CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 20 OKTOBER 1983 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Verzoeker in de onderhavige zaak werkt sinds 16 april 1980 als vertaler — moedertaal Grieks — voor de Commissie. In zijn begintijd als vertaler was hij tijdelijk functionaris in de rang LA 7/3; na deelname aan een intern vergelijkend onderzoek op de grondslag van schriftelijke bewijsstukken werd hij met terugwerkende kracht tot 1 januari 1981 als vertaler bij de Griekse vertaalafdeling aangesteld tot ambtenaar op proef in dezelfde rang.
Toen hij vervolgens kennis kreeg van het door de directeur-generaal Personeelszaken en algemeen beheer in maart 1981 aan de personeelsleden bekendgemaakte besluit inzake de criteria voor de indeling in rang en salaristrap bij aanwerving (hierna: de indelingscriteria), ging verzoeker twijfelen aan de juistheid van zijn indeling. Derhalve verzocht hij op 9 juni 1981 zijn indeling in heroverweging te nemen, ten einde rekening te houden met zijn universitaire diploma's en beroepservaring. Bij nota van 3 november 1981 deelde het indelingscomité verzoeker mee, haar oorspronkelijk standpunt ter zake van zijn indeling niet te kunnen herzien.
Bij brief van. 4 februari 1982 vroeg verzoeker aan de directeur-generaal Personeelszaken en algemeen beheer, zijn persoonsdossier opnieuw te onderzoeken met inaanmerkingneming van de genoemde indelingscriteria. Deze deelde hem op 27 mei 1982 mee, het standpunt van het indelingscomité, dat verzoeker niet voldoende relevante beroepservaring had om een aanstelling in de hoogste rang van de loopbaan LA 7/LA 6 te rechtvaardigen, juist te achten. Slechts kandidaten die een fulltime ervaring als vertaler kunnen aantonen, zouden voor zo'n aanstelling in aanmerking kunnen komen. Volgens het comité, dat geen rekening hield met zijn postuniversitaire studies, had hij vijf jaar en acht maanden „perifere” of gelijkgestelde beroepservaring.
Tegen dit afwijzend besluit diende verzoeker overeenkomstig artikel 90 Statuut een administratieve klacht in, welke bij brief van 1 oktober 1982 van het tot aanstelling bevoegd gezag, waarvan verzoeker op 4 oktober 1982 kennis kreeg, uitdrukkelijk werd afgewezen.
Daarop stelde verzoeker op 28 december 1982 bij het Hof beroep in tot nietigverklaring van laatstgenoemd besluit en tot veroordeling van de Commissie hem opnieuw in te delen overeenkomstig de criteria van het besluit van 6 juni 1973.
Mijn standpunt in deze is als volgt.
1. De ontvankelijkheid
De Commissie werpt wel niet uitdrukkelijk een exceptie van niet-ontvankelijkheid op, maar volgens mij bestaan toch enige twijfels omtrent de — ambtshalve te onderzoeken — ontvankelijkheid van het beroep. Indien het door verzoeker bestreden besluit slechts is te beschouwen als een bevestiging van eerdere, niet te betwisten besluiten, is dit beroep in elk geval niet ontvankelijk.
Van belang daarbij is, dat verzoeker die een herindeling met terugwerkende kracht beoogt, met zijn beroep in feite de nietigverklaring hoopt te bereiken van zijn oorspronkelijke indeling in de rang LA 7, voor de betwisting waarvan de klacht- en de beroepstermijnen zijn verstreken. Het bestreden besluit van de Commissie houdende afwijzing van verzoekers administratieve klacht, kan in dat geval een bevestiging van het oorspronkelijke besluit zijn, waartegen volgens vaste rechtspraak van het Hof slechts dan afzonderlijk kan worden opgekomen, wanneer zich inmiddels nieuwe feiten — bijvoorbeeld een wijziging van de feitelijke of rechtstoestand — hebben voorgedaan. Alleen in een dergelijke situatie zou de administratie het vroegere besluit desgewenst moeten onderzoeken, en zou een alsdan volgend besluit niet als een louter bevestigende maatregel zijn te zien.
In die zin heeft het Hof met name in zaak 9/81 (Williams, Jurispr. 1982, blz. 3301) beklemtoond, dat de invoering van een algemeen besluit dat nieuwe indelingscriteria voor het pas in dienst getreden personeel bevat en daardoor tot ongelijke behandeling van voordien benoemde ambtenaren leidt, laatstgenoemden het recht geeft om een nieuw onderzoek naar hun positie als ambtenaar te vragen om een passende verbetering van hun indeling te verkrijgen, aangezien dit nieuwe feit voor hen bezwarend kan zijn.
In de onderhavige zaak is het echter buiten kijf, dat de door verzoeker ingeroepen indelingscriteria van 1973 sinds die tijd worden gehanteerd, doch eerst in maart 1981 aan het gehele personeel zijn meegedeeld. Verzoeker stelt bovendien niet, dat de in bijlage II bij deze kennisgeving omschreven toepassing in de praktijk sinds de vaststelling van de indelingscriteria zou zijn gewijzigd, maar wil alleen dat de bekendmaking die na zijn oorspronkelijke indeling plaatsvond wordt gekwalificeerd als een nieuw feit dat een nieuwe beroepstermijn doet ingaan.
Zoals met name blijkt uit de arresten van 2 december 1976 en 18 juni 1981 (zaken 102/75, Petersen, Jurispr. 1976, blz. 1777 en 173/80, Blasig, Jurispr. 1981, blz. 1649) zijn de ontdekking door een individueel ambtenaar van het bestaan en de betekenis van louter interne richtlijnen voor de administratie, noch hun publikatie door de administratie Personeelszaken, nieuwe feiten waardoor de beroepstermijnen opnieuw gaan lopen. Met name in de zaak-Blasig heeft het Hof geoordeeld, dat interne maatregeien, ook wanneer sommigen er weet van hebben gekregen of zij algemeen zijn bekendgemaakt, zoals voorheen louter ten doel hebben de terzake bevoegde ambtenaren aanwijzingen te verschaffen, maar het personeel geen rechten te verlenen. Daar de feiten noch het recht wijzigingen hadden ondergaan, heeft het Hof de betrokken beroepen dan ook niet ontvankelijk geacht.
Mijns inziens staat men evenwel onmiskenbaar voor een wezenlijk novum wanneer in de onderhavige zaak de mededeling van de indelingscriteria aan het personeel de juridische aard van deze criteria dermate heeft gewijzigd, dat de zuiver interne maatregelen — als zodanig werden zij door het Hof in het arrest-Petersen aangemerkt — rechtsnormen zijn geworden waaraan men rechten kan ontlenen. Het beroep moet in elk geval ook ontvankelijk worden verklaard wanneer de verzoeker aanvoert, dat hij eerst na zijn indeling kennis heeft gekregen van de indelingscriteria en toen heeft geconstateerd dat andere kandidaten in afwijking daarvan willekeurig zijn bevoordeeld.
Daar deze vragen nauw samenhangen met de gegrondheid van het beroep' — voor de ontvankelijkheid moet zoals bekend een plausibel betoog toereikend worden geacht —, acht ik het dienstig onmiddellijk over te gaan tot de bespreking van de gegrondheid.
2. De gegrondheid
Verzoekers eerste grief betreft de schending van het besluit van de Commissie van 6 juni 1973 inzake de indelingscriteria, en met name artikel 3, volgens hetwelk het tot aanstelling bevoegd gezag, in afwijking van het beginsel dat alle ambtenaren worden aangesteld in de aanvangsrang van de aanvangsloopbaan van zijn categorie, de verkozen kandidaat met ten minste vijf jaar beroepservaring in de rang LA 6 kan aanstellen. Inzonderheid zou uit punt 3, sub c, van bijlage II bij deze criteria betreffende de toepassing, voor de loopbaan LA 7/LA 6 duidelijk blijken, dat geen specifieke fulltime vertaalervaring wordt vereist. Hij zou in totaal zo niet op elf jaar en zes maanden, dan toch ten minste op vijf jaar relevante beroepservaring kunnen bogen. Derhalve zou het bestreden afwijzend besluit ook onjuist zijn gemotiveerd.
Tenslotte voert hij als derde middel aan dat hij, gelet op zijn getuigschriften en beroepservaring, werd gediscrimineerd in vergelijking met die collega's die, zonder een overeenkomstige kwalificatie te kunnen aantonen, eveneens in de rang LA 7 zijn ingedeeld.
Gezien de nauwe materiële samenhang van deze middelen zal ik ze hier samen behandelen.
a)
Volgens verweerster is het beroep alleen al ongegrond omdat niet de schending van zuiver interne indelingscriteria, maar hoogstens een inbreuk op de artikelen 31 en 32 Ambtenarenstatuut had kunnen worden gesteld. Uit de considerans bij die indelingscriteria zou reeds blijken, dat deze slechts een richtsnoer vormen voor de hantering van de in de litigieuze artikelen bedoelde discretionaire bevoegdheid bij de indeling van ambtenaren, maar geen rechtsregels zijn waaraan aanspraken kunnen worden ontleend. Daarbij komt nog dat het betrokken artikel 3 van de indelingscriteria een beoordelingsmarge laat, zodat daaraan stellig geen recht op een bepaalde indeling kan worden ontleend.
Mijns inziens zijn er nogal wat redenen om in de litigieuze criteria inderdaad zuiver interne administratieve richtlijnen te zien. Naar de vorm alleen al betreft het hier een „besluit” van de Commissie dat in zijn considerans gewag maakt van een aantal artikelen van het Ambtenarenstatuut, maar niet van artikel 110 van het Statuut betreffende de procedure voor de vaststelling van algemene uitvoeringsbepalingen.
De uitdrukking „algemene uitvoeringsbepalingen” in artikel 110 heeft, zoals het Hof reeds heeft geoordeeld in zijn arrest van 8 juli 1965 (zaak 110/63, Willame, Jurispr. 1965, blz. 901), allereerst betrekking op de toepassingsmaatregelen die uitdrukkelijk zijn voorzien in een aantal welbepaalde artikelen van het Statuut. Aangezien de artikelen 31 en 32 van het Statuut niet daartoe behoren, zijn de indelingscriteria ook niet als in het Statuut voorziene uitvoeringsmaatregelen te beschouwen, maar kunnen zij in principe worden beschouwd als een interne regeling voor de administratie die tot een beperking van de discretionaire bevoegdheid leidt, zodat iedere willekeur is uitgesloten.
In die zin heeft het Hof in het arrest-Petersen overwogen, dat de indelingscriteria „... uitsluitend dienden om de keuze die het tot aanstelling bevoegd gezag op voorstel van het comité moest maken, te vergemakkelijken”, en voorts, dat „... die criteria en de instelling van het indelingscomité bovendien zuiver interne maatregelen waren ter vergemakkelijking van de talrijke keuzen en besluiten die in betrekkelijk korte tijd hun beslag moesten krijgen, doch de betrokkenen er geen rechten of verwachtingen van enigerlei aard aan konden ontlenen”.
b)
Mitsdien moet alleen nog worden onderzocht of het rechtskarakter van deze zuiver interne maatregelen die in 1981 aan het personeel ter kennis werden gebracht als bijlage bij een mededeling van de directeur-generaal Personeelszaken door deze kennisgeving is gewijzigd. Daartegen pleit reeds het feit dat de procedure van artikel 110 Ambtenarenstatuut niet is gevolgd. Zoals uit de betrokken mededeling blijkt, had de kennisgeving veeleer ten doel het personeel te informeren over de richtlijnen ter zake van de indeling en de toepassing ervan, alsook over de samenstelling van het indelingscomité. Daardoor moest worden gewaarborgd „dat er formele regels gelden voor de indeling van alle nieuwe ambtenaren, ongeacht hun nationaliteit, en dat deze regels een logisch verband vertonen met de regels voor de verdere loopbaanontwikkeling”.
Tenslotte heeft het Hof meermaals voor recht verklaard, dat interne regelingen door hun bekendmaking niet zomaar rechtsregels worden. Zo heeft het bijvoorbeeld in de zaak-Geeraerd (arrest van 4. 12. 1980, zaak 782/79, Jurispr. 1980, blz. 3651), waarin de verzoeker stelde dat inbreuk was gemaakt op een in de „mededelingen van de administratie” gepubliceerd besluit van de Commissie houdende algemene uitvoeringsbepalingen inzake de procedure voor bevordering binnen de loopbaan, overwogen, dat dit besluit „... niet een door het Statuut voorgeschreven uitvoeringsmaatregel (is), maar een door de Commissie vrijwillig vastgestelde interne maatregel, waaraan geen dwingend rechtskarakter kan worden toegekend”. In de zaak-Blasig heeft het Hof voor recht verklaard, dat een „gids voor de beoordeling” ten doel heeft, de met de beoordelingsrapporten belaste hiërarchische meerderen, aanwijzingen te verschaffen. Hij wordt bekendgemaakt om de betrokken ambtenaren in kennis te stellen van de in het kader van die procedure toegepaste criteria, maar geeft het personeel niet het recht, na benoeming in een bepaalde rang een hogere rang te eisen buiten de normale bevorderingsprocedure om.
Gezien deze rechtspraak moet er in casu van worden uitgegaan, dat de indelingscriteria na hun bekendmaking aan het personeel in maart 1981 zuiver interne richtlijnen zijn gebleven die alleen ten doel hebben de discretionaire bevoegdheid die het tot aanstelling bevoegd gezag op basis van onder meer de artikelen 31 en 32 Ambtenarenstatuut heeft, te omschrijven en af te bakenen. Al zijn dergelijke interne richtlijnen, zoals het Hof onder meer heeft geoordeeld in zaak-Louwage (arrest van 30. 1. 1974, zaak 148/73, Jurispr. 1974, blz. 81), niet als rechtsregels aan te merken waaraan de administratie onder alle omstandigheden is gebonden, het zijn wel gedragsregels voor de te volgen praktijk, waarvan de administratie — op straffe van schending van het beginsel van gelijke behandeling — niet zomaar kan afwijken. De betrokkenen mogen dan ook verlangen dat de discretionaire bevoegdheid niet leidt tot willekeur.
Aangezien het Hof echter slechts de rechtmatigheid van het handelen van de administratie, maar niet de doelmatigheid kan toetsen, moet verder alleen worden onderzocht of het tot aanstelling bevoegd gezag bij de indeling van verzoeker, respectievelijk de weigering hem hoger in te delen, willekeurig is opgetreden.
c)
Ingevolge artikel 31, lid 1, Ambtenarenstatuut, worden ambtenaren van de categorie A in de aanvangsrang van hun categorie aangesteld. Lid 2 van dit artikel bepaalt, in afwijking van deze regel, dat het tot aanstelling bevoegd gezag, binnen de daar omschreven — hier evenwel niet relevante — grenzen, ambtenaren in een hogere dan de aanvangsrang van de categorie kan aanstellen. Zoals het Hof heeft overwogen in zaak-Kurrer (arrest van 28. 3. 1968, zaak 33/67, Jurispr. 1968, blz. 179), moet het tot aanstelling bevoegd gezag bij de uitoefening van de bij deze bepaling toegekende bevoegdheid zich tevens rekenschap geven van de eisen, die uit het in artikel 5 en bijlage I bij het Statuut neergelegde begrip „loopbaan” voortvloeien. Het begrip loopbaan zou, zo vervolgt het Hof in voornoemd arrest, rechtens iedere betekenis missen, indien het tot aanstelling bevoegd gezag hier dezelfde mate van vrijheid als voor de andere rangen zou genieten. Voorts overweegt het Hof, dat „na een algemeen vergelijkend onderzoek, tot benoeming in de hoogste rang van een loopbaan slechts bij wijze van uitzondering mag worden overgegaan, namelijk wanneer de toepassing van de bepalingen van artikel 31, lid 2, gerechtvaardigd voorkomt, daar de specifieke behoeften van de dienst de benoeming van een bijzonder gekwalificeerde kandidaat vereisen”.
Gezien deze overwegingen kan men het verweerster niet euvel duiden dat zij in artikel 3 van de indelingscriteria, dat handelt over de aanstelling in de hoogste rang van een loopbaan, de mogelijkheid om iemand bij wijze van uitzondering hoger in te delen doet afhangen van de duur van een bepaalde beroepservaring. Uit het voorgaande volgt tenslotte ook nog — hier ga ik in op een ander argument van verzoeker —, dat ook de afwijkende formulering van artikel 2 der indelingscriteria, betreffende de aanstelling in een andere dan de aanvangsloopbaan, geen aanknopingspunten biedt voor de uitlegging van artikel 3.
d)
Wat betreft verzoekers grief, dat het tot aanstelling bevoegd gezag in zijn geval de betrokken criteria, inzonderheid die van artikel 3, onjuist heeft gehanteerd, door hem ondanks de uitdrukkelijk erkende beroepservaring van vijf jaar en acht maanden niet in de rang LA 6 in te delen, moet er vooreerst op worden gewezen, dat ook genpemd artikel 3 het tot aanstelling bevoegd gezag, zelfs wanneer de aldaar vereiste beroepservaring voorhanden is, een discretionaire bevoegdheid laat, nu het stelt dat „... bij wijze van uitzondering en indien de personeelsbehoeften zulks vereisen ...” van de normale indeling kan worden afgeweken. Anders dan verzoeker subsidiair aanvoert, wordt daarmee niet bedoeld dat personeelsbehoeften in de weg kunnen staan aan een hogere indeling, maar dat het veeleer aan de Commissie staat uit te maken of bijzondere personeelsbehoeften een afwijking van de normale indeling rechtvaardigen.
Zie ik het goed, dan verwijt verzoeker verweerster evenwel niet dat zij willekeurig heeft gehandeld, maar bestrijdt hij in feite de beoordeling van zijn beroepservaring, die als grondslag dient voor de in genoemd artikel 3 bedoelde uitoefening van discretionaire bevoegdheid. Voor de te hanteren beoordelingsmaatstaf verwijst artikel 3 uitdrukkelijk naar artikel 2, dat hierover bepaalt: „Bij de waardering van de beroepservaring wordt rekening gehouden met het te vervullen ambt en met de beroepsbezigheden die de kandidaat voor zijn indiensttreding heeft verricht.”
Wat de loopbaan LA 7/LA 6 betreft luidt punt 3, sub c, van bijlage II, dan als volgt: „Relevante ervaring wordt voor 100 % in aanmerking genomen, wanneer zij op het niveau van de categorie A is opgedaan (bijvoorbeeld ervaring als vertaler, econoom, jurist, enz.).”
Volgens verzoeker dienden overeenkomstig deze bepalingen zijn studies in het buitenland, alsook zijn economische, administratieve en sociologische activiteiten waarbij kennis van vreemde talen te pas kwam, in elk geval als vijfjarige beroepservaring in de zin van artikel 3 te worden meegeteld.
Verweerster daarentegen wijst erop, dat zij deze artikelen steeds zo heeft toegepast, dat voor vertalers zoals verzoeker, die voor algemene vertalingen zijn aangeworven, slechts een fulltime vertaalervaring als relevante ervaring in aanmerking wordt genomen.
Hierover moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat bij de vraag, of een discretionaire bevoegdheid rechtmatig is gebruikt, de mogelijke uitleggingen van interne regelingen van minder belang zijn dan de daadwerkelijke uitoefening van die bevoegdheid. Gelet op de algemene beginselen van gelijke behandeling, rechtszekerheid en bescherming van gewekt vertrouwen, kan evenwel worden betwijfeld of de administratie permanent mag afwijken van openbaar gemaakte interne richtlijnen, die zoals in de zaak-Louwage, klaar en duidelijk en voor geen andere uitlegging vatbaar zijn. In de onderhavige zaak kan die vraag evenwel in het midden blijven aangezien de betrokken tekst van de indelingscriteria, wat de beoordeling van de beroepservaring betreft, hoegenaamd niet klaar en duidelijk is en de administratie in elk geval een beoordelingsmarge laat. Bij het bepalen van de aan te rekenen beroepservaring moeten namelijk de vóór de indienstreding verrichte beroepsbezigheden met het oog op het te vervullen ambt worden beoordeeld, dus gewaardeerd. Het staat dan ook aan het tot aanstelling bevoegd gezag uit te maken in hoeverre het de vroegere ervaring van de kandidaat, gelet op de toekomstige beroepsbezigheden, als relevante beroepservaring waardeert en derhalve wil meetellen. Omdat men slechts bij uitzondering in een hogere rang van de aanvangsloopbaan kan worden ingedeeld, namelijk wanneer buitengewone en specifieke behoeften de indiensttreding van een hoog gekwalificeerde ambtenaar vereisen, wordt daarbij terecht een strikte beoordelingsmaatstaf gehanteerd. De bij de indeling te hanteren beoordelingsmaatstaf verschilt ook wezenlijk van die voor nieuwe indiensttredingen, nu bij de indiensttreding het personeel voor algemene vertaalopdrachten over een zo ruim mogelijke ervaring moet beschikken, terwijl bij de indeling bij uitzondering rekening kan worden gehouden met de behoefte aan hoog gekwalificeerde ambtenaren.
Uit het voorafgaande volgt tenslotte ook, dat uit het feit dat voor verzoeker in een ander vergelijkend onderzoek voor de aanwerving van hoofdadministrateurs in de rang A 5 een beroepservaring van zeven jaar in aanmerking werd genomen, niet kan worden afgeleid dat het tot aanstelling bevoegd gezag in de onderhavige zaak in elk geval een beroepservaring van vijf jaar had moeten aanrekenen.
Al kan verzoeker worden toegegeven dat artikel 31 Ambtenarenstatuut, noch de indelingscriteria uitdrukkelijk spreken van een bijzondere of specifieke beroepservaring, toch volgt uit een systematisch en teleologisch onderzoek van al deze voorschriften, dat de Commissie met haar vaste praktijk om alleen een vijfjarige fulltime tewerkstelling als vertaler als relevante beroepservaring aan te rekenen voor het werk van allround vertaler, haar beoordelingsmarge niet heeft overschreden. In dit verband moet erop worden gewezen dat artikel 32, tweede alinea, Ambtenarenstatuut, bepaalt, dat het tot aanstelling bevoegd gezag voor de salarisanciënniteit kan afwijken van de standaardindeling, ten einde rekening te houden met de opleiding en bijzondere beroepservaring van een ambtenaar. Daarom is het zeker geoorloofd dat in artikel 31, lid 2, Ambtenarenstatuut, betreffende de uitzonderingen op de indeling in de aanvangsrang, een bijzondere beroepservaring wordt vereist.
De rechtmatigheid van de restrictieve administratieve praktijk van de Commissie blijkt ook uit het feit dat artikel 3 van de indelingscriteria voor de rang LA 6 een beroepservaring van ten minste vijf jaar, maar voor de rang A 6 van ten minste acht jaar vereist. De enige feitelijke rechtvaardiging voor dat onderscheid is, dat het vertalen — in het kader van de bijzondere LA-loopbaan — als een speciale bezigheid wordt gezien, die aanzienlijk verschilt van administratieve activiteiten. Gaat men hiervan uit, dan is het geenszins misplaatst om voor het werk van algemeen vertaler, aan wie in principe opdrachten op verschillende vakgebieden kunnen worden toevertrouwd, slechts fulltime vertaalervaring als relevante beroepservaring te beschouwen, die een afwijking van de standaardindeling rechtvaardigt. Ik laat buiten beschouwing de hier niet aan de orde zijnde vraag of een dergelijke praktijk doelmatig is, maar de Commissie stelt terecht, dat een dergelijke handelwijze in elk geval het voordeel heeft, dat alle algemene vertalers zo een objectieve en gelijke behandeling kunnen genieten.
e)
Anders dan verzoeker meent, kan uit bijlage II bij de indelingscriteria tenslotte niet worden afgeleid, dat het tot aanstelling bevoegd gezag verplicht is, iedere beroepsbezigheid op A-niveau waarbij kennis van vreemde talen te pas komt, in aanmerking te nemen als relevante beroepservaring van een algemeen vertaler. Punt 1 van deze bijlage, die alleen maar de tot dusver gevolgde werkwijze van het indelingscomité samenvat, bevestigt in beginsel dat voor de beoordeling van de beroepservaring de in artikel 2 van de indelingscriteria gegeven omschrijving van de relevante beroepservaring bepalend is. Met het oog op deze omschrijving wijkt het mijns inziens ietwat ongelukkig geformuleerde punt 3, sub c, niet af van het beginsel, maar bepaalt het slechts dat ook een relevante ervaring als econoom of jurist enz. voor de loopbaan LA 7/LA 6 als beroepservaring kan worden meegeteld, wanneer de te bekleden post in de talendienst nauw verband houdt met een dergelijke beroepsbezigheid en bijzondere kennis vereist. Naar wij hebben vernomen is bij de Commissie zulk een specialisatie vooralsnog slechts voor de vertalers van juridische teksten voorzien.
f)
Nu de werkwijze van het tot aanstelling bevoegd gezag niet kan worden gelaakt, is ook verzoekers grief, dat de afwijzing van zijn verzoek tot herindeling onjuist is gemotiveerd, niet gegrond.
g)
Aangezien verzoeker geen relevante beroepservaring als vertaler in de zin van verweersters tot dusver gevolgde administratieve praktijk kan aantonen, moet ter zake van het derde middel — de beweerde schending van het discriminatieverbod — worden geconstateerd, dat verweerster het beginsel van gelijke behandeling niet heeft geschonden door verzoeker niet hoger in te delen dan zijn collega's die evenmin relevante ervaring konden aantonen.
h)
Daarmee ontvalt de grond aan verzoekers vordering tot veroordeling van verweerster, hem met inaanmerkingneming van de indelingscriteria opnieuw in te delen — hetgeen hoe dan ook had dienen te gebeuren, indien het beroep gegrond was verklaard.
3.
Mitsdien concludeer ik tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep — hoewel daartegen pleit dat het tot aanstelling bevoegd gezag nogmaals op verzoekers klacht is ingegaan —, maar toch zeker tot ongegrondverklarmg, met verwijzing van elk der partijen in de eigen kosten overeenkomstig artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy