CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL C. O. LENZ
VAN 7 JUNI 1984 ( 1 )
Samenvatting
A — De feiten
De vragen
B — 1. De uitlegging van Artikel 30 EEG-Verdrag
a) Verbod = maatregel van gelijke werking
b) Niet rechtmatig geproduceerd
2. De uitlegging van Artikel 36 EEG-Verdrag
a) Samenvatting van de vragen
b) Het gevaar van bestrijdingsmiddelen
c) De bevoegdheid van Lid-Staten om een verbod uit te vaardigen
d) De Nederlandse toelatingsregeling
e) Vaststelling van hoeveelheden residuen
f) Rechtspraak van het Hof terzake
g) Evenredigheidsbeginsel
C — Conclusie
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
Aan het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing betreffende de uitlegging van de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag ligt een in Nederland tegen Albert Heijri BV ingeleide strafzaak ten gronde.
A —
Verdachte, eigenaresse van een supermarktketen in Nederland, wordt ten laste gelegd dat zij in januari 1981 in haar distributiecentrum in Zaanstad voor de verkoop bestemde appels (soort „Granny Smith”) in voorraad heeft gehad, waarop een groter restant van het bestrijdingsmiddel vinchlozolin aanwezig was dan was toegestaan. De partij appels, waarop een residu van 1 mg/kg vinchlozolin aanwezig bleek, werd in beslag genomen, doch veertien dagen later werd deze partij weer vrijgegeven voor de verkoop.
Verdachte in het hoofdgeding ontkent het tenlastegelegde feit niet. Zij betoogt echter dat de Nederlandse bepalingen, volgens welke het is verboden bedoelde uit Italië afkomstige appels in voorraad te hebben, een krachtens de artikelen 30 e.v. EEG-Verdrag verboden maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking vormen.
De Nederlandse regeling, die gedetailleerd is uiteengezet in het rapport ter terechtzitting, kan grosso modo als volgt worden beschreven. Volgens de Bestrijdingsmiddelenwet van 1962 is het in beginsel verboden een bestrijdingsmiddel te verkopen, voorhanden of in voorraad te hebben of te gebruiken, wanneer het niet door de bevoegde minister is toegelaten. In artikel 16 van deze wet, juncto het Residubesluit van 1964, wordt bepaald dat de residuen van bestrijdingsmiddelen een bepaalde, door de bevoegde minister vastgestelde maximale hoeveelheid niet mogen overschrijden. Uit de terzake vastgestelde Residubeschikking van 1965 blijkt, dat bij appels elk residu van het bestrijdingsmiddel vinchlozolin is verboden. Bij andere agrarische produkten is echter tot een bepaalde hoeveelheid een residu vinchlozolin toegelaten. Op verzoek van onder meer een importeur van eet- of drinkwaren kan de bevoegde minister de in de Residubeschikking vastgestelde tolerantie voor bestrijdingsmiddelen evenwel aanpassen.
De Economische politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Haarlem, die moet oordelen over de verenigbaarheid van deze regeling met het gemeenschapsrecht, heeft daarop bij vonnis van 25 april 1983 de behandeling van de zaak geschorst en het Hof van Justitie overeenkomstig artikel 177 EEG-Verdrag de navolgende prejudiciële vragen gesteld :
1.
Vormt een verbod van het op de markt brengen in een Lid-Staat van uit een andere Lid-Staat ingevoerde appels, op grond van de omstandigheid dat deze appels restanten van een — niet in bijlage II, behorend bij de richtlijn van de Raad van 23 november 1976 (76/895/EEG) genoemd — bestrijdingsmiddel bevatten in strijd met de terzake geldende nationale wettelijke voorschriften, ingevolge waarvan het op de markt brengen van eet- en drinkwaren die restanten van bestrijdingsmiddelen bevatten is verboden tenzij die restanten beneden een per produkt en per bestrijdingsmiddel vastgestelde maximum hoeveelheid blijven, een op grond van artikel 30 EEG-Verdrag verboden maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking?
2.
In hoeverre is het antwoord op de eerste vraag afhankelijk van het antwoord op de vraag of de bovenbedoelde appels in de Lid-Staat van herkomst in overeenstemming met de ter plaatse geldende wettelijke voorschriften geproduceerd en op de markt gebracht zijn?
3.
a)
Indien de eerste vraag bevestigend moet worden beantwoord, kunnen de daar bedoelde nationale wettelijke voorschriften dan gezien worden als een noodzakelijke bescherming van de volksgezondheid ingevolge artikel 36 EEG-Verdrag?
b)
Moet voor beantwoording van de onder 3a gestelde vraag worden vastgesteld dat het in concreto met betrekking tot een bepaald bestrijdingsmiddel voor appels geldende verbod gerechtvaardigd is als noodzakelijke bescherming van de volksgezondheid, of kan dit verbod ook als gerechtvaardigd worden beschouwd indien het is vastgesteld op grond van een algemeen beleid dat er op gericht is de aanwezigheid van restanten bestrijdingsmiddelen en eet- en drinkwaren zoveel mogelijk tegen te gaan, in het kader van welk beleid eerst dan tot de vaststelling van een residutolerantie wordt overgegaan, indien aan een bepaald bestrijdingsmiddel voor een bepaald produkt behoefte bestaat en er uit hoofde van de volksgezondheid — rekening houdend met het nationale voedselpatroon — geen overwegende bezwaren tegen die vaststelling bestaan?
4.
a)
Is het voor de beantwoording van de sub 3 gestelde vragen van belang dat de nationale wettelijke voorschriften van het invoerende land een residu van een bepaald bestrijdingsmiddel niet toestaan op bepaalde eet- en drinkwaren, doch wel een maximum toelaatbaar residu vaststellen van datzelfde bestrijdingsmiddel voor andere eet-en drinkwaren?
b)
Of in concreto: Is de omstandigheid relevant dat in Nederland een residu vinchlozolin op appels niet is toegestaan, doch wel op andere land- en tuinbouwprodukten, terwijl het maximum toegelaten residu vinchlozolin voor enkele van die produkten zelfs hoger ligt dan de op de litigieuze partij appels aangetroffen hoeveelheid?
B —
Terzake wil ik het volgende opmerken :
1. De eerste en tweede vraag (dat wil zeggen de uitlegging van artikel 30 EEG-Verdrag)
a)
De eerste vraag is erop gericht om duidelijkheid te verkrijgen over de vraag of een verbod van het op de markt brengen van appels, die uit een andere Lid-Staat afkomstig zijn en residuen van een bestrijdingsmiddel bevatten ten aanzien waarvan in het gemeenschapsrecht geen regeling is getroffen, als een maatregel in de zin van artikel 30 EEG-Verdrag is aan te merken.
Alle partijen in het geding zijn het erover eens, dat deze vraag in beginsel bevestigend dient te worden beantwoord. Het middel vinchlozolin valt stellig niet onder het toepassingsgebied van richtlijn nr. 76/895/EEG van de Raad van 22 november 1976 betreffende de vaststelling van de maximale hoeveelheden residuen van bestrijdingsmiddelen in en op groenten en fruit (PB L 340 van 1976, blz. 26). Een regeling die een absoluut verbod van residuen van dit middel op appels inhoudt, kan, zolang de maximale hoeveelheden niet zijn geharmoniseerd, een belemmering vormen voor de invoer van deze goederen uit andere Lid-Staten die andere toleranties toestaan. In de zin van de Dassonville-formule ( 2 ) moet deze regeling in beginsel dan ook worden aangemerkt als een maatregel „die de intracommunautaire handel al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel kan belemmeren”.
b)
Hierop sluit direct de — moeilijker te beantwoorden — tweede vraag aan, die ertoe strekt te vernemen of ook sprake is van een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking in de zin van artikel 30 EEG-Verdrag, indien een produkt in de Lid-Staat waaruit het is ingevoerd, niet rechtmatig is geproduceerd en/of op de markt is gebracht. Deze vraag is — ook de Commissie wijst daarop — duidelijk beïnvloed door het arrest-Cassis de Dijon (zaak 120/78, Rewe) ( 3 ), waarin het Hof voor recht heeft verklaard dat ook de vaststelling van een minimum alcoholpercentage voor gedistilleerd, die zonder onderscheid geldt voor binnenlandse en ingevoerde dranken, onder het in artikel 30 vervatte verbod valt „zolang er sprake is van invoer van gedistilleerd dat in een andere Lid-Staat rechtmatig geproduceerd en in de handel gebracht is”. Op het eerste gezicht zou uit deze zinsnede kunnen worden afgeleid dat van een maatregel van gelijke werking in de zin van artikel 30 slechts sprake kan zijn, in geval van verhindering van de invoer of het verhandelen van een uit een andere Lid-Staat afkomstig produkt dat aldaar rechtmatig is geproduceerd en in de handel gebracht. Hiervoor pleit niet in de laatste plaats dat krachtens artikel 30 EEG-Verdrag slechts die maatregelen verboden zijn die de handel tussen Lid-Staten kunnen belemmeren. Verder zou nog kunnen worden betoogd dat een produkt dat in het land van herkomst niet rechtmatig is geproduceerd en/of in de handel is gebracht per definitie geen voorwerp van het door het EEG-Verdrag gewaarborgde vrije goederenverkeer kan zijn.
Bij nadere analyse van genoemd arrest-Cassis de Dijon ( 4 )) en de daarop volgende rechtspraak blijkt echter, dat het Hof de vraag of een produkt in het land van oorsprong rechtmatig is geproduceerd en in de handel is gebracht niet ziet als een aanvullend criterium voor een maatregel van gelijke werking. Na dit arrest is duidelijk gemaakt dat ook nationale handelsregelingen die zonder onderscheid van toepassing zijn, belemmeringen voor de intracommunautaire handel kunnen opleveren, voor zover dergelijke bepalingen niet onontbeerlijk zijn om bepaalde dwingende vereisten, zoals een effectieve fiscale controle, de bescherming van eerlijke handel en consumentenbescherming, te verwezenlijken. In de latere rechtspraak (vgl. zaak 53/80, Eyssen, zaak 272/80, Frans-Nederlandse Maatschappij ( 5 )) is verklaard dat de onderhavige toevoeging bedoeld is om duidelijk te maken dat wanneer een produkt in de Lid-Staat van herkomst rechtmatig is geproduceerd en in de handel is gebracht, aanvullende voorwaarden in de staat van invoer slechts geoorloofd zijn, wanneer zij geboden zijn op grond van de genoemde dwingende vereisten. Deze constatering, die de daarin bedoelde feiten betreft, rechtvaardigt echter als zodanig niet de omgekeerde conclusie, namelijk dat de verhindering van de invoer van een produkt dat niet in overeenstemming is met de bepalingen van het land van herkomst, niet als maatregel van gelijke werking in de zin van artikel 30 kan worden beschouwd.
Voor een verboden maatregel van gelijke werking kan niet als voorwaarde worden gesteld dat een produkt in het land van oorsprong in overeenstemming met de aldaar geldende wettelijke bepalingen is geproduceerd en in de handel gebracht; dit zou mijns inziens niet in de laatste plaats ook in dogmatisch opzicht onjuist zijn. De vraag of een handelsbelemmering als maatregel van gelijke werking in de zin van het gemeenschapsrecht moet worden aangemerkt, kan slechts op basis van het gemeenschapsrecht en niet ob basis van de verschillende nationale rechtsstelsels worden beantwoord.
Zouden bij de vraag of een nationale handelsregeling als een maatregel van gelijke werking in de zin van artikel 30 EEG-Verdrag moet worden beschouwd, de nationale rechtsstelsels in aanmerking worden genomen, dan zou zulks bovendien in het algemeen tot praktische moeilijkheden leiden.
De hierbedoelde regelingen zijn vaak zeer gedetailleerd, gecompliceerd en moeilijk te begrijpen. Wanneer de grens-autoriteiten van een Lid-Staat zouden moeten beslissen, of een bepaald produkt volgens het recht van een andere Lid-Staat rechtmatig in de handel is gebracht, dan zouden zij op bijna onoverkomelijke moeilijkheden — bijvoorbeeld ook op taalgebied — stuiten. Van de nationale autoriteiten en rechterlijke instanties kan niet worden verlangd, dat zij de thans in tien, morgen misschien in twaalf, Lid-Staten geldende regelingen kennen en kunnen toepassen. Bovendien zou bij het onderzoek of een produkt rechtmatig is geproduceerd en/of rechtmatig in de handel is gebracht, ook in aanmerking moeten worden genomen, of de regeling van de andere Lid-Staat verenigbaar is met het gemeenschapsrecht. Dit kan niet de juiste oplossing zijn. Men zal van de nationale intanties enkel kunnen (en moeten) verlangen, dat zij het eigen nationale recht en het gemeenschapsrecht correct toepassen.
Om deze redenen ben ik het eens met verdachte in het hoofdgeding, alsmede met de Duitse, Franse en Nederlandse regering, dat het voor de beoordeling of de overhavige Nederlandse regeling een maatregel van gelijke werking in de zin van artikel 30 EEG-Verdrag is, niet relevant is of de genoemde appels in het land van oorsprong in overeenstemming met de aldaar geldende voorschriften zijn geproduceerd en in de handel gebracht. Dit aspect dient hooguit in aanmerking te worden genomen bij het onderzoek van de vraag of de betrokken nationale regeling op grond van de in het reeds aangehaalde arrest-Cassis de Dijon ( 6 )) genoemde dwingende vereisten noodzakelijk, respectievelijk op grond van de in artikel 36 EEG-Verdrag genoemde redenen gerechtvaardigd is.
2. De derde en vierde vraag (dat wil zeggen de uitlegging van artikel 36 EEG-Verdrag)
a)
Met de derde vraag wil de verwijzende rechter in wezen vernemen of de Nederlandse regeling, volgens welke elk residu van het bestrijdingsmiddel vinchlozolin zonder uitdrukkelijke ministeriële toelating is verboden, krachtens artikel 36 EEG-Verdrag gerechtvaardigd is uit hoofde van de bescherming van de volksgezondheid. Inzonderheid wil hij vernemen, of dit voor appels geldende verbod van residuen in concreto gerechtvaardigd is als noodzakelijke bescherming van de volksgezondheid, dan wel of dit verbod ook als gerechtvaardigd kan worden beschouwd indien het is vastgesteld op grond van een algemeen beleid dat erop gericht is, de aanwezigheid van restanten bestrijdingsmiddelen in eet- en drinkwaren zoveel mogelijk tegen te gaan. Met dit probleem houdt ten slotee ook de vierde vraag verband, namelijk of het van belang is, dat in Nederland een residu vinchlozolin op appels niet is toegestaan doch wel op andere land- en tuinbouwprodukten, terwijl de maximum toegelaten hoeveelheid voor enkele van die produkten zelfs hoger ligt dan de op de litigieuze partij aangetroffen hoeveelheid.
b)
Bij de beantwoording van deze vragen moet er van worden uitgegaan, dat bestrijdingsmiddelen zijn bedoeld om levende organismen, met name schadelijke insecten, te vernietigen, en dat herhalve vinchlozolin, wanneer het in grotere hoeveelheden wordt geconsumeerd, evenals elk ander bestrijdingsmiddel in beginsel ook schadelijk kan zijn voor de volksgezondheid. De vaststelling van een maximum hoeveelheid aan residuen van dit bestrijdingsmiddel op en in appels valt dan ook in beginsel onder de uitzondering van artikel 36 EEG-Verdrag, volgens hetwelk de bepalingen van de artikelen 30 e.v. geen beletsel vormen voor verboden of beperkingen van invoer, welke gerechtvaardigd zijn uit hoofde van onder meer „bescherming van de gezondheid en het leven van personen, dieren of planten”.
c)
Verder dient in aanmerking te worden genomen dat de toegelaten maximum hoeveelheid vinchlozolin-residuen op en in appels niet in de zogenoemde pesticiderichtlijn van de Raad van 23 november 1976 (richtlijn nr. 76/896/EEG) wordt geregeld. Met deze richtlijn, die het gevaar van chemische bestrijdingsmiddelen voor de gezondheid van mens en/of dier uitdrukkelijk erkent, werd gepoogd, de toegestane hoeveelheden residuen van enige limitatief opgesomde bestrijdingsmiddelen te harmoniseren. Voor zover de bestrijdingsmiddelen niet onder deze richtlijn vallen, staat het volgens vaste rechtspraak van het Hof (vgl. zaak 104/75, zaak 272/80 en zaak 174/82 ( 7 )) aan de Lid-Staten om vast te stellen in welke mate zij binnen de door het Verdrag gestelde grenzen de bescherming van de gezondheid willen waarborgen, en in het bijzonder hoe strikt de uit te voeren controles moeten zijn.
Een desbetreffende nationale maatregel moet volgens artikel 36, eerste volzin, in het bijzonder gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de gezondheid en het leven van personen. Verder mogen zij volgens de tweede volzin van dit artikel geen middel zijn tot willekeurige discriminatie, noch een verkapte beperking van de handel tussen de Lid-Staten vormen.
d)
In de zaak-Frans-Nederlandse Maatschappij (272/80 ( 8 )) heeft het Hof op basis van deze criteria de Nederlandse toelatingsregeling voor bestrijdingsmiddelen, volgens welke het verboden is dergelijke produkten zonder voorafgaande toelating te verkopen, in voorraad te hebben of te gebruiken, als rechtmatig erkend. Bovendien heeft het in deze zaak bevestigd dat het de Lid-Staten in beginsel ook vrij staat om een bestrijdingsmiddel, zelfs wanneer het in een andere Lid-Staat reeds is toegelaten, om redenen van volksgezondheid opnieuw aan een onderzoeks- en toelatingsprocedure te onderwerpen.
In het arrest-Sandoz (zaak 174/82 ( 9 )) heeft het Hof verden voor recht verklaard, dat het gemeenschapsrecht niet in de weg staat aan een nationale regeling, die, behoudens voorafgaande toestemming, het verhandelen van in een andere Lid-Staat rechtmatig in het verkeer gebrachte eet- en drinkwaren waaraan vitamine is toegevoegd, verbiedt.
e)
Hetzelfde moet echter ook gelden voor de thans te onderzoeken Nederlandse regeling waarbij maximum hoeveelheden residuen van bestrijdingsmiddelen op of in eet- of drinkwaren worden vastgesteld; deze regeling dient eveneens te worden aangemerkt als een verbod behoudens toestemming. Evenals pesticiderichtlijn nr. 76/895/EEG van de Raad heeft deze regeling ten doel om levensmiddelen zoveel mogelijk te vrijwaren van residuen van chemische stoffen, die de gezondheid van de verbruikers zouden kunnen schaden, wanneer zij deze stoffen in bepaalde hoeveelheden met het voedsel tot zich nemen. In genoemde richtlijn heeft de gemeenschapswetgever erkend, dat bij het vaststellen van deze maximale hoeveelheden een evenwicht moet worden gevonden tussen de behoeften van de plantaardige produktie en de eisen van de bescherming van de gezondheid van mens en dier. Om toxicologische redenen is het daarbij noodzakelijk, de consumptie van dergelijke stoffen, ook wanneer het wellicht minder schadelijke pesticiden zijn dan in de bedoelde richtlijn worden genoemd, zo laag mogelijk te houden.
In dit verband ligt het voor de hand, dat de maximale hoeveelheid van een bestrijdingsmiddel in de afzonderlijke levensmiddelen zo moet worden vastgesteld, dat de totale hoeveelheid van dit bestrijdingsmiddel, die dagelijks met het voedsel wordt opgenomen, de uit gezondheidsoogpunt nog aanvaardbare hoeveelheid niet overschrijdt. Wat de residuen van pesticiden op of in afzonderlijke levensmiddelen betreft, dient daarbij in de eerste plaats in aanmerking te worden genomen, dat de verschillende wijzen waarop dit middel in de Lid-Staten wordt toegepast, tot verschillende hoeveelheden residuen in bepaalde levensmiddelen kan leiden. Anderzijds is het aannemelijk, dat het consumptiepatroon en de feitelijke omstandigheden in de afzonderlijke Lid-Staten kunnen verschillen. Dientengevolge kan bij de beoordeling van de residuen van een bepaald bestrijdingsmiddel vanuit gezondheidsoogpunt ook niet, zoals verdachte in het hoofdgeding meent, geïsoleerd worden onderzocht welke hoeveelheden residuen een bepaald levensmiddel bevat. Enkel de totale hoeveelheid van de residuen die de verbruiker met alle door hem genuttigde eet- en drinkwaren opneemt, kan relevant zijn. Op grond van deze totale beoordeling is het onvermijdelijk dat wanneer de hoeveelheden residuen in het ene levensmiddel royaler zijn vastgesteld, zij in andere levensmiddelen lager moeten worden vastgesteld.
f)
Tegen de achtergrond van deze overwegingen heeft niet alleen de onderhavige pesticiderichtlijn van de Raad, doch ook de rechtspraak van het Hof het geoorloofd verklaard dat de maximum hoeveelheid van potentieel voor de gezondheid schadelijke stoffen in levensmiddelen gedifferentieerd wordt geregeld.
In genoemde zaak-Eyssen (zaak 53/80 ( 10 )) heeft het Hof onder meer verklaard dat de moeilijkheden en onzekerheden waarmee de beoordeling van de voor de gezondheid schadelijke werking van nisine, een conserveermiddel, gepaard gaat, het ontbreken van eenvormige wettelijke regelingen in de Lid-Staten inzake het gebruik van dit conserveermiddel kunnen verklaren en een verbod van toevoeging van nisine in sommige Lid-Staten kunnen rechtvaardigen. Hierbij heeft het Hof uitdrukkelijk beklemtoond, dat het ontbreken van duidelijke conclusies met betrekking tot de maximum hoeveelheden die de gezondheid niet schaden, hoofdzakelijk is toe te schrijven aan het feit, dat de beoordeling van het risico dat de opneming van dit additief meebrengt, afhankelijk is van verscheidene variabele factoren, waaronder met name de voedingsgewoonten in elk land. Verder heeft het erkend, dat bij de bepaling van de voor elk produkt vast te stellen maximum hoeveelheid niet slechts rekening moet worden gehouden met de hoeveelheid die aan een bepaald produkt wordt toegevoegd, doch ook met de hoeveelheden in alle andere produkten die aan die voedingsgewoonten moeten voldoen en waarin het gehalte kan variëren al naargelang de herkomst, de produktiewijze of de noodzaak om het produkt voor een bepaalde markt meer of minder sterk te verduurzamen.
Dat bij de beoordeling of een bepaald bestrijdingsmiddel schadelijk is voor de gezondheid, niet geïsoleerd moet worden onderzocht welke hoeveelheden residuen een bepaald levensmiddel bevat, blijkt tenslotte ook duidelijk uit het arrest-Sandoz ( 11 ). Aan deze zaak, waarin een uitspraak moet worden gedaan over de rechtmatigheid van een verbod om eet-en drinkwaren te verhandelen waaraan vitamine was toegevoegd, lag als feitelijk gegeven ten gronde, dat de consumptie van op zichzelf onschadelijke vitaminen gedurende een langere periode in excessieve hoeveelheden schadelijk kan zijn. Het wetenschappelijk onderzoek was echter nog niet voldoende gevorderd om de kritische doses en de precieze werkingen met zekerheid te kunnen bepalen. Tussen partijen was echter niet omstreden, dat het vitaminegehalte van de betrokken soort eet- en drinkwaren lang niet de kritieke drempel bereikte waarbij van schadelijkheid sprake kon zijn, zodat ook een excessief gebruik van deze waren op zichzelf geen bedreiging voor de volksgezondheid kon vormen. Het Hof achtte een dergelijke bedreiging echter niet uitgesloten, wanneer de consument daarnaast oncontroleerbare en onvoorzienbare hoeveelheden vitamines met andere voedingsmiddelen opneemt. In verband met deze bij de wetenschappelijke beoordeling bestaande onzekerheden heeft het derhalve de betrokken nationale regeling, volgens welke het verboden was eet- en drinkwaren waaraan vitamine is toegevoegd, in het verkeer te brengen, in beginsel als gerechtvaardigd beschouwd in de zin van artikel 36 EEG-Verdrag.
Deze overwegingen moeten, zoals alle partijen behoudens verdachte in het hoofdgeding, verklaren, ook gelden voor de onderhavige toelatingsregeling voor residuen van pesticiden op of in appels. Juist het onderhavige geval toont aan, dat het voor een adequate bescherming van de gezondheid nodig is, dat de bevoegde autoriteiten na onderzoek een lijst met schadelijke stoffen kunnen opstellen en de maximum op eet- en drinkwaren toegelaten hoeveelheden kunnen vaststellen. Een dergelijke regeling stelt de bevoegde autoriteiten in staat, op verzoek van een producent of importeur een onderzoek in te stellen en daarbij zowel de eisen van de bescherming van de volksgezondheid als de behoeften van de plantaardige produktie in aanmerking te nemen.
g)
Tenslotte zijn ook geen omstandigheden aan te wijzen op grond waarvan de onderhavige regeling een middel tot willekeurige discriminatie of een verkapte beperking van de handel tussen Lid-Staten zou kunnen vormen. Zoals het Hof eveneens in het arrest-Sandoz 1 heeft beklemtoond, verlangt het evenredigheidsbeginsel dat aan deze bepaling ten gronde ligt, dat de bevoegdheid der Lid-Staten om de invoer van de produkten uit andere Lid-Staten te verbieden, beperkt blijft tot datgene wat noodzakelijk is ter verwezenlijking van het rechtmatig streven de gezondheid te beschermen. Een nationale regeling die een dergelijk verbod behelst, is, zoals met name de Commissie betoogt, slechts gerechtvaardigd, indien de toestemming om de produkten in de handel te brengen, wordt verleend wanneer zulks verenigbaar is met de eisen van de gezondheidsbescherming.
De omstandigheid dat in Nederland residuen van vinchlozolin op appels niet zijn toegelaten, doch wel op andere land- en tuinbouwprodukten, en wel in een hogere concentratie dan bij de onderhavige appels het geval was, is, zoals de Nederlandse regering heeft gezegd, te verklaren door het feit dat geen producent of importeur tot dusverre heeft kenbaar gemaakt dat hij een toelating wenste. Had verdachte in het hoofdgeding van deze mogelijkheid gebruik gemaakt, dan had zij erop kunnen rekenen dat, zoals de Nederlandse regering heeft verzekerd, binnen een week ter zake van de onderhavige bestrijdingsmiddelen een beslissing was genomen. Een dergelijke belemmering kan echter stellig niet als onevenredig worden beschouwd, wanneer het bij het Verdrag gewaarborgde vrije goederenverkeer moet worden afgewogen tegen de gezondheidsbescherming.
C —
Mitsdien geef ik concluderend in overweging de gestelde vragen te beantwoorden als volgt:
Vragen 1 en 2
De artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag staan niet in de weg aan een nationale regeling, volgens welke het verboden is, dat eetwaren meer residuen van niet onder richtlijn nr. 76/895/EEG van de Raad vallende bestrijdingsmiddelen bevatten dan een bij een algemene maatregel van bestuur vastgestelde hoeveelheid. Terzake is het niet relevant of de betrokken goederen in het land van oorsprong in overeenstemming met de aldaar geldende wettelijke voorschriften zijn geproduceerd en op de markt gebracht.
Vragen 3 en 4
a)
Bij de vraag of een verbod van residuen van een bepaald bestrijdingsmiddel in of op eetwaren uit hoofde van de volksgezondheid gerechtvaardigd moet worden geacht, dient niet geïsoleerd te worden onderzocht, welke hoeveelheden residuen een bepaald levensmiddel bevat, doch is doorslaggevend de totale hoeveelheid van de residuen van het bestrijdingsmiddel die de verbruiker met alle door hem genuttigde levensmiddelen tot zich neemt. Bijgevolg is het voor deze vraag in beginsel ook niet van belang, dat de nationale wettelijke voorschriften van het land van invoer residuen van een bepaald bestrijdingsmiddel bij bepaalde eetwaren niet toestaan, doch bij andere eetwaren een maximumhoeveelheid residuen van hetzelfde bestrijdingsmiddel, vaststellen.
b)
Een dergelijke nationale verbodsregeling is echter slechts gerechtvaardigd wanneer de administratieve procedure aldus is ingericht dat het in de handel brengen binnen een redelijke termijn kan worden toegestaan, wanneer zulks in overeenstemming is met de eisen van de gezondheidsbescherming.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
( 2 ) Arrest van 11. 7. 1974, zaak 8/74, Dassonville, Jurispr. 1974, blz. 837.
( 3 ) Arrest van 20. 2. 1979, zaak 120/78, Rewe, Jurispr. 1979, Hz. 649.
( 4 ) Arrest van 20. 2. 1979, zaak 120/78, Rewe, Jurispr. 1979, blz. 649.
( 5 ) Arrest von 5. 2. 1981, zaak 53/80, Eyssen, Jurispr. 1981, blz. 409. Arrest van 17. 12. 1981 in de zaak 272/80, Frans-Nederlandsc Maatschappij voor biologische produkten BV, Jurispr. 1981, blz. 3277.
( 6 ) Arrest van 20. 2. 1979, zaak 120/78, Rewe, Jurispr. 1979, blz. 649.
( 7 ) Arrest van 20. 5. 1976 zaak 104/75, Centrafarm, Jurispr. 1976, blz. 697. Arrest van 17. 12. 1981 in de zaak 272/80, Frans-Nederlandse Maatschappij voor biologische produkten BV, Jurispr. 1981, blz. 3277. Arrest van 14. 7. 1933, zaak 174/82, Sandoz BV, Jurispr. 1983, blz. 2445.
( 8 ) Arrest van 17. 12. 1981 in de zaak 272/80, FransNederlandse Maatschappij voor biologische produkten BV, Jurispr. 1981, blz. 3277.
( 9 ) Arrest van 14. 7. 1983, zaak 174/82, Sandoz BV, Jurispr. 1983, blz. 2445.
( 10 ) Arrest van 5. 2. 1981, zaak 53/80, Eyssen, Jurispr. 1981, blz. 409.
( 11 ) Arresi van 14. 7. 1983, zaak 174/82, Sandoz BV, Jurispr. 1983, blz. 2445.
Full & Egal Universal Law Academy