CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL C. O. LENZ
VAN 23 FEBRUARI 1984 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
A —
Adam Buick, verzoeker in deze ambtenarenzaak, beoogt met zijn beroep een indeling in een betere aanvangsrang. In januari 1974 trad hij in dienst van de Commissie als ambtenaar op proef in de rang A 7/3 en in januari 1978 werd hij bevorderd naar de rang A 6.
Bij brief van 27 april 1981 verzocht hij op grond van het in maart 1981 door het directoraatgeneraal Personeelszaken en algemeen beheer bekendgemaakte „besluit inzake de criteria voor de indeling in rang en salaristrap bij aanwerving” van juli 1973 (hierna: de indelingscriteria), met terugwerkende kracht te worden ingedeeld in de rang A 6/1. Hij stelde de voor zo'n hogere indeling vereiste beroepservaring van ten minste acht jaar te hebben. In juni 1965, vier jaar na het behalen van zijn middelbaar-onderwijsdiploma, behaalde hij een academische graad. Sinds september 1965 oefende hij een relevante beroepsactiviteit uit. Bij zijn indiensttreding bij de Commissie kon hij dan ook terugblikken op acht jaar beroepservaring.
Op 11 mei 1981 deelde het indelingscomité van de Commissie verzoeker mee, dat bij korte, driejarige universitaire studies zoals hij had gevolgd, het eerste jaar beroepservaring na het behalen van het diploma als een vierde studiejaar wordt beschouwd. Derhalve kon slechts de periode van juni 1966 tot begin 1974 — dus zeveneneenhalf jaar — als beroepservaring in aanmerking worden genomen. Er was dan ook geen reden om een nieuwe indeling voor te stellen.
Verzoeker diende daarop binnen de gestelde termijn en in de vereiste vorm een administratieve klacht in. Hij stelde dat hij het middelbaar onderwijs in december 1961 had afgesloten met het toelatingsexamen voor de universiteit te Oxford en in oktober 1962 met zijn universitaire studie te zijn begonnen. Derhalve zou zijn werkzaamheid vanaf december 1965 als beroepservaring moeten meetellen.
Op 16 februari 1982 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen het afwijzend besluit van de administratie van 23 november 1982. Hij concludeert tot nietigverklaring van dit besluit en tot veroordeling van de Commissie om zijn dossier in het licht van het te wijzen arrest opnieuw te onderzoeken. Subsidiair concludeert hij tot verwijzing van verweerster in de kosten.
B —
Hieromtrent wil ik het volgende opmerken.
1. De ontvankelijkheid
Tegen de ontvankelijkheid van het beroep zou men kunnen aanvoeren, dat verzoeker tenslotte de nietigverklaring beoogt van zijn reeds in 1974 besloten en dus onaantastbaar geworden aanvankelijke indeling. Het Hof heeft in zijn arresten van 1 december 1983 in de zaken 190 en 343/82 (respectievelijk Blomefield en Michael, Jurispr. 1983) evenwel overwogen, dat de publikatie van de indelingscriteria in maart 1981 een nieuw feit oplevert, waardoor de termijnen van artikel 90 e.v. opnieuw gaan lopen. Ook het tot aanstelling bevoegd gezag was van mening dat Buicks verzoek krachtens artikel 90, lid 1, Ambtenarenstatuut ontvankelijk was. Nu verzoeker de in de artikelen 90 en 91 Ambtenarenstatuut bedoelde termijnen voor het indienen van een klacht en het instellen van beroep in acht heeft genomen, is het beroep als ontvankelijk te beschouwen.
2. De gegrondheid
Het bestreden besluit houdende afwijzing van verzoekers verzoek om herindeling met terugwerkende kracht in de rang A 6 moet wegens onwettigheid nietig worden verklaard, indien het tot aanstelling bevoegd gezag ten detrimente van verzoeker is afgeweken van de regels die het zelf voor het in aanmerking nemen van de opleiding en beroepservaring heeft vastgesteld, voor zover deze regels verenigbaar zijn met het Ambtenarenstatuut.
a)
Op grond van deze regels kan het tot aanstelling bevoegd gezag de geselecteerde kandidaat in de rang A 6 aanstellen wanneer deze een relevante beroepservaring van ten minste acht jaar heeft.
b)
Artikel 2, tweede alinea, bepaalt, dat „bij de waardering van de beroepservaring rekening wordt gehouden met het te vervullen ambt en met de beroepsbezigheden die de kandidaat vóór zijn indiensttreding heeft verricht.” De derde alinea luidt: „Als beroepservaring wordt aangerekend de ervaring welke werd opgedaan na bet verkrijgen van het eerste diploma dat overeenkomstig artikel 5 van het Statuut toegang verleent tot de categorie waartoe het te vervullen ambt behoort.” Als beroepservaring wordt dus slechts een voor het te vervullen ambt relevante, tussen het einde van de universitaire studie en de aanstelling bij de Commissie werkelijk uitgeoefende beroepsactiviteit in aanmerking genomen.
Vaststaat dat verzoeker volgens deze maatstaven een beroepsactiviteit van meer dan acht jaar in de zin van de indelingscriteria kan aantonen.
c)
Onder verwijzing naar de tweede alinea van punt 2, sub a, van bijlage II („... bij een korte universitaire studie wordt eventuele beroepservaring pas in aanmerking genomen vanaf bet einde van het vierde jaar na het behalen van het diploma van het secundair onderwijs”) betoogt verzoeker, dat men zijn beroepservaring vanaf december 1965 in aanmerking had moeten nemen. De wachttijd tussen het toelatingsexamen voor de universiteit te Oxford in december 1961, waarmee hij zijn middelbaar onderwijs afsloot, en het begin van zijn universitaire studie in oktober 1962 is volgens hem te wijten aan het feit dat het examen ter verkrijging van een studiebeurs voor Oxford enkel in december van ieder jaar wordt afgenomen.
Volgens verweerster is het indelingscomité daarentegen bij de berekening van de beroepservaring bij een korte universitaire studie tewerkgegaan als volgt: voor een kandidaat die onmiddellijk na het behalen van zijn middelbaar-onderwijsdiploma een driejarige universitaire studie aanvat, wordt overeenkomstig punt 2, sub a, van bijlage II eventuele beroepservaring in aanmerking genomen vanaf het einde van het vierde jaar na het behalen van het middelbaar-onderwijsdiploma. Voor kandidaten die hun universitaire studie niet onmiddellijk na het beëindigen van hun middelbare school zijn begonnen, of die hun studies hebben onderbroken, wordt de als studieduur in de zin van punt 2, sub a, van bijlage II te beschouwen periode van vier jaar op overeenkomstige wijze verlengd.
In het geval van verzoeker, die van oktober 1962 tot juni 1965 aan de universiteit studeerde, ging het indelingscomité, blijkens het bestreden besluit, ervan uit, dat het onmiddellijk bij de studietijd aansluitende jaar niet als beroepservaring kon worden aangemerkt; het kwam dan ook tot de conclusie dat ten hoogste de periode van juni 1966 tot januari 1974 — dus zeveneneenhalf jaar — als beroepservaring in aanmerking kon worden genomen.
d)
In dit geding staat derhalve de vraag centraal, of verweerster hier rechtens wel op de juiste manier is tewerkgegaan.
Verzoeker heeft gelijk waar hij stelt, dat het in zijn geval genomen besluit niet rechtstreeks uit de tekst van de tweede alinea van punt 2, sub a, van bijlage II voortvloeit. Voorts is het juist, dat de in bijlage II samengevatte administratieve praktijk van het indelingscomité in beginsel tot een gebonden bevoegdheid van de administratie leidt.
Anderzijds kunnen dergelijke gedragsregels, zoals het Hof in hogergenoemde zaken 190/82, Blomefield, en 343/82, Michael, heeft beklemtoond, geen afbreuk doen aan de dwingende bepalingen van het Ambtenarenstatuut. Zij moeten dan ook conform het Statuut worden uitgelegd.
Het Ambtenarenstatuut beoogt evenwel alle ambtenaren die zich in dezelfde situatie bevinden, een gelijke behandeling te garanderen. Dienovereenkomstig bepaalt artikel 5, lid 3, Ambtenarenstatuut, waarnaar in de indelingscriteria uitdrukkelijk wordt verwezen, dat „voor de ambtenaren die tot een zelfde categorie ... behoren, onderscheidenlijk dezelfde bepalingen met betrekking tot aanwerving en loopbaan gelden.”
Ook de indelingscriteria zijn volgens de considerans erop gericht „ambtenaren van een zelfde categorie ... gelijke voorwaarden ten aanzien van aanwerving en loopbaanontwikkeling te waarborgen.” Aan deze doelstelling beantwoordt zeker ook het in punt 2, sub a, van bijlage II, vermelde streven van het indelingscomité om de discrepantie in relevante beroepservaring ten gevolge van de verschillende duur van de universitaire studies in de onderscheiden Lid-Staten, van vijf tot twee jaar terug te brengen.
Daar verweersters berekening van de beroepservaring in de onderhavige zaak aan die ratio beantwoordt, valt daarop niets aan te merken.
Het hiervoren omschreven doel van deze regeling zou evenwel niet worden bereikt indien, zoals verzoeker verlangt, ook de periode van december 1961 tot oktober 1962 als opleiding zou worden erkend. Dat zou, zoals verweerster terecht opmerkt, tot gevolg hebben, dat de in aanmerking komende beroepservaring wordt verlengd met een termijn die als universitaire studie noch als relevante beroepservaring is te beschouwen en waarvan de duur geheel van individuele omstandigheden kan afhangen. Dit zou leiden tot een benadeling van alle andere kandidaten, van wie slechts de werkelijke universitaire studietijd en beroepservaring in aanmerking komen.
e)
Verzoeker voert daartegen aan, dat deze praktijk hem benadeelt, daar hij zich omwille van de studiebeurs heeft moeten neerleggen bij een wachttijd van december 1961 tot oktober 1962. Uit wat voorafgaat volgt evenwel, dat slechts de werkelijke opleiding en/of beroepservaring bij de indeling in aanmerking moet worden genomen. Derhalve is het irrelevant of verzoeker de wachttijd tussen het einde van zijn middelbaar onderwijs in december 1961 en de aanvang van zijn studies in oktober 1962 al dan niet had kunnen vermijden. Het meetellen van deze tijdspanne zou in ieder geval onverenigbaar zijn met de ratio van het Ambtenarenstatuut.
f)
Volgens verweersters berekeningen — waartegen niets kan worden ingebracht — heeft verzoeker niet de voor indeling in rang A 6 vereiste beroepservaring van ten minste acht jaar. Daarom moet het beroep alleen al op die grond worden verworpen. Mitsdien behoeft niet te worden ingegaan op de vraag van de Commissie, of verzoeker met de nodige beroepservaring ook recht op indeling in bedoelde rang zou hebben gehad.
3. Kosten
Ingevolge de artikelen 69, paragraaf 2, en 70 van het Reglement voor de procesvoering moet bij deze stand van zaken elke partij in beginsel in de eigen kosten worden verwezen. Verzoeker heeft evenwel subsidiair verzocht om, zoals in de zaak-Michael (zaak 343/80) van deze kostenregeling af te wijken. Ik zie daartoe echter geen reden, aangezien aan verzoeker kan worden tegengeworpen dat zijn op een onduidelijke passage gebaseerde vordering kennelijk onverenigbaar is met de tekst van andere delen van de indelingscriteria en met de ratio van het Statuut.
C —
Mitsdien concludeer ik tot verwerping van het beroep, met verwijzing van elk der partijen in de eigen kosten.
( 1 ) Vertaald uit liet Duits.
Full & Egal Universal Law Academy