CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
G. F. MANCINI
VAN 5 APRIL 1984 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
Het onderhavige beroep betreft een reeks vorderingen van Carlo Albertini en Mario Montagnani, wetenschappelijk ambtenaren van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek op het Gebied van de Kernenergie (GCOK) te Ispra, tegen het GCOK en de Commissie, strekkende tot nietigverklaring van een aantal besluiten en tot schadevergoeding.
Sedert het begin van de jaren 70 verrichten verzoekers bij de afdeling Toegepaste mechanica onderzoek naar het dynamisch gedrag van materialen. In 1976 werd L. H. Larsson tot nieuw afdelingshoofd benoemd. Volgens verzoekers bleek zeer snel, dat deze hun werk niet volledig naar waarde schatte, en legde hij ontoelaatbare beperkingen op aan hun werkzaamheden. Inzonderheid trof Larsson jegens Albertini en Montagnani de volgende maatregelen:
a)
hij weigerde machtiging tot openbaarmaking van een wetenschappelijk rapport (memorandum van 7. 10. 1982 en nota van 5. 11. 1982);
b)
hij weigerde machtiging tot deelneming aan een internationale conferentie (notavano. 11. 1982);
c)
hij verbood hun, in het kader van hun dienstwerkzaamheden contacten te onderhouden met sommige externe deskundigen (nota's van 27. 9. en 6. 10. 1982);
d)
hij onthief hen van de verantwoordelijkheid voor het onderzoek naar het dynamisch gedrag van materialen (dienstorder van 10. 11. 1982).
Op 10 december 1982 dienden de twee ambtenaren krachtens artikel 90 Ambtenarenstatuut verschillende klachten in bij het bevoegde hiërarchieke gezag, en op 23 december daaropvolgende stelden zij krachtens de artikelen 90, lid 2, en 91, lid 4, Ambtenarenstatuut, beroep in wegens schending van de artikelen 17, 21 en 24 van dit Statuut. Op dezelfde dag verzochten zij om opschorting van de tenuitvoerlegging van de bij dit beroep bestreden besluiten. Bij beschikkingen van 23 december 1982 en 1 februari 1983 wees de president van het Hof hun verzoeken evenwel af. Op 17 mei 1983 tenslotte, nadat door het verstrijken van de statutaire termijnen een stilzwijgend besluit tot afwijzing van de administratieve klacht was genomen, werd deze laatste door de Commissie formeel afgewezen.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vertegenwoordiger van de Commissie de handelingen van de sub b) genoemde conferentie overgelegd. Daarin is, op naam van verzoekers en met vermelding van hun hoedanigheid, het rapport opgenomen waarvoor Larsson geen machtiging tot openbaarmaking had gegeven.
2.
Het beroep, dat moet worden geacht enkel tegen de Commissie te zijn gericht, daar het GCOK een integrerend deel is van haar administratieve structuur, strekt derhalve in hoofdzaak tot nietigverklaring van verschillende besluiten van het hoofd van de afdeling Toegepaste mechanica van het GCOK.
Ik zal vooreerst de besluiten van 7 oktober en 5 november 1982 onderzoeken. Bij deze besluiten weigerde Larsson machtiging te geven tot openbaarmaking van het rapport „Constitutive Equations of Austenitic Stainless Steels in Dynamics — Experiments and Calibration Procedure”, dat verzoekers in samenwerking met twee hoogleraren van de universiteit van Bologna hadden opgesteld. De „paper” diende te worden aangeboden en besproken op de tweede conferentie over „Mechanical Design and Production”, die door de universiteit van Kairo zou worden georganiseerd van 27 tot 29 december 1982.
Uit het dossier blijkt:
—
dat verzoekers op 13 juli 1982 het origineel en enkele copies van de „paper” naar professor Eleiche, secretarisgeneraal van de conferentie, stuurden, ter voorlegging aan het Wetenschappelijk Comité van de conferentie;
—
dat professor Eleiche verzoekers bij brief van 30 juli 1982 meedeelde dat het Comité de „paper” had aanvaard;
—
dat verzoekers op 31 augustus 1982 overeenkomstig artikel 17 Ambtenarenstatuut om machtiging tot openbaarmaking van hun rapport verzochten;
—
dat het afdelingshoofd hun op 7 oktober 1982 een memorandum stuurde waarin hij een negatief advies uitbracht over hun verzoek met de verklaring, dat verzoekers de procedureregels hadden geschonden door de „paper” op te sturen alvorens zij daartoe waren gemachtigd, en dat hun werk bovendien vanuit wetenschappelijk oogpunt niet rijp was voor openbaarmaking;
—
dat verzoekers op 19 oktober 1982 aan hun afdelingshoofd de draagwijdte van hun rapport uiteenzetten en de wetenschappelijke waarde ervan verdedigden;
—
dat het afdelingshoofd Montagnani op 5 november 1982 een nota stuurde waarbij hij de weigering van zijn machtiging bevestigde;
—
dat verzoekers professor Eleiche bij brief van 30 november 1982 verzochten hun rapport als ingetrokken te beschouwen, wanneer de organisatoren de voorgeschreven machtiging niet binnen de gestelde termijnen zouden ontvangen. Dit verzoek werd bevestigd tijdens een ontmoeting met de heer Eleiche te Ispra in de zomer 1983;
—
dat verzoekers op 9 maart 1983 verzochten om machtiging tot openbaarmaking van het rapport „Dynamic Mechanical Properties of Austenitic Stainless Steels. Fitting of Experimental Data on Constitutive Equations”, dat eveneens in samenwerking met twee hoogleraren van het Ateneo bolognese was opgesteld en was bestemd voor een conferentie die in augustus 1983 te Chicago zou plaatsvinden (SMIRTVII). Voor dit rapport, waarin analoge onderwerpen werden behandeld als in de „paper”, werd machtiging verleend;
—
dat op blz. 475 e.v. van het boek „Current Advances in Mechanical Design and Production; Proceedings of the Second Cairo University MDP Conference, 27-29 december 1982” de „paper” voor de Conferentie van Kairo is afgedrukt met de namen en de hoedanigheden van de vier auteurs. In het exemplaar dat in de bibliotheek van Ispra wordt bewaard zijn de namen en de hoedanigheden van verzoekers echter met de pen doorgestreept.
Ik ga thans over tot de grieven. Albertini en Montagnani verklaren in de eerste plaats, dat zij bij hun verzoek om machtiging tot openbaarmaking de op het ogenblik van de betrokken feiten in het GCOK gangbare praktijk hebben gevolgd, zoals die blijkt uit dienstnota nr. 13/79 van 15 mei 1979 en een authentieke verklaring van drie wetenschappelijk ambtenaren die op 20 januari 1983 te Ispra in dienst waren. Wat de publikatie van de „paper” betreft, stellen zij dat zij daarvoor niet verantwoordelijk zijn, aangezien zij de organisatoren van de bijeenkomst tijdig hadden meegedeeld dat zij de betrokken machtiging niet hadden verkregen.
Tot staving van hun verzoek om nietigverklaring voeren verzoekers twee middelen aan: onbevoegdheid en misbruik van bevoegdheid. Met betrekking tot het eerste beroepen zij zich op Bijlage I bij het besluit van de directeurgeneraal van het GCOK van 20 november 1979 betreffende de uitoefening van de bevoegdheden die door het Statuut aan het tot aanstelling bevoegde gezag zijn toegekend; hierin zou de in artikel 17, tweede alinea, voorziene bevoegdheid (machtiging tot openbaarmaking) worden toegekend aan het Centrum te Ispra en niet aan het afdelingshoofd. In elk geval zou artikel 17 slechts gelden voor definitieve publikaties en niet voor „papers” die op wetenschappelijke congressen worden ingezonden. Wat het misbruik van bevoegdheid betreft wijzen Albertini en Montagnani erop, dat naar aanleiding van de machtiging tot openbaarmaking geen wetenschappelijk oordeel over een bijdrage mag worden uitgesproken; overigens kon hun rapport de belangen van de Gemeenschap zeker niet schaden.
De Commissie is uiteraard de tegenovergestelde mening toegedaan. Procedureel gezien lijdt het volgens haar geen twijfel dat verzoekers, door hun verzoek om machtiging in te dienen nadat zij de „paper” aan professor Eleiche hadden toegestuurd, de ter zake geldende regels en het eraan ten grondslag liggende artikel 17 hebben geschonden. Ten gronde wijst de Commissie erop:
a)
dat het advies van Larsson door andere leden van de afdeling werd gedeeld;
b)
dat de bevindingen van een overleg tussen de afdelingen over het gedrag van materialen het advies van Larsson kracht bijzette;
c)
dat de twee externe deskundigen die achtereenvolgens werden geraadpleegd, zich negatief uitlieten over de wetenschappelijke waarde van de „paper”.
Het gedrag van verzoekers dient hoe dan ook te worden beoordeeld tegen de achtergrond van de doelstelling van artikel 17, tweede alinea, namelijk: „de naleving te verzekeren van de fundamentele eis ... dat de publikaties het niveau bereiken dat de Commissie van haar personeelsleden mag verwachten en dat zij de faam van het Centrum niet schaden.”
3.
Enkele woorden over de bepalingen waarop partijen zich beroepen. De openbaarmaking van door personeelsleden van de Gemeenschappen geschreven artikelen is geregeld in artikel 17 Ambtenarenstatuut. Daarin wordt bepaald: „Zonder machtiging van het tot aanstelling bevoegde gezag is het de ambtenaar verboden, alleen of in samenwerking met anderen, enig geschrift waarvan het onderwerp betrekking heeft op de activiteit van de Gemeenschappen openbaar te maken ... Deze machtiging kan alleen worden geweigerd indien de beoogde publikatie de belangen van de Gemeenschappen zou kunnen schaden.” Bovendien is op de ambtenaren der wetenschappelijke en technische groepen, inzonderheid die van het GCOK, artikel 94 van toepassing. De tweede alinea daarvan luidt als volgt: „Elke publikatie of openbare mededeling door een ambtenaar behoeft de goedkeuring van het tot aanstelling bevoegde gezag en is onderworpen aan de door dit gezag vastgestelde voorwaarden wanneer het onderwerp betrekking heeft op de activiteit van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.”
Voor de ambtenaren van het Centrum te Ispra die rapporten wensen uit te brengen op internationale wetenschappelijke conferenties, gelden verder de voorschriften van de reeds genoemde dienstnota nr. 13/79. Deze regelt de „aanwijzingsprocedure voor wetenschappelijke en technische bijeenkomsten, conferenties, symposia, colloquia en vergaderingen van deskundigen waarop de Commissie officieel is uitgenodigd om een vertegenwoordiger te sturen.” Daarin wordt bepaald, dat de machtiging om een „paper” te presenteren dient te worden gevraagd met behulp van een bijzonder formulier, tenminste één maand voor de datum die door de organisatoren is vastgesteld voor de indiening van de ontwerprapporten. Indien het bevoegde gezag verzoeker niet laat weten welk gevolg aan zijn aanvraag is gegeven, mag deze de titel en een samenvatting van het rapport aan de organisatoren laten geworden. In geen geval echter mag de volledige tekst worden overgelegd, alvorens overeenkomstig de voorschriften machtiging tot openbaarmaking is gekregen. Wordt de machtiging niet gegeven, dan zal het personeelslid zijn ontwerprapport bij de organisatoren moeten intrekken (doe. EUR/CIS 202/79, punt 4.1).
4.
Zoals gezegd, is tijdens de mondelinge behandeling gebleken dat het omstreden rapport met de naam en hoedanigheid van verzoekers is verschenen in de Handelingen van de Conferentie van Kairo. De Commissie heeft daaruit afgeleid, dat Albertini en Montagnani niet langer belang hebben bij nietigverklaring van de weigering om machtiging tot openbaarmaking te verlenen.
Dit argument lijkt mij steekhoudend. Al aangenomen dat verzoekers niet om opneming in die handelingen hebben gevraagd of daarvoor geen toestemming hebben gegeven, is hun belang bij voortzetting van het onderhavige beroep niettemin vervallen, althans wat het onderhavige onderdeel betreft. Een eventuele nietigverklaring kan voor hen rechtens immers geen nuttig effect meer sorteren.
5.
Ik zal verzoekers' middelen hier nog enkel voor de volledigheid onderzoeken. Wat de onbevoegdheid betreft heeft de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen erop gewezen, dat de directeur van het Centrum zich niet heeft verzet tegen de hem door het afdelingshoofd meegedeelde weigering tot openbaarmaking; ter terechtzitting heeft zij hieraan toegevoegd, dat de directeur ten tijde van de onderhavige feiten de bevoegdheden die hem bij het besluit van de directeur van het GCOK van 20 november 1979 waren toegekend, formeel aan het afdelingshoofd had gedelegeerd. Deze omstandigheden zijn niet weersproken; ik leid daaruit af dat Larsson de zienswijze van de Administratie vertolkte, althans dat deze laatste zijn maatregel stilzwijgend goedkeurde.
In de arresten van 30 mei 1973 (zaak 46/72, De Greef, en 49/72, Drescig, Jursipr. 1973, blz. 543 en 565) heeft het Hof een dergelijke procedure wettig geacht. Bij de beoordeling van een besluit van de Commissie van gelijke aard als dat van 20 november 1979 stelde het Hof vast, dat het niet zozeer ging om „een strenge toedeling van bevoegdheden”, maar veeleer om „een verdeling van werkzaamheden binnen de diensten”. Het Hof verklaarde, „dat [het besluit] dan ook niet in die zin mag worden uitgelegd dat de mogelijkheid van subdelegatie door de aangewezen ambtenaren ... en ... afwijking van de verdelingscriteria ... a priori zijn uitgesloten; dat subdelegatie of afwijking van deze criteria slechts tot nietigheid van een handeling der administratie kan leiden wanneer daardoor afbreuk dreigt te worden gedaan aan een der waarborgen welke het Statuut de ambtenaren toekent” (Jurispr. 1973, blz. 553, r.o. 17-20). Ik wijs erop, dat de laatste woorden volledig van toepassing zijn op het onderhavige geval. Nu vaststaat dat de „paper” zonder vertraging is gepubliceerd, kan immers zeker niet worden gesteld dat afbreuk is gedaan aan de waarborgen van de ambtenaren.
Het middel betreffende misbruik van bevoegdheid bij de toepassing van artikel 17, tweede alinea, is uit ander hout gesneden. Volgens mij kan die regel een fundamenteel recht als het recht van meningsuiting beknotten en dient hij derhalve beperkend te worden uitgelegd. Indien de potentiële collisie tussen dit recht en de „belangen” van de Gemeenschap in al zijn aspecten moest worden doorgrond — hetgeen hier niet nodig is omdat het verzoekers, zoals gezegd, aan belang ontbreekt — zou het onderzoek betrekking moeten hebben op de algemene beginselen ter zake van de vrijheid van meningsuiting die de rechtsordes van de Lid-Staten gemeen hebben. Ik twijfel eraan, of de ruime uitlegging die de Commissie aan artikel 17, tweede alinea, heeft gegeven (zie hierover sub 2, in fine) een dergelijke proef zou doorstaan. Het weze mij toegestaan het Hof te herinneren aan deze grondregel van Immanuel Kant: „aan de ambtenaar, de soldaat, en de priester moet het recht worden toegekend om openlijk hun intellect te laten spreken. Als onderzoeker, als lid van de beschaafde mensheid heeft hij een onbeperkte vrijheid om zijn rede te dienen, in eigen naam te spreken, en voorstellen te doen voor een betere ordening van de Staat of der Kerk waartoe hij behoort” (uit: Was ist Außlärung, 1784).
6.
Het tweede onderdeel van het beroep strekt tot nietigverklaring van het besluit van 5 november 1982, waarbij verzoekers machtiging tot deelneming aan de conferentie van Kairo werd geweigerd. Uit de processtukken blijkt dat het afdelingshoofd Montagnani in verband met verzoekers' aanvragen (van 31 augustus en 19 oktober 1982) een met de hand geschreven nota (5 november 1982) stuurde met de mededeling, dat hij het programma had bekeken en het onnodig achtte een delegatie naar de Conferentie te sturen.
Ook ten aanzien van dit onderdeel merkt de Commissie op, dat verzoekers geen belang hebben bij voortzetting van het beroep. Deze stelling dient mijns inziens te worden bijgetreden. De Conferentie behoort thans tot het verleden en vezoekers hebben geen zinnig belang bij een uitspraak waarbij de weigering van hun dienstreis nietig wordt verklaard. Het middel mist dan ook elke grondslag. Het gaat ervan uit, dat een wetenschappelijk ambtenaar recht heeft op deelneming aan internationale conferenties of zelfs, dat een personeelslid het recht heeft om op dienstreis te worden gezonden. Een dergelijk recht wordt echter door geen enkele bepaling toegekend en kan aan geen enkel algemeen beginsel worden ontleend. Ter zake van dienstreizen geniet de Administratie derhalve een volkomen discretionaire bevoegdheid.
7.
In de derde plaats vorderen verzoekers nietigverklaring van de dienstnota's van 27 september en 6 oktober 1982. In de eerste wees het afdelingshoofd hun verzoek om een geleerde van buiten het GCOK uit te nodigen af, vooral omdat eerdere bezoeken van deze man teleurstellende resultaten hadden opgeleverd. In de tweede nota verzocht dezelfde hiërarchieke meerdere verzoekers, de normale procedures te volgen.
Volgens Albertini en Montagnani schaden het verbod en de belemmeringen van de contacten die zij met externe deskundigen willen onderhouden hun administratieve loopbaan en tasten zij hun vrijheid van wetenschappelijk onderzoek aan. De Commissie is van oordeel, dat tot de rechten die de ambtenaar worden gewaarborgd, niet behoort het recht om externe deskundigen uit te nodigen. Verzoekers zouden overigens niet hebben aangetoond, dat het hun verboden was contacten te onderhouden met dergelijke geleerden.
Ik betwijfel ten zeerste, of de handelingen waarvan sprake is in de overgelegde stukken als nadelig voor verzoekers kunnen worden aangemerkt. Mijns inziens heeft het afdelingshoofd daarbij een rechtmatig gebruik gemaakt van de interne coördinatiebevoegdheden waarover hij met het oog op een goede werking van de dienst beschikt.
8.
Het vierde onderdeel van het beroep strekt tot nietigverklaring van de dienstorder van 10 november 1982, waarbij het afdelingshoofd het sectiehoofd Verzelletti belastte met de verantwoordelijkheid voor het onderzoek naar het dynamisch gedrag van materialen.
Verzoekers voeren drie middelen aan:
a)
onbevoegdheid, daar het besluit niet door het afdelingshoofd maar door het tot aanstelling bevoegde gezag moest worden getroffen;
b)
gebrek aan motivering;
c)
misbruik van onbevoegdheid, daar het besluit om verzoekers de verantwoordelijkheid te ontnemen voor de door hen uitgevonden en gebouwde „grote machine” een „daad van onverdraagzaamheid” is. De Commissie antwoordt hierop in de eerste plaats, dat Albertini en Montagnani niet zijn achteruitgezet of zijn tewerkgesteld in een functie die niet met hun rang overeenstemt; hun grieven zijn derhalve ongegrond. Voorts stelt zij dat de maatregel rechtmatig is: het personeelsbeheer binnen een wetenschappelijke afdeling valt immers in verschillende opzichten onder de bevoegdheid van het afdelingshoofd. Deze laatste heeft inzonderheid tot taak de werkzaamheden te organiseren, door de functies en de verantwoordelijkheden te verdelen volgens de eisen van de dienst.
Ik deel de zienswijze van de Commissie. Het gaat bij de omstreden maatregel niet om aanstelling in een ambt, waarvoor overeenkomstig artikel 7 van het Statuut tussenkomst van het tot aanstelling bevoegde gezag is vereist. De maatregel houdt verband met de interne organisatie van een eenheid en heeft tot doel de werking daarvan te verbeteren; het lijdt dan ook geen twijfel, dat zij onder de bevoegdheid van het afdelingshoofd valt.
De handeling is evenmin door enig gebrek aangetast. Van gebrek aan motivering is geen sprake: door verzoekers wordt immers niet weersproken, dat Larsson daags vóór de verspreiding van de dienstorder Albertini daarvan op de hoogte heeft gebracht en hem de redenen daarvan uitvoerig heeft uiteengezet. Nog zwakker is het argument als zou degene die een machine uitvindt of bouwt op enigerlei wijze een exclusief recht hebben op het gebruik daarvan. Hiertoe kan worden volstaan met te herinneren aan artikel 94, derde alinea, waarin wordt bepaald: „Elke uitvinding, door een ambtenaar in de uitoefening van zijn functie of in verband hiermede gedaan of geconcipieerd, komt van rechtswege toe aan de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.”
9.
Tenslotte dient het beroep ook te worden verworpen voor zover het ertoe strekt, de Commissie te doen veroordelen tot vergoeding van de schade die verzoekers zou zijn opgekomen doordat hun de machtiging tot openbaarmaking van hun rapport en tot deelneming aan de conferentie van Kairo is geweigerd. Zoals gezegd immers is er wat het rapport betreft geen schade opgetreden, en was verweersters houding in verband met de deelneming aan de conferentie volkomen gewettigd.
10.
Gelet op het voorgaande geef ik concluderend het Hof in overweging, het door Carlo Albertini en Mario Montagnani op 23 december 1982 tegen de Commissie van de Europese Gemeenschappen ingestelde beroep te verwerpen.
Met betrekking tot de kosten ben ik van mening dat elk der partijen de eigen kosten zal moeten dragen, met inbegrip van de kosten van het kort geding, waaromtrent de beslissing was aangehouden.
( 1 ) Vertaald uit liet Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy