewezen, dat artikel 39, tweede lid, onder c), aan de gemeenschapsinstellingen uitdrukkelijk opdraagt rekening te houden met „het feit, dat de landbouwsector in de Lid-Staten nauw verweven is met de gehele economie”. Daaraan kan nog worden toegevoegd, dat ingevolge artikel 104 van het EEG-Verdrag de Lid-Staten primair verantwoordelijk zijn voor de verzekering van het evenwicht van hun betalingsbalans, het vertrouwen in hun valuta, een hoge graad van werkgelegenheid en een stabiel prijspeil. Als bekend kan een globaal inkomensbeleid, als in casu door de Deense regering gevolgd, daarvan een belangrijk onderdeel vormen. Aldus zijn er dus inderdaad overtuigende juridische, zowel als economische argumenten aan te voeren voor de door de Italiaanse regering verdedigde stelling, dat inkomenspolitieke doelstellingen voor de landbouwers hoogstens door het structuurpolitieke deel van het gemeenschappelijke landbouwbeleid kunnen worden gediend, maar niet door het eigenlijke marktbeleid, waartoe ook het agri-monetaire beleid behoort. Inkomenspolitiek in het algemeen en ook voor de landbouw is dan voor het overige een zaak van de Lid-Staten. De beantwoording van de U in de onderhavige zaak voorgelegde vraag wordt dan eenvoudig. Wanneer de landbouwmarktordeningspolitiek geen inkomenspolitieke doeleinden mag nastreven, kunnen nationale inkomenspolitieke maatregelen ook niet in strijd zijn met dit deel van het gemeenschappelijk landbouwbeleid.
Als eerder opgemerkt, wijkt de politieke realiteit echter tot dusverre helaas enigermate af van wat die realiteit op grond van de vermelde juridische en economische argumenten zou moeten zijn ( 1 ). In de praktijk werd ook bij de eigenlijke marktpolitiek en later bij de agri-monetaire maatregelen wel degelijk mede met inkomenspolitieke overwegingen rekening gehouden. Wanneer U met die politieke praktijk uit de tekst van artikel 39 wilt afleiden, dat dit laatste weliswaar geen verplichting, maar wel een niet uitdrukkelijk uitgesloten bevoegdheid voor de gemeenschapsinstellingen is, zal Uw antwoord met die mogelijkheid dienen rekening te houden. De laatste zin van rechtsoverweging 13 van Uw arrest in de gevoegde zaken 36 en 71/80 (Irish Creamery) sluit een dergelijke interpretatie naar mijn oordeel inderdaad niet uit, maar zou dan bij overname in Uw thans te wijzen arrest in deze geest kunnen worden gepreciseerd. Voor het onderhavige geval is daarbij dan van belang de vaststelling, dat de Raad in casu bij de devaluatie van de groene Deense kroon van een dergelijke bevoegdheid kennelijk geen gebruik heeft gemaakt.
Tenslotte zal met de door de Commissie vermelde structuurpolitieke aspecten van de Deense belastingmaatregel rekening kunnen worden gehouden op de door haar aangegeven wijze.
3. Conclusie
Ik stel U op grond van mijn voorgaande overwegingen voor op de U in casu gestelde vraag als volgt te antwoorden:
„Het EEG-Verdrag, inzonderheid zijn Tweede deel, Titel II, met name de artikelen 39, 40 en 41 en de krachtens het Verdrag vastgestelde rechtshandelingen moeten zo worden uitgelegd dat zij zich er niet tegen verzetten dat een Lid-Staat een tijdelijke verhoging van de belasting over de waarde van landbouwgronden invoert, wanneer dit geschiedt in rechtstreeks verband met een door de Raad besloten devaluatie van de ‚groene munt’ van de Lid-Staat en wanneer de belastingverhoging tot doel heeft een belangrijk deel van de voor de landbouwers uit die devaluatie voortvloeiende inkomensstijging ten gunste van de staatskas af te romen als onderdeel van een globaal economisch plan dat de meeste bevolkingsgroepen raakt. Zeker geldt dit voorzover een dergelijke devaluatie niet uitdrukkelijk inkomenspolitieke doeleinden nastreeft en voorts geldt deze verenigbaarheid onder het voorbehoud, dat een dergelijke belastingmaatregel noch mag leiden tot verstoring van de werking van de in het kader van de betrokken gemeenschappelijke marktordeningen voorziene mechanismen voor de vorming van de gemeenschappelijke prijzen en voor de regulering van vraag en aanbod, noch — met name bij handhaving gedurende een langere periode dan een jaar — tot wijzigingen in de produktiestructuur van de landbouw, die tot distorsies op de markten voor landbouwprodukten of tot verstoring van de werking van gemeenschappelijke structuurpolitieke maatregelen zouden leiden.”
Ter toelichting op dit voorgestelde antwoord merk ik, ter aanvulling van mijn eerdere betoog, nog slechts het volgende op:
a)
Anders dan de Commissie acht ik het wenselijk ook het gegeven van de samenhang met een algemene inkomenspolitiek te vermelden, omdat bij een tot de landbouw beperkte belastingmaatregel de vraag zou kunnen rijzen of er geen sprake is van een maatregel die distorsies in de zin van de artikelen 101 en 102 van het EEG-Verdrag zou kunnen veroorzaken. Strikt noodzakelijk acht ik de toevoeging van dit element uit de vraagstelling evenwel niet, daar aan genoemde verdragsartikelen volgens Uw rechtspraak geen rechtstreekse werking toekomt.
b)
Aan het voorbehoud van de Commissie heb ik nog toegevoegd, dat de belastingmaatregel ook niet de werking van gemeenschappelijke structuurpolitieke maatregelen mag verstoren. Ik acht deze toevoeging belangrijk, omdat als eerder vermeld geen twijfel mogelijk is, dat juist communautaire structuurpolitieke maatregelen wel inkomenspolitieke doeleinden kunnen nastreven. In dit verband lijkt mij ook een verwijzing naar artikel 41 van het Verdrag wenselijk.
c)
Tenslotte lijkt het mij niet zonder belang op te merken, dat zonder de onderhavige fiscale afromingsmaatregelen het gevaar van verstoring van de werking van de gemeenschappelijke marktordeningsmechanismen niet kleiner, maar juist veel groter zou zijn geweest dan na het nemen van deze maatregelen. Bij gelijkblijvende of zelfs enigermate stijgende netto-prijzen, uitgedrukt in Deense kronen, hadden de Deense landbouwers dan immers meer produkten naar andere Lid-Staten en derde landen kunnen uitvoeren. Omgekeerd zou de invoer uit andere Lid-Staten dan een concurrentienadeel hebben ondervonden, doordat zij zou moeten concurreren met potentieel lagere Deense landbouwprijzen. Als bekend ligt in deze gevaren de reden voor het beginsel van de invoering van monetaire compenserende bedragen na een devaluatie van een „groene munt”, maar heeft de Raad daarvan in casu op verzoek van de Deense regering afgezien ter voorkoming van nieuwe belemmeringen in de tussenstaatse handel, die naar hun aard voortvloeien uit de invoering van dergelijke monetaire compenserende bedragen.
( 1 ) In zijn lezenswaardige in 1982 verschenen studie „Aufbaujahre der Europäischen Gemeinschaft”, blz. 97-110 en 300-305, zet het vroegere Commissielid von der Grocbcn uitvoerig uiteen, hoc de in de aangegeven zin verdragsconforme denkbeelden van de Commissie in de politieke praktijk werden ondergraven. Uit zijn mededelingen blijkt ook, dat de Commissie van het begin af inzag, dat het gebruik van de interventieprijzen voor inkomenspolitieke doeleinden het voorgeschreven doel van de marktstabilisatie in gevaar zou brengen en tot overproduktie zou kunnen leiden. Het beroep, dat de Commissie thans tijdens de mondelinge zitting heeft gedaan op artikel 41 van het Verdrag om een andere uitlegging van artikel 39 te rechtvaardigen, moet reeds daarom falen, omdat dit artikel nu juist op structuurpolitieke maatregelen betrekking heeft. Evenmin kan een pleidooi voor een andere uitlegging op artikel 40, tweede en derde lid, worden gebaseerd, omdat dit artikel door verwijzing naar artikel 39 in dat artikel zelf uiteraard geen wijziging brengt.
Full & Egal Universal Law Academy