CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. F. MANCINI
VAN 17 MEI 1984 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
De onderhavige zaken betreffen twee parallelle beroepen van Nederlandse ondernemingen tot nietigverklaring van beschikkingen van de Commissie, waarbij kwijtschelding van invoerrechten werd afgewezen. Het hoofdprobleem daarbij is de uitlegging van artikel 13 van verordening nr. 1430/79 van de Raad van 2 juli 1979 (PB L 175 van 1979, blz. 1), waarover u zich laatstelijk hebt uitgesproken in het arrest van 15 december 1983 (zaak 283/82, Schoellershammer, Jurispr. 1983). Thans moet één aspect van deze bepaling worden verduidelijkt. Nauwkeuriger gezegd: vastgesteld moet worden of het geval dat een douane-expediteur die te goeder trouw, op basis van hem door de opdrachtgevers afgegeven, doch nadien vals gebleken documenten, kwijtschelding heeft verkregen, behoort tot de bijzondere en atypische gevallen waarin volgens die bepaling kwijtschelding mogelijk is.
Van Gend & Loos en Expeditiebedrijf Wim Bosman BV, gevestigd te Utrecht respectievelijk's-Heerenberg (Nederland), treden voor rekening vaņ hun cliënten op als douane-expediteur. In die hoedanigheid deden zij bij de Nederlandse autoriteiten aangifte ten invoer van diverse zendingen textielgoederen, waarbij zij certificaten overlegden waaruit bleek dat de goederen van oorsprong waren uit Egypte, Marokko of Turkije. Wegens die oorsprong werd op de goederen een preferentieel tarief en soms zelfs een nultarief toegepast. Na een langdurig onderzoek stelden de autoriteiten echter vast dat vele certificaten vals waren, en legden zij beide ondernemingen een navordering op. Van Gend & Loos en Bosman verzochten de Nederlandse minister van Financiën om kwijtschelding, waarop de minister zich overeenkomstig de procedure van verordening nr. 1575/80 van 20 juni 1980 (PB L 61 van 1980, blz. 13), tot de Commissie wendde die echter vaststelde dat de gevraagde kwijtschelding niet gerechtvaardigd was. Tegen de betrokken beschikkingen, beide van 10 januari 1983, hebben de twee ondernemingen op 30 mei respectievelijk 10 oktober 1983 afzonderlijk beroep tot nietigverklaring ingesteld.
2.
In casu zullen twee communautaire bronnen moeten worden onderzocht: verordening nr. 1430/79 van de Raad betreffende terugbetaling of kwijtschelding van in- of uitvoerrechten, en verordening nr. 1575/80 van de Commissie houdende uitvoeringsbepalingen van die verordening.
Volgens verordening nr. 1430/79 kan de belanghebbende terugbetaling of kwijtschelding verkrijgen van invoerrechten die betrekking hebben op :
a)
goederen waarvoor geen enkele douaneschuld is ontstaan of waarvoor de douaneschuld heeft opgehouden te bestaan op andere wijze dan door betaling van het bedrag of dan door verjaring dan wel „hoger is dan het. bedrag dat wettelijk mocht worden geïnd” (artikel 2, lid 1);
b)
goederen die ten gevolge van een vergissing in het vrije verkeer zijn gebracht in plaats van onder een andere douaneregeling te zijn geplaatst, (artikel 3, lidi);
c)
goederen die door de importeur zijn geweigerd omdat zij gebreken vertonen of omdat zij niet in overeenstemming zijn met de bepalingen van het contract op grond waarvan zij in de Gemeenschap zijn ingevoerd, mits zij weer worden uitgevoerd of vernietigd (artikelen 5 en 6);
d)
goederen die zich in een van de in artikel 10 genoemde situaties bevinden, mits de importeur ervoor zorgt ze weder uit te voeren, of te vernietigen (artikelen 10 en 11);
e)
goederen die zich in andere situaties bevinden dan die welke typisch zijn voor artikel 10, mits zij het gevolg zijn van buitengewone omstandigheden „die geen enkele nalatigheid of manipulatie van de zijde van de betrokkene inhouden” (artikel 13).
Zoals gezegd, gaat het hier om de laatste categorie. Om vast te stellen welke gevallen daartoe behoren, is een speciale procedure voorzien (vgl. artikel 9, leden 2 en 3, van verordening nr. 1798/75), maar omdat de desbetreffende uitvoeringsvoorschriften nog niet zijn vastgesteld, hanteert men de procedure van verordening nr. 1575/80. Deze bestaat uit vier fasen. De betrokkene moet binnen een bepaalde termijn bij het bevoegde douanekantoor een verzoek indienen, dat voldoende gemotiveerd is om in aanmerking te kunnen worden genomen (artikelen 2 en 3); het Comité Douanevrijstellingen onderzoekt het en brengt een advies uit, waarmee de Commissie rekening houdt bij haar beslissing of „de onderzochte... situatie de toekenning van de terugbetaling of van de kwijtschelding rechtvaardigt, hetzij... niet rechtvaardigt” (artikel 5, eerste alinea); tenslotte wijst de nationale autoriteit het verzoek toe of af „op grond van de beschikking van de Commissie” (artikel 6, lid 2).
3.
Verweerster stelt dat de beide beroepen niet-ontvankelijk zijn, en wel om twee redenen: de bestreden handeling raakt niet rechtstreeks de juridische sfeer van verzoeksters en de beroepen zijn te laat ingesteld. Er zij hier herinnerd aan artikel 173 EEG-Verdrag, dat iedere natuurlijke of rechtspersoon toestaat, handelingen van de Commissie en de Raad te betwisten, doch onder twee voorwaarden: in de eerste plaats moet het gaan om beschikkingen die tot de verzoeker zijn gericht of die, hoewel genomen in de vorm van een verordening of van een beschikking gericht tot een andere persoon, hem rechtstreeks en individueel raken; in de tweede plaats moet het beroep worden ingesteld binnen twee maanden te rekenen van de dag van bekendmaking van de handeling, van die van kennisgeving aan de verzoeker, of, bij gebreke daarvan, van de dag waarop de verzoeker van de handeling heeft kennis gekregen.
Wat de eerste voorwaarde betreft, erkent de Commissie dat haar beschikkingen verzoeksters individueel raken; zij kan ook moeilijk anders, omdat zij deze juist heeft genomen naar aanleiding van de door de nationale autoriteiten doorgezonden aanvraag van verzoeksters. Zij stelt echter, dat de beschikkingen Van Gend & Loos en Bosman niet rechtstreeks raken. Zij zouden tot de staat zijn gericht: de ondernemingen verzoeken immers de staat om kwijtschelding en deze wijst de verzoeken toe of af.
Deze stelling lijkt plausibel, maar stuit op een onoverkomelijk obstakel in de vorm van genoemd artikel 6 van verordening nr. 1575/80. Zoals gezegd, bepaalt dit dat de nationale autoriteiten ten aanzien van verzoeken om terugbetaling of kwijtschelding beslissen „op grond van de beschikking van de Commissie”. Hieruit valt mijns inziens af te leiden, dat die autoriteiten in de eindfase van de procedure geen beoordelingsvrijheid en dus ook geen beslissingsbevoegdheid hebben. Die bevoegdheid ligt geheel bij de Commissie: haar beschikkingen werken derhalve rechtstreeks in de juridische sfeer van de particulieren. Dit vindt overigens bevestiging in de rechtspraak: zie de arresten van 13 mei 1971 (gevoegde zaken 41-44/70, International Fruit, Jurispr. 1971, blz. 411), 23 november 1971 (zaak 62/70, Bock, ibid., blz. 897) en 6 maart 1979 (zaak 92/78, Simmenthal, Jurispr. 1979, blz. 777).
Bij de tweede niet-ontvankelijkheidsgrond maakt verweerster onderscheid tussen Van Gend & Loos en Bosman. De beschikking met betrekking tot de eerste onderneming, zo zegt zij, is op 11 januari 1983 aan de Nederlandse regering betekend; en aangezien het ondenkbaar is dat die regering meer dan twee maanden nodig zou hebben gehad om Van Gend & Loos ervan in kennis te stellen, moet, gezien het tijdsverloop van meer dan vier maanden tot de dag waarop het beroep werd ingesteld (30 mei), worden aangenomen dat het beroep tardief is. Maar de veronderstelling van de Commissie is onjuist. Van Gend & Loos heeft immers de brief geproduceerd waarbij het ministerie van Financiën haar van de beschikking in kennis heeft gesteld: deze is gedateerd 30 maart 1983.
In de zaak-Bosman daarentegen beroept de Commissie zich op de verklaringen van verzoekster zelf; volgens deze zou de Nederlandse administratie in de twee identieke gevallen volstrekt verschillend hebben gehandeld door Van Gend & Loos reeds op 30 maart, en wel bij ministerieel schrijven, en Bosman eerst op 10 augustus, en wel via de inspecteur der invoerrechten en accijnzen te Lobith, op de hoogte te stellen. Dit lijkt de Commissie „zo ongeloofwaardig”, dat zij meent te mogen concluderen dat het beroep te laat is ingesteld. Het kan best zijn dat de Commissie de spijker op de kop slaat, maar wat zij te berde brengt, zijn alleen maar vermoedens en op grond van vermoedens kan men een beroep niet met-ontvankelijk verklaren. De Commissie erkent dit trouwens zelf, waar zij verklaart de datum van 10 augustus „vooralsnog als juist” te beschouwen (zie verweerschrift van 15. 11. 1983).
4.
Ten gronde voeren verzoeksters aan, dat de bestreden beschikkingen
a)
niet, althans niet toereikend, zijn gemotiveerd;
b)
gebaseerd zijn op onduidelijke criteria, die derhalve in strijd zijn met artikel 13, volgens hetwelk terugbetaling en kwijtschelding alleen in welomschreven gevallen kunnen worden toegestaan;
c)
geen volledige gegevens bevatten over de gevolgde procedure, met name wat betreft het advies van het Comité Douanevrijstellingen, waardoor dit punt aan rechterlijke toetsing wordt onttrokken;
d)
geen rekening houden met het feit dat de onzorgvuldigheid van de nationale autoriteiten tot verzoeksters' dwaling heeft bijgedragen;
e)
zijn genomen zonder de betrokkenen te horen en gelegenheid tot verweer te geven;
f)
zijn genomen na een procedure waarbij de termijnen van de artikelen 5 en 6 van verordening nr. 1575/80 niet in acht zijn genomen;
g)
niet ingaan op het beroep op overmacht, dat de verzoeken om kwijtschelding rechtvaardigt.
Eerst dan de grief sub a): de beide beschikkingen zouden niet met redenen zijn omkleed, althans een onduidelijke of ronduit onbegrijpelijke motivering voor de weigering van kwijtschelding bevatten. Met name zou geen rekening zijn gehouden met de omstandigheden die verzoeksters hadden aangevoerd ten bewijze dat zij bij de afgifte van de nadien vals gebleken verklaringen te goeder trouw waren geweest. Die omstandigheden waren de fraude waarvan zij het slachtoffer waren toen zij valse verklaringen van hun opdrachtgever verkregen, en het feit dat zij die valsheid niet konden vaststellen omdat de documenten door derde landen waren afgegeven.
Deze grief berust op het bepaalde in artikel 190 EEG-Verdrag „... beschikkingen van de Raad en van de Commissie worden met redenen omkleed...”). Het Hof heeft deze bepaling aldus uitgelegd, dat de executieven op duidelijke en coherente wijze de belangrijkste overwegingen feitelijk en rechtens moeten vermelden waarop de beschikking berust; dit kan echter in beknopte vorm geschieden en er behoeft niet te worden ingegaan op alle door de belanghebbenden aangevoerde argumenten (arrest van 4. 7. 1963, zaak 24/62, Duitsland t. Commissie, Jurispr. 1963, blz. 141, en meer recent 29. 10. 1980, gevoegde zaken 209-215 en 218/78, Van Landewyck, Jurispr. 1980, blz. 3125).
Bezien wij thans aan de hand van deze beginselen de motivering van de bestreden beschikkingen. Deze is vervat in drie overwegingen. In de eerste overweging worden de feiten uiteengezet: geconstateerd wordt dat de certificaten van oorsprong bij controle na de afgifte ervan aan de bevoegde instanties vals bleken te zijn en dat de betrokken goederen niet in aanmerking kwamen voor de preferentiële tariefbehandeling. Vervolgens wordt vastgesteld dat verzoeksters hebben verklaard hun aangiftes te hebben gedaan zonder de valsheid van de documenten van oorsprong te kennen of te vermoeden, en dus absoluut te goeder trouw te hebben gehandeld, maar ook dat zij daartoe zijn gebracht door de nationale autoriteiten, die hen niet op de hoogte hadden gebracht van hun vermoedens omtrent de echtheid van de certificaten. De tweede overweging vermeldt dat een groep van deskundigen, bestaande uit vertegenwoordigers van alle Lid-Staten, op 26 november en 8 december 1982 in het kader van het Comité Douanevrijstellingen is bijeengekomen teneinde de beide gevallen te onderzoeken.
De derde overweging behelst de eigenlijke rechtvaardigingsgrond van de beschikkingen. Voorop wordt gesteld dat, wanneer een douane-expediteur zoals in casu op eigen naam handelt, hij zich rechtstreeks verbindt tot betaling van de invoerrechten aan de fiscus. Opgemerkt wordt dat het feit dat de douane-expediteur bij het overleggen van de certificaten van oorsprong niet wist dat deze vals waren, geen „buitengewone omstandigheid” is in de zin van artikel 13: verduidelijkt wordt dat voor de verlening van kwijtschelding goede trouw van de douane-expediteur niet volstaat, daar juist een dergelijke „omstandigheid” noodzakelijk is. Tenslotte wordt opgemerkt dat de toewijzing van een verzoek om kwijtschelding in gevallen als het onderhavige het effect van controles achteraf teniet zou doen.
Het komt mij voor, dat deze motivering de wezenlijke aspecten van de zaak en de argumenten waarop de beschikking berust, vermeldt en dus volledig voldoet aan de in uw rechtspraak gestelde eisen. Verzoeksters voeren twee punten van kritiek aan:
a)
de door hen ingeroepen buitengewone omstandigheden (namelijk het feit dat zij de valsheid van de documenten niet kenden en ook niet konden ontdekken) zijn buiten beschouwing gebleven;
b)
het argument dat de verlening van kwijtschelding het effect van controles achteraf teniet zou doen, is tegenstrijdig.
Met betrekking tot het eerste punt kan worden opgemerkt dat het ongegrond is, ook al zou het met de waarheid stroken. Ik noemde zojuist twee arresten waarin werd beslist dat de Commissie niet behoeft in te gaan op alle argumenten van de belanghebbende. Het valt echter niet te ontkennen dat de Commissie in het onderhavige geval niet zo maar voorbij is gegaan aan wat verzoeksters hadden aangevoerd. Zij heeft een andere en mijns inziens volstrekt redelijke weg bewandeld: zij heeft verklaard dat daaruit weliswaar de goede trouw van verzoeksters blijkt, doch dat daarmee nog geen sprake is van een „bijzondere omstandigheid”, de tweede voorwaarde die artikel 13 voor kwijtschelding stelt.
Het tweede punt van kritiek acht ik irrelevant, zowel omdat het argument van de Commissie juist is (het is toch zeker zo, dat wanneer kwijtschelding wordt verleend aan iemand die — zij het ook te goeder trouw — valse certificaten overlegt, controles achteraf grotendeels overbodig zouden worden?), als ook en vooral omdat het enkel ten overvloede is aangevoerd. In de opzet van de beschikking heeft het immers geen beslissende betekenis.
5.
In nauw verband hiermee staat de grief ontleend aan schending van artikel 13 van verordening nr. 1430/79. Volgens verzoeksters gaat deze bepaling ervan uit, dat terugbetaling of kwijtschelding enkel wordt toegestaan in duidelijke, vooraf bepaalde gevallen. In casu is het nog niet tot die bepaling gekomen: algemene normen ter omschrijving van die gevallen ontbreken immers en de motivering van de bestreden beschikkingen geeft niet aan, op grond van welke be 1-ginselen de kwijtschelding is geweigerd. Ook deze grief moet worden verworpen.
Sub 2 supra merkte ik al op, dat de uitvoeringsbepalingen met betrekking tot de in artikel 13, eerste alinea, voorziene terugbetaling of kwijtschelding nog niet zijn vastgesteld, ondanks het feit dat de tweede alinea van dat artikel uitdrukkelijk bepaalt dat daartoe de procedure van artikel 9 van verordening nr. 1798/75 van de Raad van 10 juli 1975 (PB L 184 van 1975, blz. 1) moet worden gevolgd. In geen van beide gevallen konden de bestreden beschikkingen dus verwijzen naar in algemene en abstracte regels omschreven typische gevallen.
Blijft dan nog het verwijt dat de beschikkingen niet de beginselen vermelden op grond waarvan kwijtschelding wordt toegestaan of geweigerd. Maar ook dit verwijt houdt geen stand. Krachtens artikel 13 en uitvoeringsverordening nr. 1575/80 staat het immers aan de Commissie, gehoord het advies van een groep van deskundigen, om van geval tot geval te beslissen of de buitengewone omstandigheden die het toestaan van kwijtschelding rechtvaardigen, zich voordoen. In casu is deze procedure stipt gevolgd, en ook dankzij hun duidelijke motivering kunnen de aan het eind daarvan gegeven beschikkingen effectief door de rechter worden getoetst.
6.
Met betrekking tot de considerans van de twee beschikkingen merken verzoeksters nog op, dat het advies van het Comité Douanevrijstellingen daarin niet is vermeld; daardoor zou onmogelijk kunnen worden nagegaan of verweerster artikel 5 van verordening nr. 1575/80 en artikel 190 EEG-Verdrag in acht heeft genomen. Deze — derde — grief is van alle grond ontbloot.
Ik zei reeds, dat de Commissie ingevolge artikel 5 „een groep van deskundigen bestaande uit vertegenwoordigers van alle Lid-Staten welke in het kader van het Comité Douanevrijstellingen bijeenkomen” moet raadplegen. Artikel 190 bepaalt dat „... beschikkingen... verwijzen naar de... adviezen welke... moeten worden gevraagd.” Het is dus juist, dat de bestreden beschikkingen deze tussenfase van de procedure moesten vermelden. Onjuist is echter dat zij dit niet zouden doen, want in de tweede overweging van de considerans wordt uitdrukkelijk gezegd dat de groep van deskundigen het geval tot twee maal toe heeft onderzocht. Ik geef toe, dat er niet bij staat of deze groep ook een advies heeft uitgebracht, maar om op grond van deze onbetekenende en stellig onopzettelijke omissie te stellen dat de twee beschikkingen ongeldig zijn, is ronduit chicaneus.
7.
De vierde grief heeft betrekking op het gedrag van de Nederlandse autoriteiten. Zij zouden bij de aangifte van de goederen de certificaten van oorsprong niet hebben geverifieerd en aldus bij verzoeksters de redelijke overtuiging hebben gewekt, dat de documenten echt waren. Dat de autoriteiten, toen eenmaal vaststond dat de certificaten vals waren, betaling van de invoerrechten hebben gevorderd, zou in strijd zijn met het vertrouwensbeginsel.
Deze stelling overtuigt mij niet. Volgens's Raads richtlijn nr. 79/695 van 24 juli 1979 inzake de harmonisatie van de procedures voor het in het vrij verkeer brengen van goederen (PB L 205 van 1979, blz. 19), dienen aangiften, om door de bevoegde instanties te worden aanvaard, enkel aan zuiver formele eisen te voldoen (artikel 6). Voor de aanvaarding van de aangifte is het dus niet noodzakelijk dat de echtheid van de bijgevoegde documenten wordt geverifieerd. En dit is niet alles: volgens artikel 10 van de richtlijn vormt de aanvaarding geen beletsel voor latere controles en het is duidelijk dat zij ook niet leidt tot beperking van de eventuele gevolgen van die controles voor het bedrag van de invoerrechten.
Uit de gemeenschapsbepalingen blijkt dus duidelijk, dat aanvaarding van de aangifte door de douane geen grond kan opleveren voor het vermoeden van echtheid van de certificaten van oorsprong. En welbeschouwd kan dit ook moeilijk anders. Denkt men aan het grote aantal formaliteiten dat de douane dagelijks afwerkt, en aan de snelheid waarmee dat in verband met de algemeen bekende eisen van de handel moet gebeuren, dan is het duidelijk dat zij onmogelijk steeds meteen bij de aangifte kan controleren of de documenten wel echt zijn. Ook praktisch gesproken valt dus niet in te zien, hoe de enkele aanvaarding van de certificaten bij mensen uit het vak, die stellig de omstandigheden kennen waaronder de douane moet werken, enig vertrouwen kan doen postvatten omtrent de echtheid of geldigheid van die certificaten.
8.
De vijfde grief houdt in, dat het recht op verweer niet is geëerbiedigd. Verzoeksters stellen dat de door de Commissie gevolgde procedure bij de behandeling van en de beslissing op de verzoeken om kwijtschelding, hun geen enkele mogelijkheid bood hun standpunt naar voren te brengen.
Ook hiermee ben ik het niet eens. Zoals ik reeds sub 2 supra zie, hebben de betrokkenen in de eerste fase van de in verordening nr. 1575/80 geregelde procedure de gelegenheid om in de aan de nationale autoriteiten overgelegde stukken alle argumenten tot staving van hun verzoek aan te voeren. Dat dit in casu is gebeurd, lijdt geen twijfel. De argumenten van verzoeksters zijn vermeld in het dossier dat de autoriteiten aan het Comité Douanevrijstellingen en vervolgens aan de Commissie hebben aangeboden. Ik verwijs te dezen naar uw arrest van 17 maart 1983 in zaak 294/81 (Control Data, Jurispr. 1983, blz. 911, r.o. 16 en 17.
9.
In het zesde middel wordt gesteld dat de termijnen van de artikelen 5, tweede alinea, en 6 van verordening nr. 1575/80 niet zijn nageleefd. Ik herinner eraan, dat volgens eerstgenoemde bepaling de Commissie zich over de verzoeken om terugbetaling of kwijtschelding moet uitspreken binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de datum waarop de betrokken staat ze heeft doorgezonden. Artikel 6 bepaalt dan: „De kennisgeving van de... beschikking aan de betrokken Lid-Staat dient onverwijld te geschieden en in elk geval binnen een termijn van 30 dagen te rekenen vanaf de datum waarop” het zoeven genoemde kwartaal verstrijkt. Verzoeksters stellen dat verweerster noch de eerste, noch de tweede termijn heeft nageleefd. Ten processe is echter anders gebleken.
In beide zaken immers is het door de Nederlandse autoriteiten geïnstrueerde verzoek tot kwijtschelding op 11 oktober 1982 bij de Commissie ingekomen, terwijl de beschikking op 10 januari 1983 (dus binnen de termijn van artikel 5) is genomen en op 11 januari daaraanvolgend (binnen de termijn van artikel 6) aan Nederland ter kennis is gebracht. Ik geloof echter niet dat, ook indien de zaken anders waren verlopen, de beschikkingen ongeldig waren te achten. Zonder dit punt uitputtend te willen behandelen, merk ik op, dat de niet-naleving van een termijn in een administratieve procedure de geldigheid van het aan het einde daarvan te nemen besluit kan aantasten indien de procedure daardoor niet meer de functie kan vervullen waarvoor zij is ingesteld. Dit nu is niet het geval bij de twee onderhavige termijnen. Zij geven immers slechts het normale ritme aan waarmee de procedure moet verlopen: het zijn geen fatale termijnen, maar enkel termijnen van orde.
10.
In de zevende en laatste grief wordt geklaagd dat de communautaire voorschriften betreffende overmacht zijn geschonden. Hiervoor worden twee argumenten aangevoerd:
a)
de niet-gedefinieerde gevallen van artikel 13, eerste alinea, van verordening nr. 1430/79 zijn in wezen alle terug te voeren op overmacht;
b)
in het gemeenschapsrecht staat overmacht niet gelijk met de objectieve en absolute onmogelijkheid om zich op een bepaalde wijze te gedragen.
Blijkens's Hofs arrest van 17'december 1970 (zaak 11/70, Internationale Handelsgesellschaft, Jurispr. 1970, blz. 1125) is er ook sprake van overmacht wanneer abnormale en onvoorzienbare omstandigheden de betrokkenen belemmeren zich aan bepaalde gedragsregels te houden. Het staat buiten kijf — aldus de grief —, dat verzoeksters met het betrachten van een normale diligentie de valsheid van de van hun opdrachtgevers ontvangen documenten niet hadden kunnen ontdekken. Zij waren dus het slachtoffer van overmacht: er kan hun dus geen verwijt worden gemaakt en zij hebben derhalve recht op kwijtschelding.
Deze stelling is verder uitgewerkt dan de andere, doch ook zij stuit af op verscheidene onoverkomelijke bezwaren. Het eerste bezwaar vloeit voort uit de rechtspraak. Nog vrij recent omschreef het Hof overmacht als een „van buiten komende oorzaak” met „onvermijdelijke en onafwendbare gevolgen welke het betrokkenen onmogelijk maken hun verplichtingen na te komen” (arrest van 18. 3. 1980, gevoegde zaken 154, 205, 206, 226-228, 263 en 264/78, 31, 39, 83 en 85/79, Valsabbia e. a., Jurispr. 1980, blz. 907, r.o. 140). Dit begrip lijkt mij heel wat beperkter dan het door verzoeksters voorgestelde. Maar ook zo men zou aannemen dat zij elkaar dekken, wil het er bij mij niet in, dat het ontvangen van vervalste douanecertificaten voor zulke professionelen als Van Gend & Loos en Bosman een — zoals zijzelf zeggen — „abnormale en onvoorzienbare” omstandigheid is. In werkelijkheid is dit een onvermijdelijk risico van het beroep van douane-expediteur, waarmee rekening wordt gehouden bij de vaststelling van de vergoedingen, en de daaruit eventueel voortvloeiende schadeposten worden gerechtvaardigd door het welbekende adagium cuius commoda eitis et incommoda.
De verplichting van douane-expediteurs om ook invoerrechten te betalen wanneer zij bij het overleggen van door hun opdrachtgevers verstrekte, nadien vals gebleken certificaten van oorsprong te goeder trouw waren, vindt ook een — en naar ik meen niet onbelangrijke — grond in het feit dat de tegengestelde opvatting politiek onaanvaardbaar is: indien die verplichting niet bestond en de fiscus moest afzien van de inning van die rechten, zou het risico ten onrechte van de betrokken beroepsgroep worden afgewenteld op de gehele samenleving. Verzoeksters zijn zich dat wel bewust; zij proberen echter die afwenteling een wat acceptabeler tintje te geven met de bewering, dat het gaat om een noodzakelijke voorwaarde voor de uitoefening van het beroep van douane-expediteur. Zouden douane-expediteurs niet op die wijze worden beschermd, zo stellen zij, dan zouden zij ofwel veel hogere vergoedingen moeten vragen, ofwel moeten optreden als lasthebbers en zo de aansprakelijkheid tegenover de fiscus bij hun lastgevers laten liggen. Het resultaat zou in beide gevallen een aanzienlijke belemmering van het intracommunautaire handelsverkeer zijn. Deze voorstelling van zaken is evenwel tendentieus: verzwegen wordt dat het risico dat valse documenten worden verstrekt, een beroepsrisico is, en dat juist om die reden er thans reeds rekening mee wordt gehouden bij de vaststelling van de vergoedingen van de douane-expediteurs.
11.
Op grond van een en ander concludeer ik tot verwerping van de beroepen van Van Gend & Loos en Expeditiebedrijf Wim Bosman BV tegen de Commissie, ingekomen ter griffie op 30 mei respectievelijk 10 oktober 1983, en tot veroordeling van verzoeksters in de kosten.
( 1 ) Vertaald uitliet Italiaans,
Full & Egal Universal Law Academy