CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
G. F. MANCINI
VAN 26 OKTOBER 1983 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
1.
De onderhavige zaak betreft een rechtstreeks beroep van de Commissie tegen de Franse Republiek, ingesteld krachtens artikel 93, lid 2, tweede alinea, EEG-Verdrag. Frankrijk wordt verweten, zich niet te hebben geconformeerd aan een beschikking van de Commissie van 12 januari 1983 betreffende een nationale steunregeling ten gunste van de ondernemingen in de textiel- en kledingsector.
Laat ik de feiten kort samenvatten. Op 19 februari 1982 meldde de Franse regering bij de Commissie een ontwerpbesluit aan tot instelling van voormelde regeling, welke zij op 1 maart in werking liet treden (besluit nr. 82-204, Journal Officiel de la République française nr. 51 van 2 maart 1982) zonder de opmerkingen van de Commissie, als bedoeld in artikel 93, lid 3, EEG-Verdrag, af te wachten. Volgens dat besluit neemt de Staat tijdelijk een deel van de sociale-verzekeringslasten voor zijn rekening. Om voor deze lastenverlichting in aanmerking te komen, moet de betrokken ondernemer echter vóór 31 december 1982 met de Staat een overeenkomst sluiten met een geldigheidsduur van 12 maanden, waarin de verplichtingen van de ondernemer met betrekking tot de handhaving van het werkgelegenheidsniveau en het doen van nieuwe investeringen zijn neergelegd. Verder is voorzien in de mogelijkheid van een verlenging van deze overeenkomsten met nogmaals 12 maanden. De uitvoeringsmaatregelen van deze bepalingen zijn vastgesteld bij decreet nr. 82-340 van 16 april 1982 (Journal Officiel de la République française nr. 90 van 17 april 1982).
Enkele maanden later, op 12 januari 1983, gelastte de Commissie Frankrijk deze regeling binnen een maand na kennisgeving van de beschikking in te trekken. Deze termijn ging in op 21 januari 1983. Op 23 februari 1983 deelde de Franse regering de Commissie mee, dat zij de regeling opnieuw zou toepassen, zij het met enige wijzigingen waardoor een betere verhouding tussen de toegekende steun en de investeringsinspanningen verzekerd zou zijn (zie bijlage 3 bij het verzoekschrift). De Commissie zag dit als een uiting van onwil om zich aan haar beschikking te conformeren, en stelde hierop beroep in bij het Hof. Zij vordert een verklaring, dat de Franse Republiek een krachtens het Verdrag op haar rustende verplichting niet is nagekomen.
2.
Voor ik verder ga, wil ik erop wijzen dat deze zaak geen betrekking heeft op de inhoud van de Franse maatregelen. De beschikking van 12 januari 1983, waarin de Commissie deze maatregelen in strijd achtte met artikel 92 EEG-Verdrag, is door de adressaat niet aangevochten en daarmee onaantastbaar geworden. Het Hof behoeft dus enkel vast te stellen of Frankrijk uitvoering heeft gegeven aan de beschikking, door binnen de gegeven termijn de daartoe vereiste voorschriften vast te stellen.
Kijken wij nu naar de inhoud van de beschikking, dan blijkt het beschikkende gedeelte uit 3 artikelen te bestaan. De eerste alinea van artikel 1 bepaalt dat „de Franse Republiek ... binnen één maand, te rekenen vanaf de kennisgeving van deze beschikking de steunregeling ten behoeve van de textiel/confectiesector [opheft], welke is ingevoerd in de vorm van het door de Staat voor zijn rekening nemen van een gedeelte van de door de werkgevers van deze sector verschuldigde sociale-zekerheidsbijdragen ...” Hieraan voegt de tweede alinea nog een verplichting toe, waar zij bepaalt dat „de Franse Republiek met ingang van de datum van kennisgeving van deze beschikking geen enkele steun meer krachtens deze regeling [verleent].” De concrete draagwijdte van deze voorschriften wordt verder verduidelijkt door de considerans van de beschikking. Volgens de laatste overweging van deel III (blz. 8) impliceert de opheffing van de steunregeling, dat de Franse regering „geen overeenkomsten” meer afsluit en de „reeds met de ondernemingen gesloten overeenkomsten” beëindigt.
Kortom, Frankrijk is verplicht: a) de geldende regeling af te schaffen; b) de reeds toegekende steun te schorsen. Ik merkte reeds op, dat de eerste verplichting inhoudt dat de vóór 31 december 1982 gesloten overenkomsten niet mogen worden verlengd. Welnu, tijdens de mondelinge behandeling heeft de Franse regering erkend, dat dit met sommige wel is gebeurd; zij voegde hieraan echter toe, dat dit was geschied overeenkomstig de bepalingen van een andere maatregel, die op 7 juni 1983 in de vorm van een decreet was vastgesteld.
Om de ware betekenis van dit verweer te kunnen begrijpen, dient men van de latere feitelijke ontwikkelingen op de hoogte te zijn. Op 5 mei 1983 meldde de Franse regering bij de Commissie een ontwerp aan houdende nieuwe bepalingen inzake de steunregeling ten behoeve van de ondernemingen in de textiel- en kledingsector. Daar de Commissie van mening was dat deze niet wezenlijk van de voorgaande verschilden en dus in strijd waren met artikel 92, leidde zij de precontentieuze procedure van artikel 93, lid 2 in; nog tijdens deze procedure vaardigde Frankrijk de gewraakte bepalingen uit (om precies te zijn op 7 juni 1983). Hierop leidde de Commissie de precontentieuze procedure, als bedoeld in artikel 169 EEG-Verdrag in; toen ook deze geen succes had, stelde zij op 4 augustus 1983 bij dit Hof beroep in rechte in (zaak 171/82).
Hieraan moet echter worden toegevoegd, dat het Hof van het tweede decreet wel akte kan nemen, maar zich er niet over kan uitspreken; niet wordt gevraagd of het niet meer is dan een herhaling van zijn voorganger dan wel zodanige nieuwe elementen bevat dat zijn onverenigbaarheid met artikel 92 wordt uitgesloten. Ik herhaal, dat in casu enkel moet worden getoetst of de overeenkomsten die op grond van het eerste decreet zijn afgesloten, zijn verlengd. En op dit punt bestaat, gelet op de volmondige erkenning van de Franse regering, geen twijfel meer. Het Hof rest dan ook geen andere keuze dan vast te stellen, dat Frankrijk de eerste verplichting die de Commissie haar in de beschikking oplegt, niet is nagekomen.
3.
Ik kom thans tot de tweede verplichting, namelijk die om de reeds overeengekomen steunregelingen te schorsen door de werking van de vóór 31 december 1982. gesloten overeenkomsten te beëindigen. Ook hier komen de verklaringen van de vertegenwoordiger van de Franse regering tijdens de mondelinge behandeling, ons te hulp. Gezegd is, dat de ondernemer bij afsluiting van de overeenkomst een verklaring ontvangt waarbij precies wordt aangegeven welk percentage van de verzekeringspremies hij bij de in de respectieve wetten neergelegde maandelijkse of driemaandelijkse betaling niet hoeft te betalen. Door het mechanisme dat aldus in het leven is geroepen, verloopt de uitvoering van de overeenkomsten automatisch dat de overeenkomsten ook na de kennisgeving van de beschikking hun werking behielden, wordt ook erkend. Ter uitvoering van deze beschikking had de Franse regering maatregelen moeten treffen om te beletten dat de ondernemers voort zouden gaan met de betaling van verlaagde premies. Vaststaat echter dat dergelijke maatregelen niet zijn getroffen.
In dit verband verweert Frankrijk zich met de stelling, dat, in het licht van het vertrouwensbeginsel, de beschikking haar niet verplicht de uitvoering van de overeenkomsten te schorsen; zij leest dit in het arrest van het Hof van 12 juli 1973 (zaak 70/72, Commissie t. Duitsland, Jurispr. 1973, blz. 813). Ook daar ging het om een beroep ex artikel 93, lid 2, en werd Duitsland verweten, geen gevolg te hebben gegeven aan een beschikking die haar verplichtte overheidssteun te schorsen die was toegekend op basis van nationale bepalingen voor de sanering van de mijnstreken. Het Hof overwoog hier dat de beschikking niet met de vereiste duidelijkheid het territoriale gebied had aangegeven waarbinnen de steun onrechtmatig moest worden geacht, en het liet deze onduidelijkheid als een verzachtende omstandigheid gelden: het mocht — zo verklaarde het Hof — de Duitse gezagsorganen niet worden verweten, dat zij hun nationale bepalingen ook nog na kennisgeving van de beschikking hadden toegepast ter bescherming van „de investeerders” in gebieden die naderhand van de steunmaatregelen zouden worden uitgesloten (r.o. 23).
De Franse regering stelt nu dat dit beginsel in casu van toepassing is; de beschikking van 12 januari 1983 zou niet anders kunnen worden uitgelegd dan in die zin, dat zij de legitieme belangen (d.w.z. de redelijke verwachtingen) van de ondernemers, en daarmee de lopende overeenkomsten, ongemoeid laat. Deze redenering lijkt mij echter niet juist. In de eerste plaats was de casuspositie in het arrest van 1973 heel anders dan de onderhavige. De beschikking in die zaak was inderdaad onduidelijk; de huidige is dat niet wanneer de Commissie een werkwoord als „opheffen” gebruikt: duidelijker kan het niet. Hier komt bij, dat de vraag of de beschikking de belangen van de ondernemers die van de steun genieten, heeft geschaad, moet leiden tot een onderzoek ten gronde; en zoals ik al herhaaldelijk heb opgemerkt, kan het Hof niet meer tot een dergelijk onderzoek overgaan.
Ik stel dan ook vast, dat men uitvoering is blijven geven aan de lopende overeenkomsten en dat ook in dit opzicht de Franse Republiek haar verplichtingen niet is nagekomen.
4.
Op grond van bovenstaande uiteenzetting geef ik het Hof in overweging, te verklaren, dat de Franse Republiek geen gevolg heeft gegeven aan de tot haar gerichte beschikking van de Commissie van 12 januari 1983 betreffende de steunregeling voor de textiel- en kledingsector, ingevoerd bij besluit nr. 204 van 1 maart 1982 (JORF van 2 maart 1982). Op grond van het beginsel dat de verliezer betaalt (artikel 69, paragraaf 2, eerste alinea van het Reglement voor de procesvoering) moet de Franse Republiek ook worden veroordeeld in de kosten van het geding.
( 1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy