CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
P. VERLOREN VAN THEMAAT
VAN 24 NOVEMBER 1983 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne bereti Rechters,
1. De feiten
Ten aanzien van de door het Finanzgericht München bij beschikking van 8 maart 1983 voorgelegde vraag is mijn standpunt als volgt:
In geding is ditmaal de vraag, of door verzoekster ingevoerde glazen flessen, bestemd voor het bewaren en kweken van weefselculturen van menselijke kankercellen in steriele omstandigheden, wetenschappelijke instrumenten of apparaten zijn in de zin van artikel 3, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1798/75 van 10 juli 1975 (PB L 184 van 1975, blz. 1) in haar oorspronkelijke versie.
Volgens de door de Ludwig-Maximilians-Universität München verstrekte gegevens zijn de flessen vervaardigd van flintglas, een materiaal dat ook bij langdurige opslag geen stoffen in het alkalische medium afgeeft. De flessen hebben een platte bodem, die de aangroei van cellen toelaat, en een speciale gietrand; deze is speciaal ontworpen voor weefselcultuurmedia en maakt het mogelijk, dat oplossingen worden uitgegoten zonder dat zij langs de rand van de fles aflopen. Dit is wegens de uiterst strenge eisen inzake steriliteit zeer belangrijk.
Voor de beantwoording van de aan het Hof voorgelegde vraag ga ik er niet alleen van uit, dat deze gegevens juist zijn, maar ook dat de glazen flessen uitsluitend voor wetenschappelijk onderzoek van de betrokken kankercellen worden gebruikt. Voorts ga ik ervan uit, dat niet is vastgesteld dat soortgelijke glazen flessen ook in de Gemeenschap worden vervaardigd. Gelet op artikel 3, lid 1, sub b, van de verordening, had het Finanzgericht München de vraag anders zeker niet gesteld. Op bladzijde 7 van haar memorie merkt de Commissie in dit verband evenwel terecht op dat, om een en ander vast te stellen, in elk afzonderlijk geval een vrij uitgebreid onderzoek noodzakelijk is; in het belang van het wetenschappelijk onderzoek moet derhalve het begrip „wetenschappelijke instrumenten of apparaten” weliswaar ruim worden uitgelegd, maar een te ver gaande verruiming van dit begrip niettemin worden vermeden ( 2 ).
2. Verdere uitgangspunten
In het arrest van 10 november 1983 (zaak 300/82, Gesamthochschule Essen) verklaarde het Hof in rechtsoverweging 9 reeds: „Waar volgens de eerste overweging van de verordening de invoer van voorwerpen van opvoedkundige, wetenschappelijke of culturele aard ‚zoveel mogelijk’ moet worden vrijgesteld van douanerechten, mag de term wetenschappelijk instrument' in artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1798/75 niet eng worden opgevat.” In de rechtsoverwegingen 10-14 van het arrest worden nog meer argumenten tegen een restrictieve uitlegging van het betrokken begrip genoemd. Uit het antwoord van het Hof op de vraag, of het bij die zaak betrokken materiaal als „wetenschappelijk instrument” kon worden beschouwd, kunnen de volgende criteria worden afgeleid :
1.
het materiaal (het ging om blokken plastische kunststof van een bepaalde samenstelling) moet een wezenlijke functie vervullen ter verkrijging van bepaalde resultaten,
2.
dienst doen voor wetenschappelijk onderzoek op lange termijn, en
3.
een onmisbaar hulpmiddel daarvoor zijn.
Op het eerste gezicht zou men gemakkelijk kunnen concluderen, dat ook de onderhavige flessen aan deze criteria voldoen. Ook de vertegenwoordiger van de Commissie heeft hier zojuist terecht op gewezen. In dat geval zouden ter beantwoording van de in casu gestelde vraag dezelfde criteria kunnen worden aangevoerd. Anders dan in zaak 300/82 is thans in confesso, dat het om „voorwerpen” gaat. De overgelegde gegevens lijken er voorts op te wijzen, dat de flessen een wezenlijke functie vervullen ter verkrijging van bepaalde resultaten van wetenschappelijk onderzoek op lange termijn. Ten slotte lijkt ook het onderzoek naar de vraag, of de flessen daartoe onmisbaar zijn, op het eerste gezicht aan de nationale rechter te kunnen worden overgelaten. Niettemin zal ik niet in die zin concluderen.
Teneinde ook de taal als „wetenschappelijk instrument” en als instrument van wetgeving en rechtspraak tot haar recht te laten komen, dient, om tot een juiste uitlegging van een verordening te komen, behalve met de strekking ervan en de steeds wisselende feitelijke situatie, tevens rekening te worden gehouden met het begrippenapparaat, de bewoordingen en de algemene systematiek. Vele wetten, en ook de onderhavige verordening, zijn compromissen tussen uiteenlopende doelstellingen, in casu op het gebied van onderzoekbeleid en industrie- en handelspolitiek. Het is dus zaak om op grond van voornoemde uitleggingscriteria de precieze betekenis van de verordening voor de betrokken groep van individuele gevallen vast te stellen.
Uit rechtsoverweging 15 van het arrest in zaak 300/82 zou reeds kunnen worden afgeleid, dat materialen die niet (zoals in die zaak) een middel doch object van wetenschappelijk onderzoek zijn, niet als wetenschappelijk instrument kunnen worden aangemerkt. De vraag, in hoeverre dit onderscheid tussen middel en object van wetenschappelijk onderzoek steeds een oplossing kan bieden, kan hier onbesproken blijven. In mijn conclusie in zaak 300/82 heb ik daarover reeds enkele opmerkingen gemaakt. Daarentegen staat vast, dat het in casu gaat om voorwerpen die geen „instrumenten” voor het onderzoek in eigenlijke zin vormen, doch bestemd zijn voor het bewaren en kweken van onderzoekmateriaal in steriele omstandigheden. Het zou volgens mij te ver gaan, ook dergelijke tweedegraads indirecte hulpmiddelen als „wetenschappelijke instrumenten” in de zin van de verordening te beschouwen. Een koelkast wordt immers ook geen eetgerei enkel omdat men er voedsel in bewaart. De onderhavige flessen hebben ongetwijfeld een belangrijke indirecte functie bij het onderzoek en zijn onmisbaar voor het verrichten van het eigenlijke onderzoek. Het eigenlijke onderzoek wordt evenwel niet met deze voorwerpen verricht. De Commissie merkt in punt 3 van haar memorie terecht op, dat dit het beslissende kenmerk is dat de in een officieel document van de Unesco genoemde voorbeelden van wetenschappelijke instrumenten gemeen hebben. Bovendien valt niet goed te overzien waar uiteindelijk de grens kan worden getrokken, wanneer men eenmaal begint ook hulpmiddelen voor de bewaring van onderzoekmateriaal en een volgende keer misschien andere indirecte hulpmiddelen, bijvoorbeeld voor de vervaardiging van onderzoekinstrumenten, als wetenschappelijke instrumenten te kwalificeren. In elk geval zou men op deze wijze onvoldoende rekening houden met het door de verordening beoogde compromis tussen onderzoekbeleid en industrie- respectievelijk handelspolitiek.
Overigens blijkt reeds uit rechtsoverweging 16 van het arrest in zaak 300/82, dat het Hof geenszins een algemene en uitputtende definitie van het begrip wetenschappelijke instrumenten heeft willen geven.
Blijkens het voorgaande heeft het Finanzgericht München de vraag mijns inziens ten onrechte uitsluitend op het begrip „instrumenten of apparaten” toegespitst. De kernvraag is veeleer, of het hier gaat om een wetenschappelijk instrument (of apparaat) in de zin van de verordening, zodat de vraag van het Finanzgericht aldus moet worden begrepen. Dit blijkt overigens uit de laatste alinea op bladzijde 5 van de verwijzingsbeschikking.
Uit het voorgaande volgt ook reeds, dat ik mij slechts gedeeltelijk kan aansluiten bij het antwoord dat de Commissie in haar schriftelijke en mondelinge opmerkingen heeft voorgesteld. Met name ben ik het niet eens met haar opvatting, dat slechts sprake is van een instrument, indien het een voorwerp betreft waarmee bepaalde verrichtingen kunnen worden uitgevoerd of bepaalde uitwerkingen op andere voorwerpen kunnen worden teweeggebracht. Reeds voor de casuspositie in zaak 300/82 had een dergelijk criterium de verwijzende rechter weinig gebaat, en in het arrest in die zaak is een dergelijk criterium evenmin te vinden. Het „onmisbaarheidscriterium”, dat de Commissie thans ontleent aan het arrest in zaak 300/82, heeft het Hof mijns inziens voor de beantwoording van de onderhavige vraag evenmin nodig. Daarentegen ben ik het wel eens met de opvatting van de Commissie, dat geen grote waarde dient te worden toegekend aan de term „Gerät” in de Duitse versie van de verordening, nu een overeenkomstige term in de overige taalversies van de verordening ontbreekt. Maar aangezien bovenstaande criteria voor de vaststelling van het verband met het eigenlijke onderzoek ook van toepassing zijn op een „Gerät”, heeft dit punt geen praktische betekenis meer.
3. Conclusie
Op grond van het voorgaande geef ik het Hof in overweging, de vraag van het Finanzgericht München te beantwoorden als volgt. Teneinde niet onnodig op andere gevallen vooruit te lopen, stel ik een ontkennend antwoord voor, dat overigens in zijn abstracte vorm alleen geldt voor soortgelijke gevallen als het onderhavige.
„Het begrip, wetenschappelijke instrumenten of apparaten' in artikel 3, lid 1, eerste zin, van verordening (EEG) nr. 1798/75 van 10 juli 1975 (in haar oorspronkelijke versie) dient zodanig te worden uitgelegd, dat voorwerpen die uitsluitend bestemd zijn voor het bewaren of kweken van onderzoekmateriaal, niet daaronder begrepen zijn.”
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
( 2 ) Deze weergave van de betrokken opmerking van de Commissie strookt mijn inziens met hetgeen ermee is bedoeld. De Commissie zelf stelt in dit verband minder juist, dat een te ver gaande verruiming van de {lottane vrijstellingen moet worden vermeden. Dit zou op zichzelf) zij het met overdreven veel inspanning, ook kunnen worden bereikt door toepassing van de beperkende voorwaarden van de verordening, die rechtstreeks verband houden met de industriepolitieke doelstellingen ervan. Maar deze inspanning zou met name niet op haar plaats zijn, indien het gaat om betrekkelijk goedkope en eenvoudige hulpmiddelen voor het verrichten van onderzoek.
Full & Egal Universal Law Academy