CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL
SIR GORDON SLYNN
VAN 12 APRIL 1984 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Verzoeksters in de onderhavige zaak, een landbouwcoöperatie („SICA”) en een „Société d'intérêt collectif agricole” („SIPEFEL”) naar Frans recht, vorderen schadevergoeding van de Commissie en van de Europese Economische Gemeenschap. Aanvankelijk waren de vorderingen gebaseerd op de artikelen 175 en 215 EEG-Verdrag, doch in hun repliek hebben verzoeksters hun beroep op artikel 175 laten vallen. De Commissie wordt verweten dat zij in 1983 ten onrechte heeft nagelaten stappen te ondernemen om te voorkomen dat nieuwe aardappelen uit Griekenland in andere Lid-Staten van de Gemeenschap, inzonderheid in de Bondsrepubliek Duitsland en in het Verenigd Koninkrijk, tegen dumpingprijzen op de markt werden gebracht. Verzoeksters stellen dat zij dientengevolge verlies hebben geleden, omdat zij minder konden uitvoeren en zij voor hun exporten een lagere prijs kregen.
Ter terechtzitting bleek dat verzoeksters zelf geen aardappelen telen, doch enkel de desbetreffende produktie van hun leden verkopen. Daarbij zouden zij niet als agent, doch als eigenaar optreden. Het komt mij dan ook voor, dat de vordering slechts ontvankelijk is voor zover zij strekt tot vergoeding van de door verzoeksters als verkopers van nieuwe aardappelen geleden schade.
De Gemeenschap produceert jaarlijks 14 miljoen ton „bewaar”-aardappelen en 2,2 miljoen ton „nieuwe” aardappelen; niettemin bestaat er voor aardappelen geen gemeenschappelijke marktordening. Nieuwe aardappelen worden hoofdzakelijk in de lente gerooid en bewaaraardappelen in de herfst; deze laatste kunnen worden bewaard tot juli van het daaropvolgende jaar.
Bijgevolg zijn de twee soorten gedurende enige tijd gelijktijdig op de markt, waarbij de prijs van bewaaraardappelen een kwart of een derde bedraagt van die van nieuwe aardappelen. De Bondsrepubliek Duitsland en het Verenigd Koninkrijk zijn de belangrijkste importeurs van zowel Griekse als Franse nieuwe aardappelen, ofschoon zij allebei ook uit andere Middellandse-Zeelanden aardappelen afnemen, de Bondsrepubliek voornamelijk uit Italië, het Verenigd Koninkrijk uit Cyprus.
Met betrekking tot de aardappelhandel in de jaren 1980-1983 is het Hof heel wat, veelal tegenstrijdige informatie verstrekt; het is onmogelijk of overbodig deze tegenstrijdigheden op te heffen. Van belang is enkel, dat de oogst van 1983 minder overvloedig dan in 1982, doch nog wel aanzienlijk was. Wat het Verenigd Koninkrijk betreft, was het percentage van uit Griekenland en de Canarische eilanden ingevoerde aardappelen aanzienlijk toegenomen, en dat van de uit Frankrijk en Egypte ingevoerde aardappelen afgenomen. Ook de Franse invoer in de Bondsrepubliek was merkelijk lager; uit Italië werd in 1983 minder ingevoerd dan in 1980 en in 1981, terwijl niet duidelijk is hoe de situatie was in vergelijking met 1982. In mei en juni waren er in het Verenigd Koninkrijk zeker nog aanzienlijke voorraden bewaaraardappelen, doch het is niet duidelijk welke invloed deze voorraden hadden op de prijzen op en na 6/7 juni (volgens verzoeksters de cruciale datum, omdat toen de prijs van nieuwe aardappelen te Londen begon te dalen), al mag worden aangenomen dat deze omstandigheid de prijs van nieuwe aardappelen enigermate heeft beïnvloed.
In het kort zag de situatie op de Britse markt er ongeveer als volgt uit. In 1983 werden in totaal 37457 ton Griekse nieuwe aardappelen ingevoerd; afgezien van minimale hoeveelheden die voordien waren ingevoerd, kwam ongeveer 2/3 daarvan de laatste drie weken van juni aan, en het resterende gedeelte de eerste drie weken van juli. Dit komt neer op circa 12 % van de totale Britse invoer van nieuwe aardappelen. Franse nieuwe aardappelen worden doorgaans in juni en juli in het Verenigd Koninkrijk ingevoerd, en zijn hoofdzakelijk afkomstig uit Bretagne. Tot 17 juni 1983 lagen de afgenomen hoeveelheden op een normaal niveau; zij waren op vroeger gedane bestellingen gebaseerd, aangezien de prijzen vijf dagen voor de levering definitief worden vastgesteld. Daarna slonk de export tot een onbetekenende hoeveelheid en zulks tot eind juli; dit verschijnsel wordt toegeschreven aan de aanvoer van aanzienlijke hoeveelheden Griekse aardappelen tegen uiterst lage prijzen.
Blijkens de beschikbare gegevens waren aardappelen uit Cyprus reeds goedkoper dan in 1982 en daalden zij tussen 17 en 25 mei aanzienlijk in prijs; toen eind mei en in de eerste week van juni de eerste Griekse aardappelen werden aangevoerd, waren zij duurder dan de Spaanse en Italiaanse aardappelen. Aanvankelijk hadden de Griekse aardappelen slechts een geringe invloed op de prijzen. Wel staat vast dat de prijzen op of na 7 juni gingen dalen, ofschoon niet uit het oog mag worden verloren dat weliswaar de invoer van Italiaanse en Spaanse nieuwe aardappelen ten einde liep, doch de aanvoer uit Turkije en inzonderheid van grote hoeveelheden uit Cyprus een aanvang nam. De invoer uit Griekenland en Frankrijk was voorzien, en gezien het groter aanbod was in elk geval een daling van het prijsniveau te verwachten, zoals zich blijkbaar rond dezelfde tijd in 1982 had voorgedaan.
Op de Duitse markt werden vanaf de tweede helft van mei 1983 Griekse aardappelen aangeboden en de invoer ging door tot in juli; beide data waren later dan in de twee voorafgaande jaren; de Franse aardappelen werden eind mei en begin juni in zeer geringe hoeveelheden aangevoerd, terwijl de grootste hoeveelheid werd ingevoerd van 11 tot 30 juni. In juni werd 47 % van het totaal voor 1983 ingevoerd: 85 % daarvan kwam uit Italië. Over de prijzen is het Hof onvolledig voorgelicht. Voor zover valt na te gaan, waren de prijzen doorgaans — zij het niet altijd — lager dan in 1982, ofschoon Griekse aardappelen soms duurder waren dan die uit Italië. Waarom de Franse export naar de Duitse markt terugliep, is niet duidelijk geworden. Men mag ervan uitgaan dat, zoals het geval was voor de Britse markt, geen bestellingen meer werden geplaatst, dan wel dat de Franse verkopers de export staakten toen de prijzen daalden.
Niet duidelijk is waarom de prijzen in Duitsland daalden. Het feit dat de prijsdaling lijkt te zijn ingezet met de eerste aanzienlijke toename van de importen uit Italië op een tijdstip dat Griekse aardappelen slechts in geringe hoeveelheden werden ingevoerd, zou erop kunnen wijzen dat de prijsdaling werd veroorzaakt door de toegenomen aanvoer van Italiaanse aardappelen; in april 73 % en in mei, juni en juli meer dan 80 % van de totale invoer.
Niet betwist lijkt, dat niet bijzonder veel werd geëxporteerd vanuit Griekenland naar Frankrijk. Door de geringe Franse uitvoer naar het Verenigd Koninkrijk en Duitsland ontstond op de Franse markt evenwel een overschot aan Franse aardappelen, dat de prijzen drukte. Ongetwijfeld werd de teruggang nog versterkt door het feit dat nog (tot 10 juni) hoeveelheden bewaaraardappelen op de markt werden aangeboden. Naar het schijnt, mogen in Frankrijk aardappelen die niet tegen de minimumprijs kunnen worden verkocht, uit de handel worden genomen en vernietigd, waarbij de producent een op geregelde tijdstippen vastgestelde prijs ontvangt. Volgens verzoeksters werden tussen 6 en 9 juni in Bretagne 1000 ton, tussen 13 en 15 juni nog eens 3400 ton, en daarna dagelijks circa 1000 ton aardappelen uit de handel genomen en vernietigd. Aanleiding daartoe was naar verluidt een scherpe daling van de gemiddelde prijzen voor nieuwe aardappelen op 7 juni. Verzoeksters beweren dat Franse nieuwe aardappelen niet in de grond kunnen worden gelaten, en voor 10 juli moeten worden gerooid om plaats te maken voor andere gewassen, zodat zij niet, zoals de Commissie stelt, de aardappelen in de grond hadden kunnen laten om ze later te verkopen en zodoende hun verlies te beperken.
Deze aardappelen moesten dus worden vernietigd, en verzoeksters stellen dat zij recht hebben op vergoeding van het door hen geleden verlies.
De gestelde vorderingen kunnen in vier groepen worden verdeeld. Voor alle geldt evenwel hetgeen is gesteld in's Hofs arrest van 28 april 1971 (zaak 4/69, Lütticke, Jurispr. 1971, blz. 325, r.o. 10) namelijk dat de gedraging van de Commissie onwettig moet zijn en schade moet hebben veroorzaakt, waarvan het bestaan bewezen moet zijn. Van onwettigheid is eerst sprake, zoals advocaat-generaal Gand in zaak 5/66 (Kampffmeyer, Jurispr. 1967, blz. 334) verklaarde, in geval van een verwijtbaar verzuim.
In de eerste plaats lijkt in de vordering de bewering door te klinken, dat de Commissie in het algemeen verplicht is, de kopers van produkten te beschermen tegen gebeurtenissen zoals zich in de onderhavige zaak zouden hebben voorgedaan. In het geval van landbouwprodukten die niet onder enige gemeenschappelijke marktordening vallen, is mijns inziens geen sprake van zulk een algemene verplichting waarop in een actie tot schadevergoeding een beroep kan worden gedaan. Daarvoor is een meer specifieke wettelijke verplichting ten aanzien van handelaars nodig.
Ten bewijze van het bestaan van deze verplichting beroepen verzoeksters zich in de tweede plaats op een aantal specifieke gemeenschapsrechtelijke bepalingen, die in het kort kunnen worden doorgenomen:
1)
Artikel 85 EEG-Verdrag.
Uit niets blijkt dat het probleem voortvloeit uit een overeenkomst tussen ondernemingen, een besluit van een ondernemersvereniging of een onderling afgestemde feitelijke gedraging. Hoogstens kan de lage prijs van de Griekse export worden toegeschreven aan de betrekkelijk omvangrijke Griekse produktie van nieuwe aardappelen in 1983 en aan het besluit dat de Griekse regering zou hebben genomen, om de Griekse producenten financieel te steunen. Naar mijn gevoel volstaat dit niet.
2)
Artikel 91 EEG-Verdrag.
Dit artikel was evenwel alleen van toepassing tijdens de oorspronkelijke overgangsperiode en, wat Griekenland betreft, viel dumping onder artikel 131 van de Griekse Toetredingsakte (PB L 291 van 1979, blz. 17).
3)
Artikel 93 EEG-Verdrag.
De leden 1 en 3 van artikel 93 zijn bij artikel 4 van verordening nr. 26/62 (PB L 30 van 1962, blz. 993) van toepassing verklaard op landbouwprodukten. Deze bepalingen zijn evenwel niet terzake dienend, en de Commissie, aldus 's Hofs arrest in zaak 337/82 (arrest van 21. 2. 1984, St. Nikolaus Brennerei, r.o. 12, nog niet gepubliceerd), is niet bevoegd om ter zake van steunmaatregelen voor niet onder een gemeenschappelijke marktordening vallende produkten, de in artikel 93, lid 2, voorziene procedure aanhangig te maken.
4)
Artikel 155 EEG-Verdrag.
Verzoeksters hebben niet duidelijk gemaakt welke specifieke maatregelen wel krachtens onderhavige bepaling doch niet krachtens de andere door hen aangevoerde bepalingen hadden kunnen worden genomen.
5)
Artikel 169 EEG-Verdrag.
Was de in dit artikel voorziene procedure ingeleid tegen de kennelijk door de Griekse regering in 1983 voorgestane maatregelen, dan had dit de uitvoering van die maatregelen niet belet, tenzij de Commissie met succes om voorlopige maatregelen als bedoeld in artikel 186 EEG-Verdrag had verzocht. Volgens mij beschikte de Commissie in april niet over voldoende informatie om het inleiden van een dergelijke procedure te kunnen rechtvaardigen. In elk geval was er geen „onwettigheid” of ernstige fout van de zijde van de Commissie. Daarenboven was er niet zoveel tijd dat langs deze weg voor het verkoopseizoen 1983 doeltreffende maatregelen hadden kunnen worden genomen. Er is dan ook geen direct causaal verband tussen het verzuim om te handelen krachtens artikel 169 en de gestelde schade. Aan deze conclusie doet mijns inziens niet af het feit dat de in artikel 169 voorziene procedure nadien toch werd ingeleid.
6)
Verordening nr. 17/62 van de Raad (PB L 13 van 1962, blz. 204).
Daar het probleem niet het gevolg is van een inbreuk op de artikelen 85 of 86, zie ik niet, hoe deze verordening van nut kan zijn.
7)
Verordening nr. 26/62 van de Raad.
Deze verordening behelst volgens mij geen enkele bepaling waarop verzoeksters zich met goed gevolg kunnen beroepen.
8)
Artikel 131 van de Toetredingsakte Griekenland.
Ook hier zie ik niet, hoe deze bepaling verzoeksters zou kunnen helpen. Voor nieuwe aardappelen werd geen overgangsperiode voorzien. Evenals bij artikel 91 EEG-Verdrag het geval was, vallen dumpingpraktijken derhalve onder de gemene regels van het Verdrag.
In de derde plaats wordt een beroep gedaan op artikel 46 EEG-Verdrag. Krachtens deze bepaling kan de Commissie een door de Lid-Staten toe te passen compenserende heffing vaststellen. Zelfs indien de Commissie 's Hofs arrest van 20 april 1978 (gevoegde zaken 80 en 81/77, Commissionnaires Réunis, Jurispr. 1978, blz. 927) ten onrechte in die zin verstond, dat artikel 46 enkel van toepassing was tijdens de overgangsperiode (zie het arrest van 21. 2. 1984, St. Nikolaus Brennerei), is zulk een verkeerde uitlegging van een wettelijke bepaling volgens mij nog geen fout op grond waarvan tegen de Commissie een actie tot schadevergoeding kan worden ingesteld.
In elk geval zou artikel 46 enkel van toepassing zijn, wanneer Griekse aardappelen „onder een nationale marktorganisatie vallen of onder een binnenlandse regeling van gelijke werking welke een gelijksoortige produktie in een andere Lid-Staat bij de mededinging nadelig beïnvloedt.”
Gelet op de definitie van het begrip nationale marktorganisatie in 's Hofs rechtspraak (arrest van 10. 12. 1974, zaak 48/74, Charmasson, Jurispr. 1974, blz. 1383), beschikt het Hof slechts over zeer weinig gegevens die erop zouden kunnen wijzen dat in Griekenland een dergelijke marktorganisatie voor aardappelen bestaat.
Volgens verzoeksters wordt de Griekse export georganiseerd en gecoördineerd door de Griekse onderneming „Agrex”, die zou zijn opgezet door de Griekse Landbouwbank. Ongeacht of dit waar is, op zich toont dit nog niet aan dat er een nationale marktorganisatie bestaat of een binnenlandse regeling van gelijke werking, welke de produktie in een andere Lid-Staat bij de mededinging nadelig beïnvloedt. Ook is namelijk gezegd, dat in dit geval de aardappelen in diverse, niet met elkaar verbonden centra in Griekenland worden verkocht, en niet via een nationale marktorganisatie.
Anderzijds wordt evenwel beweerd dat de Griekse producenten in 1983 rechtstreeks van de Griekse regering dan wel via Agrex, financiële steun ontvingen, zodat de Griekse aardappelen met verlies konden worden verkocht. Dat er inderdaad met verlies werd verkocht, wordt gedeeltelijk afgeleid uit een vergelijking van de prijzen in Athene en de prijzen op de Britse en op de Duitse markt, waaruit zou blijken dat de laatste ongeveer gelijk of zelfs lager waren dan de prijzen in Athene, en voorts uit de geschatte prijs, die werd betaald aan de kweker in Griekenland. Deze geschatte prijs werd verkregen door van de marktprijzen in het Verenigd Koninkrijk en in Duitsland de geschatte kosten voor het vervoer van de aardappelen vanuit Griekenland en de handelsmarge van de importeur af te trekken. De Commissie betwist de juistheid van beide berekeningswijzen en van de marktprijzen die worden genoemd. Zelfs indien de door verzoeksters overgelegde cijfers worden aanvaard, volgt daaruit evenwel nog niet dat de Griekse aardappelen met een dermate groot verlies werden verkocht als werd gesteld. Hierover kan slechts uitsluitsel worden verkregen door de basisprijs te vergelijken met de produktiekosten; daarover zijn evenwel onvoldoende gegevens beschikbaar.
Bovendien is de verkoop met verlies op zich niet voldoende grond voor toepassing van artikel 46. Evenmin is het een genoegzaam bewijs dat staatssteun wordt toegekend. Wanneer de prijzen laag zijn, bijvoorbeeld omdat er een overvloedig aanbod is, en er geen gewaarborgde minimumprijs bestaat, dan wel een vaste prijs bestaat waarbij goederen uit de markt kunnen worden genomen, zoals kennelijk het geval is in Frankrijk, is het zeer wel denkbaar dat de producenten liever met verlies dan helemaal niet verkopen. Door hun produkten te verkopen, zullen zij in elk geval hun totale verlies kunnen drukken. Verzoeksters houden staande, dat de Griekse producenten wel degelijk een gewaarborgde minimumprijs ontvingen, die naar tijdens de pleidooien herhaaldelijk werd verklaard, 1,15 en 0,85 frank per kilo zou hebben bedragen. Dit wordt door de Commissie ontkend. Wat er ook van zij, volgens mij beschikt het Hof niet over voldoende informatie om vast te kunnen stellen dat, zoals werd gesteld, de steun werd gegeven door een marktorganisatie.
Er zijn evenwel aanwijzingen, dat de Griekse regering voornemens was de producenten financieel te steunen. Zo bevat de ministeriële circulaire van 19 mei 1981 een belofte dat de in het verkoopseizoen 1981 geleden verliezen zullen worden vergoed, en wordt in een brief van de Britse regering van 20 juni 1983 verzocht om vrijwaringsmaatregelen, op grond dat de Griekse minister van Landhouw zou hebben verklaard dat het inkomen van de producenten op het niveau van 1982 zou worden gehandhaafd. De Commissie lijkt een latere ontkenning dat er sprake was geweest van steunmaatregelen of dat er gewaarborgde prijzen waren beloofd te hebben aanvaard, afschoon zowel in een brief van 7 juli 1983 van de Griekse Permanente Vertegenwoordiger als in een telexbericht van 2 november 1983 van de Griekse minister van Landbouw wordt gezinspeeld op een eventuele ondersteuning van de inkomens door de regering; de brief van de Britse regering wordt daarin eigenlijk niet echt besproken.
Deze brief lijkt mij het bewijs dat de regelingen die werden overwogen om het inkomen van de Griekse producenten op peil te houden zijn aan te merken als „een binnenlandse regeling van gelijke werking welke een gelijksoortige produktie in een andere Lid-Staat bij de mededinging nadelig beïnvloedt”, als bedoeld in artikel 46. Daar hun inkomen hoe dan ook stabiel zou blijven, was zulk een regeling voor de producenten een stimulans om de aardappelen ondanks de lagere prijzen ten gevolge van het grotere aanbod te exporteren in plaats van ze in de grond te laten.
Anders dan in soortgelijke bepalingen (zoals artikel 130 van de Griekse Toetredingsakte), is in artikel 46 niet uitdrukkelijk bepaald dat de Commissie alleen kan optreden wanneer daartoe een verzoek is ingediend. Mijns inziens ligt het evenwel in artikel 46 besloten, aangezien aldaar is bepaald dat „de Lid-Staten een compenserende heffing opleggen” en dat de Commissie „de hoogte van deze heffing bepaalt.” De Lid-Staten moeten de Commissie dus verzoeken de hoogte van de heffingen vast te stellen die zij wensen op te leggen. Bij gebreke van een dergelijk verzoek, kan er geen compenserende heffing worden opgelegd aangezien de Lid-Staten de hoogte ervan niet eenzijdig kunnen bepalen. Zo gezien, kan de Commissie niets worden verweten, aangezien kennelijk geen verzoek ingevolge artikel 46 is ingediend en ook niet is gesteld dat dit wel zou zijn gebeurd.
De raadsman van de Commissie verklaarde evenwel dat — had de Commissie artikel 46 van toepassing geacht — zij om dezelfde redenen niet op grond van die bepaling zou hebben gehandeld, als waarom zij weigerde om stappen te ondernemen krachtens artikel 130 van de Griekse Toetredingsakte. Ik zie evenwel een belangrijk verschil tussen beide bepalingen. Artikel 46 is bedoeld om de hoofdzakelijk aan staatssteun te wijten distorsies van de mededinging weg te werken en, anders dan bij artikel 130, kunnen compenserende heffingen worden toegepast zonder dat er sprake behoeft te zijn van ernstige economische moeilijkheden of van een ernstige verstoring van de markt. Indien de Commissie artikel 46 op eigen initiatief kan toepassen, is dus de vraag of er een oorzakelijk verband bestaat tussen haar stilzitten en het door verzoeksters in de onderhavige zaak geleden verlies.
Uit niets blijkt dat de Commissie redelijke gronden had om vóór 20 juni stappen te ondernemen krachtens artikel 46. In zoverre kan zij dus niet aansprakelijk worden gesteld voor verliezen die voor die datum zijn veroorzaakt.
Wat nu de situatie na deze datum betreft, kan krachtens artikel 46 een compenserende heffing worden toegepast waarvan „de hoogte ... zodanig [wordt bepaald] als nodig is om het evenwicht te herstellen.” In casu is dat niveau het verschil tussen de produktieprijs en de beweerde gewaarborgde prijs van 85 frank per 100 kg. Rekening houdend met de transportkosten en andere kosten, hadden de Griekse producenten niet zonder verlies te maken te Londen beneden 181,7 frank per 100 kg kunnen verkopen. Van hun kant stellen verzoeksters dat zij niet beneden de 154 frank per 100 kg konden verkopen zonder erop toe te leggen. Blijkens de processtukken evenwel, brachten de Franse aardappelen op of rond 6 juni te Londen 195 frank per 100 kg op of meer en deden de Griekse aardappelen tegen de 183 tot 207 frank per 100 kg. Zelfs op 20 juni kostten zij nog 176 tot 187 frank per 100 kg.
Aangezien dit prijsniveau tot 20 juni bleef gehandhaafd, kan niet worden gesteld dat de Franse producenten beneden 181,7 frank per 100 kg moesten verkopen. Niettemin beweren verzoeksters, dat zij vanaf 6 juni geen kans meer zagen om nog contracten te sluiten op de Britse markt (met levering op een latere datum), terwijl op dat tijdstip het algemene prijsniveau hoger lag dan het geval was geweest indien op Griekse aardappelen een compenserende heffing was toegepast, gelijk aan het verschil tussen de produktieprijs en de gewaarborgde prijs. De toepassing van een compenserende heffing zou dan ook geen verschil hebben gemaakt. Na 20 juni had zulk een heffing in elk geval niet de markt weer op het niveau van voor 7 juni kunnen brengen. Voor zover ik kan zien, is er geen oorzakelijk verband tussen de eventuele verliezen en het feit dat geen compenserende heffing is opgelegd.
Tenslotte doen verzoeksters een beroep op artikel 130 van de Griekse Toetredingsakte. Op verzoek van een Lid-Staat kan de Commissie machtiging verlenen om vrijwaringsmaatregelen te treffen; het schijnt dat er in 1983 twee maal een verzoek als bedoeld in artikel 130, lid 2 is gedaan.
Het eerste verzoek was afkomstig van de Franse regering, en werd gedaan in de vorm van een nota van 9 juni en een telexbericht van de daaropvolgende dag. Bij beschikking van de Commissie van 17 juni werd het verzoek afgewezen, op grond dat de omvang van de Griekse export gering was en dat de prijzen van de Griekse aardappelen niet lager waren dan die van de Italiaanse. Het Franse verzoek was gericht op maatregelen tot bescherming van de Franse markt. Die markt was geenszins verstoord door een grote toename van importen uit Griekenland. Er werd weinig ingevoerd. De moeilijkheden op de Franse markt waren voor een deel te wijten aan een toename van de import uit Italië, doch voornamelijk aan het feit dat de Franse export naar het Verenigd Koninkrijk en Duitsland was stilgevallen of verminderd. De aardappelhandel tussen Frankrijk en Griekenland was derhalve niet de oorzaak van een ernstige verstoring van de Franse markt. In die omstandigheden waren vrijwaringsmaatregelen voor de Griekse export naar Frankrijk niet de beste maatregel. Misschien zou een verbod van de Griekse uitvoer naar Duitsland en het Verenigd Koninkrijk de situatie in Frankrijk hebben verlicht, doordat de Franse producenten in staat zouden worden gesteld weer te exporteren. Wegens de mogelijke gevolgen daarvan op de Duitse en de Britse markt, zou dit, dunkt mij, niet een passende maatregel zijn geweest ingevolge artikel 130, lid 2, om op verzoek van de Franse regering te nemen, doch zonder dat de Duitse of de Britse regering daarom hadden verzocht.
Voor zover bekend, heeft de Duitse regering niet om vrijwaringsmaatregelen verzocht. Het tweede verzoek krachtens artikel 130, lid 2, was vervat in vorengenoemde brief van 20 juni van de Britse regering. Daarin werd de Commissie verzocht, overeenkomstig de laatste alinea van artikel 130, lid 2, binnen vierentwintig uur maatregelen te treffen. Bij beschikking van 1 juli wees de Commissie het verzoek af, op grond dat de Griekse aardappelen de Britse markt niet in ernstige mate hadden verstoord. Volgens de beschikking zou de Griekse export naar het Verenigd Koninkrijk slechts ongeveer 10 % van de totale import uitmaken; omdat het een andere soort en kwaliteit aardappelen betrof, waren de Griekse aardappelen goedkoper dan de concurrerende produkten, en hadden zij de evolutie van de Britse prijzen en die van de voornaamste leverancierslanden nauwelijks beïnvloed; de Britse prijzen zouden hoger zijn geweest dan de prijzen in de overeenkomstige periode in 1981.
Om vast te stellen dat de Commissie aansprakelijk is voor de schade, zou moeten worden aangetoond dat zij bij de beoordeling van de vraag of er al dan niet termen aanwezig waren om vrijwaringsmaatregelen toe te staan, een voldoende zware fout heeft begaan. Zo er al sprake is van een fout, is deze gelegen in de beoordeling van de Commissie, dat de Griekse export de markt niet ernstig had verstoord. De tekst van artikel 130, lid 2, lijkt mij te eisen dat de Commissie bij die beoordeling vooral dient te letten op de invloed van de Griekse export op de Britse markt, en — anders dan de raadsman van de Commissie lijkt te suggereren — niet op de omvang van de Griekse export in relatie tot de totale communautaire handel. Zoals gezegd, valt uit de beschikbare gegevens niet op te maken dat de moeilijkheden op de Britse markt zijn veroorzaakt door de importen uit Griekenland. Dat de prijzen beneden een toch reeds laag niveau zijn gedaald, lijkt integendeel te zijn veroorzaakt door de concentratie van aanvoer uit verschillende exporterende landen. Op het tijdstip dat het verzoek van de Britse regering bij de Commissie ter tafel lag, werden op de Londense markt nog slechts kleine hoeveelheden Franse aardappelen verkocht. Waren vrijwaringsmaatregelen vastgesteld en was een einde gemaakt aan de Griekse export, dan had de verdere aanvoer van grote hoeveelheden Franse aardappelen de situatie op de markt waarschijnlijk niet verlicht. In elk geval is het onzeker, of verzoeksters bij hun uitvoer de na 6/7 juni geldende prijzen zouden hebben gehaald.
Zelfs in de veronderstelling dat de beoordeling van de Commissie zo onjuist was, dat zij grond zou opleveren voor een eis tot schadevergoeding — wat volgens mij niet is aangetoond —, dan nog is niet komen vast te staan, dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de fout en het gestelde verlies.
Zelfs indien verzoeksters in mijn ogen het bestaan van een fout van de Commissie alsmede een oorzakelijk verband tussen deze fout en het geleden verlies hadden aangetoond, dan nog zou ik van mening zijn geweest dat de eis tot schadevergoeding niet kan worden toegewezen. De eis tot schadevergoeding is verdedigd alsof verzoeksters producenten waren, en er zijn geen duidelijke bewijzen van verliezen die door hen als wederverkopers zijn geleden.
Om de andere, door mij genoemde redenen geef ik het Hof niettemin in overweging, het beroep te verwerpen en verzoeksters te verwijzen in de kosten van het geding, daaronder begrepen de kosten welke op het kort geding zijn gevallen.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy