CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL C. O. LENZ
VAN 4 JULI 1984 ( 1 )
Inhoud
A — De feiten en het procesverloop
De prejudiciële vraag
Β — In rechte
1. De vraag
2. De argumenten van partijen
3. De bevoegdheidsverdeling tussen de Gemeenschap en de Lid-Staten
a) op het gebied van de voedselhulp
b) bij de financiering daarvan
c) op grond van de beschikking vande Commissie van 10 september 1976...
4. De bevoegdheid van de Lid-Staten bij de uitvoering van voedselhulpacties van de Gemeenschap
5. De handelwijze van de Commissie
a) de controlebevoegdheid van de Commissie
b) de opschorting van de betalingen door de Commissie
c) de bevoegdheid van de Commissie om als lastgever van verzoekster op te treden
C — Conclusie
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
In de onderhavige prejudiciële procedure wordt het Hof verzocht om uitlegging van gemeenschapsbepalingen betreffende voedselhulp, teneinde de verhoudingen tussen de Gemeenschap, de nationale interventiebureaus en de onvernemingen bij de uitvoering van een voedselhulpprogramma te verduidelijken.
A — De feiten kunnen worden samengevat als volgt:
In het voorjaar van 1976 had de Raad het voornemen te kennen gegeven, in het kader van een communautaire actie 3750 ton gedopte langkorrelige rijst ter beschikking van de Republiek Niger te stellen op grond van het voedselhulpprogramma voor 1975/1976.
Dienvolgens gaf de Commissie op 10 september 1976 de tot de Italiaanse Republiek gerichte beschikking nr. 76/748/EEG met betrekking tot de spoedlevering van gedopte langkorrelige rijst als voedselhulp aan de Republiek Niger (PB L 259 van 1976, blz. 22). Aangezien snel hulp moest worden verleend, achtte zij het noodzakelijk, voor de levering een procedure van onderhandse toewijzing te volgen, en bepaalde zij derhalve in artikel 1 van de beschikking, dat het Italiaanse interventiebureau Ente Nationale Risi (hierna: ENR) zou overgaan tot de aankoop bij onderhands contract op de gemeenschappelijke markt van 3750 ton gedopte langkorrelige rijst, bestemd voor de Republiek Niger.
ENR sloot met Eurico srl een overeenkomst die, gelijk in de beschikking was bepaald, betrekking had op de aankoop en de levering.
Nadat de autoriteiten van het land van bestemming bezwaar hadden gemaakt in verband met de kwaliteit van het produkt, schortte ENR op aanwijzing van de Commissie aanvankelijk de betaling van het totale bedrag van LIT 1770000000 volledig op en ging hij later over tot een gedeeltelijke betaling van LIT 1 500 000 000.
Daarop vorderde Eurico voor het Tribunale te Milaan van ENR betaling van het resterende bedrag van LIT 270000000, geherwaardeerd en vermeerderd met interessen.
Deze vordering werd bij vonnis van 19 juni 1980 afgewezen bij gebreke van passieve legitimatie van ENR. Het Tribunale voerde als motivering aan, dat ENR had gehandeld als gevolmachtigd vertegenwoordiger van de Commissie. In zoverre hij de beschikking van de Commissie van 10 september 1976 bij het bericht van openbare inschrijving had gevoegd, was hij namens de Commissie opgetreden. Voorts was de Commissie voortdurend bij de uitvoering van de overeenkomst tussengekomen en had zij ENR verbindende aanwijzingen verstrekt, die steeds waren opgevolgd.
Eurico kwam van dit vonnis in beroep bij de Corte d'appello te Milaan en stelde tegelijkertijd voor het Tribunale te Milaan tegen de Commissie een vordering in tot bepaling van LIT 283000000, geherwaardeerd en vermeerderd met interessen.
In deze laatste procedure, die tot het onderhavige prejudiciële verzoek heeft geleid, heeft deze keer de Commissie zich op het ontbreken van passieve legitimatie beroepen. Zij voert aan, dat alleen de Italiaanse Staat en het nationale interventiebureau ENR als partijen bij de overeenkomst over passieve legitimatie beschikken, omdat de bepalingen van het gemeenschapsrecht de Lid-Staten de taak opdragen, alle nodige maatregelen te treffen ter verwezenlijking van de communautaire voedselhulp.
De geadieerde rechter meent, dat de Commissie, en derhalve ingevolge artikel 211 EEG-Verdrag de Europese Economische Gemeenschap, slechts als partij bij de overeenkomst tot nakoming van de contractuele verbintenissen is gehouden, indien ENR bij de sluiting van de koopovereenkomst als gevolmachtigd vertegenwoordiger van de Commissie heeft gehandeld.
Van oordeel dat het twijfelachtig is, of daadwerkelijk sprake is van een door de EEG aan ENR verleende volmacht, heeft het Tribunale te Milaan bij beschikking van 24 maart 1983 de behandeling van de zaak geschorst en krachtens artikel 177 EEG-Verdrag het Hof van Justitie de volgende prejudiciële vraag gesteld: hebben de beschikking van de Commissie van 10 september 1976 (PB L 259 van 1976, blz. 22) en de daaraan ten grondslag liggende en al dan niet uitdrukkelijk daarin vermelde gemeenschapshandelingen tot gevolg gehad dat de Ente Nazionale Risi, een Italiaans interventiebureau, lastgeving is verstrekt om als vertegenwoordiger van de EEG het onderhandse contract betreffende de aankoop van 3750 ton gedopte langkorrelige rijst voor de Republiek Niger te sluiten?
Β — Over deze vraag zou ik het volgende willen opmerken:
1.
De verwijzende rechter gaat er terecht van uit, dat hij in beginsel bevoegd is ter zake van de contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap op grond van de artikelen 215, eerste alinea, en 211 EEG-Verdrag.
Een dergelijke aansprakelijkheid is echter slechts gegeven, wanneer de Commissie zich van ENR heeft bediend als lasthebber bij de sluiting van de koopovereenkomst. Of ENR op grond van de Italiaanse Codice civile als lasthebber is te beschouwen, is een vraag die, gelijk partijen in het hoofdgeding terecht aanvoeren, buiten de prejudiciële bevoegdheid van het Hof van Justitie valt. Met name is het Hof ook niet geroepen tot vaststelling en beoordeling van feiten waarvan uitsluitend de verwijzende rechter kennis kan nemen. Op grond van artikel 177 EEG-Verdrag is het veeleer slechts bevoegd om het gemeenschapsrecht uit te leggen.
Bijgevolg betreft de vraag van het Tribunale te Milaan alleen het probleem of, gelet op de bepalingen van het gemeenschapsrecht inzake voedselhulp, aan het met de uitvoering van de communautaire actie belaste Italiaanse interventiebureau lastgeving is verstrekt om als vertegenwoordiger van de Gemeenschap de koopovereenkomst te sluiten.
2.
Volgens de verwijzende rechter en verzoekster in het hoofdgeding is de wezenlijke grond om deze vraag bevesti- gend te beantwoorden, gelegen in de omstandigheid dat het bij voedselhulp gaat om de nakoming van internationale overeenkomsten die de Gemeenschap binden. De opneming van de voedselhulp in het gemeenschapsbeleid op de rijstmarkt vindt volgens de rechter in hoofdzaak hierin haar verklaring, dat de beschikbaarstelling van grote hoeveelheden rijst ingrijpende gevolgen kan hebben voor de gemeenschappelijke markt voor dit produkt. Bijgevolg zou ervan moeten worden uitgegaan, dat in het kader van de voedselhulp de medewerking van de nationale interventiebureaus bij de beschikbaarstelling van de produkten rechtstreeks ten gunste van de EEG wordt verleend en niet, zoals bij ingrijpen van de Gemeenschap op landbouwgebied, voor rekening en in het belang van de Lid-Staten. Tenslotte zou ook uit de regeling betreffende de communautaire financiering van de uitgaven voor voedselhulp niet zonder meer de conclusie kunnen worden getrokken, dat de interventiebureaus in dit geval niet als vertegenwoordiger van de Gemeenschap handelen.
Tegenover deze argumenten wijst verweerster in het hoofdgeding erop, dat het voedselhulpbeleid althans in het betrokken tijdvak nauw samenhing met het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Na onderzoek van de grondbeginselen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en de aansprakelijkheidsverdeling tussen de Gemeenschap en de Lid-Staten in het licht van's Hofs rechtspraak terzake komt zij dan ook tot de conclusie, dat de uitvoering van de gemeenschapsbepalingen betreffende het voedselhulpbeleid uitsluitend tot de bevoegdheid van de daartoe aangewezen nationale organen behoort. Bijgevolg zou ENR op grond van de gemeenschapsrechtelijke bevoegdheidsverdeling bij de sluiting van de overeenkomst met verzoekster in het hoofdgeding niet als vertegenwoordiger van de Commissie hebben gehandeld.
3.
Bij de beoordeling van dit betoog moet er in de eerste plaats op worden gewezen, dat de bevoegdheidsverdeling tussen de Gemeenschap en de Lid-Staten uitsluitend op het gemeenschapsrecht, en niet op het privaatrecht van de Lid-Staten berust. Uit de gemeenschapsrechtelijke bevoegdheidsverdeling, waarop ik hierna zal ingaan, vloeit weer een overeenkomstige verdeling van de contractuele aansprakelijkheid tussen de gemeenschapsinstellingen en de Lid-Staten voort.
a)
Het EEG-Verdrag bevat geen uitdrukkelijke bepaling die de bevoegdheid van de Gemeenschap ten aanzien van het voedselhulpbeleid regelt. Wegens een hele reeks factoren, zoals de bevoegdheid van de Gemeenschap op het gebied van het landbouwbeleid, de handelspolitiek en de binnen de sfeer van het ontwikkelingsbeleid vallende associatie van de landen en gebieden overzee (vierde deel van het EEG-Verdrag), en de later op grond daarvan gesloten overeenkomsten, lag het evenwel voor de hand, naast de Lid-Staten de Gemeenschap ook op het gebied van de voedselhulp een rol toe te bedelen.
Daartoe was reeds in de oorspronkelijke verordening nr. 359/67/EEG van de Raad van 25 juli 1967 houdende een gemeenschappelijke ordening van de rijstmarkt (PB L 174 van 1967, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening nr. 668/75 (PB L 71 van 1975, blz. 18), een bepaling over de beschikbaarstelling van rijst voor voedselhulp opgenomen. Evenzo bepaalt ook de thans geldende verordening nr. 1418/76 van de Raad van 21 juni 1976 houdende een gemeenschappelijke ordening van de rijstmarkt (PB L 166 van 1976, blz. 1 — hierna: rijstmarktverordening) in artikel 25 onder meer, dat de beschikbaarstelling van rijst voor voedselhulp geschiedt door aankoop daarvan op de markt van de Gemeenschap of door het gebruik van rijst uit de voorraden van de interventiebureaus. Volgens lid 2 van deze bepaling worden de criteria voor de beschikbaarstelling, met name voor de aankoop op de markt van de Gemeenschap en het gebruik van rijst uit de voorraden van de interventiebureaus, op voorstel van de Commissie door de Raad vastgesteld.
De Raad heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt met verordening nr. 2750/75 van 29 oktober 1975 tot vaststelling van de criteria voor de beschikbaarstelling van voor voedselhulp bestemd graan (PB L 281 van 1975, blz. 89 — hierna: beschikbaarstellingsverordening). Luidens de tweede overweging van haar considerans heeft deze verordening onder meer tot doel, te voorkomen dat de graanmarkt wordt verstoord door het aan de markt onttrekken van voor voedselhulp bestemd graan. Daarom bepaalt artikel 4, dat voor de in de verordening bedoelde aankopen in de Gemeenschap door de interventiebureaus openbare inschrijvingen worden gehouden. Artikel 6 bepaalt, dat bij een communautaire actie de Commissie na bestudering van de marktsituatie overeenkomstig de in de rijstmarktverordening vastgestelde procedure de voorwaarden voor beschikbaarstelling vaststelt. Artikel 7, lid 4_, machtigt de Commissie, zodra in beginsel tot een communautaire spoedactie is besloten, de met de uitvoering daarvan belaste Lid-Staat aan te wijzen.
Omdat volgens de Raad bij aanwending van de in deze verordening bedoelde procedure van openbare inschrijving niet steeds zo soepel en snel kon worden opgetreden ais wenselijk was, heeft hij bij verordening nr. 696/76 (verordening van 25. 3. 1976 houdende afwijking van Verordening (EEG) nr. 2750/75 voor wat betreft de procedures voor de beschikbaarstelling van voor voedselhulp bestemd graan, PB L 83 van 1976, blz. 8) de mogelijkheid geschapen, in uitzonderingsgevallen een andere procedure dan de aanbesteding te volgen.
Van deze mogelijkheid heeft de Commissie in de litigieuze beschikking van 10 september 1976 gebruik gemaakt.
Uit deze aan de beschikking ten grondslag liggende handelingen, die uitsluitend op de verdragsbepalingen betreffende de landbouw berusten, blijkt mijns inziens reeds duidelijk, dat de communautaire voedselhulp, in zoverre het om de beschikbaarstelling van graan ging, op het betrokken tijdstip tot het gemeenschappelijk landbouwbeleid behoorde.
Zij maken voorts duidelijk, dat de Gemeenschap voor de uitvoering van dit voedselhulpbeleid bij gebreke van eigen uitvoerende organen evenals op het gebied van het landbouwbeleid een beroep deed op de medewerking van de nationale interventiebureaus. Zelfs wanneer deze interventiebureaus het gemeenschapsrecht rechtstreeks, dat wil zeggen zonder medewerking van organen van de Lid-Staten, ten uitvoer leggen, blijven zij nationale uitvoerende organen, die niet als lasthebber van de Commissie maar als vertegenwoordiger van hun Lid-Staat handelen.
Dit komt niet in de laatste plaats ook tot uiting in de Italiaanse rechtshandelingen die ENR de hoedanigheid van interventiebureau verlenen (de ministeriële besluiten van 22. 10. 1964 en 27. 10. 1967) en waaruit blijkt, dat ENR als interventiebureau bij de vervulling van de in de rijstmarktverordening vermelde taken voor rekening, in het belang en onder het toezicht van de Italiaanse Staat handelt.
Tenslotte wordt in's Hofs rechtspraak inzake de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap op het gebied van het landbouwbeleid, die ook in casu toepassing kan vinden, rekening gehouden met deze bevoegdheidsverdeling. Volgens's Hofs vaste rechtspraak (zie met name de arresten van 12. 10. 1979, zaak 12/79, Wagner, Jurispr. 1979, blz. 3657, en 10 juni 1982, zaak 217/81, Interagra, Jurispr. 1982, blz. 2233) beoogt het in de artikelen 178 en 215 EEG-Verdrag bedoelde beroep tot schadevergoeding niet, het Hof van Justitie in staat te stellen, de geldigheid te onderzoeken van besluiten van de nationale interventiebureaus die met de toepassing van bepaalde maatregelen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid zijn belast. Het Hof heeft het optreden van de interventiebureaus op het gebied van het gemeenschappelijk landbouwbeleid dus steeds beschouwd als een administratief handelen van de Lid-Staten bij de toepassing van het gemeenschapsrecht, waarop de nationale rechter controle heeft uit te oefenen.
Het is niet anders, wanneer de nationale interventiebureaus ter uitvoering van de hun in het kader van het communautaire voedselhulpbeleid opgedragen taken overeenkomsten sluiten met ondernemingen. Ook in dat geval handelen zij niet als lasthebber van de Commissie, maar als vertegenwoordiger van de Lid-Staat waarvan zij een orgaan zijn.
b)
Met deze bevoegdheidsverdeling tussen Gemeenschap en Lid-Staten op het gebied van de voedselhulp wordt tenslotte ook rekening gehouden door het communautaire financieringsstelsel. Ook uit dit stelsel, dat veel gelijkenis vertoont met het financieringsstelsel van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, blijkt dat ENR bij de uitvoering van de betrokken beschikking van de Commissie naar gemeenschapsrecht niet als lasthebber van de Commissie kan worden beschouwd.
De communautaire financiering van de uitgaven voor voedselhulp berust sinds 1 januari 1975 op verordening nr. 2681/74 van de Raad van 21 oktober 1974 (PB L 288 van 1974, blz. 1 — hierna: financieringsverordening). De door de Gemeenschap voor de financiering van de voedselhulp ter beschikking gestelde middelen worden aan de Lid-Staten overgemaakt en komen blijkens artikel 2 van de verordening gedeeltelijk ten laste van de afdeling Garantie van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) en gedeeltelijk ten laste van titel 9 (hoofdstuk „Uitgaven voor voedselhulp”) van de algemene begroting van de Gemeenschappen. Volgens artikel 3, lid 1, van de verordening moeten de Lid-Staten de diensten en organen aanwijzen die zij machtigen tot uitbetaling van de in de verordening bedoelde uitgaven. Lid 2 van dit artikel bepaalt, dat de Commissie na raadpleging van het Comité van het Fonds, bedoeld in verordening nr. 729/70 van de Raad betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB L 94 van 1970, blz. 13), besluit voor deze uitgaven periodiek en op hun verzoek aan de Lid-Staten voorschotten te verlenen, en overgaat tot de afsluiting van de rekeningen van de Lid-Staten. Uit artikel 3, lid 3, van verordening nr. 249/77 van de Commissie van 2 februari 1977 houdende bepalingen ter uitvoering van de financieringsverordening blijkt, dat de Lid-Staat die het voorschot heeft aangevraagd, uiteindelijk de door de inschrijver of handelaar geleverde prestatie betaalt.
Volgens artikel 4 van de financieringsverordening zijn de artikelen 8 en 9 van verordening nr. 729/70 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid van overeenkomstige toepassing op de uitgaven voor voedselhulp. Volgens laatstgenoemde bepalingen treffen de Lid-Staten overeenkomstig de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen de nodige maartregelen om, ten eerste, zich ervan te vergewissen dat de door het Fonds gefinancierde maatregelen daadwerkelijk en op regelmatige wijze zijn uitgevoerd, ten tweede, onregelmatigheden te voorkomen en te vervolgen en, ten derde, de ingevolge onregelmatigheden of nalatigheden verloren gegane bedragen terug te vorderen. De Lid-Staten stellen de Commissie in kennis van de daartoe getroffen maatregelen en met name de stand van de administratieve en gerechtelijke procedures. Volgens artikel 8, lid 2, van verordening nr. 729/70 draagt, indien algehele terugvordering uitblijft, de Gemeenschap de financiële gevolgen van de onregelmatigheden of nalatigheden, voor zover deze niet aan de overheidsdiensten of organen van de Lid-Staten te wijten zijn.
c)
Gezien deze bevoegdheidsverdeling, was het uiteindelijk alleen maar logisch, dat de beschikking van de Commissie van 10 september 1976, waarbij tot de betrokken voedselhulpactie werd besloten, volgens artikel 6 tot de Italiaanse Republiek en niet tot ENR was gericht. Hieruit volgt dat, gelijk de verwijzende rechter terecht opmerkt, de beschikking ingevolge artikel 189, vierde alinea, EEG-Verdrag, alleen verbindend was voor de Italiaanse Republiek, en niet voor de eveneens in de beschikking genoemde ENR. Indien het met de uitvoering te belasten nationale interventiebureau met name werd genoemd, dan was dit omdat dit bureau zowel naar gemeenschapsrecht als — gelijk de verwijzende rechter vaststelt (verwijzingsbeschikking, blz. 6) — naar Italiaans recht bevoegd was om in opdracht van de Italiaanse Staat tot aankoop van de betrokken goederen over te gaan, en bovendien wegens het spoedeisende karakter van de maatregel snel moest worden gehandeld.
4.
Deze bepalingen maken duidelijk, dat in eerste instantie de Lid-Staten instaan voor de regelmatige aanwending van de door de Gemeenschap ter financiering van de communautaire voedselhulp ter beschikking gestelde middelen. Bijgevolg is het in beginsel ook de taak van de Lid-Staten, desgevallend vertegenwoordigd door hun interventiebureaus, om op grond van het nationale recht vermindering van de koopprijs te eisen, wanneer de overeenkomst niet naar behoren wordt nagekomen. Gelijk het Hof, zij het met betrekking tot administratieve behandelingen van de interventiebureaus, herhaaldelijk heeft verklaard (zie met name de arresten van 26. 11. 1975, zaak 99/74, Grands Moulins, Jurispr. 1975, blz. 1531; 13. 2. 1979, zaak 101/78, Granaria, Jurispr. 1979, blz. 623; en 27. 3. 1980, zaak 133/79, Sucrimex en Westzucker, Jurispr. 1980, blz. 1299), dient wie in rechte tegen een dergelijke maatregel wil opkomen, voor de nationale rechter een proces aan te spannen tegen de betrokken Lid-Staat respectievelijk diens interventiebureau. Werd daarentegen in een dergelijke procedure de Commissie geacht over passieve legitimatie te beschikken, dan zou, in strijd met de letter en de geest van het gemeenschapsrechtelijk stelsel van beschikbaarstelling en financiering, de Gemeenschap in plaats van de bevoegde organen van de betrokken Lid-Staat tot betaling van het beweerdelijk uit hoofde van de overeenkomst verschuldigde bedrag kunnen worden gedwongen.
5.
Thans behoeft dus nog alleen kort te worden ingegaan op de vraag of, gelijk verzoekster in het hoofdgeding meent, de handelwijze van de Commissie bij de uitvoering van de overeenkomst van dien aard was, dat zij gevolgen kon hebben voor de bevoegdheidsverdeling tussen de gemeenschapsinstellingen en de Lid-Staten.
Volgens verzoekster heeft de Commissie door direct bij de controle van de waar tussenbeide te komen en tevens de afwikkeling van de betalingen te regelen de bedoeling te kennen gegeven, alle gevolgen van de door ENR gesloten overeenkomst rechtstreeks op zich te nemen en daarvoor de aansprakelijkheid te dragen.
a)
Wat de controle van de goederen betreft, moet evenwel worden opgemerkt, dat artikel 9 van verordening nr. 729/70, dat volgens artikel 4 van de financieringsverordening van overeenkomstige toepassing is, naast de Lid-Staten ook de Commissie het recht toekent, de controles te verrichten die zij doelmatig acht in het kader van het beheer van de communautaire financiering. Volgens lid 2 van deze bepaling kunnen de door de Commissie voor verificaties ter plaatse gemachtigde functionarissen met name nagaan, of de administratieve werkwijzen in overeenstemming zijn met de communautaire voorschriften, of de nodige bewijsstukken voorhanden zijn en deze in overeenstemming zijn met de door het Fonds gefinancierde maatregelen, en op welke wijze de door het Fonds gefinancierde maatregelen worden uitgevoerd en gefinancierd.
Een dergelijk verificatierecht wordt niet in de laatste plaats hierdoor gerechtvaardigd, dat de Gemeenschap, bij de afsluiting van de rekeningen van de Lid-Staten, slechts voor de financiering van de voedselhulp heeft op te komen, wanneer de voedselhulpacties in overeenstemming met de communautaire voorschriften zijn uitgevoerd. Gelijk het Hof in het arrest van 14 januari 1981 (zaak 819/79, Duitsland t. Commissie, Jurispr. 1981, blz. 21) heeft verklaard, houdt een beschikking van de Commissie betreffende de goedkeuring van de rekeningen van de door het EOGFL gefinancierde uitgaven de vaststelling in, dat die uitgaven door de nationale diensten zijn gedaan in overeenstemming met de gemeenschapsbepalingen. Wanneer niet aan die voorwaarde is voldaan — aldus het Hof in dit arrest —, kunnen de desbetreffende uitgaven daarentegen in beginsel niet ten laste van het EOGFL worden gebracht.
De omstandigheid dat de Commissie niet overeenkomstig de tweede alinea van laatstgenoemde bepaling de Italiaanse Republiek vóór de verificatie heeft gewaarschuwd, doet niet af aan haar bevoegdheid om dergelijke controlemaatregelen te treffen. Aangezien de zakken, gelijk in de beschikking was bepaald, het opschrift „Riz — Don de la Communuauté européenne à la République du Niger” droegen, was het met name logisch, dat de bevoegde autoriteiten van het ontvangende land zich met hun bezwaren over de kwaliteit van de rijst eerst tot de Commissie wendden. Niet in het laatst wegens het spoedeisende karakter kan voorts niet worden gekritiseerd, dat de Commissie, die in eerste instantie in staat was de controle te verrichten, onverwijld heeft gehandeld. In dit verband mag ook niet uit het oog worden verloren, dat zij niet alleen in haar eigen belang tot vaststelling van de feiten is overgegaan, doch ook in het belang van de Italiaanse Staat, aan wie een eventuele onregelmatigheid bij de uitvoering van de beschikking van de Commissie van 10 september 1976 ware aan te rekenen bij de goedkeuring van de rekeningen.
b)
Ook de aanwijzing van de Commissie aan ENR respectievelijk de Italiaanse Republiek om de betalingen op te schorten, moet vanuit dit gezichtspunt worden bezien. In zoverre de uitvoering van de gemeenschapsbepalingen inzake voedselhulp met rijst tot de verantwoordelijkheid van de daartoe aangewezen nationale instanties behoort, was de Commissie niet bevoegd, aanwijzingen over de afwikkeling van de betalingen te verstrekken. Evenals in voornoemde zaken Sucrimex en Interagra moet er derhalve ook in casu van worden uitgegaan, dat zij alleen haar opvatting kenbaar kon maken, die evenwel de nationale instanties niet kon binden. Gelijk het Hof in voornoemde zaken heeft beklemtoond, passen dergelijke aanwijzingen bijgevolg in het kader van de interne samenwerking tussen de Commissie en de met toepassing van de gemeenschapsregeling op dit gebied belaste nationale instanties. Uit deze samenwerking kan evenwel niet worden afgeleid, dat ENR op grond van het gemeenschapsrecht bij de uitvoering van de betrokken voedselhulpactie als lasthebber van de Commissie heeft gehandeld.
c)
Een wezenlijk kenmerk van lastgeving is veeleer — om op een laatste argument van verweerster in te gaan —, dat de lastgever bevoegd is om de rechtshandelingen die. hij door de lasthebber laat verrichten, ook zelf te stellen. Aan deze voorwaarde is in casu niet voldaan, omdat de Commissie op grond van de bevoegdheidsverdeling naar gemeenschapsrecht, zoals gezegd, niet zelf de taak kon vervullen die zij bij de tot de Italiaanse Republiek gerichte beschikking aan ENR had opgedragen.
C — Mitsdien geef ik, concluderende, het Hof in overweging, de gestelde vraag te beantwoorden als volgt:
Op de rechtsverhouding tussen de Commissie en ENR bij de sluiting, op grond van beschikking nr. 76/748/EEG van 10 september 1976, van het onderhandse contract betreffende de aankoop van 3750 ton gedopte langkorrelige rijst voor de Republiek Niger zijn niet de bepalingen van het nationale — in casu Italiaanse — privaatrecht inzake lastgeving, maar de regels van het gemeenschapsrecht inzake de verdeling van bevoegdheden tussen de organen en instanties van de Gemeenschap en die van de Lid-Staten van toepassing. Op grond van dit recht heeft ENR eigener bevoegdheid gehandeld.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy