CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
P. VERLOREN VAN THEMAAT
VAN 15 DECEMBER 1983
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
1. De feiten
De te Brescia gevestigde staal en staalprodukten producerende onderneming Metalgoi SpA, werd door de Commissie per brief van 6 april 1981 in kennis gesteld van zijn referentieproduktie en produktiequota voor het tweede kwartaal van 1981. Het ging daarbij om produkten van groep IV van de algemene beschikking nr. 2794/80/EGKS van 31 oktober 1980 (PB van L 291 van 1980, blz. 1), welke van toepassing was gedurende het laatste kwartaal van 1980 en het eerste halfjaar van 1981. Per brief van 1 februari 1982 deelde de Commissie Metalgoi mede dat haar was gebleken dat gedurende het tweede kwartaal van 1981 het quotum met 1428 ton was overschreden. Nadat Metalgoi op 28 mei 1982 terzake was gehoord vond een kleine aanpassing van dit cijfer tot 1358 ton plaats. Bij beschikking nr. C (82) 1631/6, van 24 november 1982 (PB C 324 van 1982, blz. 2) werd de onderneming in punt 2 een boete opgelegd van 101850 Ecu (= LIT 136533999).
2. Het beroep en de middelen
Op 18 januari 1983 kwam Metalgoi tegen deze beschikking in beroep. Dit beroep strekte tot vernietiging van de beschikking van 24 november 1982, subsidiair tot vermindering van de boete en meer subsidiair tot uitstel van de betaling van de boete, alsmede veroordeling van de Commissie in de kosten. Ik breng U in herinnering dat op 21 april 1983 de President van het Hof bij beschikking in kort geding de betaling van de boete opschortte op voorwaarde dat Metalgoi een boetegarantie stelde. In haar verzoekschrift voert Metalgoi een drietal middelen aan ter ondersteuning van haar beroep, welke ik hierna zal bespreken.
2.1. Het eerste middel
Het eerste middel gaat er van uit dat de boetebeschikking onwettig is, omdat bepaalde produkten, ten aanzien waarvan de overproduktie is vastgesteld, niet onder Groep IV van de algemene beschikking nr. 2794/80 zouden vallen. Metalgoi redeneert daartoe als volgt. De betrokken profielen (T-profielen en hoekijzers) zouden, voor zover het de quotumoverschrijding betreft, niet als zodanig zijn verkocht, maar als eindprodukten (o.m. afrasteringspalen), die niet onder de onderwerpelijke algemene beschikking nr. 2794/80/EGKS zouden vallen. Bovendien zouden de betrokken profielen zelf onder staalcategorie VI vallen, die pas bij algemene beschikking nr. 1831/81/EGKS onder de quoteringsregeling zou zijn gebracht. In de voor de ten laste gelegde quotumoverschrijding relevante periode was laatstgenoemde beschikking echter nog niet van toepassing. Dit tweede argument dient aanstonds te worden verworpen. Zoals de Commissie terecht heeft gesteld en ook duidelijk blijkt uit de tekst van de betrokken bepalingen in beide algemene beschikkingen, is Groep IV uit de algemene beschikking nr. 2794/80 nader uitgewerkt in de Categorieën IV, V en VI van de algemene beschikking nr. 1831/81. Plet ook nog naar voren gebrachte argument van een verschillende tariefindeling is in dit verband evenmin relevant, aangezien de algemene beschikkingen niet van een douanenomenclatuur uitgaan.
Het eerste argument, te weten, dat de betrokken profielen, voor zover hier van belang, als eindprodukten werden verkocht kan evenmin worden aanvaard. Niets in de algemene beschikkingen wijst er op, dat staalsoorten, die door de betrokken onderneming zelf tot eindprodukten worden verwerkt, niet onder de produktiequotering zouden vallen. Indien dit wel het geval zou zijn, zou dit ook een onbillijke bevoordeling van geïntegreerde ondernemingen opleveren. Met de basisbeginselen van artikel 58 EGKS is dit niet in overeenstemming te brengen. Het eerste middel dient derhalve in zijn geheel te worden verworpen.
2.2. Het tweede middel
Het tweede middel houdt in dat de Commissie ten onrechte de door Metalgoi bij telex van 17 maart 1981 gevraagde quotumaanpassing op grond van artikel 14 van de algemene beschikking zou hebben geweigerd, althans daaraan geen gevolg zou hebben gegeven. Wat dit middel betreft kan worden volstaan met de vaststelling, dat Metalgoi niet in beroep is gegaan tegen de met-toepassing van artikel 14. Of de Commissie al dan niet genoemde telex heeft ontvangen (hetgeen zij ontkent) is voor deze beroepsmogelijkheid niet relevant.
Wanneer aan artikel 14 geen toepassing is gegeven, staat het ondernemingen uiteraard niet vrij op grond van een eigen oordeel over de mogelijkheid van toepassing van deze hardheidsclausule tot quotumoverschrijding over te gaan. Overigens wekt het op blz. 3 van het proces-verbaal van de hoorzitting op 28 mei 1982 (bijlage 6 van verzoekschrift) gestelde twijfel, of Metalgoi inderdaad wel in zo grote financiële moeilijkheden verkeerde, dat dit toepassing van artikel 14 had kunnen rechtvaardigen. De vertegenwoordiger van Metalgoi stelde toen zelf, dat zijn onderneming een positieve balans vertoonde.
2.3. Het derde middel
Metalgoi stelt voorts als alternatief middel, dat het teveel geproduceerde staal zou zijn uitgevoerd naar derde landen en derhalve het aanbod op de gemeenschappelijke markt niet zou hebben beïnvloed. In zijn algemeenheid kan deze stelling niet opgaan, aangezien de algemene beschikkingen als gezegd uitgaan van de produktie als zodanig, zonder met de afzet daarvan rekening te houden. In Uw arrest in de zaak 244/81 van 11 mei 1983 (Klöckner, Jurispr. 1983, 1451) heeft U een dergelijke argumentatie dan ook met kracht van de hand gewezen (rechtsoverweging 44). Een andere vraag is intussen wel of de overschrijding van een produktiequotum tengevolge van leveringen naar derde landen voor de hoogte van de boete altijd in gelijke mate gewaardeerd moet worden als overschrijding door levering binnen de gemeenschappelijke markt. Een argument voor het verschil in zwaarte van deze inbreuken op het quotumstelsel zou wellicht gevonden kunnen worden in de considerans van de algemene beschikkingen en in het feit dat het stelsel van leveringsquota alleen op leveringen binnen de gemeenschappelijke markt betrekking heeft. Dat Uw Hof de hoogte van de boete niet als een zuiver administratief automatisme beschouwt, staat blijkens Uw recente arrest in de zaak 188/82 van 16 november 1983 (Thyssen AG, Jurispr. 1983, blz. 3721) vast. Niettemin zal naar mijn oordeel het enkele feit, dat een hoeveelheid staal, gelijk aan de quotumoverschrijding, naar derde landen is uitgevoerd op zich zelf nog niet als een uitzonderlijke grond kunnen worden beschouwd, die afwijking van het normale boetetarief rechtvaardigt. Hiertoe zou de betrokken onderneming tenminste aannemelijk moeten maken, dat zij door deze export naar derde landen nieuwe markten had opengelegd, die voor de concurrerende staalproducenten niet toegankelijk waren, niet met internationale overeenkomsten in strijd waren en haar gebruikelijke exportquota overschreden. Ook in antwoord op een mijnerzijds hierover tijdens de mondelinge behandeling gestelde vraag heeft Metalgoi echter geen uitzonderlijke omstandigheden als hierbedoeld kunnen aangeven, die een verlaging van de boete zouden kunnen rechtvaardigen.
Voor de beoordeling van dit derde middel kan ik thans ook nog verwijzen naar het arrest van de Vijfde kamer van 30 november 1983 in de zaak 235/82 (Fernere San Carlo), alsmede naar de conclusie van de advocaatgeneraal Reischl van 1 december 1983 in de zaak 348/82 (Odolesi). Op blz. 9-16 van zijn conclusie gaat mijn collega uitvoerig in op een soortgelijk beroep op exporttransacties en op blz. 16 sluit ook hij niet uit dat dit aspect voor de bepaling van de hoogte van de boete relevant kan zijn.
2.4. Eventuele andere verzachtende omstandigheden Zoals U zich zult herinneren, heeft Metalgoi zich tijdens de mondelinge behandeling intussen niet zozeer op deze exporttransacties beroepen als wel op de omstandigheid, dat de betrokken quotumoverschrijding correspondeerde met haar sterk gestegen afzet van de betrokken eindprodukten. Ook hier zou ik niet a priori de mogelijkheid willen uitsluiten, dat deze omstandigheid een boeteverlaging zou kunnen rechtvaardigen. Ook hier had Metalgoi dan echter tenminste aannemelijk moeten maken, dat het hier om het openleggen van een nieuwe markt ging en dat deze verkopen van eindprodukten dus niet ten laste van de afzetmogelijkheden van haar concurrenten kwamen en aldus als uitzonderlijke omstandigheid in de zin van artikel 9 van de algemene beschikking konden worden beschouwd, die boeteverlaging zou kunnen rechtvaardigen. Uit de rechtsoverwegingen 22 en 24 van Uw arrest in de zaak 188/82 (Thyssen) leid ik af, dat U ervan uitgaat, dat inderdaad de betrokken onderneming het bestaan van uitzonderlijke omstandigheden aannemelijk moet maken. Dit is in casu naar mijn oordeel niet geschied, zodat ook dit argument van verzoekster moet worden verworpen.
Wat de door Metalgoi subsidiair gevraagde spreiding van de betalingsverplichting van de opgelegde boete betreft, heeft de Commissie tijdens de procedure uiteengezet, dat zij deze bij voldoende daartoe aangevoerde motieven inderdaad pleegt toe te staan.
3. Conclusie
Samenvattend, kom ik derhalve tot de conclusie dat het beroep van Metalgoi in zijn geheel verworpen dient te worden en zij veroordeeld moet worden in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy