CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
SIR GORDON SLYNN
van 5 december 1984 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
In de zaken 55/83 en 56/83 komt de Italiaanse Republiek op tegen twee beschikkingen van de Commissie, voor zover daarbij is geweigerd bepaalde door het Italiaanse interventiebureau (AIMA) gedane uitgaven ten laste van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) te brengen. De eerste zaak heeft betrekking op beschikking nr. 83/37/EEG van de Commissie van 14 januari 1983 (PB L 38 van 1983, blz. 30), betreffende het jaar 1976; in de tweede zaak gaat het om beschikking nr. 83/48/EEG van de Commissie van dezelfde datum, doch betrekking hebbende op het jaar 1977 (PB L 40 van 1983, blz. 55). In beide gevallen gaat het om uitgaven in verband met tafelwijn, en aangezien in beide zaken dezelfde problemen aan de orde zijn, zal ik ze gemakshalve in één conclusie behandelen. Daarnaast komt in zaak 55/83 evenwel nog een probleem ter sprake betreffende uitgaven voor vlees, en in zaak 56/83 een probleem betreffende uitgaven voor graan.
Wijn
Verordening nr. 816/70 van de Raad van 28 april 1970 (PB L 99 van 1970, blz. 1) bepaalde dat, indien de produktieraming voor wijn voor een bepaalde periode de gestelde grenzen overschrijdt, steun moet worden verleend aan de particuliere opslag, met dien verstande dat, wanneer de kans bestaat dat deze maatregelen onvoldoende zijn om een herstel van de prijzen te bewerkstelligen, maatregelen met betrekking tot de distillatie van wijn kunnen worden vastgesteld. De voorwaarden waaronder de distillatie kan plaatsvinden, dienen te verzekeren dat het evenwicht van de markt van ethylalcohol niet in gevaar komt (artikel 7).
Met gebruikmaking van deze bevoegdheden zijn bij verordening nr. 567/76 van de Raad van 15 maart 1976 (PB L 67 van 1976, blz. 25) regels vastgesteld voor de distillatie van tafelwijn tussen 1 april en 31 juli 1976 in heel de Gemeenschap. Er werd een minimumaankoopprijs vastgesteld op grond van de overweging, dat „de prijzen van de voor distillane bestemde wijnen geen stimulans mogen vormen voor de produktie van wijnen die hoofdzakelijk bestemd zijn voor distillane, doch dat die prijzen toch voldoende aantrekkelijk moeten zijn om de maatregel doeltreffend te maken.” Ook werd vastgesteld welk steunbedrag aan de producent moest worden uitgekeerd; de rest van de prijs zou door de distilleerden) worden betaald.
Omdat sommige producenten aarzelden „om van de bij [die] verordening geschapen mogelijkheden gebruik te maken, [en] niet tijdig een aanvraag hebben ingediend”, werd naderhand bepaald dat tussen 15 juli en 30 september 1976 andermaal distillane zou plaatsvinden.
De AIMA keerde aanzienlijke bedragen uit voor wijn die was gedistilleerd. Het eerste bezwaar van de Commissie, dat aanleiding gaf tot haar weigering om de rekeningen goed te keuren, heeft betrekking op al die bedragen; het tweede en het derde bezwaar betreffen enkel sommige der betrokken contracten. Andere bezwaren, inhoudende dat de procedure verkeerd was toegepast en dat de betrokken bedragen ten onrechte aan de distilleerderijen in plaats van aan de producenten waren uitbetaald, zijn door de Commissie teruggenomen.
1.
Het eerste en voornaamste bezwaar luidt, dat op 18 maart 1976, drie dagen na de vaststelling van verordening nr. 567/76, besluitwet nr. 46 werd vastgesteld waarbij de belasting op alcohol uit wijn en op alcohol uit melasse zodanig werd opgetrokken, dat alcohol uit wijn goedkoper werd dan alcohol uit melasse.
Vóór de Italiaanse besluitwet, meer bepaald sedert 1970, bedroeg de produktiebelasting op beide soorten alcohol LIT 90000/hl. Daarenboven was voor melassealcohol een heffing van LIT 27000/hl verschuldigd, welk tarief sedert 1955 ongewijzigd was gebleven. Vaststaat dat voordat de besluitwet werd vastgesteld, de verkoopprijs van melassealcohol LIT 143000/hl bedroeg, en die van wijnalcohol LIT 147000. Bij besluitwet nr. 46 werd de produktiebelasting voor beide soorten opgetrokken tot LIT 120000 en de heffing op melassealcohol tot LIT 40000. Ofschoon over de exacte opbouw van die bedragen niets is meegedeeld, staat vast dat alcohol uit wijn uiteindelijk voor LIT 185000 werd verkocht en melassealcohol voor LIT 188 000.
De Italiaanse regering betoogt dat zij hiermee een volkomen legitiem gebruik heeft gemaakt van haar fiscale bevoegdheid. De besluitwet had niet uitsluitend betrekking op alcohol, doch ook op tal van andere produkten, en behelsde allerlei aanpassingen van de belastingtarieven aan de inflatie. De Italiaanse regering erkent dat een fiscale maatregel onverenigbaar kan zijn met het gemeenschapsrecht indien hij een verstoring van de markt tot doel of tot gevolg heeft, doch betoogt dat er geen sprake is van onverenigbaarheid met het gemeenschapsrecht wanneer het doel en de voornaamste werking ervan op fiscaal terrein liggen en hij voor het overige de markt slechts in een geringe mate beïnvloedt.
De Commissie heeft niet beweerd dat de nieuwe belastingen discriminerend waren en in strijd met artikel 95 EEG-Verdrag, of dat het daarbij om een krachtens artikel 92 verboden steunmaatregel van een staat ging. Zij beroept zich evenwel op het arrest van 7 februari 1979 (gevoegde zaken 15 en 16/76, Frankrijk/Commissie, Jurispr. 1979, blz. 321, r. o. 31), waarin het Hof overwoog dat „de Lid-Staten niet eenzijdig aanvullende maatregelen mogen treffen waardoor de gelijke behandeling van handelaren in de gehele Gemeenschap in gevaar kan worden gebracht en aldus de mededingingsvoorwaarden tussen de Lid-Staten worden vervalst.” Ook al was er in het onderhavige geval geen sprake van een steunmaatregel stricto sensu, zoals in de zaak tegen Frankrijk, waarin geen enkele twijfel bestond over de bedoeling (het toekennen van extra steun, aangezien de Franse regering van mening was dat de door de Gemeenschap genomen maatregelen en geboden steun onvoldoende waren) of over de gevolgen (de uitgekeerde steun was twee maal zo hoog als het bedrag dat oorspronkelijk voor de gemeenschapssteun aan Frankrijk was uitgetrokken), toch zou het beginsel hetzelfde zijn en zou het in deze zaak moeten worden toegepast op wat een vorm van indirecte steun is.
Wanneer, aldus de Commissie, een Lid-Staat een maatregel neemt die tot doel of tot gevolg heeft dat de goede werking van door de Commissie in het kader van een marktordening genomen maatregelen wordt belemmerd, dan kan die Lid-Staat zich niet erop beroepen, dat wat hij ingevolge gemeenschapsregelingen heeft gedaan, ook in overeenstemming met het gemeenschapsrecht is en hem aanspraak geeft op terugbetaling door het EOGFL.
Zover zou ik niet durven gaan. Indien een Lid-Staat maatregelen vaststelt die aantoonbaar geen invloed hebben op het verloop van een actie als de onderhavige, ook al lag zulks wel degelijk in de bedoeling, dan geloof ik niet, dat de betrokken Lid-Staat daardoor automatisch zijn aanspraken op terugbetaling door het Fonds verliest. Indien het anderzijds de bedoeling is bijkomende maatregelen te nemen waarvan waarschijnlijk is dat zij de gemeenschapsactie zullen verstoren, dan mag, behoudens bewijs van het tegendeel, worden aangenomen dat zij inderdaad dat effect hebben. In zaken zoals aan de orde waren in de arresten van 26 juni 1979 (zaak 177/78, Pigs and Bacon, Jurispr. 1979, blz. 2161), 10 maart 1981 (gevoegde zaken 36 en 71/80, Irish Creamery Association, Jurispr. 1981, biz. 735) en 26 oktober 1983 (zaak 297/82, De Samenwerkende Deense Verenigingen van Landbouwers, Jurispr. 1983, blz. 3299), nam het Hof weliswaar het doel van de nationale maatregelen in aanmerking, doch ging het tenslotte uit van de situaties waarin de maatregelen een verstorende of schadelijke werking hadden of konden hebben. Er zij op gewezen, dat het Hof in het arrest van 26 juni 1979 oordeelde, dat de Lid-Staten ertoe gehouden zijn „zich te onthouden van elke maatregel met de strekking [van de gemeenschapsregeling] af te wijken of er inbreuk op te maken.”
Met betrekking tot het in casu beoogde doel hecht de Commissie veel belang aan een nota van het ministerie van Landbouw van 24 maart 1982, waarin werd gezegd dat de gemeenschapsverordening niet het verhoopte resultaat had bereikt, deels omdat de markt verzadigd was met alcohol uit wijn, en deels wegens de concurrentie van melassealcohol, die goedkoper kon worden geproduceerd. Daarom, zo werd gezegd, was besluitwet nr. 46 noodzakelijk, niet alleen om de belastingopbrengsten te verhogen, doch ook omdat werd verwacht dat een prijsstijging van melassealcohol een stimulans zou vormen om meer alcohol uit wijn te produceren en te gebruiken. Verder werd gezegd dat besluitwet nr. 46 onvoldoende was om het doel van de communautaire interventiemaatregelen te bereiken. Daarom werd op dezelfde dag als besluitwet nr. 46 een tweede besluit vastgesteld, waarbij de prijs van alcohol uit tafelwijn van de oogst 1975 op LIT 61000/hl vóór belasting werd gebracht. Volgens het verzoekschrift leverde dit de Italiaanse producenten en distilleerderijen geen ongerechtvaardigd voordeel op, aangezien de marktprijs LIT 65000 bedroeg. Over dat punt werd evenwel niet meer gerept toen was komen vast te staan dat er in feite geen alcohol was verkocht tegen de lagere prijs vastgesteld in het tweede besluit.
De Italiaanse regering, die de relevantie van het beoogde doel erkent, poogt zich van die „ongelukkige” nota af te maken met het argument, dat zij lang na de feiten is geschreven en op een vergissing berustte. Bovendien was zij afkomstig van het ministerie van Landbouw, dat niet genoemd wordt als een der instanties die vóór de vaststelling van besluitwet nr. 46 waren geraadpleegd.
Dit laatste argument overtuigt mij niet. Ook achteraf kon het ministerie nog worden geraadpleegd en in ieder geval kan het achteraf volledig op de hoogte zijn gesteld van de bedoelingen van de regering en gemachtigd zijn namens haar de nota te schrijven. Het is onmogelijk dit stuk, dat afkomstig is van een ministerie en kennelijk met zorg is opgesteld, ter zijde te leggen als een stuk dat de bedoelingen van de regering volstrekt niet zou weergeven. Naar mijn gevoel valt eruit af te leiden, dat men destijds meer wijn wenste te doen distilleren dan in de gemeenschapsregeling was voorzien.
Dat deze belastingen in een algemene besluitwet waren opgenomen, mag dan al een bewijs zijn van het fiscaal karakter van deze wet, doch dit behoeft op zichzelf de bedoeling niet uit te sluiten om de werking van een gemeenschapsmaatregel te beïnvloeden. De besluitwet dateert van onmiddellijk na de vaststelling van de gemeenschapsverordening, en trad in werking nog vóór de — korte — distillatieperiode een aanvang nam. De betrokken wijziging (belastingverhoging voor melassealcohol) werd uitgerekend op dit tijdstip voor het eerst in 21 jaar doorgevoerd, en er is niet gesteld dat er niet mee kon worden gewacht tot na het einde van de distillatieactie. Ofschoon aan dit alles geen al te groot belang mag worden gehecht, lijkt het mij toch enige steun te geven aan het betoog van de Commissie betreffende het doel dat met die maatregelen werd beoogd.
Veel belangrijker nog is mijns inziens de vraag of de besluitwet de door de Commissie gestelde gevolgen heeft gehad. Ik ben het niet met de Commissie eens, dat het prijsverschil tussen alcohol uit wijn en alcohol uit melasse de distilleerderijen automatisch meer winstmogelijkheden bood dan wanneer uitsluitend gemeenschapssteun was toegekend. Om uit te maken of zulks inderdaad het geval was, dient een gedetailleerd onderzoek te worden ingesteld naar de bestanddelen van beide prijzen, en — afgezien van het belastingelement — is daarover niets meegedeeld. Evenmin ben ik op basis van de beschikbare gegevens geneigd, de Commissie te volgen waar zij beweert, dat producenten meer dan de vastgestelde minimumprijs kregen of konden krijgen aangezien de distilleerderijen de gestelde extra winst in feite met hen konden delen. Hiervoor bestaat geen enkel bewijs en het stond mijns inziens aan de Commissie om dat bewijs te leveren.
Anderzijds ligt naar mijn gevoel voor de hand, dat 1) indien alcohol uit wijn goedkoper was dan melassealcohol, er van de eerste soort meer kon worden verkocht aangezien het om twee concurrerende produkten ging; 2) de distilleerderijen bijgevolg meer wijn zouden kopen; 3) aangezien het de bedoeling was voor de te distilleren wijn een aantrekkelijke prijs te bieden, die ver genoeg boven de marktprijs lag, de producenten in totaal meer winst zouden maken omdat zij meer wijn konden verkopen, zulks zonder twijfel ten nadele van de melasseproducenten. Dat zulks overeenkomt met de werkelijkheid, blijkt uit de verklaring in de nota van het ministerie van Landbouw, dat de distillatieactie in Italië „dankzij” de twee besluiten (waarvan er een, naar thans vaststaat, zonder gevolgen is gebleven) een redelijk succes is geworden, aangezien 2,3 miljoen hl wijn bij de distilleerderijen terecht zijn gekomen.
De moeilijkheid in de onderhavige zaak is, een evenwicht te vinden tussen het recht van een Lid-Staat om zijn eigen belastingwetgeving vast te stellen, en de noodzaak om te verzekeren dat, bedoeld of onbedoeld, geen afbreuk wordt gedaan aan een gemeenschapsregeling, ook niet door belastingmaatregelen. Verder moet men mijns inziens ook voor ogen houden, dat ook al gaat het hier formeel om een door Italië ingesteld beroep en niet om een verzoek van de Commissie overeenkomstig artikel 169 EEG-Verdrag, de wezenlijke vraag is, of Italië het Verdrag heeft geschonden. Zo gezien komt het mij voor, dat het in eerste instantie aan de Commissie staat om het bewijs te leveren dat er inderdaad sprake is van een inbreuk.
In die gedachtengang heeft de Commissie in de onderhavige zaak naar mijn gevoel aangetoond, dat bijkomende maatregelen zijn genomen die invloed hadden op de resultaten van de communautaire distillatieregeling. Dit is het geval indien — misschien zelfs omdat — men uiteindelijk kan zeggen, dat de Italiaanse regering is geslaagd in haar opzet, hetzelfde doel te bereiken als de Gemeenschap voor ogen stond.
De tweede verordening, nr. 1281/76, dateert zoals bekend van na de Italiaanse besluitwet nr. 46. Gesteld wordt dat de Commissie of de Raad, die op de hoogte was of had moeten zijn, stilzwijgend heeft aanvaard dat de besluitwet het gemeenschapsproject niet verstoorde of ongunstig beïnvloedde. Ik ben het hiermee niet eens. Mijns inziens behoeft de Commissie geen kennis te hebben van een nationale regeling tenzij deze haar is meegedeeld. Niet is gesteld dat dit in casu is geschied. Met betrekking tot fiscale of andere wettelijke regelingen die gevolgen zouden kunnen hebben voor latere gemeenschapswetgeving, zou er tussen de Commissie en de Lid-Staten volledige informatie moeten worden uitgewisseld, inzonderheid wanneer de procedure van het Beheerscomité wordt toegepast. Ik zou dan ook in het onderhavige geval geen enkel onderscheid maken tussen de twee verordeningen. In een situatie waarin een gemeenschapsverordening wordt vastgesteld die indruist tegen een bestaande nationale regel, inzonderheid wanneer deze laatste geen directe, doch wel indirecte gevolgen heeft voor een gemeenschapsactie en de tekst ervan vóór de vaststelling van de gemeenschapswetgeving aan de Commissie is meegedeeld, rijzen andere problemen, die thans niet aan de orde zijn.
Wat het eerste punt van geschil in de onderhavige zaak betreft, ben ik van mening dat het standpunt van de Commissie moet worden aanvaard in zoverre als hierboven is uiteengezet.
2.
In de tweede plaats betoogt de Commissie, dat Italië steun heeft uitgekeerd met betrekking tot niet volledig nagekomen distillatiecontracten. Zij baseert zich daarvoor op artikel 6, lid 3, van verordening nr. 567/76, dat luidt als volgt:
„Het in artikel 2, lid 5, bedoelde verschil wordt uitgekeerd wanneer het bewijs wordt geleverd dat de volledige hoeveelheid wijn vermeld in het contract, onverminderd artikel 4, is gedistilleerd.”
Volgens de Commissie volgt daaruit, dat de steun alleen mag worden uitgekeerd wanneer het contract volledig is nagekomen.
Italië beroept zich op artikel 1 van dezelfde verordening, volgens hetwelk de leveringscontracten tussen producenten en distilleerderijen opzegbaar moeten zijn. De Commissie antwoordt daarop, dat de contracten uitsluitend konden worden opgezegd in overeenstemming met de strenge voorwaarden van artikel 4. Konden de contracten in alle gevallen gedeeltelijk worden nagekomen en dan herroepen, dan zouden deze voorwaarden overbodig zijn.
Op dit punt heeft de Commissie mijns inziens gelijk: de steun is alleen verschuldigd, wanneer de in het contract vermelde hoeveelheid wijn metterdaad is gedistilleerd.
Tussen partijen staat vast, dat sommige contracten volledig zijn uitgevoerd, zodat wanneer het Hof Italië op punt 1. in het gelijk stelt, het EOGFL deze contracten zal moeten honoreren. In haar dupliek in beide zaken heeft de Commissie zich terecht bereid verklaard, de kostenstaten van de Italiaanse instanties te onderzoeken, teneinde uit te maken welke contracten volledig zijn nagekomen. Mocht het Hof zich op het eerste punt van Italië uitspreken, dan zouden de steunbedragen die verband houden met deze contracten, vergoed moeten worden.
3.
Tenslotte stelt de Commissie, zonder daarin door Italië te worden tegengesproken, dat Italië in tal van gevallen de steun ineens heeft betaald in plaats van in twee keer, zoals voorzien in artikel 2 van verordening nr. 567/76. Dat was duidelijk in strijd met de verordening. Tussen partijen lijkt evenwel vast te staan, dat in sommige gevallen de betaling naar voorschrift in twee keer is geschied. Bovendien mochten de bedragen tijdens de door verordening nr. 1281/76 bestreken periode in eenmaal worden uitbetaald; artikel 2 van bedoelde verordening laat dit uitdrukkelijk toe. Indien het Hof de Commissie op het eerste punt in het ongelijk stelt, zullen de Commissie en Italië derhalve samen de rekeningen moeten doornemen om vast te stellen, in hoeverre het EOGFL de steun voor zijn rekening zal moeten nemen.
Vlees
Artikel 1 van verordening nr. 1857/74 van de Raad (PB L 195 van 1974, blz. 17) luidt als volgt:
„Gedurende een periode van 12 maanden na de inwerkingtreding van deze verordening kunnen de Lid-Staten steun verlenen voor het voeren van informatieve reclamecampagnes die ten doel hebben de verbruiker ertoe te brengen zich bij zijn keuze meer te laten leiden door de situatie van vraag en aanbod met betrekking tot de produkten uit de rundvleessector.”
Luidens artikel 4 trad de verordening in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad. Deze bekendmaking vond plaats op 18 juli 1974.
Bij verordening nr. 2930/74 van de Raad van 18 november 1974 (PB L 311 van 1974, blz. 6) werd de campagne uitgebreid tot varkensvlees en slachtpluimvee. Artikel 1 luidt:
„De Lid-Staten kunnen in de periode die loopt tot en met 20 juli 1975, overgaan of doen overgaan tot het voeren van informatieve reclamecampagnes die ten doel hebben de verbruiker ertoe te brengen zich bij zijn keuze meer te laten leiden door de situatie van vraag en aanbod met betrekking tot de produkten in de sectoren varkensvlees en slachtpluimvee.”
Bij beschikking nr. 83/73/EEG stelde de Commissie vast, dat het EOGFL de Italiaanse uitgaven met betrekking tot deze reclamecampagnes niet kon vergoeden. Uit punt 3.6.5 van het rapport van de Commissie betreffende de goedkeuring van de rekeningen voor 1976 en 1977, blijkt duidelijk, dat Italië zich niet aan de einddatum 20 juli 1975 had gehouden.
Italië betwist dit. Tegen 20 juli 1975 had het alle voorbereidende maatregelen voor de uit te voeren campagnes genomen, maar meer niet. Thans voert Italië aan, dat aan het vereiste tot het voeren van de campagnes „over te gaan of te doen overgaan”, was voldaan zodra de voorbereidende maatregelen waren genomen.
Het betoog van Italië zou tot de conclusie voeren, dat de reclamecampagnes gelijk wanneer konden worden gevoerd, wanneer de voorbereidende maatregelen maar vóór 20 juli 1975 waren genomen. Naar mijn gevoel is dit onverenigbaar met de considerans van de twee verordeningen, inzonderheid die van verordening nr. 1857/74, waaruit duidelijk blijkt dat de campagnes bedoeld waren om op korte termijn een einde te maken aan moeilijkheden ten gevolge van bijzonder lage prijzen.
Voorts heet het in de tweede overweging van de considerans van verordening nr. 3930/74, dat de in de verordening bedoelde campagnes „op dezelfde datum [dienden te] eindigen als de campagne voor rundvlees.” Dat hiermee 20 juli 1975 werd bedoeld, staat buiten kijf.
In de derde plaats bepaalt artikel 3, lid 2, van verordening nr. 1857/74, dat „na afloop van een termijn van 6 maanden na de inwerkingtreding van de onderhavige verordening... wordt... nagegaan welke resultaten zijn behaald...” Artikel 3, lid 2, van de tweede verordening is ongeveer gelijkluidend. In geen van beide gevallen was de betrokken periode dan al verstreken, zodat deze bepalingen mijns inziens ervan uitgaan, dat de maatregelen ten uitvoer waren gelegd, aangezien het in de bedoeling lag de „resultaten” te evalueren.
Derhalve moet dit onderdeel van het beroep van Italië mijns inziens worden verworpen.
Graan
Verordening nr. 2255/77 van de Raad van 11 oktober 1977 (PB L 261 van 1977, blz. 4) bepaalde dat het Duitse interventiebureau 200000 ton zachte broodtarwe zou verkopen aan het Italiaanse interventiebureau AIMA. De verkoop werd in bijzonderheden geregeld in verordening nr. 2452/77 van de Commissie (PB L 285 van 1977, blz. 11).
Volgens de terzake geldende gemeenschapsverordeningen had de aankoopprijs rechtstreeks door de AIMA aan het Duitse interventiebureau moeten worden betaald. Verordening nr. 2255/77 week evenwel van deze regeling af: het EOGFL zou als tussenpersoon optreden en het betrokken bedrag aan het Duitse interventiebureau voorschieten, waarna de AIMA dit bedrag eind 1977 aan het Fonds zou terugbetalen. Verder legde de Commissie tegelijkertijd een verklaring af, die in de notulen van de Raad werd opgenomen, inhoudende dat Italië het EOGFL op een vroeger tijdstip, namelijk op 1 december 1977, voor het verschuldigde bedrag kon crediteren.
Italië stelt dat het van deze mogelijkheid gebruik heeft gemaakt en het bedrag op 1 december 1977 heeft betaald. In zaak 56/83 komt het daarom op tegen beschikking nr. 83/48/EEG met het verwijt dat de Commissie die vervroegde betaling niet in aanmerking heeft genomen. Van haar kant betoogt de Commissie, dat het betrokken bedrag die dag niet is betaald of gecrediteerd.
Uiteindelijk komt het geschil tussen partijen dus neer op deze ene vraag: is het betrokken bedrag al dan niet op 1 december 1977 betaald of gecrediteerd ?
Tussen partijen staat vast, dat er geen enkel document bestaat waaruit blijkt dat zulks die dag is gebeurd. Volgens Italië doet dit geenszins afbreuk aan haar betoog, aangezien het gebruikelijk was noch is dit soort betalingen met documenten te staven. De Commissie ontkent dit; het ligt voor de hand dat deze betalingen schriftelijk moeten worden gestaafd, en dit gebeurt dan ook steeds. Mijns inziens stelt de Commissie terecht, dat niet is aangetoond dat Italië gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om het betrokken bedrag op 1 december 1977 te crediteren; naar mijn oordeel moet dit onderdeel van het beroep dan ook worden verworpen.
Concluderend geef ik het Hof in overweging, de twee beroepen te verwerpen en in beide gevallen te verstaan dat de Italiaanse Republiek de door de Commissie gemaakte kosten zal dragen.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy