CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL S. ROZÈS
VAN 26 JANUARI 1984 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Het Finanzgericht Düsseldorf heeft verzocht om een prejudiciële beslissing over de geldigheid van artikel 1 van verordening nr. 974/71 en over de betekenis van het begrip „oorsprong” in artikel 5 van verordening nr. 802/68 in verband met rundvlees.
De feiten zijn de volgende:
I —
In de eerste helft van 1982 voerde Zentrag, een te Frankfurt gevestigde coöperatieve vereniging, een aantal partijen „vlees van runderen, vers, delen zonder been” van post 02.01 A II a 4bb vanuit Oostenrijk in.
Het vlees was afkomstig van in Hongarije gemeste en geslachte dieren; daar waren eveneens de met het slachten samenhangende bewerkingen (het verwijderen van de ingewanden, het villen en het verdelen in kwarten) verricht.
Het vlees was vervolgens vrij van rechten in Oostenrijk ingevoerd, waar het werd uitgebeend, ontdaan van pezen en vet, in stukken uitgesneden en vacuüm verpakt.
Bij invoer in de Bondsrepubliek Duitsland werd het vlees aanvankelijk ingeklaard met toepassing van het bijzondere heffingstarief voor Oostenrijk, een derde land waarvan de structuur van de handel en de veehouderijmethoden vergelijkbaar zijn met die in de Gemeenschap ( 2 ).
Later zond het Hauptzollamt Zentrag een herziene aanslag, die was gebaseerd op het — aanzienlijk hogere — normale heffingstarief „derde landen”. Volgens het Hauptzollamt was het land van oorsprong van het vlees in werkelijkheid Hongarije.
Zentrag stelde bij het Finanzgericht Düsseldorf beroep in, waarbij zij twee argumenten aanvoerde:
1.
De laatste bewerking van het vlees zou het een Oostenrijkse oorsprong hebben verleend in de zin van artikel 5 van verordening nr. 802/68 van de Raad van 27 juni 1968 betreffende de gemeenschappelijke definitie van het begrip „oorsprong van goederen” (PB L 148 van 1968, blz. 1) ( 3 )
2.
Artikel 1 van verordening nr. 964/71 van de Commissie van 10 mei 1971 betreffende de vaststelling van de oorsprong van vlees en afvallen, vers, gekoeld of bevroren van bepaalde huisdieren ( 4 ) zou in casu niet van toepassing zijn; deze bepaling zou onverenigbaar zijn met artikel 5 van voornoemde verordening van de Raad en met artikel 110 EEG-Verdrag, dat voorziet in een geleidelijke afschaffing van de beperkingen in het internationale handelsverkeer.
Zentrag alsook het Finanzgericht neigen tot de opvatting, dat de geografische oorsprong van het vlees wordt bepaald door de plaats waar het vlees is uitgebeend, ontdaan van pezen en vet, in stukken uitgesneden en vacuüm verpakt. In dit stadium zou het vlees een ingrijpende bewerking hebben ondergaan en percentueel gezien aanzienlijk in waarde zijn gestegen.
In dit verband heeft de nationale rechterlijke instantie het Hof bij beschikking van 20 april 1983 de navolgende twee vragen voorgelegd:
„1.
Is artikel 1 van verordening nr. 964/71 van de Commisie van 10 mei 1971 ongeldig wegens strijd met verordening nr. 802/68 van 27 juni 1968?
2.
Vormt het uitbenen, het verwijderen van pezen en vet, en het uitsnijden in stukken van vlees, een oorsprongbepalende bewerking in de zin van artikel 5 van verordening nr. 802/68?”
II —
Vooraf wil ik erop wijzen, dat de beslissing van het hoofdgeding mijns inziens niet afhangt van de beoordeling van de geldigheid van verordening nr. 964/71 van de Commissie, doch alleen van de uitlegging van verordening nr. 802/68 van de Raad. De oorsprong van een produkt wordt uitsluitend bepaald door de in laatstgenoemde verordening gestelde voorwaarden.
Ofschoon de in de verordening van de Raad vervatte abstracte begrippen in de verordening van de Commissie nader worden uitgewerkt, geeft deze laatste slechts de voorwaarden aan die vóór het slachten moeten zijn vervuld, wil het daardoor verkregen vlees en de eetbare slachtafvallen de oorsprong verkrijgen van het land waar het slachten heeft plaatsgevonden. Zij heeft dus geen betrekking op na het slachten plaatsgrijpende bewerkingen.
1.
In het onderhavige geval zijn de betrokken dieren in Oostenrijk gemest noch geslacht; bovendien heeft het verdelen in kwartieren ( 5 ), dat na het verwijderen van de ingewanden en het villen geschiedt, in Hongarije plaatsgevonden. In Oostenrijk werd het vlees in stukken uitgesneden en vervolgens vacuüm verpakt.
Ook indien de bewerking van het vlees ín Oostenrijk „heeft plaatsgevonden in een daartoe ingericht bedrijf” en de uiterlijke verschijning van het produkt met het oog op het gebruik ervan door het uitbenen is beïnvloed, is niettemin van beslissende betekenis, of deze verrichtingen „ingrijpend” waren en hebben „geleid tot de fabricage van een nieuw produkt, hetzij een belangrijke fabricage-fase” uitmaakten in de zin van artikel 5 van verordening nr. 802/68.
De verrichtingen waaraan het vlees in Oostenrijk is onderworpen, zijn evenwel — met uitzondering van het vacuüm verpakken — klassieke en in slagerijen gebruikelijke handelingen, die zelfs op de slagersafdeling van sommige supermarkten worden verricht.
Het betreft hier verrichtingen die weliswaar de uiterlijke verschijning van het produkt met het oog op de detailverkoop beïnvloeden en soms een aanzienlijke winstmarge mogelijk maken, maar die niet leiden tot „een belangrijke wijziging in de specifieke materiële eigenschappen” als bedoeld in 's Hofs arrest van 26 januari 1977 (Gesellschaft für Überseehandel). In dit arrest besliste het Hof dat:
„verrichtingen welke met het oog op het gebruik van het produkt de uiterlijke verschijningsvorm beïnvloeden zonder evenwel de kwalitatieve eigenschappen in belangrijke mate te wijzigen, niet oorsprongbepalend kunnen zijn.” ( 6 )
Wat het vacuüm verpakken betreft meent de nationale rechter, dat dit geen zelfstandige betekenis heeft; inderdaad geschiedt dit enkel ten behoeve van de verhandeling van het vlees en heeft het geen invloed op de wezenlijke eigenschappen ervan ( 7 ).
2.
In de tegengestelde opvatting zou moeten worden onderzocht, of deze verrichtingen „economisch verantwoord” zijn en of zij niet juist in Oostenrijk zijn uitgevoerd om het vlees een oorsprong te verlenen waardoor het onder een economische preferentieregeling zou vallen ( 8 ).
Een aanwijzing hiervoor zou kunnen worden gezien in het aanmerkelijke verschil tussen de normale heffing (DM 668 per 100 kg) en de bijzondere heffing (DM 25,37 per 100 kg). In voorkomend geval zou dan de nationale rechter moeten onderzoeken, of dit vermoeden gerechtvaardigd is.
Ik geloof echter niet dat dit onderzoek noodzakelijk is, indien het Hof in antwoord op de gestelde vragen voor recht verklaart:
De omstandigheid dat rundvlees in Oostenrijk is uitgebeend, ontdaan van pezen en vet, in stukken uitgesneden en vacuüm verpakt, terwijl de dieren waarvan het vlees afkomstig is in Hongarije zijn geslacht, ontdaan van de ingewanden, gevild en in kwartieren verdeeld, verleent het vlees bij invoer in de Bondsrepubliek Duitsland geen Oostenrijkse oorsprong.
( 1 ) Vertaald uit het Frans.
( 2 ) Artikel 10, lid 3, van verordening nr. 805/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees (PB L 148 van 1968, blz. 24), zoals gewijzigd bij verordening nr. 425/77 van 14 februari 1977 (PB L 61 van 1977, blz. 1). Dit tarief werd vastgesteld overeenkomstig verordening nr. 611/77 van de Commissie van 18 maart 1977, betreffende de vaststelling van de bijzondere heffing op levende runderen en op ander dan bevroren rundvlees (PB L 77 van 1977, blz. 14), zoals gewijzigd bij verordening nr. 925/77 van 29 april 1977 (PB L 109 van 1977, blz. 1).
( 3 ) PB L 148 van 1968, blz. 1: „Goederen bij de vervaardiging waarvan twee of meer landen betrokken zijn geweest zijn van oorsprong uit het land waar de laatste ingrijpende en economisch verantwoorde verwerking of bewerking heeft plaatsgevonden in een daartoe ingericht bedrijf en welke verwerking of bewerking hetzij heeft geleid tot de fabricage van een nieuw produkt, hetzij een belangrijke fabricagefase uitmaakt.”
( 4 ) PB L 104 van 1972, blz. 12: „Het slachten van de in de posten 01.01 tot en met 01.04 van het gemeenschappelijk douanetarief omschreven huisdieren verleent aan het vlees en de eetbare slachtafvallen, vers, gekoeld of bevroren, welke daardoor worden verkegen, alleen dan de oorsprong van het land of van de Gemeenschap waar het slachten heeft plaatsgevonden, wanneer het is voorafgegaan door het mesten van de betrokken dieren in dat land of in de Gemeenschap gedurende een periode van ten minste drie maanden voor paarden, ezels, muilezels en runderen, en van ten minste twee maanden voor varkens, geiten en schapen.”
( 5 ) Vergelijk de tweede overweging van verordening nr. 964/71.
( 6 ) Zaak 49/76, Jurispr. 1977, blz. 41, r.o. 6.
( 7 ) Voornoemde zaak 49/76, r.o. 7.
( 8 ) Artikel 6 van verordening nr. 802/68 bepaalt: „Wanneer ten aanzien van verwerkingen of bewerkingen vaststaat of op grond van vastgestelde feiten het vermoeden is gewettigd dat zij slechts ontduiking beogen van bepalingen welke in de Gemeenschap of in de Lid-Staten op goederen van bepaalde landen van toepassing zijn, kunnen de daardoor verkregen goederen in geen geval worden geacht, op grond van artikel 5 van oorsprong te zijn uit het land waar deze verwerkingen of bewerkingen plaatsvinden.”
Full & Egal Universal Law Academy