CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL S. ROZÈS
VAN 4 MEI 1983 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
De zaak waarin ik thans concludeer, betreft een beroep ingesteld door de vennootschappen Usines Gustave Boël en Fabrique de fer de Maubeuge tegen de Commissie van de Europese Gemeenschappen, en strekkende tot nietigverklaring van een beschikking van de Commissie van 26 november 1982 inzake een procedure tot toepassing van artikel 14 van beschikking nr. 1696/82/EGKS van 30 juni 1982.
I — De feiten zijn de volgende:
De Commissie heeft, met toepassing van artikel 58 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, het bestaan van een uitgesproken crisisperiode vastgesteld en is op 31 oktober 1980 overgegaan tot vaststelling van beschikking nr. 2794/80 tot invoering van een quotastelsel voor de produktie van staal voor de ondernemingen van de ijzer- en staalindustrie.
Aangezien het Hof met dit stelsel vertrouwd is, ga ik niet verder in op de werking ervan; ik verwijs daarvoor naar de conclusie van advocaat-generaal Reischl van 23 februari 1983 in de zaak-Klöckner (zaak 244/81).
Ik herinner eraan dat, om de doeltreffendheid van het stelsel te verzekeren, iedere overschrijding van de quota wordt bestraft met een boete die wordt berekend op basis van de „ongeoorloofd geproduceerde” hoeveelheid. Wanneer echter de toepassing van de quota bepaalde ondernemingen wegens hun specifieke situatie voor buitengewone moeilijkheden plaatst, kan de Commissie, op verzoek van de betrokkenen, tot een „adequate aanpassing” overgaan.
Het stelsel, dat is aangevuld met een toezichtregeling, is periodiek verlengd (beschikking nr. 1831/81 van 24. 6. 1981; beschikking nr. 1832/81 van 3. 7. 1981, waarbij het quotastelsel mede van toepassing werd verklaard op betonstaal en staafstaal; beschkking nr. 533/82 van 3. 3. 1982; beschikking nr. 1696/82 van 30. 6. 1982; beschikking nr. 1698/82 van dezelfde dag, betreffende de aanpassing ten behoeve van bepaalde ondernemingen van de verminderingspercentages voor categorie V voor het derde kwartaal van 1982; beschikking nr. 2751/82 van 6. 10. 1982). Voor de onderhavige zaak is beschikking nr. 1696/82/EGKS van belang.
Artikel 9, lid 1, van deze beschikking bepaalt, dat de Commissie voor de vaststelling van de produktiequota en van het gedeelte daarvan dat op de gemeenschappelijke markt mag worden geleverd, per kwartaal de verminderingspercentages vaststelt.
Zo bepaalde de Commissie, op basis van in samenwerking met de ondernemingen en de ondernemersverenigingen verrichte studies, bij beschikking nr. 2585/82 van 22 september 1982 de verminderingspercentages voor de vaststelling van de produktiequota voor het vierde kwartaal van dat jaar, en wel als volgt:
—
categorie Ia: —44 (voorafgaand kwartaal:—37)
—
categorie Ib : — 42 (voorafgaand kwartaal:—38)
—
categorie Ic: — 16 (voorafgaand kwartaal:—13)
—
categorie Id: +30 (voorafgaand kwartaal: + 31)
Op 1 oktober 1982 deelde de Commissie, overeenkomstig artikel 9, lid 2, van beschikking nr. 1696/82/EGKS, aan de naamloze vennootschap Usines Gustave Boel te La Louvière (België) en haar Franse dochtermaatschappij, de naamloze vennootschap Fabrique de fer de Maubeuge te Louvroil (Nord), de per jaar en per kwartaal vastgestelde referentieproduktiecijfers en referentiehoeveelheden mee, alsmede de produktiequota en het gedeelte daarvan dat op de gemeenschappelijke markt mag worden geleverd.
De groep-Boël is gespecialiseerd in de vervaardiging van platte produkten van categorie I, warmgewalst breedband en bandstaai gewalst op gespecialiseerde walsgroepen (artikel 1 van beschikking nr. 1696/82).
Deze categorie bestaat uit vier „afgeleide” of subcategorieën (Ia, Ib, Ie, ld) en omvat de produkten waarvan een gedetailleerde lijst in bijlage I is opgenomen. De terminologie van de quotabeschikkingen is vrij onnauwkeurig; nu eens is er sprake van „categorie”, dan weer van „groep” of „afgeleide categorieën”. Aangezien in beschikking nr. 1696/82 sprake is van de „categorieën Ia tot en met ld”, zal ik mij aan deze term houden.
De groep-Boël vervaardigt ook walsdraad (categorie IV) en betonstaal (categorie V), maar die produkten zijn thans niet in geding.
Voorts wijs ik erop, dat de Commissie bij beschikking van 31 maart 1981 de vennootschap Boel heeft gemachtigd met twee andere Belgische staalbedrijven (Forges de Clabecq S.A. en Fabrique de fer de Charleroi S.A.) specialisatie- en coördinatieovereenkomsten te sluiten en aldus de „pool der onafhankelijken” te vormen.
Bij deze overeenkomst heeft. Boel zich onder meer verbonden, op haar breedbandwalsgroep geen middelzware of zware plaat te produceren, die met minder kosten op de walsgroep van de vennootschap Clabecq kan worden gewalst. De drie partijen bij deze overeenkomst, die, hoewel in België gevestigd, 75 % van hun produktie in de.andere landen van de Gemeenschap verkopen, bezaten immers een overcapaciteit in de sector warmgewalste produkten.
Niettemin zou Boel het produktiequotum voor produkten van categorie. I voor het tweede kwartaal van 1981 met 2581 ton hebben overschreden: De Commissie heeft haar deswege bij beschikking van 24 november 1982 een boete van Ecu 193575 (BFR 8787453) opgelegd wegens inbreuk op beschikking nr. 2794/80.
II — Met een beroep op artikel 14 van beschikking nr. 1696/82 verzochten Boel (bij brief van 6. 10. 1982) en Fabrique de fer de Maubeuge (bij brief van 2. 11. 1982) om een „adequate aanpassing” voor het vierde kwartaal van 1982 van de referentieproduktiecijfers en/of referentiehoeveelheden voor categorie I.
Bij telex van 26 november 1982, bevestigd bij brief van 3 december 1982, wees de Commissie bij monde van de directeur-generaal van het directoraat-generaal Interne markt en industrie dit verzoek om extra aanpassing af, voor zover het betrekking had op de „produkten van categorie Ie waarvoor tijdens het lopende kwartaal geen verminderingspercentage van ten minste 20 % geldt.”
Categorie Ie, waarvan het verminderingspercentage 16 % bedroeg, omvat warmgewalste verzinkte plaat (in platen of op rollen) en verzinkte plaat voor de verwerking van produkten van categorie ld (andere beklede platte produkten) in andere ondernemingen in de Gemeenschap.
Bij gezamenlijk beroep van 13 december 1982 vorderden de Usines Gustave Boël S.A. en de Fabrique de fer de Maubeuge S.A. de nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 26 november 1982.
Nadat de Commissie haar verweerschrift had ingediend, verklaarden verzoeksters af te zien van repliek, en de Commissie stemde ermee in, de zaak overeenkomstig artikel 55, paragraaf 1, tweede alinea, van het Regelement voor de procesvoering bij voorrang te doen berechten. Als „bijzondere omstandigheden” voerden verzoeksters aan, dat de Fabrique de fer de Maubeuge haar produktie en haar verzinkingsinstallaties in de tweede helft van november 1982 had moeten stilleggen.
III — Tot staving van hun beroep stellen verzoeksters schending van artikel 14 van beschikking nr. 1696/82 en van artikel 58 EGKS-Verdrag.
1. Artikel 14
Artikel 14 luidt als volgt:
„Indien als gevolg van de omvang van de voor een kwartaal vastgestelde verminderingspercentages het quotastelsel een onderneming voor buitengewone moeilijkheden plaatst, gaat de Commissie in de volgende gevallen over tot adequate aanpassing van de referentieproduktiecijfers en/of referentiehoeveelheden voor de betrokken categorie, indien de onderneming in de loop van de eerste twee maanden van het betrokken kwartaal daarom verzoekt:
—
het totale referentieproduktiecijfer voor de categorieën Ia tot en met ld bedraagt minder dan 1 miljoen ton per jaar en bestaat voor ten minste 75 % uit produkten waarvan de verminderingspercentages van een of meer van deze categorieën 20 % overtreffen;
of
—
het totale referentieproduktiecijfer voor de categorieën IV, V en VI bedraagt minder dan 100000 ton per jaar en de verminderingspercentages van een of meer van deze categorieën overtreffen 20 %.”
Bij lezing van deze tekst, aldus verzoeksters, blijken er drie voorwaarden te worden gesteld: de eerste is het bestaan van buitengewone moeilijkheden waarvoor de onderneming als gevolg van de omvang van de verminderingspercentages wordt geplaatst, de tweede is een totaal referentieproduktiecijfer voor de categorieën Ia tot en met ld van minder dan 1000000 ton per jaar, en de derde is dat deze produktie voor ten minste 75 % moet bestaan uit produkten waarvan de verminderingspercentages van een of meer van deze categorieën 20 % overtreffen.
Het bedrijf te Maubeuge, zo stellen zij, heeft zijn produktie moeten staken en de Commissie heeft, door het verzoek om aanpassing af te wijzen op de enkele grond dat voor de produkten van categorie Ie geen verminderingspercentage van ten minste 20 % voor het vierde kwartaal gold, een extra voorwaarde gesteld die niet voorkomt in artikel 14 van beschikking nr. 1696/82.
Verzoeksters zijn kennelijk van mening, dat de verminderingspercentages waarvan de omvang een adequate aanpassing kan rechtvaardigen, betrekking hebben op het geheel van de categorieën Ia tot en met ld, en dat men niet naar het percentage van elke categorie afzonderlijk moet zien. Voor de toepassing van artikel 14 zou enkel zijn vereist, dat het totale referentieproduktiecijfer voor de categorieën Ia tot en met ld voor ten minste 75 % bestaat uit produkten waarvan de verminderingspercentages van een of meer van deze categorieën 20 % overtreffen.
Ik ben het met deze zienswijze niet eens, al moet ik toegeven dat de formulering van artikel 14 aan duidelijkheid te wensen overlaat. Waar het artikel spreekt van „les catégories en question”, geeft het inderdaad aanleiding tot interpretatiemoeilijkheden.
Ik merk op, dat Boel in haar brief van 20 augustus 1982, waarbij zij om een verhoging van de quota krachtens artikel 14 verzocht, verklaarde te voldoen aan de twee voorwaarden, te weten „een produktiecijfer voor de categorieën Ia tot en met ld van minder dan 1000000 ton per jaar en waarvan 75 % voor categorieën waarvan het verminderingspercentage van een van deze categorieën ten minste 20 % overtreft”.
Voor de toepassing van artikel 14, eerste streepje, moet echter in de eerste plaats worden nagegaan of het totale referentieproduktiecijfer voor de categorieën Ia tot en met ld minder dan 1000000 ton per jaar bedraagt.
Dit nu is het geval bij verzoeksters: hun produktie bedraagt 876988 ton (497460 + 198052 + 176264 + 5212).
In de tweede plaats moet worden onderzocht, of die produktie voor ten minste 75 % bestaat uit produkten behorend tot een of meer van de categorieën waarvan het verminderingspercentage 20 % overtreft.
Ook dit is geval: voor de produkten van de categorieën Ia 497000 ton) en Ib (198052 ton) die tezamen meer dan 75 % van de jaarlijkse produktie uitmaken (695512 is meer dan 75 % X 876988 = 657512), geldt een verminderingspercentage van respectievelijk 44 en 42 %.
Onder deze omstandigheden wordt het quotastelsel, als gevolg van de omvang van de verminderingspercentages van de categorieën Ia en Ib, die meer dan 20 % bedragen, geacht „de onderneming voor buitengewone moeilijkheden te plaatsen”, en zijn de noodzakelijke voorwaarden vervuld voor een adequate aanpassing door de Commissie van de referentieproduktiecijfers en referentiehoeveelheden voor deze twee categorieën.
Vaststaat dat het verminderingspercentage voor categorie Ie 16 % bedraagt, dus minder dan 20 °/o, en niet tot een adequate aanpassing kan leiden.
In casu ziet de uitdrukking „pour les catégories en question” op elk van de categorieën Ia, Ib, Ie en ld. Zij heeft de verzoeksters tot een verkeerde conclusie kunnen brengen; het ware duidelijker geweest te zeggen „une ou plusieurs des catégories en cause” (vgl. bij voorbeeld de Engelse versie: „for the category in question”, in Nederlands: „de betrokken categorie”). Deze redactionele onduidelijkheid kan evenwel niet afdoen aan de algemene betekenis van de omstreden bepaling.
2. Artikel 58
Verzoeksters betogen in de tweede plaats, dat enkel hun interpretatie, in overeenstemming is met artikel 58 EGKS-Verdrag, dat de rechtsgrondslag van het quotastelsel is.
Ik meen daarentegen dat de door mij voorgestelde uitlegging geenszins in strijd is met artikel 58 van hef Verdrag, volgens hetwelk de quota op een billijke grondslag moeten worden vastgesteld „rekening houdend met de beginselen omschreven in de artikelen 2, 3 en 4” (lid 2, eerste alinea).
Het wegens de „uitgesproken crisisperiode” ingevoerde stelsel vormt uiteraard een afwijking „van de normale, aan het beginsel der markteconomie ontleende regelen voor de goede werking van de gemeenschappelijke markt”, zoals het Hof heeft verklaard in zijn arrest van 18 maart 1980 (gevoegde zaken 154, 205, 206, 226-228, 263 en 264/78, en 39, 31, 83 en 85/79, Valsabbia, Jurispr. 1980, blz. 1008, r.o. 80). Naarmate het stelsel langer werkte, is gebleken dat de toepassing ervan een toenemend aantal ondernemingen voor buitengewone moeilijkheden dreigt te plaatsen, en daarom zijn er ook steeds nieuwe matigingsclausules in opgenomen. Die uitzonderingen bewijzen evenwel niet, dat de situatie zich weer heeft genormaliseerd, zij zijn er uitsluitend omdat zij noodzakelijk zijn. Zij mogen niet ondoordacht worden uitgebreid, anders komt de goede werking van het stelsel in gevaar en wordt de terugkeer naar een normalere situatie vertraagd.
In voornoemd arrest heeft het Hof er uitdrukkelijk op gewezen, dat,
„het beleid tot bestrijding van de staalcrisis berust op het fundamentele beginsel van de solidariteit van de verschillende ondernemingen” (arrest-Valsabbia, Jurispr. 1980, blz. 1004, r.o. 59).
Artikel 14, eerste streepje, laat een versoepeling van het quotastelsel toe, doordat het voor uitzonderlijke gevallen een aanpassing voor de produkten van de categorieën Ia tot en met ld mogelijk maakt. Hiervoor worden echter specifieke voorwaarden gesteld. Een van de voorwaarden is, dat het verminderingspercentage voor die produkten meer dan 20 % bedraagt. Ook al gaat het hier om een versoepeling, toch maakt deze bepaling deel uit van het bij verordening nr. 1696/82 verlengde algemene stelsel.
Aldus uitgelegd en toegepast, eerbiedigt deze bepaling de in artikel 58 omschreven doelstellingen, die beantwoorden aan het door de Commissie bepaalde sociaal-economisch beleid.
Onder deze omstandigheden heeft de Commissie, door verzoekters aanvraag af te wijzen op grond van de overweging, dat de in artikel 14 voorziene aanpassing enkel kan plaatsvinden voor de categorie of categorieën produkten waaruit het onder het eerste streepje genoemde percentage (75 %) is samengesteld — dat wil zeggen de categorie of categorieën waarvoor het verminderingspercentage 20 % overtreft —, deze bepaling correct toegepast.
Ik concludeer tot verwerping van het beroep en verwijzing van verzoeksters in de kosten.
( *1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy