CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL S. ROZÈS
VAN 6 OKTOBER 1983 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
Het Finanzgericht Hamburg verzoekt het Hof om uitlegging van verordening nr. 2789/79 van de Raad van 10 december 1979 betreffende de opening van tariefpreferenties voor bepaalde produkten van oorsprong uit ontwikkelingslanden (PB L 328 van 1979, blz. 25), juncto de hierop steunende verordening nr. 3067/79 van de Commissie van 20 december 1979 betreffende de definitie van het begrip „produkten van oorsprong” voor de toepassing van de door de Europese Economische Gemeenschap voor bepaalde produkten uit ontwikkelingslanden verleende tariefpreferenties (PB L 349 van 1979, blz. 1).
I —
Het aan deze verordeningen ten grondslag liggende preferentiestelsel, dat reeds aan de orde was in de zaak-Weidenmann (arrest van 10 juni 1982, zaak 231/81, Jurispr. 1982, blz. 2259), kan als volgt worden geschetst:
De door de Gemeenschap verleende tariefpreferenties vormen een handelspolitiek instrument van ontwikkelingshulp, waardoor de begunstigde landen eindprodukten en halffabrikaten met vrijstelling van douanerechten in de Gemeenschap kunnen invoeren. Daartoe worden de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief welke betrekking hebben op uit de betrokken landen afkomstige produkten, door de Raad gedurende een kalenderjaar tot een bepaald kwantitatief plafond geschorst. De oorsprong van de produkten moet worden bewezen door overlegging van een certificaat van oorsprong opgesteld door de bevoegde regeringsinstanties van het begunstigde land van uitvoer. De Lid-Staten boeken de ingevoerde hoeveelheid op de plafonds af en delen het resultaat aan de Commissie mede. Wanneer de plafonds zijn bereikt, kan de Commissie de heffing van de douanerechten bij invoer van de betrokken produkten van oorsprong uit de begunstigde landen bij verordening wederinstellen.
Op 11 maart 1980 deed de vennootschap Volkswagenwerk AG, gevestigd te Wolfsburg, in het kader van de haar krachtens § 40a van het Duitse Zollgesetz van 14 juni 1961 (Bundesgesetzblatt I, blz. 737) verleende vrijstelling van douaneformaliteiten, bij het Zollamt Wolfsburg aangifte van vier partijen uit Joegoslavië afkomstige accumuíatoren van tariefpost 85.04 van het gemeenschappelijk douanetarief. Zij had deze in februari 1980 tegen het preferentiële nultarief geboekt en verlangde daarvoor vrijstelling van douanerechten overeenkomstig verordening nr. 2789/79 van de Raad. Zij legde de voor de vaststelling van de oorsprong der accumulatoren vereiste certificaten van oorsprong echter pas in april 1980 over.
Ondertussen had de Commissie evenwel bij verordening nr. 545/80 van 3 maart 1980 (PB L 60 van 1980, blz. 14) de heffing van de douanerechten op elektrische accumulatoren van oorsprong uit Joegoslavië per 8 maart 1980 wederingesteld.
Bij wijzigingsbeschikking van 19 maart 1980 paste het Hauptzollamt op de accumulatoren het voor derde landen geldende tarief van 9,5 % toe en hief het een invoerrecht van DM 28914,50, op grond dat de certificaten van oorsprong niet waren overgelegd tijdens de periode waarin de preferentie gold.
Nadat haar bezwaarschrift tegen deze wijzigingsbeschikking was afgewezen, stelde de vennootschap Volkswagenwerk AG beroep in bij het Finanzgericht Hamburg, in hoofdzaak betogende dat aan de voorwaarden voor toepassing van het preferentiële tarief was voldaan op het — volgens haar beslissende — tijdstip waarop de goederen in het vrije verkeer werden gebracht, dat wil zeggen op het tijdstip van de boeking dier goederen.
Van oordeel dat in de betrokken verordeningen nergens uitdrukkelijk wordt bepaald op welke datum het certificaat van oorsprong uiterlijk moet worden overgelegd opdat de goederen het preferentiële tarief kunnen genieten en dat 's Hofs rechtspraak daarop geen duidelijk antwoord geeft, heeft het Finanzgericht bij beschikking van 29 oktober 1982 zijn uitspraak aangehouden en het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag de navolgende prejudiciële vraag voorgelegd:
„Moet verordening (EEG) nr. 2789/79 — met name de artikelen 2 en 3 — juncto verordening (EEG) Nr. 3067/79 — met name de artikelen 7 en 11 — aldus worden uitgelegd, dat overlegging van het certificaat van oorsprong niet meer geoorloofd is na wederinstelling van het invoerrecht?”
II —
Voor een antwoord op deze vraag dient allereerst in herinnering te worden gebracht dat artikel 1 van verordening nr. 2789/79 de aldaar bedoelde vrijstelling uitsluit, wanneer de Commissie, zoals in casu, de heffing der douanerechten bij een verordening op grond van artikel 2 juncto artikel 4, lid 2, van voornoemde verordening heeft wederingesteld. Het onderhavige geval wordt evenwel gekenmerkt door het feit dat de invoerformaliteiten vóór de wederinstelling der douanerechten zijn verricht, behalve de overlegging van het certificaat van oorsprong welke pas na de opheffing van de preferentieregeling heeft plaatsgevonden.
Artikel 3, lid 2, van voornoemde verordening bepaalt: „Een produkt kan niet op een plafond of een maximumbedrag worden afgeboekt tenzij het ... certificaat van oorsprong vóór de datum van wederinstelling van de heffing van de rechten is overgelegd.”
Met andere woorden, wanneer het certificaat van oorsprong pas op de datum van wederinstelling van de heffing der rechten of later wordt overgelegd, is de afboeking niet meer mogelijk. Zoals de Commissie opmerkt is de mogelijkheid om de produkten op de plafonds of maximumbedragen af te boeken de logische en wettelijke voorwaarde om vrijstelling van douanerechten te krijgen. Produkten die niet meer kunnen worden afgeboekt omdat het douanerecht inmiddels is wederingesteld, kunnen derhalve ook niet meer in aanmerking komen voor de in artikel 1, lid 1, van de verordening bedoelde vrijstelling van douanerechten.
De conclusie dat geen vrijstelling van douanerechten meer kan worden verleend wanneer het certificaat van oorsprong pas op het ogenblik van de wederinstelling van de douanerechten of later is overgelegd, vindt, zoals de Commissie beklemtoont, eveneens steun in haar richtlijn nr. 82/57/EEG van 17 december 1981 (PB L 28 van 1982, blz. 38). Deze was in de betrokken periode nog wel niet van toepassing, maar heeft de destijds toepasselijke richtlijn nr. 79/695/EEG van de Raad van 24 juli 1979 (PB L 205 van 1979, blz. 19) geconcretiseerd. Uit artikel 7, lid 2, juncto artikel 3, lid 1, sub c, van die richtlijn van de Commissie blijkt duidelijk dat, wanneer een lager invoerrecht of een vrijstelling van rechten slechts van toepassing is op goederen die in het kader van bepaalde plafonds in het vrije verkeer worden gebracht, de afboeking binnen de toegestane grenzen slechts kan plaatsvinden op het tijdstip waarop het document, waaraan de toepassing van het preferentiële tarief is gekoppeld, daadwerkelijk wordt overgelegd. Betreft het een plafond, dan moet het certificaat van oorsprong derhalve volgens deze bepaling, vóór de wederinstelling van het normale invoerrecht worden overgelegd.
Daarentegen behoeft geen rekening te worden gehouden met artikel 7, lid 3, van richtlijn 82/57/EEG waaraan de verwijzende rechter refereert. Zoals ook door de Commissie wordt opgemerkt, veronderstelt deze bepaling dat de periode, waarvoor een lager recht of een nulrecht bij invoer was vastgesteld, is afgelopen zonder door een wederinstelling van de douanerechten te zijn onderbroken.
Deze zienswijze stemt overeen met 's Hofs arrest-Weidenmann. In deze zaak, die betrekking had op de overeenkomstige preferen'tieregélingen van verordening nr. 3004/75 van de Raad van 17 november 1975 (PB L 310 van 1975, blz. 24) en van verordening nr. 3214/75 van de Commissie van 3 december 1975 (PB L 323 van 1975, blz. 1), heeft het Hof voor recht verklaard:
„het stelsel van tariefpreferenties [mag], ook al wordt ter rechtvaardiging van de toepassing van preferentiële tarieven de overlegging van een certificaat van oorsprong verlangd, niet aldus worden uitgelegd, dat het al te restrictieve administratieve maatregelen zou toestaan bij de praktische uitvoering van de controle van de oorsprong der waren.”
Uit deze doelstelling van de verordening alsmede uit artikel 3, lid 2, van verordening nr. 3004/75 dat overeenkomt met artikel 3, lid 2, van verordening nr. 2789/79, heeft het Hof afgeleid dat een certificaat van oorsprong in beginsel ook na de aangifte ten uitvoer kan worden overgelegd, voor zover — en deze beperking is in casu van belang — dit maar geschiedt vóórdat de heffing van de rechten bij verordening wordt wederingesteld. Een bijzonderheid nu van deze zaak was, dat de Commissie de heffing van de rechten destijds nog niet had wederingesteld. Het Hof heeft mitsdien vastgesteld dat, wanneer de heffing van de rechten in het betrokken jaar niet is wederingesteld, de overlegging achteraf van het certificaat van oorsprong geen afbreuk kan doen aan de doeltreffende toepassing van die verordening.
Tenslotte impliceert het dictum van 's Hofs arrest dat de douanerechten niet zijn wederingesteld: de zinsnede „wanneer het certificaat van oorsprong eerst na de periode waarin genoemde verordening van toepassing was, is overgelegd” houdt in, zoals de Commissie terecht opmerkt, dat het preferentiële tarief zoals voorzien gedurende het ganse jaar is toegepast en niet voortijdig is opgeheven door de wederinstelling van de douanerechten.
Uit dit arrest kan derhalve niet worden afgeleid dat ook wanneer het certificaat van oorsprong na de wederinstelling van de heffing van de rechten is overgelegd, vrijstelling van douanerechten moet worden verleend.
„Wordt in een dergelijk geval een tariefpreferentie uitgesloten, dan is zulks evenmin in strijd met het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen. Een dergelijke bescherming behoeft in casu niet te worden gegeven, omdat artikel 3, lid 2, van verordening nr. 2789/79 duidelijk bepaalt dat voor de invoer het certificaat van oorsprong vóór de wederinstelling van de douanerechten moet worden overgelegd.
De importeur kan zich evenmin beroepen op de artikelen 7 en 11 van uitvoeringsverordening nr. 3067/79 van de Commissie; zoals de verwijzende rechter opmerkt bevatten deze bepalingen geen uitdrukkelijke afwijking van artikel 3, lid 2, van verordening nr. 2789/79; zij handelen slechts over de geldigheid van het certificaat van oorsprong en mogen niet worden uitgelegd op een wijze die tegen hun rechtsgrondslag indruist.
III —
In antwoord op de gestelde vraag concludeer ik dat het Hof voor recht verklare:
verordening nr. 2789/79 moet aldus worden uitgelegd dat vrijstelling van douanerechten niet behoeft te worden verleend, wanneer het certificaat van oorsprong van de in de Gemeenschap ingevoerde goederen pas wordt overgelegd nadat de Commissie de douanepreferenties heeft opgeheven.
( 1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy