CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
G. F. MANCINI
VAN 9 FEBRUARI 1984 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
1.
In deze prejudiciële zaak wordt om uitlegging gevraagd van verordening nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB L 149 van 1971, blz. 2). Meer in het bijzonder moet worden vastgesteld, of ingevolge artikel 51, lid 1, van deze verordening een overeenkomstig artikel 46 vastgesteld pensioen, in zijn geheel moet worden herberekend wanneer de hoogte van een of meer uitkeringen die bij de aanvankelijke berekening daarvan in aanmerking zijn genomen, is gewijzigd en aangepast aan de gestegen kosten van levensonderhoud.
Verzoeker in het hoofdgeding, Salvatore Cinciuolo, heeft in Italië en België gewerkt. Op 17 januari 1976 werd hij in laatstgenoemd land arbeidsongeschikt; uit dien hoofde ontving hij tot 31 januari 1977 ziekengeld. Per 1 februari 1977 kreeg hij recht op een invaliditeitsuitkering. Voor zijn aanspraak op een Italiaans pensioen werd de gemeenschapsregeling toegepast. Voor de vaststelling van de hoogte van deze uitkering werden de in beide Lid-Staten werkelijk vervulde tijdvakken overeenkomstig artikel 45 van de verordening samengeteld; de uitkering die hem ingevolge artikel 46, lid 2, sub b, in Italië toekwam, werd hem door het Istituto nazionale della previdenza sociale pro rata temporis toegekend. Het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (hierna: RIZIV) stelde zijnerzijds het Belgische invaliditeitspensioen vast overeenkomstig de nationale regeling. Met toepassing van de anti-cumulatiebepaling, vervat in artikel 70, lid 2, van de wet van 9 augustus 1963, werd deze uitkering verlaagd met een bedrag dat oveeenkwam met dat van de Italiaanse uitkering.
Op 20 oktober 1976 kreeg Cinciuolo echter ook een Italiaanse rente wegens beroepsziekte, welke was berekend op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 21 % en werd uitgekeerd door het Istituto nazionale per l'assicurazione contro gli infortuni sul lavoro. Nadat het RIZIV hiervan kennis had gekregen, besloot het de Belgische invaliditeitsuitkering opnieuw vast te stellen (6 november 1980). Blijkens de afrekeningen was de berekening volgens artikel 46, lid 3, van verordening nr. 1408/71 voor Cinciuolo het gunstigst. Overeenkomstig artikel 7, lid 1, sub c van verordening nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 (PB L 74 van 1972, blz. 1) werd daarom een percentage van voornoemde rente op de Belgische uitkering in mindering gebracht.
De wijzigingen van deze rente vormden de aanleiding tot het hoofdgeding. Het relevante Italiaanse voorschrift (artikel 234 van de Testo Unico sull'assicurazione contro gli infortuni sul lavoro e le malattie professionali (gecodificeerde regeling betreffende de verzekering tegen arbeidsongevallen en beroepsziekten) goedgekeurd bij presidentieel decreet van 30 juni 1965, nr. 1124) bepaalt, dat renten wegens blijvende arbeidsongeschiktheid elke drie jaar opnieuw worden berekend aan de hand van de door het Centraal Instituut voor de Statistiek vastgestelde wijzigingen van de index voor de bruto minimum inkomens van werknemers in de landbouw. Sinds 1 juli 1983 vindt herberekening jaarlijks plaats (artikel 3 van de wet van 10 mei 1982, nr. 251).
Het RIZIV hield rekening met de aanpassingen die de rente op 1 juli 1977 en 1 juli 1980 onderging: het verlaagde daarom de Belgische uitkering en vorderde van Cinciuolo de ten onrechte ontvangen bedragen terug. Cinciuolo diende hiertegen een bezwaarschrift in; nadat hij nul op het request had gekregen, kwam hij op 31 juli 1979 respectievelijk 5 december 1980 in beroep bij de Arbeidsrechtbank te Brussel. Zijns inziens zijn de door het RIZIV toegepaste verlagingen in strijd met artikel 51 van verordening nr. 1408/71; het RIZIV acht de toepassing van deze bepaling uitgesloten omdat zij enkel betrekking zou hebben op pensioenuitkeringen en niet op andersoortige uitkeringen zoals rentes wegens beroepsziekte.
Bij beschikking van 26 mei 1983 heeft de Arbeidsrechtbank de behandeling van de zaak geschorst en het Hof krachtens artikel 177 verzocht de volgende vraag te beantwoorden:
„Is artikel 51, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van 14 juni 1971 uitsluitend van toepassing op de in artikel 46 bedoelde invaliditeits-, ouderdoms- en overlevingspensioenen, dan wel ook op andersoortige uitkeringen zoals renten wegens arbeidsongeval of beroepsziekte, die ingevolge de nationale anti-cumulatievoorschriften aanvankelijk van invloed zijn geweest op het bedrag van het overeenkomstig artikel 46 vastgestelde pensioen, en waarvan de latere aanpassingen gevolgen kunnen hebben voor datzelfde pensioen? Met andere woorden, moet het pensioen overeenkomstig artikel 46 worden herberekend in geval van wijziging van het bedrag van een rente wegens beroepsziekte, die niet of slechts gedeeltelijk met het pensioen kan worden gecumuleerd?”
2.
De vraag van de Belgische rechter gaat dus over artikel 51 van verordening nr. 1408/71. Deze bepaling, die is voorzien van het kopje „aanpassing en herberekening van de uitkeringen”, komt voor in hoofdstuk 3 („ouderdom en overlijden (pensioenen)”); gezien de duidelijke analogie is zij echter ook van toepassing op de sector invaliditeit, die in afdeling 2 van hoofdstuk 2 is geregeld. Artikel 51 bepaalt: „1. Indien de uitkeringen van de betrokken Staten door stijging van de kosten van levensonderhoud ... met een bepaald percentage ... worden gewijzigd, moet dit percentage ... rechtstreeks in de overeenkomstig artikel 46 vastgestelde uitkeringen worden verwerkt, zonder dat er een herberekening ... behoeft plaats te vinden. 2. Indien echter de wijze van vaststelling of de regels voor de berekening van de uitkeringen wijzigingen ondergaan, vindt wel een herberekening plaats overeenkomstig artikel 46.”
Het Hof heeft zich reeds eerder beziggehouden met artikel 51, namelijk in het arrest van 2 februari 1982 (zaak 7/81, Sinatra, Jurispr. 1982, blz. 137), waarin het verklaarde, dat dit artikel ten doel had de procedure voor de berekening van uitkeringen te vereenvoudigen. Het heeft in het bijzonder verklaard, dat herberekening niet noodzakelijk was „wanneer de aanpassing van de uitkeringen het gevolg is van gebeurtenissen die buiten de persoonlijke sfeer van de verzekerde liggen” (r.o. 10). Hierbij moet echter worden opgemerkt, dat er één verschil is tussen de onderhavige casus en die in voornoemd arrest. Sinatra genoot gelijksoortige uitkeringen (invaliditeitspensioenen). Cinciuolo geniet daarenboven een uitkering — de rente wegens beroepsziekte — die met diens pensioenregime niets uitstaande heeft.
Zoals ik reeds zei, hamert het RIZIV op dit verschil. Zijns inziens geldt artikel 51 enkel voor homogene uitkeringen. Hiervoor zouden twee overtuigende argumenten zijn. Ten eerste verwijst de bepaling — zo zegt men — uitsluitend naar artikel 46, dat gaat over gelijksoortige uitkeringen, terwijl zij niet rept van artikel 12, op grond waarvan de aard van de uitkeringen irrelevant is voor de gevolgen van de anti-cumulatiebepalingen en ook rekening kan worden gehouden met inkomsten uit beroepswerkzaamheden. Verder zou, als samenloop van een invaliditeitspensioen met uitkeringen van verschillende aard, met name beroepsinkomsten, mogelijk was, dit tot onoverkomelijke rekenproblemen leiden bij de toepassing van artikel 51.
Deze stelling overtuigt mij niet. Ik merk in de eerste plaats op, dat artikel 51 uitkeringen niet op grond van hun karakter onderscheidt. Het beperkt zich tot het vereiste dat er sprake moet zijn van een wijziging van „uitkeringen van de betrokken staten ... overeenkomstig artikel 46 vastgesteld.” Welnu, het is onomstreden dat de rente wegens beroepsziekte een sociale-zekerheidsuitkering is: artikel 4, lid 1, sub e, van verordening nr. 1408/71 noemt haar zelfs met zoveel woorden.
Laten we de argumenten van het RIZIV echter eens nader bekijken. Wat het eerste betreft, lijkt het mij duidelijk dat de verwijzing in artikel 51 naar artikel 46 slaat op laatstgenoemd artikel in zijn geheel. Dit impliceert dus ook het derde lid, op grond waarvan bij de berekening van pensioenen ook andersoortige uitkeringen meespelen voor zover de anti-cumulatiebepalingen van artikel 12 van verordening nr. 1408/71 en 7 van verordening nr. 574/72 daarmee rekening houden. Op deze basis heeft het RIZIV trouwens, zoals ik reeds zei, op 6 november 1980 de Italiaanse rente wegens beroepsziekte in aanmerking genomen en het Belgische invaliditeitspensioen overeenkomstig verlaagd.
Wat het tweede argument betreft, lijkt mij de door het RIZIV getrokken parallel tussen deze rente en inkomsten die meer in de beroepssfeer liggen, niet to the point. Men kan zich in de eerste plaats afvragen of artikel 51, wanneer het spreekt van wijziging van de „uitkeringen van de staten” ook het oog heeft op de wijzigingen waaraan deze inkomsten onderhevig kunnen zijn. Laten we echter aannemen dat deze via artikel 12 van invloed zijn geweest op de berekening van een uitkering die overeenkomstig artikel 46 is vastgesteld : zelfs dan, in dit grensgeval, lijken de moeilijkheden waarover het RIZIV spreekt mij niet werkelijk onoverkomelijk. In feite kunnen zich twee situaties voordoen. De wijziging van de beroepsinkomsten kan samenhangen met externe factoren, zoals een stijging van de kosten van levensonderhoud: volgens de leer van het arrest-Sinatra verbiedt artikel 51 dan herberekening. Of de wijziging is het gevolg van een omstandigheid die de persoon van de verzekerde betreft: bijvoorbeeld een verbetering of een verslechtering van zijn gezondheidstoestand. De sociale-zekerheidsinstelling moet dan, nog steeds volgens het arrest-Sinatra, tot herberekening van de uitkering overgaan.
Het is duidelijk dat deze overwegingen a fortiori gelden voor prestaties die weliswaar niet kunnen worden aangemerkt als pensioenuitkeringen maar die ook geen beroepsinkomsten zijn.
3.
Concluderend geef ik het Hof in overweging om op de vraag die de Negende kamer van de Arbeidsrechtbank te Brussel bij beschikking van 26 mei 1983 krachtens artikel 177 EEG-Verdrag aan het Hof heeft voorgelegd, te antwoorden:
„Artikel 51, lid 1, van verordening nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971, is ook van toepassing op andere uitkeringen dan pensioenen, zoals een rente wegens arbeidsongeval of beroepsziekte, wanneer dergelijke uitkeringen aanvankelijk van invloed zijn geweest op het bedrag van de uitkering overeenkomstig artikel 46 of als hun latere aanpassingen in verband staan met gebeurtenissen die los staan van de persoon van de verzekerde.”
( 1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy