CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 11 JANUARI 1984 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
In augustus 1980 gaf verzoekster in het hoofdgeding Gerlach & Co. BV, te Amsterdam, uit Spanje afkomstige goederen ten invoer aan, door haar omschreven als „olie uit vislevers, post 15.04 Α II” van het gemeenschappelijk douanetarief (GDT). De Nederlandse douane deelde de goederen dienovereenkomstig in onder deze post, waarvoor geen douanerecht geldt. Op grond van een monsteronderzoek kwam de bevoegde instantie echter tot de overtuiging dat de betrokken substantie, omschreven als „perhydrosqualeen (hexametil tetracosano)”, moest worden aangemerkt als een koolwaterstofverbinding met open koolstofketen in de zin van post 29.01 AI van het GDT. Daar voor dergelijke produkten destijds een douanerecht van 6,7 % gold, zond de bevoegde instantie (de Ontvanger der Invoerrechten en Accijnzen) op 23 oktober 1980 de importeur een uitnodiging tot betaling van een bedrag van HFL 11942,80 aan invoerrechten.
Nadat het hiertegen gerichte bezwaarschrift door de Inspecteur der Invoerrechten en Accijnzen was afgewezen, stelde Gerlach beroep in tot vernietiging van deze uitspraak en tot vermindering van het in de uitnodiging tot betaling vermelde bedrag tot nihil, hiertoe in hoofdzaak aanvoerend, dat de in post 29.01 bedoelde koolwaterstofverbindingen met open koolstofketen afkomstig moesten zijn van minerale koolwaterstoffen, terwijl het onderhavige produkt van dierlijke oorsprong was; daarom moest het worden ingedeeld onder post 15.04 AII.
De inspecteur staat daarentegen op het standpunt, dat het ingevoerde produkt niet meer de uiterlijke kenmerken van visolie bezit en bovendien door bewerking een chemisch welbepaalde verbinding is geworden, namelijk een „koolwaterstof met open koolstofketen”, die uitdrukkelijk in post 29.01 A wordt genoemd. Voor de tariefindeling zou het in dat geval irrelevant zijn of het produkt van natuurlijke dan wel van synthetische oorsprong is. Hoewel er geen sprake was van motorbrandstof of andere brandstof als bedoeld in post 29.01 AI, zou het toch onder deze post moeten worden ingedeeld, nu verzoekster had nagelaten vóór de invoer een vergunning aan te vragen die haar recht zou geven op indeling onder post 29.01 A II — koolwaterstoffen met open koolstofketen, bestemd voor ander gebruik —, waarvoor geen invoerrecht geldt.
De Tariefcommissie is van mening, dat voor het betrokken produkt, door haar omschreven als een doorzichtig, kleuren reukloos produkt dat hoofdzakelijk wordt toegepast in de kosmetische industrie, naast de reeds genoemde posten ook post 15.12 van het GDT in aanmerking moet worden genomen. Zij acht indeling van het betrokken produkt onder post 29.01 A II op grond van de bewoordingen van deze post in beginsel wel mogelijk, maar wijst erop, dat door de bevoegde autoriteiten geen vergunning is afgegeven als verlangd door verordening (EEG) nr. 1775/77 van de Commissie van 28 juli 1977 houdende vaststelling van de voorwaarden en bepalingen waaraan bij invoer van bepaalde aardolieprodukten de toepassing van een gunstige tariefregeling in verband met hun bijzondere bestemming is onderworpen (PB L 195 van 1977, blz. 5). Er zou dus niet zijn voldaan aan de voorwaarden voor indeling onder deze post.
De Tariefcommissie heeft daarom bij beschikking van 16 maart 1983 de behandeling van de zaak geschorst en krachtens artikel 177 EEG-Verdrag het Hof de volgende vragen ter prejudiciële beslissing voorgelegd :
„1.
In welke post van het GDT moet worden ingedeeld een geheel gehydrogeneerde, uit vislever vervaardigde, dierlijke olie, welke tevens is een koolwaterstofverbinding met een open acyclische koolstofketen?
2.
Indien een produkt als bedoeld in vraag 1 moet worden ingedeeld in post 29.01 A, moet dan, ingeval het produkt is bestemd voor een ander gebruik dan als motorbrandstof of als andere brandstof, maar een vergunning als bedoeld in de verordening (EEG) nr. 1775/77 van de Commissie van 28 juli 1977 ontbreekt, worden toegepast onderverdeling I of II?”
Mijn standpunt in deze is als volgt:
I — De eerste vraag
1.
Het onderhavige produkt moet volgens verzoekster in het hoofdgeding worden ingedeeld onder post 15.04 A II van het GDT — oliën uit vislevers —, daar het een produkt van dierlijke oorsprong is dat, in tegenstelling tot zuiver synthetisch perhydrosqualeen, naast de verbinding C30H62 andere koolwaterstoffen (verontreinigingen) bevat; dit zou met de C14-methode kunnen worden vastgesteld.
Volgens de Toelichtingen op de nomenclatuur van de Internationale Douaneraad (hierna: IDR-nomenclatuur) vallen onder post 15.04 — „vetten en oliën, van vis of van zeezoogdieren, ook indien geraffineerd” — vetten en oliën welke verkregen worden uit verschillende vissoorten en uit zeezoogdieren, die in het algemeen worden gekenmerkt door een karakteristieke visreuk en een onaangename smaak en die in ruwe staat geel tot bruinrood van kleur zijn (aantekening 1). Aantekening 5 bij deze post bepaalt voorts, dat geraffineerde oliën en vetten weliswaar onder deze post blijven ingedeeld, doch dat zij onder post 15.12 vallen indien zij zijn gehydrogeneerd of op andere wijze gehard of in vaste toestand gebracht. Daar het onderhavige produkt, naar de Tariefcommissie heeft vastgesteld, doorzichtig, kleur- en reukloos is en als volledig gehydrogeneerd moet worden beschouwd, heeft het dus de kenmerkende eigenschappen van olie uit vislevers verloren en kan het reeds daarom, zoals de Commissie terecht opmerkt, niet worden ingedeeld onder post 15.04.
2.
Hooguit zou post 15.12 dus in aanmerking kunnen komen. Onder deze post vallen dierlijke en plantaardige oliën en vetten, die geheel of gedeeltelijk zijn gehydrogeneerd of op andere wijze gehard of in vaste toestand gebracht, ook indien gezuiverd, doch die niet verder zijn bereid. Zoals wij echter van de Commissie vernamen, is het praktisch onmogelijk om zonder verdere bereiding uit olie van vislevers een substantie te winnen die niet de typische visreuk en -smaak bezit en die niet geel tot bruinrood van kleur is. Om deze reden lijkt ook toepassing van post 15.12 uitgesloten.
3.
Met de Commissie en de Belgische regering, die eveneens in deze procedure opmerkingen heeft gemaakt, meen ik echter, dat de verder in aanmerking komende post 29.01 A, waaronder koolwaterstoffen met open koolstofketen vallen, wel relevant is. Zoals de Tariefcommissie opmerkt, wordt de afbakening tussen produkten van hoofdstuk 15 en die van hoofdstuk 29 beheerst door aantekening 1 d) bij hoofdstuk 15 en door aantekening 1 a) bij hoofdstuk 29. Volgens aantekening 1 d) omvat hoofdstuk 15 niet de in die aantekening genoemde produkten en andere produkten bedoeld bij een der posten van afdeling VI, dus ook niet die van hoofdstuk 29. Volgens aantekening 1 a) bij hoofdstuk 29 echter vallen geïsoleerde chemisch welbepaalde organische verbindingen, ook indien zij onzuiverheden bevatten, in ieder geval onder dit hoofdstuk.
De Tariefcommissie heeft vastgesteld dat het ingevoerde produkt een koolwaterstofverbinding met open koolstofketen is, dat wil zeggen een produkt, dat als geïsoleerde chemisch welbepaalde organische verbinding wordt genoemd in post 29.01 van afdeling VI. Blijkens de Toelichtingen op het douanetarief voor de Europese Gemeenschappen bij hoofdstuk 29 (onder punt 6) moet de zuiverheidsgraad van die verbindingen ten minste 95 % bedragen; voldoende is dus, dat het in te delen produkt voor ten minste 95 % uit koolwaterstoffen met open koolstofketen bestaat.
Anderzijds zijn noch in post 29.01 noch in de toelichtingen hierop aanknopingspunten te vinden voor de opvatting van verzoekster in het hoofdgeding, dat onder deze post enkel koolwaterstoffen met open koolstofketen vallen, die afkomstig zijn uit minerale koolwaterstoffen. De Tariefcommissie, de Belgische regering en de Commissie moeten dan ook worden gevolgd in hun opvatting, dat de dierlijke oorsprong van het in de eerste vraag omschreven produkt geen belemmering vormt voor zijn indeling onder post 29.01 A van het GDT.
II — De tweede vraag
Daarmee kom ik tot de tweede vraag, namelijk onder welke post de betrokken koolwaterstofverbinding met open koolstofketen moet worden ingedeeld, wanneer enerzijds vaststaat dat zij niet is bestemd om te worden gebezigd als motorbrandstof of als andere brandstof in de zin van post 29.01 A I, en anderzijds dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor indeling onder post 29.01 A II.
a)
Volgens de voetnoot bij post 29.01 A II is namelijk indeling onder deze onderverdeling onderworpen aan de door de bevoegde autoriteiten vast te stellen voorwaarden en bepalingen. De Commissie heeft deze voorwaarden en bepalingen vastgesteld in de reeds genoemde verordening nr. 1775/77, die zelf weer is gebaseerd op verordening (EEG) nr. 97/69 van de Raad van 16 januari 1969 betreffende de maatregelen die moeten worden getroffen voor de uniforme toepassing van de nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 14 van 1969, blz. 1). Artikel 1 van verordening nr. 1775/77 bepaalt, dat, onder voorbehoud van enkele bijzondere bepalingen, op aardolieprodukten — en als zodanig worden onder meer produkten aangemerkt die onder post 29.01 vallen — in beginsel van toepassing is verordening nr. 1535/77 van de Commissie van 4 juli 1977 houdende vaststelling van de voorwaarden en bepalingen waaraan bij de invoer van bepaalde goederen de toepassing van een gunstige tariefregeling in verband met hun bijzondere bestemming is onderworpen (PB L 171 van 1977, blz 1). Voor de toepassing van de gunstige tariefregeling bij invoer, op grond van bijzonder gebruik, verlangt artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1535/77 echter, dat de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat waar de goederen ten invoer in het vrije verkeer worden gebracht, de importeur een schriftelijke vergunning verlenen. Nu verzoekster in het hoofdgeding, naar de Tariefcommissie heeft vastgesteld, een dergelijke vergunning niet kan overleggen, moet worden nagegaan wat de gevolgen zijn indien aan deze voorwaarde niet is voldaan.
Zoals ook de Commissie ons heeft bevestigd, dient deze regeling, volgens welke een en hetzelfde produkt naar gelang van zijn bestemming onder verschillende posten kan vallen, om de mogelijkheid te scheppen dat de belastingdruk op grond van de bijzondere bestemming wordt gedifferentieerd indien voldaan is aan de voorwaarden van genoemde verordening. A contrario volgt hieruit reeds dat, indien niet aan deze voorwaarden is voldaan, het betrokken produkt niet in aanmerking komt voor de gunstige indeling en daarom ook niet naar het bij deze post behorende tarief kan worden belast. In concreto betekent dit, dat wanneer niet is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de gunstige tariefregeling, geen lager invoerrecht kan worden toegepast op het onderhavige produkt, dat los van zijn bestemming een koolwaterstofverbinding met open koolstofketen blijft. Wanneer de in de verordeningen nrs. 1535/77 en 1775/77 gestelde voorwaarden niet zijn vervuld, moet het onderhavige produkt dan ook worden belast met het invoerrecht dat voor post 29.01 A I geldt, ook als het niet bestemd is om te worden gebezigd als motorbrandstof of als andere brandstof.
b)
Daarmee komen wij aan de volgende vraag, namelijk of, zoals de Belgische regering meent, de voorwaarden voor de toepassing van een gunstige tariefregeling op reeds ingevoerde produkten achteraf nog kunnen worden geschapen doordat de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat een schriftelijke vergunning met de nodige terugwerkende kracht afgeven.
Met de Commissie ben ik van mening, dat het gemeenschapsrecht, en met name verordening nr. 1535/77, deze mogelijkheid uitsluit. Dat de vergunning die recht geeft op toepassing van een gunstige tariefregeling, uiterlijk aanwezig moet zijn op het moment dat het produkt in een Lid-Staat in het vrije verkeer wordt gebracht, blijkt reeds uit de bewoordingen van artikel 3 van die verordening, en met name uit de op dit punt ondubbelzinnige Duitse tekst, volgens welke de gunstige behandeling enkel wordt toegekend wanneer aan de importeur „eine schriftliche Bewilligung erteilt worden ist”. Ook artikel 2 gaat er kennelijk van uit, dat reeds bij invoer moet zijn voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van een gunstige tariefregeling op bepaalde produkten, waar het bepaalt, dat onder „bedrag van de niet geheven rechten” wordt verstaan het verschil tussen enerzijds het bedrag van de bij invoer te heffen rechten, dat voortvloeit uit de toepassing van de gunstige tariefregeling, en anderzijds het bedrag van de bij invoer te heffen rechten, dat verschuldigd zou zijn indien van deze regeling geen gebruik was gemaakt. De dag waarop de aangifte ten invoer tot verbruik van de goederen door de bevoegde autoriteiten wordt aanvaard Duits: „die zuständige Behörde die Anmeldung ... angenommen bat”), dient dan in aanmerking te worden genomen voor de vaststelling van het bedrag van de niet-geheven rechten.
Last but not least is in de verordeningen nrs. 1535/77 en 1775/77 voor de toekenning van het gunstige invoertarief een gedetailleerde procedure uitgewerkt die enerzijds de taak van de douane moet verlichten en anderzijds bedrog moet voorkomen. Met name de Commissie wijst erop, dat deze doelstellingen in gevaar zouden komen indien een importeur na de inklaring van het produkt nog een vergunning zou kunnen aanvragen voor invoer met toepassing van een gunstige tariefregeling.
III —
Op grond van het voorgaande stel ik mét de Commissie voor, de vragen van de Tariefcommissie te beantwoorden als volgt:
1.
Geheel gehydrogeneerde, uit visiever vervaardigde olie die in vaste toestand is gebracht of is gezuiverd, doch verder geen bereiding heeft ondergaan, moet worden ingedeeld onder post 15.12 van het gemeenschappelijk douanetarief.
2.
Geheel gehydrogeneerd, uit olie van vislevers afkomstig perhydrosqualeen met een zuiverheidsgraad van 95 of meer gewichtspercenten moet als koolwaterstof met open koolstofketen worden ingedeeld onder post 29.01 A.
3.
Wanneer bij de aangifte ten invoer tot verbruik van een produkt dat moet worden ingedeeld onder post 29.01 A en dat niet is bestemd om te worden gebezigd als motorbrandstof of als andere brandstof, niet is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van een gunstige tariefregeling bij invoer in de zin van verordening (EEG) nr. 1775/77 van de Commissie van 28 juli 1977, moet op dat produkt het bij post 29.01 AI behorende tarief worden toegepast.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy