CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
SIR GORDON SLYNN
VAN 12 JANUARI 1984 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
De heer Fabius heeft deelgenomen aan vergelijkend onderzoek COM/A/325, dat de Commissie in 1981 organiseerde voor de vorming van een reserve van administrateurs in de rangen A 7 en 6. Een van de voorwaarden van het vergelijkend onderzoek was, dat de sollicitanten twee schriftelijke examens moesten afleggen, het eerste ter beoordeling van het begrips-en het redeneervermogen, het tweede ter beoordeling van de algemene kennis die nodig is voor een functie bij een internationale organisatie. Alleen de sollicitanten die voor beide onderdelen van het schriftelijk examen tenminste de helft van het aantal punten behaalden, zouden worden toegelaten tot de volgende fase van het vergelijkend onderzoek, het mondeling examen. Voor het eerste schriftelijk examen behaalde Fabius 13,82 punten op 40, en voor het tweede 46 punten op 60. Hij was dus niet geslaagd voor het eerste examengedeelte en bij brief van 10 november 1982 deelde de Commissie hem dan ook mee, dat hij niet aan het mondeling examen mocht deelnemen.
Bij brief van 28 november 1982 diende hij hiertegen een klacht in en verzocht hij zijn geval in heroverweging te nemen. Zijn klacht werd afgewezen op 22 december 1982 en desgevraagd lichtte de Commissie die afwijzing toe bij brief van 16 maart 1983.
Inmiddels had verzoeker de zaak op 15 maart 1983, dus binnen de gestelde termijn, aanhangig gemaakt bij het Hof. Hij verzoekt om twee dingen: enerzijds nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 22 december 1982 om hem op grond van het besluit van de jury van het vergelijkend onderzoek niet tot het mondeling examen toe te laten, en anderzijds een verklaring van het Hof dat de Commissie voor hem een nieuw examen moet organiseren, dan wel hem moet laten deelnemen aan een volgend vergelijkend onderzoek voor de aanwerving van administrateurs in de betrokken rangen, zelfs indien hij de voor dat vergelijkend onderzoek vastgestelde leeftijdsgrens zou overschrijden. Na het aanhangig maken van deze procedure heeft verzoeker zonder succes verzocht om voorlopige voorzieningen om verder te kunnen deelnemen aan het eerste vergelijkend onderzoek.
Verzoekers beroep is niet zozeer gericht tegen het belsuit van de jury als wel tegen de manier waarop het vergelijkend onderzoek was georganiseerd. Dit zou in strijd zijn met de beginselen van billijkheid en zorgvuldigheid. Verzoekers voornaamste grief is, dat de Commissie ten onrechte zoveel belang hecht aan een algemene test ter beoordeling van het redeneervermogen. Hij stelt dat dergelijke algemene intelligentietests niet noodzakelijk tot de selectie van de meest geschikte kandidaten leiden: zoals het geval is met verzoeker zelf, kan een ambtenaar in de praktijk voldoen, zonder dat hij voor een test als deze een goed resultaat behaalt of kan behalen. In Nederland, zo zegt hij, wordt thans algemeen aanvaard, dat dergelijke tests niet noodzakelijk betrouwbaar of beslissend zijn, en daarom zouden zij ook in de Gemeenschap niet beslissend mogen zijn. Dat de test in casu niet betrouwbaar was, blijkt volgens verzoeker uit het feit dat hij voor de tweede test, een redeneertest, veel punten behaalde. Voorts is hij van oordeel, dat het niet billijk is dat hij is afgewezen, aangezien hij voor de twee schriftelijke examens tezamen 59,82 punten heeft behaald (terwijl 50 voldoende zou zijn geweest indien hij voor elk schriftelijk examen 50 % van de punten zou hebben gehaald). Derhalve zou de Commissie, zowel door de wijze waarop zij het vergelijkend onderzoek heeft georganiseerd, als omdat zij heeft geweigerd verzoekers geval in heroverweging te nemen in het licht van de door hem aangevoerde feiten en argumenten, haar verplichtingen jegens hem niet zijn nagekomen.
Het Hof heeft erkend dat de Commissie over een discretionaire bevoegdheid dient te beschikken bij het organiseren van vergelijkende onderzoeken en het vaststellen van de criteria daarvoor. De beoordeling daarvan komt in de eerste plaats toe aan het tot aanstelling bevoegd gezag, en niet aan het Hof (zie de zaken 90/74, Deboeck, Jurispr. 1975, blz. 1123, en 143/82, Lipman, arrest van 28 april 1983, Jurispr. 1983, blz. 1301).
Indien de Commissie criteria zou hanteren die volstrekt irrelevant waren voor de uitgeschreven posten of die het tot aanstelling bevoegd gezag in redelijkheid niet zou kunnen bepalen (bijvoorbeeld dat slechts roodharige sollicitanten worden toegelaten), zou het Hof stellig kunnen ingrijpen. Zelfs wanneer men aanneemt dat er twee opvattingen mogelijk zijn over de absolute waarde van algemene intellegentietests en dat er bekwame mensen zijn die, welke tests men hun ook voorlegt, daarbij nooit een goed figuur slaan, toch geloof ik niet dat de Commissie in casu haar discretionaire bevoegdheid heeft overschreden. De begrips-en redeneertest was bedoeld om de geschiktheid van de sollicitanten voor het verrichten van scheppende werkzaamheden, studies of controle te kunnen beoordelen. De Commissie had het volste recht om het algemene redeneer-, denk-en uitdrukkingsvermogen van de sollicitanten door middel van een aparte test te onderzoeken en te verlangen dat zij zowel voor een algemene als voor een specifieke test zouden slagen, ook al wekt het in casu verbazing, dat verzoeker bij de tweede test zulke goede en bij de eerste zulke slechte resultaten heeft behaald. Voorts is niet aangetoond dat de in casu gebruikte tests gebrekkig waren, en zeker niet dat zij dat in die mate waren, dat zij niet meer betrouwbaar waren.
Mijn inziens rechtvaardigt niets in deze zaak de gevraagde maatregelen; mitsdien moet het beroep worden verworpen met verwijzing van elke partij in de eigen kosten.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy