CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL C. O. LENZ
VAN 30 MEI 1984 ( 1 )
Index
A — De feiten
1. Wijzigingen in de monetaire structuur en aanpassing van de landbouwprijzen..
2. Verzoeksters argumenten
a) artikel 1 van verordening nr. 1134/68
b) artikel 4 van verordening nr. 1134/68
c) artikel 4 van verordening nr. 878/77
en
artikel 1 van verordening nr. 1054/78 zoals gewijzigd bij verordening nr. 1509/78
3. Het antwoord van verweerder
4. Het verzoek om een prejudiciële beslissing
Β — Standpunt
1. De eerste vraag (artikel 1 van verordening nr. 1134/68)
a) Wijziging van de rekeneenheid = wijziging van de waarde van de Ecu?
b) Annulering van de vaststellingen vooraf bij wijziging van de landbouwprijzen aan het begin van het seizoen?
c) Analoge toepassing van het aanpassingsvoorschrift van artikel 1 van verordening nr. 1134/68 op de wijziging van de waarde van de Ecu
2. De tweede vraag (artikel 4 van verordening nr. 1134/68 — annulering bij wijziging van de waarde van de munteenheid van een Lid-Staat ten opzichte van de Ecu)
3. De derde vraag (artikel 1 van verordening nr. 1054/78)
a) omvang en oorzaak van het „nadeel”
b) aanpassing van niet vooraf vastgestelde bedragen?
c) artikel 1, lid 3 („certificaten waarop geen vooraf vastgesteld monetair compenserend bedrag is vermeld”)
d) terugwerkende kracht van de regeling voor suiker in het onderhavige geval?.
4. De vierde vraag (Artikel 1 van verordening nr. 1054/78 — inachtneming van de aankoopprijs?)
C — Conclusie
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
A —
Verzoekster in de Nederlandse procedure die tot het vandaag te behandelen verzoek om een prejudiciële beslissing heeft geleid, ontving voor de uitvoer naar derde landen van boter in de vorm van produkten voor menselijke consumptie vallende onder de tariefposten 21.07 G VIII a en 21.07 G VIII a („met een gehalte aan van melk afkomstige vetstoffen van 45 of meer, doch minder dan 85 gewichtspercenten”) op 30 december 1980, 2 januari 1981 en 5 januari 1981 certificaten houdende vaststelling vooraf van de restitutie volgens de op de dag van afgifte van de certificaten geldende bedragen; zij waren geldig tot 31 mei 1981 respectievelijk 30 juni 1981. Bij telex aan verweerder in het hoofdgeding (het Hoofdproduktschap voor akkerbouwprodukten) van 21 april 1981 verzocht zij om annulering van deze certificaten, voor zover daarvan op die datum nog geen gebruik wqs gemaakt. Van beide eerstgenoemde certificaten had verzoekster inderdaad slechts gedeeltelijk en van het derde nog in het geheel geen gebruik gemaakt.
Duidelijkheidshalve zou ik eerst het volgende willen opmerken.
1.
Op 23 maart 1981 traden wijzigingen op in de Europese monetaire structuur: de spilkoers van de Italiaanse lire werd gedevalueerd, terwijl de theoretische spilkoers van het Engelse pond werd gerevalueerd. Dit had tot gevolg, dat de waarde van de munten van andere Lid-Staten (waaronder Nederland) verminderde ten opzichte van de Ecu. De Ecu is de bij de verordeningen nrs. 3180/78 en 3181/78 (PB L 379 van 1978, blz. 1 en 2) ingevoerde rekeneenheid, die in 1979 in de plaats trad van de voorheen op landbouwgebied gebruikte rekeneenheid (zie verordening nr. 652/79, PB L 84 van 1979, blz. 1).
Omdat daardoor de spilkoers van de gulden nagenoeg samenviel met de zogenoemde representatieve koers van de gulden (zoals bekend hebben de door de Raad vast te stellen representatieve koersen de vroegere officiële pariteiten voor omrekeningen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid vervangen — zie verordening nr. 878/77, PB L 106 van 1977, blz. 27) had zulks op zich volgens verordening nr. 974/71 (PB L 106 van 1971, blz. 1) moeten leiden tot verval van de Nederlandse monetair compenserende bedragen (hierna: mcb's), die voorheen werden toegepast omdat de spilkoers van de gulden hoger lag dan de representatieve koers. Dit werd evenwel verhinderd door verordening nr. 801/81 van de Commissie (PB L 82 van 1981, blz. 17). Daar de representatieve koersen in het kader van de jaarlijkse prijsvaststellingen toch zouden moeten worden gewijzigd, en kunstmatige handelsstromen en speculaties als gevolg van een aanpassing van de mcb's moesten worden vermeden, bepaalde de Commissie in laatstgenoemde verordening, dat de op 23 maart 1981 geldende mcb's tot 5 april 1981 zouden blijven gelden.
De monetaire compensatie kwam in Nederland eerst te vervallen, nadat in het kader van de aanpassing van de representatieve koersen met ingang van 6 april 1981 de representatieve koers van de gulden op het niveau van de nieuwe spilkoers was vastgesteld (zie verordening nr. 850/81, PB L 90 van 1981, blz. 1, en verordening nr. 902/81, PB L 94 van 1981, blz. 3). Tegelijkertijd werd bovendien met ingang van 6 april 1981 een nieuwe — hogere — interventieprijs voor boter vastgesteld (verordening nr. 851/81, PB L 90 van 1981, blz. 6); met ingang van dezelfde datum werden nieuwe uitvoerrestituties voor bepaalde zuivelprodukten vastgesteld (verordening nr. 922/81, PB L 93 van 1981, blz.10).
2.
Door deze ontwikkeling achtte verzoekster zich na 21 april 1981 niet meer in staat, met de vooraf vastgestelde restituties nog winstgevend te exporteren. Zij meende dan ook, aanspraak te kunnen maken op annulering van haar certificaten om aldus — ook zonder dat haar exporten hadden plaatsgevonden — vérbelimig van de waarborg te vermijden.
a)
Daarbij beriep zij zich vooral op verordening nr. 1134/68 van de Raad van 30 juli 1968 houdende vaststelling van de regels voor de toepassing van verordening (EEG) nr. 653/68 betreffende de voorwaarden voor wijziging van de waarde van de voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid gebruikte rekeneenheid (PB L 188 van 1968, blz. 1). Deze was vastgesteld, toen de in het landbouwbeleid gebruikte rekeneenheden waren uitgedrukt in een gewicht aan fijn goud, de valuta van de Lid-Staten een vaste, bij het IMF aangemelde pariteit vertoonden, en herleidingen van rekeneenheden tot nationale valuta alsmede omrekening van nationale valuta onderling met behulp van de door het IMF erkende pariteiten geschiedden (zie de artikelen 1 en 2 van verordening nr. 129 van de Raad, PB van 1962, blz. 2553). Verzoekster was van oordeel dat, aangezien na de monetaire gebeurtenissen van 23 maart 1981 de interventieprijs voor boter was aangepast, de uitvoerrestituties opnieuw waren vastgesteld en bij verordening nr. 1609/81 (PB L 161 van 1981, blz. 1) de vóór 1 april 1981 voor melk en zuivelprodukten vooraf vastgestelde restituties waren gecorrigeerd, artikel 1 van verordening nr. 1134/68 van toepassing was. Dit artikel bepaalt:
„1.
In geval van wijziging van de waarde van de rekeneenheid en in geval van aanpassing van de landbouwprijzen uit hoofde van artikel 3, vierde alinea, van verordening (EEG) nr. 653/68:
a)
worden de bedragen die elementen bevatten bij de vaststelling waarvan rekening is gehouden met de op de internationale markten geldende prijzen en waarvan een opsomming is gegeven in de punten 1 tot en met 5 van de bijlage [waaronder uitvoerrestituties], voor zover noodzakelijk onverwijld door de Commissie herberekend en opnieuw vastgesteld volgens de voor ieder geval geldende berekeningsmethoden, met gebruikmaking van de nieuwe waarde van de rekeneenheid en/of de aangepaste landbouwprijzen;
...
2.
In de gevallen waarin de bepalingen van lid 1, sub a), worden toegepast, worden de daarin bedoelde bedragen die vooraf zijn vastgesteld voor een transactie die na de wijziging van de waarde van de rekeneenheid of de aanpassing van de landbouwprijzen nog tot stand moet komen, voor zover nodig, door de Commissie herberekend en opnieuw vastgesteld op soortgelijke wijze als is voorzien in genoemde bepalingen; elke belanghebbende die voor een bepaalde transactie vaststelling vooraf heeft bewerkstelligd, verkrijgt echter door middel van een schriftelijk verzoek, dat binnen een termijn van 30 dagen volgende op die van de inwerkingtreding van de maatregelen ter vaststelling van de herberekende bedragen in het bezit van het bevoegde orgaan moet komen, annulering van de vaststelling vooraf en van het ten blijke daarvan opgestelde certificaat of stuk.”
b)
Subsidiair betoogde zij, dat in ieder geval artikel 4 van verordening nr. 1134/68 van toepassing was, luidend als volgt:
„1.
In geval van wijziging van de verhouding tussen de pariteit van de munteenheid van een Lid-Staat en de waarde van de rekeneenheid, gaat en onverminderd de toepassing van artikel 1, lid 2, over tot aanpassing van de volgende bedragen welke in rekeneenheden zij vastgesteld, titels of certificaten, opgesteld voor de toepassing van het gemeenschappelijk landbouwbeleid of de bijzondere regelingen voor het handelsverkeer van goederen, verkregen door verwerking van landbouwprodukten :
a)
de bedragen die vooraf zijn vastgesteld voor een na de wijziging van bedoelde verhouding nog tot stand te brengen transactie of gedeelte van een transactie;
...
Elke belanghebbende die voor een bepaalde transactie een vaststelling vooraf heeft bewerkstelligd, verkrijgt echter door middel van een schriftelijk verzoek, dat binnen een termijn van 30 dagen volgende op de dag van inwerkingtreding van de maatregelen waarbij de aangepaste bedragen worden vastgesteld in het bezit van het bevoegde orgaan moet komen, annulering van de vaststelling vooraf en van het ten blijke daarvan opgestelde certificaat of stuk.”
c)
Subsidiair beriep zij zich voorts op verordening nr. 878/77 van de Raad van 26 april 1977 inzake de in de landbouwsector toe te passen wisselkoersen (PB L 106 van 1977, blz. 27). Zoals gezegd, zijn daarbij — krachtens artikel 3 van verordening nr. 129, dat in bepaalde gevallen van deze verordening afwijkende maatregelen toestaat — op landbouwgebied de officiële pariteiten vervangen door de door de Raad vast te stellen representatieve koersen (artikel 1). Artikel 4 van verordening nr. 878/77 bepaalt:
„1.
De in verordening (EEG) nr. 1134/68 vastgestelde bepalingen met betrekking tot de wijziging van de verhouding tussen de pariteit van de munteenheid van een Lid-Staat en de waarde van de rekeneenheid, zijn van toepassing.
2.
Artikel 4, lid 1, tweede alinea van verordening (EEG) nr. 1134/68 is evenwel slechts van toepassing indien de betrokkene door de toepassing van de nieuwe representatieve koersen nadeel ondervindt.
Vóór de datum van toepassing van de nieuwe koers kan worden besloten dit nadeel door een passende maatregel te compenseren. In dat geval mogen de vaststelling vooraf en het desbetreffende certificaat of document niet worden geannuleerd.”
Daartoe bepaalt artikel 1 van verordening nr. 1054/78 van de Commissie van 19 mei 1978 (PB L 134 van 1978, blz. 40), zoals gewijzigd bij verordening nr. 1509/78 van de Commissie van 30 juni 1978 (PB L 178 van 1978, blz. 50):
„1.
Onder nadeel in de zin van artikel 4 van verordening (EEG) nr. 878/77 wordt verstaan de wijziging in nationale valuta van het geheel van de voor de betrokken transactie geldende bedragen, welke als gevolg van de toepassing van de nieuwe representatieve koers, eventueel per saldo, resulteert in
—
de heffing van een hoger bedrag
of
—
de toekenning van een lager bedrag dan het bedrag dat zou hebben gegolden indien voornoemde representatieve koers niet in werking was getreden.
Het nadeel wordt bepaald op basis van de situatie van de belanghebbende vóór en na de inwerkingtreding van de nieuwe koersen en prijzen.
...
2.
De in artikel 4, lid 1, laatste alinea, van Verordening (EEG) nr. 1134/68 bedoelde annulering van de vaststelling vooraf en van het ten blijke daarvan opgestelde certificaat of stuk kan alleen worden aangevraagd
a)
indien de representatieve koers van de betrokken munteenheid is gewijzigd
en
b)
indien, in geval van gelijktijdige wijziging van de representatieve koers en van het in rekeneenheden uitgedrukte prijsniveau, het nadeel dat resulteert uit de wijziging van de representatieve koers groter is dan het voordeel dat kan resulteren uit de invloed van de wijziging van het prijsniveau op de in het handelsverkeer toe te kennen of te heffen bedragen.
3.
Voor certificaten waarop geen vooraf vastgesteld monetair compenserend bedrag is vermeld, wordt het eventuele nadeel berekend voor de munteenheid van de Lid-Staat waarin het certificaat of het stuk is afgegeven. Voor certificaten evenwel waarop een vooraf vastgesteld monetair compenserend bedrag is vermeld, wordt het betrokken nadeel berekend voor de munteenheid van de Lid-Staat waarin het certificaat geldig is.”
Volgens verzoekster zijn op zijn minst deze bepalingen van toepassing, daar de bij verordening nr. 850/81 ingevoerde wijziging van de representatieve koersen heeft geleid tot een nadeel in de vorm van verval van de monetaire compensatie in Nederland; van een nadeel is bovendien sprake in die zin, dat het prijsniveau in de Gemeenschap door de vaststelling van een nieuwe interventieprijs, de revaluatie van de Ecu en de vaststelling van nieuwe representatieve koersen is gestegen.
3.
Dit betoog heeft het Hoofdproduktschap voor akkerbouwprodukten evenwel niet aanvaard. Het was van oordeel, dat zich in het voorjaar 1981 een situatie als bedoeld in artikel 1 van verordening nr. 1134/68 niet voordeed. Daarvan zou slechts sprake kunnen zijn, indien de landbouwprijzen op een ander tijdstip dan aan het begin van het seizoen worden aangepast. Rechtstreekse toepassing van artikel 4 van verordening nr. 1134/68 zou onmogelijk zijn, omdat de begrippen „pariteit van de munteenheid” en „waarde van de rekeneenheid” in het landbouwbeleid van de Gemeenschap niet meer gelden. Evenmin zou dit voorschrift krachtens de in verordening nr. 878/77 vervatte wijziging toepasselijk zijn; verzoekster zou door de wijziging van de representatieve koersen geen nadeel hebben ondervonden, met name niet in de vorm van verval van de monetaire compensatie, die niet was veroorzaakt door de wijziging van de representatieve koersen en waarvoor verzoekster bovendien niet had verzocht om vaststelling vooraf. Het Hoofdproduktschap wees verzoeksters vordering derhalve af.
4.
Het daarop aangezochte College van Beroep voor het Bedrijfsleven heeft geoordeeld, dat het geschil meerdere vragen van uitlegging van het gemeenschapsrecht opwerpt. Het heeft derhalve bij uitspraak van 25 februari 1983 de behandeling van de zaak geschorst en het Hof van Justitie krachtens artikel 177 EEG-Verdrag de volgende vragen voorgelegd:
„I.
Ingevolge artikel 1, lid 2, van de verordening (EEG) nr. 1134/68 ontstaat een aanspraak op annulering van de vaststelling vooraf en van het ten blijke daarvan opgestelde certificaat: ‚in de gevallen, waarin de bepalingen van lid 1, sub a, worden toegepast’. Voert een juiste uitleg van dit artikellid tot het oordeel dat van zulk een geval sprake was toen:
—
de waarde van de Ecu veranderde op 23 maart 1981, en voorts:
—
de interventieprijzen voor boter opnieuw werden vastgesteld met ingang van 6 april 1981 bij verordening (EEG) nr. 851/81, en voorts:
—
opnieuw uitvoerrestituties voor de sector melk en zuivel werden vastgesteld bij verordening (EEG) nr. 922/81 met ingang van 6 april 1981?
II.
Ingevolge artikel 4, lid 1, van de verordening (EEG) nr. 1134/68 ontstaat een aanspraak op annulering van de vaststelling vooraf en van het ten blijke daarvan opgestelde certificaat: ‚in geval van wijziging van de verhouding tussen de pariteit van de munteenheid van een Lid-Staat en de waarde van de rekeneenheid’. Voert een juiste uitleg van dit artikellid tot het oordeel dat van zulk een geval sprake was, toen de waarde van de Ecu veranderde op 23 maart 1981?
III.
Brengt een juiste uitleg van artikel 1, lid 1, van de verordening (EEG) nr. 1054/78 mee dat voor de berekening van het in dit artikellid bedoelde nadeel bij de vergelijking van de situatie van de belanghebbende vóór en na de inwerkingtreding van de nieuwe koersen en prijzen ook de niet vooraf vastgestelde monetair compenserende bedragen in aanmerking moeten worden genomen?
IV.
Brengt een juiste uitleg van artikel 1, lid 1, van de verordening (EEG) nr. 1054/78 mee dat voor de berekening van het in dit artikellid bedoelde nadeel bij de vergelijking van de situatie van de belanghebbende vóór en na de inwerkingtreding van de nieuwe koersen en prijzen ook de aankoopprijs in aanmerking moet worden?”
Na bovenstaande uiteenzetting zou ik terzake het volgende standpunt willen innemen.
B —
1. De eerste vraag
De eerste vraag houdt in, of artikel 1 van verordening nr. 1134/68 ook betrekking heeft op de monetaire gebeurtenissen van 23 maart 1981 en de vaststelling van nieuwe interventieprijzen en uitvoerrestituties met ingang van 6 april 1981. Volgens verzoekster moet deze vraag bevestigend, volgens de Commissie en verweerder ontkennend worden beantwoord.
Mijns inziens verdient het laatste standpunt de voorkeur.
a)
Daarbij is vooral van belang, dat verordening nr. 1134/68 uitvoeringsvoorschriften vaststelde bij verordening nr. 653/68 „betreffende de voorwaarden voor wijziging voor de waarde van de voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid gebruikte rekeneenheid”. Mitsdien moet worden aangenomen, dat voor de uitlegging van verordening nr. 1134/68 de in verordening nr. 653/68 gebruikte begrippen bepalend zijn. Derhalve kan niet worden gesteld, dat het bij de in artikel 1 van verordening nr. 1134/68 genoemde „rekeneenheid” — zoals verzoekster meent — om een algemeen begrip gaat. Waar hier wordt gesproken van rekeneenheid en de wijziging van de waarde daarvan, gaat het veeleer om een begrip en een gebeurtenis in de zin van verordening nr. 653/68. Dit blijkt zowel uit de titel als uit de considerans.
Uit artikel 1 van verordening nr. 653/68 blijkt zonder meer, dat de waarde van de aldaar gebruikte rekeneenheid in een bepaald gewicht in goud werd uitgedrukt; ook is geheel duidelijk, dat die waarde alleen in de in de artikelen 2 en 3 genoemde gevallen en volgens de daar voorgeschreven procedure kon worden gewijzigd. Artikel 2 van deze verordening heeft betrekking op het geval waarin alle Lid-Staten, de pariteit van hun munteenheid gelijktijdig en in dezelfde richting wijzigen. Daarmee wordt klaarblijkelijk gedoeld op de vaste, tot 1971 toegepaste en bij het IMF aangemelde pariteiten in de zin van artikel 2 van verordening nr. 129 Artikel 3 van verordening nr. 653/68 heeft betrekking op het geval waarin een of meer Lid-Staten een wijziging van de pariteit van hun munteenheid (in de zoeven bedoelde zin) aankondigen en bepaalt, dat de Raad dan binnen drie dagen bijeen komt om te beslissen, of de waarde van de rekeneenheid moet worden gewijzigd.
In 1981 daarentegen, dat wil zeggen toen de voor het hoofdgeding bepalende gebeurtenissen zich voordeden, werd bovenbedoelde rekeneenheid zoals gezegd niet meer gebruikt. Zij was vervangen door de Ecu, een grootheid die wordt gedefinieerd door het totaal van bepaalde bedragen in de valuta's van de Lid-Staten. De vaste pariteiten van de munteenheden van de Lid-Staten waren eveneens verdwenen en hadden plaats gemaakt voor deels zwevende koersen, deels in het kader van het Europees Monetair Stelsel vastgestelde spilkoersen, waaraan een zekere fluctuatiemarge was verbonden.
Derhalve kan, ook al is in het Bulletin van de Europese Gemeenschappen (1981, nr. 3, blz. 45) sprake van een revaluatie van de Ecu, bij de gebeurtenissen van 23 maart 1981 niet worden gesproken van een wijziging van de waarde van de rekeneenheid, vooral nu nergens — zoals in verordening nr. 652/79 voor verordening nr. 878/77 — werd gezegd, dat de rekeneenheid ook in verordening nr. 1134/68 door de Ecu moest worden vervangen. Bijgevolg kan worden aangenomen, dat artikel 1 van verordening nr. 1134/68 op een dergelijke situatie niet kan worden toegepast. Daarbij behoeft niet te worden ingegaan op de vraag, of de Commissie — hetgeen deze bestrijdt — destijds daadwerkelijk maatregelen krachtens artikel 1, lid 1, sub a, en lid 2, van verordening nr. 1134/68 heeft getroffen.
b)
Voorts kan worden vastgesteld, dat in het voorjaar 1981 van een onder dat artikel vallende situatie evenmin sprake was op grond dat zich een — eveneens in dat voorschrift genoemde — „aanpassing van de landbouwprijzen” voordeed. Verzoekster denkt hier kennelijk aan de nieuwe vaststelling van de interventieprijzen met ingang van 6 april 1981. Waar in artikel 1 van verordening nr. 1134/68 sprake is van een aanpassing van de landbouwprijzen, wordt ook uitdrukkelijk gesteld, dat het moet gaan om een aanpassing uit hoofde van artikel 3 van verordening nr. 653/68. Dit is een aanpassing die zich afspeelt na wijziging van de muntpariteit van een of meer Lid-Staten, wanneer de Raad zulks noodzakelijk acht tijdens zijn bijeenkomst die moest plaatsvinden binnen drie dagen na aankondiging van de betrokken monetaire gebeurtenis. Zij staat derhalve los van de regelmatige prijsbesluiten aan het begin van een seizoen in het kader van de gemeenschappelijke landbouwmarkt. Een dergelijke aanpassing — ik zal hier dadelijk nog op terugkomen — was na de gebeurtenissen van 23 maart 1981 helemaal niet nodig. Bij de prijsbesluiten van april 1981 ging het dan ook niet om aanpassingen in de zin van artikel 3 van verordening nr. 653/68, maar om besluiten in het kader van de normale prijsbepalingen aan het begin van een seizoen. Met de monetaire gebeurtenissen van 23 maart 1981 hadden zij kennelijk niets uitstaande, evenals overigens de vaststelling van nieuwe restitutiebedragen met ingang van 6 april 1981. Het gaat dan ook stellig niet aan, deze laatste als een maatregel van de Commissie in de zin van artikel 1, lid 1, van verordening nr. 1134/68 aan te merken.
c)
In de loop van de procedure is tenslotte nog duidelijk geworden, dat er evenmin redenen zijn, artikel 1 van verordening nr. 1134/68 op een geval als het onderhavige analoog toe te passen. De functie, de ratio van de regeling moet immers worden gezien in het licht van de omstandigheid, dat een wijziging van de waarde van de rekeneenheid (in de zin van artikel 1 van verordening nr. 653/68) of de wijziging van de muntpariteit van een of meer Lid-Staten (die eveneens in goud werd uitgedrukt) rechtstreekse gevolgen heeft voor het prijsniveau in de Gemeenschap. Daarvan kan evenwel in het nieuwe stelsel bij een wijziging van de spilkoersen (het enige waar het op 23 maart 1981 om ging) geen sprake zijn. De omrekening van Ecu in nationale munteenheden geschiedt immers met behulp van de representatieve koersen (die op 23 maart 1981 onaangetast bleven); het verschil met de spilkoersen (of — bij gebreke daarvan — de daadwerkelijke koersen) wordt gecompenseerd door de mcb's, die voor de handhaving van een bepaald prijsniveau zorgen en daardoor aanpassing van de prijzen bij wijzigingen van de spilkoersen overbodig maken.
Ofschoon verordening nr. 1134/68 na de hiervoor uiteengezette wijziging van het stelsel niet is vervallen (zij is in ieder geval nog van toepassing voor zover er in artikel 4 van verordening nr. 878/77 naar wordt verwezen), en sinds de invoering van de Ecu het begrip „rekeneenheid” niet stelselmatig in alle teksten is vervangen, kan de eerste vraag gezien het voorgaande alleen maar ontkennend worden beantwoord.
2. De tweede vraag
De tweede vraag houdt in, of de monetaire gebeurtenissen van 23 maart 1981 een geval vormen waarop artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1134/68 toepassing vindt. Ook hier wordt door verzoekster een bevestigend en door verweerder en de Commissie een ontkennend antwoord voorgestaan.
Reeds op grond van mijn betoog ter zake van de eerste vraag is in feite duidelijk, dat ook hier het standpunt van verzoekster niet kan worden aanvaard. Artikel 4 spreekt van een wijziging van de verhouding tussen de pariteit van de munteenheid van een Lid-Staat en de waarde van de rekeneenheid. Het voorschrift is derhalve — gelet op de hiervoor geschetste context — gericht op een situatie, waarin een rekeneenheid met een zekere waarde in de zin van artikel 1 van verordening nr. 129 bepalend was en voor de Lid-Staten muntpariteiten golden die bij het IMF waren aangemeld (artikel 2 van verordening nr. 129). In 1981 was van een dergelijke situatie evenwel geen sprake meer. De twee genoemde grootheden waren in de landbouwsector vervangen door de reeds behandelde Ecu en de representatieve koersen in de zin van artikel 1 van verordening nr. 878/77. Daarbij is van belang, dat in verordening nr. 878/77 uitdrukkelijk wordt verwezen naar artikel 3 van verordening nr. 129, bepalende dat bij monetaire praktijken van buitengewone aard van verordening nr. 129 afwijkende maatregelen kunnen worden getroffen, en derhalve kan worden afgeweken van een rekeneenheid met een bepaalde waarde in goud en van omrekening volgens de bij het IMF opgegeven muntpariteiten.
Het lijkt evenmin zinvol, artikel 4 van verordening nr. 1134/68 na de fundamentele wijzigingen op monetair gebied en in de landbouwsector nog indirect toe te passen. Het heeft immers klaarblijkelijk betrekking op situaties, waarin de gebeurtenissen die het opsomt rechtstreekse gevolgen hebben voor de prijssituatie. Daarvan is evenwel geen sprake bij wijziging van de spilkoersen of daadwerkelijke koersen (ook voor het Engelse pond bestaat thans geen bij het IMF opgegeven pariteit meer); deze heeft immers geen invloed op de prijssituatie, zolang de representatieve koersen blijven gelden.
Ook al was derhalve na 23 maart 1981 de waarde van de gulden ten opzichte van de Ecu gewijzigd, dan nog vormde dit op zich volgens de dwingende uitlegging van verordening nr. 1134/68 — waarvoor verzoeksters verwijzing naar bepaalde formuleringen in de considerans van verordening nr. 878/77 evenmin relevant is als haar verwijzing naar het voorstel van de Commissie voor een verordening inzake de waarde van de rekeneenheid (PB C 57 van 1980, blz. 11) — geen grond voor toepassing van artikel 4 van verordening nr. 1134/68. Deze kon eerst worden overwogen na wijziging van de representatieve koersen en op grond van de uitdrukkelijke verwijzing in artikel 4 van verordening nr. 878/77; luidens de considerans van verordening nr. 976/78 van de Raad van 12 mei 1978 (PB L 125 van 1978, blz. 32) werd deze verwijzing noodzakelijk geacht, daar artikel 4 van verordening nr. 1134/68 was opgezet „voor de wijziging van de pariteit van de munteenheid en niet voor de wijziging van de representatieve koersen”. Daarbij gold wel de bijkomende voorwaarde — waarop ik dadelijk nog zal moeten ingaan — dat de betrokkene door toepassing van de nieuwe representatieve omrekeningskoersen een nadeel ondervond en dat maatregelen ter compensatie van dat nadeel ontbraken.
3. De derde vraag
Deze heeft betrekking op de uitlegging van artikel 1, lid 1, van verordening nr. 1054/78 (zoals gewijzigd bij verordening nr. 1509/78). Daarin wordt het zoëven genoemde begrip „nadeel” in de zin van artikel 4 van verordening nr. 878/77 omschreven. Dit begrip is bepalend, wanneer na een wijziging van de representatieve koersen een annulering van certificaten met vooraf vastgestelde bedragen wordt gevraagd. Met deze vraag doelt de verwijzende rechter derhalve niet op de monetaire gebeurtenissen van 23 maart 1981 (waarbij de representatieve guldenkoers — 1 Ecu = 2,80821 gulden — onaangetast bleef, en alleen de spilkoers van de gulden heel dicht in de buurt van de representatieve koers kwam te liggen, te weten van 2,74362 gulden/Ecu naar 2,81318 gulden/Ecu). Het gaat in casu veeleer om de aanpassing van de groene koersen met ingang van 6 april 1981, die voor de Nederlandse gulden tot gevolg had, dát vanaf 6 april 1981 voor 1 Ecu 2,81318 gulden moest worden gerekend. In de gestelde vraag wordt gesproken van niet vooraf vastgestelde mcb's naar aanleiding van verzoeksters argument, dat het wegvallen van de mcb's voor zuivelprodukten in Nederland heeft geleid tot minder gunstige exportvoorwaarden en daarmee tot een nadeel voor haar, dat bij de beoordeling van haar verzoek om annulering van haar uitvoercertificaten in aanmerking moet worden genomen.
a)
In dit verband moet om te beginnen worden opgemerkt, dat volgens artikel 4, lid 2, van verordening nr. 878/77 de toepassing van nieuwe representatieve koersen een nadeel moet teweegbrengen. Gezien de omvang van de wijziging van de groene koers begin april 1981, rijst evenwel reeds de vraag, of een dergelijke geringe wijziging (0,01927 gulden = 0,05 — 0,06 %) überhaupt een relevant nadeel kan veroorzaken. Het gaat verzoekster om het wegvallen van de mcb's. Dit was in de grond der zaak echter niet toe te schrijven aan een wijziging van de representatieve koersen, maar reeds — op 31 maart 1981 — een gevolg van de wijziging van de spilkoers van de gulden op 23 maart 1981. Genoemd effect werd door de Commissie met behulp van voornoemde verordening nr. 801/81 slechts bij wijze van uitzondering naar een latere datum verschoven, ten einde speculatieve transacties te voorkomen.
Maar afgezien daarvan blijkt bij lezing van de gestelde vraag, dat aan het door verweerder en de Commissie voorgestane ontkennend antwoord ook hier de voorkeur moet worden gegeven. Verzoeksters argumenten, die berusten op de bewoordingen van artikel 1 van verordening nr. 1054/78 en op verordening nr. 908/81 van de Commissie van 3 april 1981 inzake de vaststelling vooraf van de monetair compenserende bedragen in het kader van de inschrijvingen voor de uitvoer van suiker (PB L 91 van 1981, blz. 9), zijn niet steekhoudend.
b)
Het is vooral van belang, dat de verordening van de Commissie moet worden uitgelegd op de grondslag van de basisverordening van de Raad, dat wil zeggen binnen het kader van deze laatste. Het moet immers uitgesloten worden geacht, dat de Commissie bij de vaststelling van voorschriften ter uitvoering van een verordening van de Raad essentiële punten heeft willen of kunnen veranderen dan wel aanvullen. Volgens de basisverordening van de Raad nr. 1134/68 is evenwel duidelijk, dat het gaat om aanpassing van vooraf vastgestelde bedragen en dat daaruit rechten op annulering ontstaan voor de houders van certificaten. Waar zulks krachtens verordening nr. 878/77 van de Raad ook is gaan gelden in geval van wijziging van de groene koersen en daaraan de voorwaarde is verbonden, dat de houder van het certificaat wordt benadeeld, moet wel worden aangenomen, dat het hier om een benadeling als gevolg van de aanpassing van vooraf vastgestelde bedragen gaat. Ook al wordt in verordening nr. 1054/78 (zoals gewijzigd bij verordening nr. 1509/78) onder nadeel verstaan „de wijziging in nationale valuta van het geheel van de voor de betrokken transactie geldende bedragen”, kan derhalve uit het gebruik van het woord „geheel” op zich niet worden geconcludeerd, dat ook niet vooraf vastgestelde bedragen in aanmerking moeten komen. Terecht heeft de Commissie er ook op gewezen, dat de mogelijkheid van vaststelling vooraf van mcb's — dit blijkt uit de considerans van verordening nr. 243/78 — is geschapen om moeilijkheden voor de handel te voorkomen, om deze derhalve de mogelijkheid te bieden, de gevolgen van monetaire gebeurtenissen als die van 23 maart 1981 in zekere mate af te wenden. Daarbij heeft zij ook verduidelijkt, dat degene die daar geen gebruik van heeft gemaakt, geen aanspraak kan maken op toepassing van verordening nr. 1608/74 (te weten vrijstelling van de heffing van mcb's voor transacties voortvloeiende uit oude overeenkomsten in geval van wijziging van de mcb's). Een exporteur die afziet van vaststelling vooraf van de mcb's, neemt bewust het risico, dat deze bedragen worden gewijzigd. Hij kan dan ook niet om annulering van certificaten verzoeken met het argument, dat het wegvallen van mcb's tot een in aanmerking te nemen nadeel leidt.
De overige argumenten die verzoekster tot staving van haar betoog heeft aangevoerd, zijn mijns inziens niet doorslaggevend.
c)
Dit geldt in de eerste plaats voor haar opmerking, dat in artikel 1, lid 3, van verordening nr. 1054/78 (zoals gewijzigd bij verordening nr. 1509/78) wordt gesproken van certificaten waarop geen vooraf vastgesteld mcb is vermeld. Kennelijk gaat het in dit onderdeel van het voorschrift immers alleen om de voor de vaststelling van het nadeel bepalende munteenheid, en wordt niet gezegd, dat ook niet vooraf vastgestelde mcb's bij de berekening van het nadeel in aanmerking komen.
d)
Dit geldt ook voor verzoeksters verwijzing naar verordening nr. 908/81 van de Commissie inzake de vaststelling vooraf van de mcb's in het kader van de inschrijvingen voor de uitvoer van suiker, die eveneens na bovenbedoelde monetaire gebeurtenissen is vastgesteld. Zij bepaalt, dat een verzoek om vaststelling vooraf van mcb's kan worden ingediend na de aanvraag van het betrokken uitvoercertificaat, indien het gaat om een certificaat dat vóór de datum van toepassing van deze verordening is afgegeven, de douaneformaliteiten bij uitvoer vanaf de datum van toepassing van deze verordening worden vervuld en de belanghebbende voor de betrokken transactie geen gebruik heeft gemaakt van de vaststelling vooraf van mcb's. Evenwel wordt in de considerans van de verordening erop gewezen, dat een massaal, op verordening nr. 1134/68 juncto verordening nr. 878/77 gebaseerd gebruik van het recht op annulering van uitvoercertificaten afgegeven in het kader van deelinschrijvingen, tot ernstige verstoringen van het beheer van deze sector leidde, en dat derhalve een maatregel moest worden getroffen ter vermijding van nadelen in de zin van artikel 4 van verordening nr. 878/77. Bij deze mogelijkheid van latere vaststelling vooraf van mcb's gaat het derhalve slechts om een compensatiemaatregel krachtens artikel 4, lid 2, van verordening nr. 878/77. Hiermee kan zeker niet worden aangetoond, dat het ontbreken van vooraf vastgestelde mcb's en de daaruit voortvloeiende gevolgen bij de berekening van een nadeel in de zin van artikel 4 van verordening nr. 878/77 steeds in aanmerking moeten worden genomen.
4. De vierde vraag
Ook deze heeft betrekking op de uitlegging van artikel 1 van verordening nr. 1054/78, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1509/78. Het gaat erom, of bij de berekening van het daar bedoelde nadeel ook de aankoopprijs in aanmerking moet worden genomen. Daarmee doelt het College van Beroep op het argument van verzoekster, dat de wijziging van de representatieve koersen op 6 april 1981 de interventieprijs en daarmee de marktprijs heeft beïnvloed; deze wijziging zou het verzoekster onmogelijk hebben gemaakt, met de vooraf vastgestelde restitutie nog winstgevend te exporteren.
Zoals bekend, moet deze vraag volgens verzoekster bevestigend worden beantwoord. Daartoe wijst zij met name op de omstandigheid, dat in genoemd artikel 1, lid 1, tweede alinea, ook wordt gesproken van prijzen; zij is van oordeel, dat indien zowel de restituties als de mcb's vooraf zijn vastgesteld, het bedoelde nadeel alleen kan ontstaan uit wijziging van het prijsniveau. Verweerder en de Commissie nemen ook hier een afwijkend standpunt in.
Mijns inziens moeten verweerder en de Commissie wederom in het gelijk worden gesteld.
In de grond der zaak zou ik er wellicht mee kunnen volstaan, daartoe te verwijzen naar hetgeen bij de beantwoording van de derde vraag is opgemerkt, te weten dat het, gezien het onderling verband tussen alle betrokken bepalingen, alleen aankomt op de gevolgen van een wijziging van de representatieve koersen voor vooraf vastgestelde bedragen, waartoe de aankoopprijs klaarblijkelijk niet behoort.
Hier kan echter aan worden toegevoegd, dat een en ander reeds blijkt uit de bewoordingen van artikel 1 van verordening nr. 1054/78. Volgens de daar gegeven omschrijving van het begrip „nadeel” gaat het erom, dat wijziging van de bij een transactie geldende bedragen ingevolge de toepassing van een nieuwe representatieve koers resulteert in de heffing van een hoger bedrag of de toekenning van een lager bedrag dan zonder de inwerkingtreding van genoemde koers het geval zou zijn geweest. In zoverre speelt de aankoopprijs geen rol.
Ik ben er daarentegen niet van overtuigd, dat aan de bewoordingen van artikel 1, lid 1, tweede alinea — waar van prijzen wordt gesproken — argumenten voor verzoeksters stelling kunnen worden ontleend. De Commissie heeft er terecht op gewezen, dat in deze alinea niet een nieuw element (te weten de aankoopprijs) voor de bepaling van het nadeel besloten ligt, maar dat hier alleen het voor de berekening van het nadeel bepalende tijdstip wordt vastgelegd. Dat dit inderdaad het geval is blijkt duidelijk uit lid 2, sub b; daar is bepaald, dat in geval van gelijktijdige wijziging van de representieve koers en van het in rekeneenheden uitgedrukte prijsniveau, het nadeel dat resulteert uit de wijziging van de representatieve koers groter moet zijn dan het voordeel dat kan resulteren uit de invloed van de wijziging van het prijsniveau. Daarmee is duidelijk, dat de wijziging van het prijsniveau niet in aanmerking moet worden genomen bij de berekening van het nadeel, doch alleen een rol speelt bij de vergelijking van de nadelen voortvloeiend uit de wijziging van de representatieve koers en het voordeel als gevolg van een prijswijziging.
C — Concluderend kan ik het Hof derhalve alleen maar in overweging geven, alle door het College van Beroep gestelde vrageti ontkennend te beantwoorden en te verklaren, dat de artikelen 1 en 4 van verordening nr. 1134/68 niet golden voor de monetaire gebeurtenissen van 23 maart 1981, alsmede dat bij de bepaling van het nadeel in de zin van verordening nr 1054/78 de niet vooraf vastgestelde mcb's evenmin in aanmerking zijn te nemen als een wijziging van de aankoopprijzen die resulteert uit een wijziging van de representatieve koersen en de invloed daarvan op de interventieprijzen.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy