CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL S. ROZÈS
VAN 12 JANUARI 1984 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Bij op 29 april 1983 ingediend request zijn de naamloze vennootschap „Usines Gustave Boël” te Brussel en haar Franse dochtermaatschappij, de naamloze vennootschap „Fabrique de fer de Mau-beuge” te Louvroil krachtens artikel 36, tweede alinea, EGKS-Verdrag in beroep gekomen tegen de geldstraf van BFR 111024570, welke de Commissie krachtens artikel 58 EGKS-Verdrag bij beschikking van 24 maart 1983, betekend op 30 maart 1983, aan de te La Louvière, België, gevestigde naamloze vennootschap „Usines Gustave Boel” heeft opgelegd.
Het beroep strekt tot nietigverklaring van genoemde beschikking, althans tot verlaging van het boetebedrag, terwijl verzoeksters voorts akte hebben gevraagd dat zij zich het recht voorbehouden vergoeding te vorderen van de schade, hun opgekomen door het stellen van de bankgarantie, door de Commissie verlangd als tegenprestatie van de opschorting van de invordering der boete, waarin zij hangende het geding in rechte heeft bewilligd.
I —
Volgens artikel 1 van de aangevochten beschikking had „Usines Gustave Boel” te La Louvière, wat het derde kwartaal van 1981 betreft, haar produktiequotum voor produkten van categorie I c en het gedeelte van dat quotum dat op de gemeenschappelijke markt mocht worden geleverd, i.e. de hoeveelheden welke haar waren toegestaan in het kader van de regeling die bij beschikking nr. 1831/81/EGKS van de Commissie van 24 juni 1981 ( 2 ) was ingevoerd, met onderscheidenlijk 1007 ton en 3878 ton overschreden; voor het tweede kwartaal spreekt de beschikking van een overschrijding van het produktiequotum voor dezelfde produkten met 14943 ton, alsook, wat hetzelfde kwartaal betreft, van een overschrijding van de leverbare produktiequota voor de categorieën I a en I e met onderscheidenlijk 261 en 14921 ton.
1.
Verzoeksters betwisten deze overschrijdingen niet, maar brengen tegen artikel 1 allereerst in dat de overschrijdingen voor de produkten van categorie I c moeten worden toegerekend aan de rechtens van de naamloze vennootschap „Usines Gustave Boël” te onderscheiden naamloze vennootschap „Fabrique de fer de Maubeuge”.
Met deze stelling wordt de rechtmatigheid aangevochten van de individuele beschikkingen tot vaststelling van de quota c.q. gedeelten van quota van het „concern Boël” in het derde en vierde kwartaal van 1981.
Gereleveerd zij dat de aan de onderscheiden ondernemingen of concerns gedane betekeningen van de per kwartaal vastgestelde of gewijzigde quota individuele beschikkingen zijn; alleen beschikkingen waarbij per kwartaal verminderingspercentages worden toegekend, dragen een algemeen karakter.
Maar vaste rechtspraak ( 3 ) leert dat betrokkenen zich in een beroep tot nietigverklaring van een individueel besluit niet ten exceptieve mogen beroepen op de onrechtmatigheid van een ander, tot hen gericht, definitief geworden besluit.
De betrokken vennootschappen kunnen dus geen beroep doen op onrechtmatigheid van de beschikkingen waarbij de Commissie hun quota voor bedoelde kwartalen heeft vastgesteld. Het middel moet derhalve worden verworpen.
Er zij op gewezen dat de naamloze vennootschap „Fabrique de fer de Mau-beuge” deel uitmaakt van het concern Boël, dat volgens artikel 2, lid 4, van beschikking nr. 1831/81/EGKS ( 4 ) is te beschouwen als „één enkele onderneming”, waaraan het quotum waarvan de overschrijding werd bestraft, regulier is toegekend.
Ofschoon er wel degelijk een te Brussel gevestigde vennootschap „Usines Gustave Boel” bestaat, omvatten haar vestigingen met name de naamloze vennootschap „Usines Gustave Boel” te La Louvière die, als staalproducerende onderneming in de zin van artikel 80 EGKS, de eveneens staalproducerende Franse onderneming naamloze vennootschap „Fabrique de fer de Maubeuge” kan controleren ( 5 ). Deze beide firma's zijn dus te beschouwen als een concentratie in de zin van artikel 66, lid 1, en „constitueren” het concern Boël ( 6 ).
Voorts faalt het argument dat „Boël-La Louvière” de boete niet op een andere tot het concern behorende vennootschap kan afwentelen; dat is een concerninterne ( 7 ) kwestie, die een speciaal ten behoeve van het quotastelsel aangepaste regel niet wederom discutabel kan stellen.
2.
In een tweede middel verwijten verzoeksters de Commissie dat zij de afwijzende beschikking, op hun verzoeken om aanpassing voor het derde en vierde kwartaal van 1981, niet of onvoldoende met redenen heeft omkleed.
Als zodanig is ook dit middel om de hiervoor reeds uiteengezette redenen niet ontvankelijk. Dit geldt evenwel niet, voor zover verzoeksters zich erover beklagen dat ook de ¿oerebeschikking onvoldoende met redenen omkleed zou zijn.
Opgemerkt zij dat de grieven van verzoeksters zich in zoverre richten tegen de voor het „Boël-concern” vastgestelde quota; zij hadden ook reeds de gelegenheid ze voor te dragen. Dat de Commissie er niet op inging, heeft niets uitstaande met de onderhavige boetebeschikking, die als een objectieve consequentie van de overschrijding der quota is te beschouwen. Te dien aanzien is de beschikking bondig, maar genoegzaam met redenen omkleed. Voorts komt het mij voor dat de Commissie, in het kader van de procedure van artikel 58 EGKS, niet op alle door verzoeksters ter sprake gebrachte punten behoefde in te gaan.
3.
Een tweede reeks grieven van verzoeksters (de derde, vierde, vijfde en zesde grief) is gericht tegen de individuele beschikkingen, houdende vaststelling — ten aanzien van „Usines Gustave Boel, La Louvière” — van de produktiereferentiecijfers en de produktiequota of gedeelten dier quota die, in het derde en vierde kwartaal van 1981, op de gemeenschappelijke markt mochten worden geleverd, alsmede tegen de besluiten waarbij, gezien artikel 14 van algemene beschikking nr. 1831/81, al dan niet met zoveel woorden afwijzend is beschikt op verzoeken om aanpassing.
Met name in het vierde middel stellen zij dat de Commissie, ter vaststelling van de referentieproduktiecijfers, na invoering van categorie I c, een criterium heeft aangehouden dat voor het „Boël-con-cern” neerkwam op een verlaging van de traditionele produktie van 1,16 op 0,95 %, terwijl sommige concurrerende ondernemingen in diezelfde tijd hun produktiequota niet eens helemaal hebben opgenomen.
Vastgesteld zij dat bedoelde individuele besluiten niet tijdig zijn aangevochten en dus definitief zijn geworden, zodat verzoeksters ze thans niet discutabel mogen stellen; zij mogen zich ook niet ten exceptieve beroepen op onrechtmatigheid van de bepalingen van een algemene beschikking die aan de bestreden individuele beschikking niet ten grondslag ligt.
In haar ten principale gegeven antwoord stelt de Commissie zich terecht op het standpunt dat het aanvaarde systeem jegens verzoeksters geen enkele discriminatie inhoudt; het kan er evenwel niet voor zorgen dat iedere onderneming het op de markt verworven aandeel kan behouden, noch ook wijken voor overschrijdingen van bedrijven die, wellicht te goeder trouw, al te zeer op de toekomstige ontwikkeling anticipeerden.
U hebt de uitbreiding van het quotastelsel tot voor export bestemde produktie, alsook de invoering van een stelsel van leveringsquota, reeds met het Verdrag in overeenstemming bevonden ( 8 ) en uitgesproken dat artikel 58 de Commissie geenszins verplicht om aan een bepaalde onderneming, ten detrimente van de andere ondernemingen der Gemeenschap, een minimumproduktie, beantwoordend aan haar eigen rentabiliteits- en ontwikkelingscriteria, te waarborgen ( 9 ).
4.
In hun zevende middel komen verzoeksters ertegen op dat de Commissie stilzwijgend heeft geweigerd hun referentieproduktiecijfers — voor het derde kwartaal van 1981 wat betreft produkten van categorie I c en voor het vierde kwartaal van 1981 voor produkten van de gehele categorie I — aan te passen.
Wederom zij opgemerkt dat niet tijdig om nietigverklaring van die afwijzende beschikking is verzocht.
Voorts kunnen de overwegingen, waardoor uw Hof zich deed leiden toen het, bij arrest van 22 juni 1983 ( 10 ), een door dezelfde verzoeksters tijdig gedaan verzoek om nietigverklaring van een beschikking voor het vierde kwartaal van 1982 afwees, zeer wel naar de huidige zaak worden getransponeerd.
5.
In hun achtste middel stellen verzoeksters dat de Commissie niet zou hebben geantwoord op een brief van 28 oktober 1981, waarin de naamloze vennootschap „Usines Gustave Boël, La Louvière” enerzijds, voor het vierde kwartaal van 1981, had verzocht om aanpassing van de produktiequota van haar onderneming en van de „Fabrique de fer de Maubeuge”, en anderzijds de Commissie het volgende had laten weten: „sauf avis de votre part, nous vous comptons d'accord sur les quotas de production définis plus haut, ainsi que sur les quotas d'expédition qui en découlent”. Toen de Commissie niet reageerde, zouden zij het ervoor hebben mogen houden dat de Commissie de voorgestane — en uitgevoerde — aanpassingen had goedgekeurd en dat zulke aanpassingen geen „overschrijding” zouden opleveren. Zij betogen dat de Commissie pas na het verstrijken van het betrokken kwartaal op de verzoeken om aanpassing der quota is ingegaan, zodat de ondernemingen, wilden zij overleven, geen andere keus zou zijn gelaten dan de hun toegewezen quota te overschrijden — en zich boeten te zien opgelegd.
De Commissie antwoordt terecht, dat het stilzwijgen van haar diensten niet met stilzwijgende toestemming is gelijk te stellen. Een versoepeling van het algemene en bindende quotastelsel kan niet buiten artikel 14 van algemene beschikking nr. 1831/81 om geschieden en vraagt om een uitdrukkelijke, met redenen omklede individuele beschikking. Nochtans mag worden betreurd dat de brief van 28 oktober 1981 onbeantwoord is gebleven.
II —
Tenslotte wensen verzoeksters het boetepercentage te zien verlaagd en betogen zij dat de Commissie niet eenzijdig en post factum mag komen aandragen met modaliteiten waarover niets gezegd wordt in artikel 12 van beschikking nr. 1831/81, waarin de Commissie zelf, krachtens artikel 58, lid 4, van het Verdrag, het boetebedrag en de modaliteiten der boeteoplegging heeft geregeld.
In de beschikking zou met name de positieve balans van het „Boël-concern” in aanmerking zijn genomen, alsook het feit dat de vastgestelde overschrijdingen ( 11 ) meer dan 10 % uitmaakten van de quota of van de gedeelten dier quota die op de gemeenschappelijke markt mochten worden geleverd (uitgezonderd de overschrijdingen van 1007 ton en 161 ton voor onderscheidenlijk categorie I c en categorie I a); daarentegen zou de Commissie niet in aanmerking hebben genomen dat het concern, anders dan andere ondernemingen, zonder overheidssteun tot herstructurering was overgegaan.
Voor zover deze grieven ontvankelijk zijn, zullen ze onzes inziens moeten worden afgewezen op grond van de overwegingen waardoor uw Hof zich liet leiden in de arresten, op 18 maart 1980 ( 12 ) en 11 mei 1983 ( 13 ) gewezen in de zaken-Valsabbia e.a. en Klöckner.
Tenslotte zij opgemerkt dat in genoemd artikel 12, getoetst aan artikel 58, lid 4, EGKS-Verdrag, aan de Commissie geenszins de bevoegdheid wordt ontzegd het boetebedrag af te stemmen op de omstandigheden waarin de overtreding is begaan ( 14 ). Juist in casu heeft de Commissie met de antecedenten der onderneming rekening gehouden.
Het verzoek om verlaging van de boete komt dan ook niet gerechtvaardigd voor en termen tot toewijzing van het gedane akteverzoek zijn niet aanwezig.
Wij concluderen tot verwerping van het beroep, met verwijzing van verzoeksters in de kosten.
( 1 ) Vertaald uit het Frans.
( 2 ) PB L 180 van 1.7. 1981, blz. 1.
( 3 ) Laatstelijk: arrest van 19. 10. 1983, gewezen in zaak 265/82, Usinor, r.o. 7, Jurispr. 1983, blz. 3105.
( 4 ) „Een concentratie van ondernemingen als bedoeld in artikel 66 van het Verdrag wordt als één enkele onderneming in de zin van deze beschikking beschouwd, zelfs wanneer deze ondernemingen in verschillende Lid-Staten zijn gevestigd” (PB L 180 van 1. 7. 1981, blz. 1).
( 5 ) Beschikking nr. 24/54 van de Hoge Autoriteit van 6 mei 1954, PB van 11.5. 1954, art. 3, blz. 345.
( 6 ) Beschikking van de Commissie van 7. 7. 1975, betreffende de oprichting van Queensborough Steel Co. Ltd. door Gustave Boß] SA en Helical Bar Ltd.
( 7 ) Arrest, op 13. 7. 1962 gewezen in de gevoegde zaken 17 en 20/61, Klöckner en Hocsch, Jurispr. 1962, blz. 646.
( 8 ) Arrest, op 7. 7. 1982 gewezen in de zaak 119/81, Klöckner, r.o. 21 e.V., Jurispr. blz. 2652; arrest, op 11. 5. 1983 gewezen in de zaak 244/81, Klöckner, r.o. 39-47, Jurispr. 1983, blz. 1451.
( 9 ) Voormeld arrest van 11. 5. 1983, r.o. 27.
( 10 ) Zaak 317/82, r.o. 12, Jurispr. 1983, blz. 2041.
( 11 ) Aan „Usines Gustave Boiîl S.A. te La Louvičrc” was reeds op 24 november 1982 een boete opgelegd wegens het feil dat zij de haar voor het tweede kwartaal van 1981 medegedeelde produkticquota voor produkten van categorie I met 2581 ton had overschreden.
( 12 ) Gevoegde zaken nr. 154/78 e.V., Jurispr. blz. 1026, r.o. 159, waarin te lezen staat dat de Commissie de feiten voldoende recht heeft doen wedervaren door aan middelgrote ondernemingen met een negatieve balans een boete op te leggen van 10 % van het bedrag waarmee de ondernemingen de minima hadden onderboden, in aanmerking genomen dat de boeten krachtens artikel 64 van het Verdrag het dubbele van de waarde van de ongeoorloofde verkopen kunnen belopen.
( 13 ) Zaak 244/81, r.o. 36-38, Jurispr. 1983, blz. 1451.
( 14 ) Arrest, op 16. 11. 1983 gewezen in de zaak 188/82, Thyssen, r.o. 20, Jurispr. 1983, blz. 3721.
Full & Egal Universal Law Academy