CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 8 DECEMBER 1983 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
In de door de zevende Senat van het Bundesfinanzhof bij beschikking van 1 maart 1983 overeenkomstig artikel 177 EEG-Verdrag aanhangig gemaakte prejudiciële zaak staat nr. 84.52 van het gemeenschappelijk douanetarief centraal. Dit tariefnummer omvat rekenmachines, boekhoudmachines, kasregisters, frankeermachines, machines voor de afgifte van kaartjes en dergelijke, met telwerk. Onder post A vallen elektronische rekenmachines, waarvoor in 1981 een autonoom recht van 14 % en een conventioneel recht van 13,5 % gold; onder post Β vallen andere waren als in dit tariefnummer bedoeld, waarvoor een autonoom recht van 12 % onderscheidenlijk een conventioneel recht van 5,2 % gold.
De zevende Senat van het Bundesfinanzhof heeft in deze zaak de navolgende vragen gesteld:
1.
Dient de tariefomschrijving „kasre-gister” van post 84.52 Β van het gemeenschappelijk douanetarief aldus te worden uitgelegd, dat zij een voorwerp omvat dat als „elektronisch kas-register” wordt aangeduid en dat op het tijdstip van invoer bestaat uit verschillende, afzonderlijk in één enkel karton verpakte delen, te weten een elektronische tafelrekenmachine voor algemeen gebruik, voorzien van een schrijfwerk en een numerieke LED-display met twaalf posities (waarmee optellingen, vermenigvuldigingen, aftrekkingen, delingen, procentberekeningen, worteltrekkingen en berekeningen met een constante kunnen worden verricht), een afsluitbare geldkoffer van plaatstaal met een uitneembare geldlade van kunststof, alsmede toebehoren (elektrisch snoer, dubbele papierrol, stofkap)? Kunnen voornoemde delen tezamen — gelet op het feit dat de elektronische tafelrekenmachine en de geldkoffer, om als kasregister te worden gebruikt, met behulp van de inrichtingen waarvan zij zijn voorzien (elektrisch snoer met stekker aan de geidkoffer, aangepast stopcontact aan de tafelrekenmachine, op elkaar passende gummikussentjes aan beide delen), zonder vaste verbinding op elkaar moeten worden geplaatst — als een functionele eenheid en derhalve als één enkel goed, te weten een kasregister in de zin van post 84.52 Β van het gemeenschappelijk douanetarief, worden beschouwd?
2.
Zo neen:
Kunnen dergelijke, uit verschillende delen bestaande voorwerpen worden beschouwd als „Warenzusammenstellung” dan wel als „Waren, die aus verschiedenen ... Bestandteilen bestehen” ( 2 ) in de zin van Algemene bepaling 3 b voor de toepassing van de nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief?
De firma Metro International Kommanditgesellschaft te Düsseldorf, verzoekster in het hoofdgeding, verzocht de Oberfinanzdirektion te München (OFD), verweerster in het hoofdgeding, om afgifte van een bindend indelingsadvies voor een „elektronisch kasregister PCR 1300” als in de eerste prejudiciële vraag omschreven.
In haar advies van 11 juni 1981 deelde de OFD dit produkt overeenkomstig Algemene bepaling 3 b voor de toepassing van de nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief, als „Warenzusammenstellung” in onder nummer 84.52 A van het gemeenschappelijk douanetarief: „elektronische rekenmachines”. Het hiertegen ingediende bezwaarschrift werd door de OFD bij besluit van 18 december 1981 afgewezen, met verwijzing naar de omschrijving van kasregisters in deel IC van de Toelichtingen op de IDR-nomenclatuur (tariefnummer 84.52).
Tot staving van haar bij het Bundesfinanzhof ingediende beroepschrift, betoogt verzoekster met name dat de in te delen waar geen „Warenzusammenstellung” is, maar als functionele eenheid, i.e. als elektronisch kasregister, is te beschouwen. Onder die benaming zou de waar door haar worden gekocht en verkocht. De verschillende bestanddelen zouden door speciale technische uitrustingen zijn gekenmerkt; een geldkoffer zou, los van de elektronische rekenmachine, economisch waardeloos zijn. Anderzijds zou de economische betekenis van de rekenmachine in de op de functie van het kasregister afgestemde uitrusting zijn gelegen; een vergelijkbare tafelrekenmachine zou voor een lagere prijs worden aangeboden. Voor de indeling zou het uiteindelijk aankomen op de in de handel gangbare opvatting, immers de toelichtingen op de IDR-nomenclatuur zijn rechtens niet bindend en staan bovendien aan een indeling van de litigieuze waar als kasregister niet in de weg.
De Senat gaat ervan uit dat aan de tekst van tarief nummer 84.52 niet kan worden afgelezen of een waar die uit elektronische rekenmachine, geldkoffer en toebehoren kan worden samengesteld, als kasregister kan worden ingedeeld. Volgens de Senat sluit de omstandigheid dat elektronische rekenmachines en kasregisters, wat de tariefindeling betreft, verschillende goederen zijn, niet uit dat de — los met de geldkoffer verbonden — elektronische rekenmachines, wanneer zij met gebruikmaking van de daartoe bestemde inrichtingen als kasregister worden gebruikt, als functionele eenheid, i.e. kasregister, onder post 84.52 Β moeten worden ingedeeld. De Senat meent echter dat het in te delen produkt ook — overeenkomstig de opvatting van de OFD — niet als functionele eenheid, maar als één enkel goed, uit verschillende onderdelen bestaat, of wel als „samengesteld werk” in de zin van Algemene bepaling 3 b kan worden behandeld. In dat geval is er volgens de Senat veel voor te zeggen de elektronische rekenmachine als wezenlijk bestanddeel te beschouwen. Tenslotte betwijfelt de Senat of de in die Toelichtingen op de IDR-nomenclatuur voorkomende omschrijving, volgens welke kasregisters slechts bedragen kunnen registreren en geen andere rekenkundige bewerkingen kunnen verrichten, gezien de technische ontwikkeling op elektronisch gebied, nog wel als een geldige uitlegging van de tekst van deze tariefomschrijving is te beschouwen, dan wel daarin ongeoorloofde veranderingen aanbrengt.
Met betrekking tot de in deze vragen opgeworpen problemen meen ik als volgt mijn standpunt te moeten bepalen.
1. De eerste vraag
Deze vraag is of een uit de bestanddelen: elektronische rekenmachine, geldkoffer en toebehoren bestaande, monteerbare waar als kasregister in de zin van post 84.52 B van het gemeenschappelijk douanetarief kan worden ingedeeld, dan wel of daarvan slechts mag worden gesproken wanneer een registratie-inrichting en een geldkoffer, qua constructie, een eenheid vormen.
Wat de vraag naar de fysieke eenheid betreft: met verzoekster in het hoofdgeding kan ik noch aan het gemeenschappelijk douanetarief, noch aan de toelichtingen op de IDR-nomenclatuur aflezen dat een in modulen geleverd elektronisch kasregister in beginsel niet onder post 84.52 B van het gemeenschappelijk douanetarief mag worden gebracht. Zulk een indeling is in ieder geval volgens Algemene bepaling 2 a gerechtvaardigd, wanneer men te maken heeft met onderdelen die uitsluitend tot kasregisters kunnen worden gemonteerd. Kan daarentegen een wezenlijk bestanddeel, zoals de onderhavige elektronische tafelrekenmachine, die als zodanig onder nr. 84.52 A zou vallen, ook anders dan als kasregister — en onafhankelijk van de andere bestanddelen — worden gebruikt, dan dient men, afgezien van de aanduiding, van een volgens de beginselen van Algemene bepa-.ling 3 in te delen „samengesteld werk” in de zin van Algemene bepaling 2 b uit te gaan. Doorslaggevend is daarbij, dat de in te delen waar bestaat uit verschillende bestanddelen waaraan een zelfstandige functie kan toekomen, zodat zij niet a priori als onderdelen van een kasregister, maar als — voor de indeling — verschillende waren zijn te beschouwen. Zulke produkten dienen in ieder geval als „samengesteld werk” te worden ingedeeld, wanneer aan ten minste één deel ervan een zelfstandige functie toekomt, op grond waarvan het als zodanig onder een speciaal tariefnummer zou vallen.
Is dit, als in casu — wat de separaat te gebruiken tafelrekenmachine betreft —, het geval, dan kan er volgens de verwijzende rechter, wanneer een en ander als functionele eenheid is te beschouwen, voormelde tariefprincipes ten spijt slechts van één enkele waar, i.e. van een kasregister in de zin van tariefpost 84.52 B worden gesproken. Op opheldering van dit in de Algemene bepalingen van het gemeenschappelijk douanetarief zelfs niet genoemde begrip is het tweede deel van de eerste vraag gericht.
Zoals de verwijzende rechter heeft vastgesteld, wordt dit begrip alleen omschreven in de Toelichtingen op de IDR-nomenclatuur (afdeling XVI, aantekening 3; Duitse tekst: Randnummer 63). Volgens aantekening 3 bij afdeling XVI GDT, waartoe ook hoofdstuk 84 behoort, worden combinaties van machines en machines met twee of meer verschillende (afwisselende of aanvullende) functies, ingedeeld naar de hoofdfunctie welke kenmerkend is voor het complex. In afwijking daarvan wordt in de aantekening het volgende gezegd :
„Voorts is deze aantekening niet van toepassing indien een machine of toestel bestaat uit afzonderlijke elementen die zijn ontworpen om gezamenlijk één welbepaalde functie te verrichten, zoals bedoeld in een van de posten van hoofdstuk 84 ... De omstandigheid dat deze elementen bijvoorbeeld om praktische redenen afzonderlijk zijn opgesteld en enkel met elkaar zijn verbonden door ... elektrische kabels, staat indeling van het geheel onder de post, die in verband met de functie van toepassing is, niet in de weg.”
Volgens deze enge opvatting van het begrip functionele eenheid, mogen dus machines die uit een aantal onder verschillende tariefnummers vallende bestanddelen vallen, in afwijking van de Algemene bepalingen, rechtstreeks onder een bepaalde post worden gebracht, wanneer zij, zoals mij het geval schijnt te zijn, uitsluitend bestemd zijn precies de ene, in die post genoemde functie te vervullen. Omdat dit begrip functionele eenheid tot nu toe niet op een rechtens bindende grondslag berust en tot uitbreiding van het speciale begrip van een als fysieke eenheid te beschouwen waar kan leiden, ben ik het ook met de Commissie eens dat aan zulk een functionele eenheid strenge normen dienen te worden aangelegd. Voormelde definitie impliceert met name dat het begrip functionele eenheid niet mag worden misbruikt om, wanneer verschillende tariefnummers van toepassing schijnen, willekeurig te zoeken naar een van de Algemene bepalingen afwijkende oplossing.
Bezien wij nu de litigieuze waar in het licht van deze criteria, dan moet het bij de vaststelling blijven dat ten minste de afzonderlijk bruikbare tafelrekenmachine, opjectief gezien, niet uitsluitend bestemd is om, met de andere bestanddelen, als kasregister in de zin van post 84.52 Β te fungeren, doch ook om als elektronische rekenmachine in de zin van tariefpost 84.52 A te worden gebruikt.
Omdat het geheel niet slechts als elektronische rekenmachine, doch ook als kasregister kan worden gebruikt en reeds een zonder meer uitneembaar bestanddeel zich objectief voor gebruik als rekenmachine leent, rijzen hier problemen van samenloop waarvoor, wil men niet het gevaar lopen dat de vastgestelde invoerrechten worden ontdoken, de oplossing niet in het problematisch begrip functionele eenheid moet worden gezocht.
Ik ben het te dezen met de Commissie eens dat het, anders dan verzoekster meent, uiteindelijk niet ter zake doet of de in de Toelichtingen op de NDR-nomenclatuur inzake tariefnummer 84.52 (Duitse tekst: Randnummer 17 tot 24) voorkomende passage, volgens welke er met kasregisters in hoofdzaak wordt geteld en er geen moeilijker berekeningen mee worden verricht, gezien de technische ontwikkelingen op elektronisch gebied, nog wel als een aanvaardbare uitlegging van de terminologie van het tarief is te beschouwen. Doorslaggevend is veeleer dat de onafhankelijk van andere bestanddelen bruikbare elektronische tafelrekenmachine in ieder geval geen kasregister is.
Ik concludeer dus — met de Commissie — dat een waar die geen fysieke eenheid vormt, of uit verschillende bestanddelen bestaat, niet als een functionele eenheid, i.e. als een waar, te weten een kasregister als bedoeld in post 84.52 Β GDT is te beschouwen, wanneer een bestanddeel ervan kan worden losgemaakt en dan niet slechts tot de normaliter door kasregisters verrichte berekeningen, maar ook tot moeilijker in den regel door elektronische rekenmachines verrichte berekeningen in staat is.
2. De tweede vraag
Mocht de eerste vraag ontkennend worden beantwoord, dan wenst de verwijzende rechter te weten of zulke uit verschillende delen bestaande voorwerpen als „Warenzusammenstellung” in de zin van algemene bepaling 3 b zijn te beschouwen.
Verwijzend naar deel I, afdeling VIII, der Toelichtingen (Duitse tekst: Randnummer 18) acht de Senat het niet onmogelijk het omstreden produkt als één enkel, uit verschillende delen bestaand voorwerp in de zin van algemene bepaling 3 b te behandelen. Volgens bedoelde Toelichtingen zijn als „werken vervaardigd door samenvoeging van verschillende goederen” niet slechts te beschouwen „die waarvan de samenstellende delen praktisch tot een onscheidbaar geheel zijn samengevoegd, maar ook die waarvan de samenstellende delen scheidbaar zijn, mits deze delen aan elkaar zijn aangepast en onderling eikaars complementen zijn en samen een geheel vormen, waarvan de delen moeilijk afzonderlijk verkoopbaar zijn.” Aan deze laatste voorwaarde die, naar de Commissie terecht betoogt, voor alle bestanddelen geldt, is evenwel in casu, althans wat de zelfstandig bruikbare tafelrekenmachine betreft, wellicht niet voldaan.
Daarentegen zou de waar wellicht als een „samengevoegd werk” in de zin van algemene bepaling 3 b kunnen worden beschouwd; als zodanig zijn volgens de Toelichtingen op de IDR-nomenclatuur betreffende algemene bepaling 3 b (Duits: Randnummer 22) te beschouwen goederen, bestaande uit produkten of artikelen voor zelfstandig of aanvullend gebruik, die zijn samengevoegd om in een behoefte te voorzien of om een bepaalde activiteit uit te voeren, en voor de verkoop in het klein zijn opgemaakt. Ik meen dat de litigieuze goederen aan deze criteria voldoen.
Tenslotte behoeft de vraag of het omstreden voorwerp als „door samenvoeging van verschillende goederen vervaardigd” dan wel als „Warenzusammenstellung” („in assortimenten opgemaakt goed”) is te beschouwen, evenwel niet te worden beantwoord, immers in elk van beide gevallen geeft voor de indeling, volgens Algemene bepaling 3 b, de stof of het goed waaraan het werk zijn wezenlijk karakter ontleent, de doorslag. Dat karakter kan volgens de Toelichtingen betreffende Algemene bepaling 3 b bijvoorbeeld zijn gelegen in de artikelen waaruit zij zijn samengesteld, de omvang, de hoeveelheid, het gewicht of de waarde daarvan ofwel in de belangrijkheid van de samenstellende stoffen ten opzichte van het gebruik dat van de goederen zal worden gemaakt. Met de verwijzende rechter en de Commissie ben ik van mening dat, al deze factoren in aanmerking genomen en met name gelet op de onmiskenbare hogere waarde welke aan de elektronische rekenmachine, vergeleken met de andere delen toekomt, en de betekenis van de tafelrekenmachine in verband met de aan het totaal toegedachte gebruiksbestemming, de waarde van de rekenmachine stellig als het wezenlijk (karakterbepalend) bestanddeel is te beschouwen, zodat de omstreden waar ook niet met behulp van Algemene bepaling 3 b als kasregister in de zin van tariefpost 84.52 B mag worden ingedeeld.
3.
Op grond van een en ander geef ik u in overweging de eerste vraag ontkennend te beantwoorden, en, in antwoord op de tweede vraag, voor recht te verklaren dat voorwerpen in de eerste vraag omschreven, als „in assortimenten opgemaakt goed” („Warenzusammenstellung”) volgens Algemene bepaling 3 b moeten worden ingedeeld.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
( 2 ) De aanhef van deze algemene bepaling (Allgemeine Tarifierungsvorschrift, règle générale) luidt in het Duits: „Gemische (Mischungen), Waren, die aus verschiedenen Stoffen oder Bestandteilen bestehen, und Warenzusammenstellungen ...”, in het Frans: „Les produits mélanges, les ouvrages composés de matières différentes ou constitués par l'assemblage d'articles différents et les marchandises présentées en assortiments ...”, en in het Nederlands: „Mengsels, werken welke zijn samengesteld uit of met verschillende stoffen dan wel zijn vervaardigd door samenvoeging van verschillende goederen, zomede goederen opgemaakt in stellen of assortimenten ...”
Full & Egal Universal Law Academy