CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
P. VERLOREN VAN THEMAAT
VAN 1 MAART 1984
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
1. Inleiding
Het vandaag door mij te behandelen verzoekschrift van de heer Alvarez strekt tot vernietiging van het tweede hem betreffende ontslagbesluit, ex artikel 34, lid 2, van het Statuut, van 6 december 1982 van het Europese Parlement, alsmede tot toekenning van een schadevergoeding van ten minste BFR 500 000.
Dit tweede ontslagbesluit werd door het Europese Parlement genomen nadat Uw Hof in de eerste zaak Alvarez, zaak 206/81, op 6 oktober 1982 het eerste ontslagbesluit van 19 juni 1981 had vernietigd. Uit de overwegingen 5 en 6 van dit arrest blijkt dat Uw Hof tot dit oordeel was gekomen aangezien er inbreuk was gemaakt op het contradictoire karakter van de procedure van artikel 34, lid 2, van het Statuut. Hoewel het beoordelingsrapport wel aan betrokkene was voorgelegd, waren namelijk de aanvullende opmerkingen van de heren Mestat, van Schelven en Van den Berge, gedateerd op respectievelijk 18, 20 en 21 mei 1981, die de administratie naar aanleiding van zijn opmerkingen over het rapport had opgesteld niet aan hem voorgelegd. Het ontslagbesluit was derhalve ten onrechte zowel op het beoordelingsrapport dat door Uw Hof als „onvolledig” en „zeer lapidair” werd beoordeeld, als op de aanvullende nota's gebaseerd en maakte dientengevolge inbreuk op het contradictoire karakter van artikel 34, lid 2, van het Statuut.
Na dit arrest heeft het Europese Parlement opnieuw aan verzoeker het beoordelingsrapport toegezonden voor commentaar, inclusief ditmaal de aanvullende opmerkingen. Uit de overgelegde briefwisseling blijkt dat klager, respectievelijk zijn raadsman de stukken niet in ontvangst wilde nemen met het argument dat dezelfde stukken voor een tweede maal tegen de heer Alvarez konden worden gebruikt na het eerste arrest in deze zaak. Na een aantal tevergeefs gebleven verzoeken om reactie, schreef het Europese Parlement uiteindelijk op 17 november 1982, dat ingeval klager geen commentaar op bedoelde stukken zou leveren vóór 25 november, zijn stilzwijgen als instemming zou worden gezien. Daarop reageerde klager nogmaals met de stelling, dat de kwestieuze stukken niet ten tweede male tegen hem gebruikt konden worden en dat het Europese Parlement het arrest nu eindelijk op de juiste wijze zou moeten uitvoeren door hem in een functie aan te stellen en het krachtens het Statuut verschuldigde salaris uit te betalen. Ten aanzien van de inhoud van de aanvullende nota's volstond verzoeker met verwijzing naar in het bijzonder de punten 7,, 8, 9 en 12 van zijn repliek in de zaak 206/81.
Het Europese Parlement deelde vervolgens bij brieven van 7 en 10 december 1982 mee, dat klager per 25 december ontslagen zou worden ex artikel 34, lid 2, Statuut, gezien het beoordelingsrapport, aangevuld door de kwestieuze nota's. Het is tegen dit besluit dat klager beroep heeft ingesteld.
Ik ga er van uit, dat U bekend bent met de overige feiten van deze zaak, gelet op de eerste zaak Alvarez en het daarbij behorende arrest tot interpretatie (zaak 206/81 bis) van 29 september 1983. Bovendien verwijs ik naar het rapport ter terechtzitting.
2. Stellingen van verzoeker
De stellingen van verzoeker komen naar mijn oordeel, hoewel als verschillende middelen geponeerd, in hoofdzaak er op neer, dat dezelfde documenten, namelijk het beoordelingsrapport en de aanvullende opmerkingen die als basis voor het eerste ontslag hebben gediend na vernietiging daarvan niet opnieuw als basis voor het tweede ontslag kunnen worden gebruikt. Verzoeker gaat er daarbij van uit dat in het eerste arrest is uitgemaakt, dat de bedoelde stukken niet tegen hem gebruikt mogen worden. Voorts meent hij meer in het algemeen dat een gebrek in de procedure later niet hersteld zou kunnen worden. Tenslotte voert hij een aantal bezwaren ten gronde aan, die vooral tijdens de mondelinge behandeling nader zijn uitgewerkt.
3. Beoordeling
Voor een analyse van het arrest 206/81 verwijs ik naar hetgeen ik ten aanzien hiervan reeds gesteld heb in mijn op 22 september 1983 gemaakte „opmerkingen” bij dat arrest, welke opmerkingen voorafgingen aan Uw eerder vermelde arrest tot interpretatie van 29 september 1983.
Ik stelde toen vast, dat het beoordelingsrapport door het arrest onaangetast bleef, hoewel verzoeker uitdrukkelijk om vernietiging daarvan had verzocht. Ook de advocaat-generaal Reischl achtte in zijn conclusie in de zaak 206/81 een dergelijke vernietiging geboden. Uw Hof heeft zijn conclusie op dit punt echter niet overgenomen.
Uw Hof wraakte, in het arrest in de zaak 206/81, als grondslag voor de vernietiging van het eerste ontslagbesluit, uitsluitend het niet-volgen van de vereiste contradictoire procedure ten aanzien van de aanvullende opmerkingen bij het beoordelingsrapport.
Het Europese Parlement heeft, voorafgaande aan het tweede ontslagbesluit, aan de voorgeschreven procedure voldaan door alle betrokken stukken, het beoordelingsrapport alsmede de aanvullende nota's alsnog aan verzoeker voor te leggen voor commentaar. Dat deze op de inhoud van de aanvullende nota's niet anders gereageerd heeft dan door een verwijzing naar zijn repliek in de zaak 206/81, is uitsluitend aan zijn eigen opstelling te wijten.
Ik ga niet uitvoerig in op de stelling van verzoeker, dat een procedurefout niet later hersteld zou kunnen worden. Een verwijzing naar Uw rechtspraak voor weerlegging van dit standpunt lijkt mij hier voldoende. Daarbij noem ik in de eerste plaats de door verzoeker zelf geciteerde arresten in de zaken 35/67 en 13/69, van Eick (Jurispr. 1968, blz. 479, respectievelijk Jurispr. 1970, blz. 10) waar het eerste ontslagbesluit werd vernietigd aangezien het tot aanstelling bevoegde gezag niet zelf, zoals voorgeschreven in artikel 7, lid 3, van Bijlage IX van het Statuut, de ambtenaar had gehoord, maar zijn rechtsmacht aan een ander had gedelegeerd. Vervolgens werd een tweede besluit genomen, ditmaal met inachtneming van genoemd procedurevoorschrift. Voorts verwijs ik naar Uw arresten in de isoglucosezaken, waarin een verordening werd vernietigd aangezien deze was vastgesteld zonder het advies van het Parlement. De Raad stelde daarop de verordening vast met ¡nachtneming van de vereiste procedure (zie onder meer zaak 138/79, Roquette, Jurispr. 1980, blz. 3352 en zaak 110/81, Roquette, Jurispr. 1982, blz. 3159).
Wat de bezwaren ten gronde betreft, meen ik dat verzoeker onverstandig gehandeld heeft door in de administratieve fase van de tweede ontslagprocedure geen werkelijk inhoudelijk commentaar te leveren op de hem voorgelegde stukken. Nu is zijn commentaar beperkt tot hetgeen U ook reeds bij de eerste zaak werd voorgelegd, waarbij ik met name wijs op het gestelde door verzoeker in zijn brief van 23 november 1982 aan het Europese Parlement en herhaald in zijn repliek, dat hij niet met de aanvullende opmerkingen van de heren Mestat, van Schelven en Van den Berge kon instemmen. Hij verwees hierover naar het te dien aanzien reeds gestelde in de repliek, nrs. 7, 8, 9 en 12, in de (eerste) zaak 206/81. Bij herlezing van wat hij toen aan deze aanvullende opmerkingen verweet blijkt het echter meer te gaan om mogelijke onduidelijkheden of vragen dan om werkelijke bestrijding van het daarin vermelde. Ook doet aan de relevantie van die aanvullende nota's niet af, dat nogal eens naar nota's of uitlatingen van de heer MacKeever wordt verwezen, die zelf volgens verzoeker niet onomstreden zou zijn in de dienst. Tijdens de mondelinge behandeling heeft verzoekers raadsman vooral dit punt uitvoerig behandeld. Ik acht genoemde verwijzingen echter niet van beslissende betekenis, nu opstellers zelf in genoemde nota's uitdrukkelijk een eigen oordeel over betrokkene uitspraken.
Bovendien dient bedacht te worden, dat de toetsing door Uw Hof van het ontslagbesluit ex artikel 34, lid 2, beperkt is tot kennelijke dwalingen (zaak 98/81, Munck, Jurispr. 1982, blz. 1165). Hiervan is in casu echter niets gebleken.
Het laatste middel, een beweerd misbruik van bevoegdheid, behoeft geen verdere bespreking nu verzoeker dit tijdens de mondelinge behandeling heeft ingetrokken, stellende dat hij slechts als hypothese had aangenomen, dat hij na het arrest niet langer als stagiaire maar als ambtenaar beschouwd diende te worden en dientengevolge slechts ontslagen had kunnen worden ex artikel 51 en niet ex artikel 34 van het Statuut. In de mondelinge behandeling bleek met name dat beide partijen ermee konden instemmen, dat het arrest 206/81 ten gevolge had, dat de „status quo ante” werd hersteld, zodat verzoeker weer als stagiaire moest worden beschouwd.
4. Conclusie
Concluderend stel ik voor het verzoek om vernietiging van het tweede ontslagbesluit alsmede de terzake gevraagde schadevergoeding af te wijzen.
Ingevolge artikel 70 van het reglement voor de procesvoering dient elke partij zijn eigen kosten te dragen.
Full & Egal Universal Law Academy