CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. F. MANCINI
VAN 20 OKTOBER 1983 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
In het onderhavige beroepschrift, gedagtekend 7 februari 1983, maakt D.
Morina, ambtenaar van het Europees Parlement, tegen die instelling een aantal vorderingen aanhangig, strekkende tot nietigverklaring van twee besluiten waarbij onderscheidenlijk de kennisgeving van een vacature is geannuleerd en een post binnen het organigram elders in de administratie is ondergebracht.
Bij kennisgeving nr. 3285 van 3 november 1981 verklaarde het Parlement een post van hoofdadministrateur, rang A 5/A 4, op het Directoraat-generaal Onderzoek en Documentatie (DG V) vacant. Verzoeker was aldaar in de rang A 6 werkzaam en kwam sedert januari 1979 voor bevordering in aanmerking, zodat hij solliciteerde. Hangende de procedure besloot het secretariaat-generaal van het Parlement evenwel bij nota van 6 mei 1982 de post binnen het organigram over te brengen naar de afdeling Begroting en Kas (DG IV). De administratie trok toen kennisgeving nr. 3285 in en deed daarvan mededeling aan verzoeker, die zich bij de administratie beklaagde en verzocht in kennis te worden gesteld van de redenen die tot de intrekking hadden geleid. Bij brief van 3 november 1982 verwierp de voorzitter van het Parlement zijn klacht; tot het overbrengen van de post naar een andere administratieve eenheid zou om buiten zijn persoon gelegen behoeften van de dienst zijn overgegaan, zodat de aanwervingsprocedure niet kon worden voortgezet.
2.
De verwerende instelling beriep zich ten exceptieve op twee niet-ontvankelijkheidsgronden : er zou geen bezwarend besluit zijn genomen, en verzoeker zou in rechte iets anders verlangen dan in zijn tot de administratie gerichte klacht. Morina zou tegen het genomen besluit niet kunnen opkomen, omdat het overbrengen van een post naar een andere administratieve eenheid een organisatorische maatregel is, die verzoekers positie onverlet laat; en nietigverklaring van de maatregel zou hij alleen in rechte hebben gevorderd. Morina bracht daartegen in dat hij zich in ieder geval zou bevinden
in een rechtens beschermde positie, die beroep rechtvaardigde.
Deze repliek komt mij juist voor. Morina had naar de vacante post gesolliciteerd, zodat hij mocht verlangen dat de aanwerving met inachtneming van de statutaire regelen zou geschieden, en met name ook dat er door de administratie bij de uitoefening van haar administratieve bevoegdheden geen détournement de pouvoir zou worden begaan. In een dergelijk geval hebt u overwogen dat de beoordeling van „deze middelen [schending van het Statuut en détournement de pouvoir] van een onderzoek ten gronde afhankelijk is; dat de ... exceptie van niet-ontvankelijkheid dan ook moet worden verworpen” (arrest, op 24. 6. 1969 gewezen in de zaak 26/68, Fux t. Commissie, Jurispr. 1969, blz. 145, r.o. 6 en 7). De eerste exceptie van het Parlement faalt dus. Wat de tweede exceptie betreft: klacht en beroep zijn mijns inziens van dezelfde strekking. Het besluit de post elders onder te brengen, brengt logischerwijze mede — en leidde er ook in feite toe — dat het vergelijkend onderzoek kwam te vervallen. Wie, als Morina, dit laatste besluit wenst te zien nietigverklaard, vordert eo ipso ook nietigverklaring van eerstgenoemd besluit.
3.
Ik ben daarmede toegekomen aan de bespreking van de grieven ten gronde. Dat zijn post elders werd ondergebracht, is door verzoeker aangevochten met een beroep op verschillende middelen: schending van het Statuut; schending van algemene beginselen van het ambtenarenrecht (gewettigd vertrouwen; behoorlijk bestuur); détournement de pouvoir.
Het eerste middel. Volgens verzoeker zou de administratie een post niet elders mogen onderbrengen, wanneer er met de aanwervingsprocedure een aanvang is gemaakt; in ieder geval zou het besluit tot intrekking van de kennisgeving der vacature niet met redenen omkleed zijn. Beide grieven falen. Een statutaire regel die een administratie verplicht de aanwervingsprocedure te voltooien, bestaat niet; zij kan dus worden afgebroken, bijvoorbeeld als het dienstbelang erom vraagt (vgl. voormeld arrest-Fux). Intrekking van de kennisgeving is voorts een maatregel van algemene aard, waartoe de administratie in de uitoefening van haar discretionaire bevoegdheden besluit en waaruit geen nadeel kan voortvloeien: de verwerende instelling behoefde het dus niet met redenen te omkleden (arrest, op 31. 3. 1965 gewezen in de zaak-Ley t. Commissie, gevoegde zaken 12 en 29/64, Jurispr. 1965, blz. 139).
Ook het beginsel volgens hetwelk gewettigd vertrouwen moet worden gehonoreerd, acht ik niet geschonden. Morina meent dat hij, door in te gaan op een aanbieding van werk, in een toestand is komen te verkeren die hem „vrijwel de zekerheid” van bevordering dan wel een „geconcretiseerd subjectief recht” daarop verstrekte. Dit gaat niet op. In tal van uitspraken is ons verzekerd dat het communautaire ambtenarenrecht geen werkelijke aanspraak op bevordering van de ene naar de andere positie kent.
Ook het beginsel dat een behoorlijk bestuur verlangt, lijkt niet te zijn geschonden: de instelling was geenszins verplicht haar eigen dienstbelang op te offeren aan Morina's mogelijk toekomstig belang bij de post, en bewijs van het gestelde détournement de pouvoir is niet aangedragen. Verzoeker heeft niet aangetoond dat het omstreden besluit niet werkelijk op het dienstbelang was gebaseerd en eigenlijk bedoeld was om een andere ambtenaar te begunstigen. De door de verwerende instelling ten processe verschafte inlichtingen hebben mijns inziens trouwens in zoverre aan iedere mogelijke twijfel of bezorgdheid een einde gemaakt. Hoogstens zou het Parlement kunnen worden verweten die informatie niet eerder te hebben verstrekt.
4.
Op grond van een en ander geef ik het Hof in overweging het door D. Morina op 7 februari 1983 tegen het Europees Parlement ingestelde beroep te verwerpen. Ik meen voorts dat elk van beide partijen de eigen kosten heeft te dragen.
( 1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy