CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
P. VERLOREN VAN THEMAAT
van 6 juni 1985
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
I. Inleiding
De conclusie in onderhavige zaken betreft beroepen van voormalige personeelsleden van de Europese Associatie voor Samenwerking (hierna: de Associatie) die inmiddels allen ambtenaar van de Commissie zijn geworden, behalve — om gezondheidsredenen — verzoeker Salerno. Alhoewel het om 14 zaken gaat, waarvan sommige zijn gevoegd en zij derhalve tot een vijftal arresten zullen leiden, neem ik één conclusie in alle zaken, maar onderverdeeld in een drietal vraagstukken door verzoekers aan U voorgelegd.
Ik meen dat de zaken met name tot de volgende problemen kunnen worden herleid :
1)
De vraag of de Associatie slechts een fictie is, daar zij in werkelijkheid een administratieve eenheid van de Commissie is waardoor verzoekers in feite, hoewel aangesteld door de Associatie, ambtenaren van de Commissie waren. Dit vraagstuk wordt met name in de zaken 87 en 130/77 aan de orde gesteld maar wordt in alle andere zaken herhaald.
2)
Na de oprichting van een Europees Agentschap voor Samenwerking (hierna: het Agentschap) tot vervanging van de Associatie door verordening nr. 3245/81 van de Raad van 26 oktober 1981 (PB 1981, L 328, biz. 1), heeft de Raad bijzondere overgangsmaatregelen vastgesteld voor de 56 personeelsleden van de zetel van de Associatie bij verordening nr. 3332/82 van 3 december 1982 (PB 1982, L 352, biz. 5) voor hun overgang tot ambtenaar van de Commissie. Verzoekers menen dat deze verordening door Uw Hof vernietigd dient te worden omdat, naast de hiervoor vermelde stelling, hierin aan verzoekers niet met terugwerkende kracht tot aan hun aanstelling bij de Associatie deze status is verleend, ondanks een aantal toezeggingen die de Raad zou hebben gedaan. Het betreft hier met name de zaken 22/83, alsmede 9 en 10/84.
3)
Ten slotte komt de problematiek aan de orde van de overgang van de personeelsleden onder Speciaal Contract (hierna: SC) bij de Associatie tot ambtenaren van de Commissie, waarbij het om hun klassering gaat. Het betreft hier met name de vragen of het verschil in de wijze van overgang van personeelslid van de Associatie tot ambtenaar van de Commissie tussen personeelsleden van de zetel en op SC-contract in strijd is met het beginsel van gelijke behandeling, respectievelijk of de Commissie haar eigen besluit ten aanzien van de aanstellingscriteria (document 61/LX/81) juist heeft toegepast. Het betreft hier de zaken 66-68/83 en 136-140/83, alsmede 119/83.
Ik zal de behandeling van deze drie problemen vooraf doen gaan door een overzicht van de daarvoor relevante feiten, voorzover niet reeds eerder weergegeven. Ontvankelijkheidsvragen zal ik ook bij de hun betreffende problematiek behandelen.
II. Vraagstuk van de fictieve rechtspersoonlijkheid van de Associatie en de daaruit voortvloeiende vraag of verzoekers, hoewel personeelslid van de Associatie, in feite niet ambtenaar van de Commissie zijn (met name zaken 87 en 130/77, Salerno, Ane en cs.)
III. Defeiten
Verzoekers hebben allen behoord tot het personeel van de zetel van de Europese Associatie voor Samenwerking, een internationale vereniging zonder winstoogmerk, opgericht overeenkomstig de Belgische wet van 25 oktober 1919, zoals gewijzigd bij de wet van 6 december 1954. Bij koninklijk besluit van 15 december 1964 is aan de Associatie rechtspersoonlijkheid verleend.
Nadat de politiek van samenwerking tussen de Europese Gemeenschappen en een groot aantal ontwikkelingslanden bij de Overeenkomsten van Yaoundé en Lomé was gedefinieerd, werd een Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) in het leven geroepen, dat zijn middelen ontving van de Lid-Staten en waarvan het beheer werd opgedragen aan de Commissie. In verband met de zeer snelle ontwikkeling van de samenwerking — vooral op het gebied van opleidingsprogramma's en uitzending van deskundigen — besloot de Commissie in 1964 een associatie zonder winstoogmerk in te schakelen, om het personeelsbeleid voor dit bijzondere personeel „de nodige soepelheid en efficiëntie” te verlenen. De werkzaamheden hiervan worden omschreven in artikel 3 van haar statutien :
„... de Associatie [belast] zich binnen het kader van haar statuten en van een tussen haar en de Commissie van de Europese Gemeenschappen gesloten overeenkomst met de aanwerving, de ter beschikkingstelling en de administratie van personen die... werkzaamheden op het gebied van wetenschappelijke en technische samenwerking en toezicht moeten gaan uitvoeren [en voert het beheer over de door de Gemeenschap ter beschikking gestelde beurzen].”
Deze overeenkomsten zijn op 13 juli 1965 en 4 juni 1974 gesloten.
Uit de eerste overeenkomst blijkt in de eerste plaats dat de Commissie de Associatie de hierboven weergegeven taken heeft toevertrouwd (artikel 1). Op basis van door de Commissie aangedragen gegevens, maakt de Associatie een keuze en stelt de arbeidsvoorwaarden vast ten aanzien van het personeel dat werkzaamheden verricht op het gebied van de samenwerking (artikel 3). Zij is uitdrikkelijk als werkgever voor betrokkenen aangewezen (artikel 7). De Associatie is gerechtigd om personeelsleden voor haar zetel aan te trekken die noodzakelijk zijn voor het administratief functioneren (artikel 2). De betrokken artikelen luiden als volgt:
Artikel 1
„De Commissie vertrouwt aan de Associatie onder de in het hiernavolgende nader te omschrijven voorwaarden de zorg toe voor de aanwerving, de indienstneming en de administratie van gemachtigden van de Commissie en van personeelsleden op arbeidsovereenkomst voor inspectie, controle en technische hulpverlening ten behoeve van de uitvoering van de door het Europees Ontwikkelingsfonds of uit de begroting van de Commissie gefinancierde activiteiten.”
Artikel 2
„De Associatie is bevoegd om naargelang van haar behoefte voor haar hoofdkantoor de personeelsleden in dienst te nemen die zij nodig heeft om haar administratieve taken te kunnen vervullen.”
Artikel 3
„Aan de hand van de gegevens die haar door de diensten van de Commissie worden verschaft belast de Associatie zich met de selectie en bepaalt zij de voorwaarden van indienstneming van het personeel bedoeld in artikel 1.”
Artikel 7
„De Associatie neemt tegenover het personeel alle verplichtingen op zich die een werkgever heeft op het stuk van administratief en financieel beheer.”
Uit de procedure blijken de volgende personeelsleden bij de Associatie werkzaam te zijn:
—
het personeel van de zetel waarvan de belangrijkste taak bestaat uit het voeren van het beleid met betrekking tot het personeel belast met technische bijstand;
—
het personeel dat is aangeworven onder Speciaal Contract om ter beschikking te worden gesteld van DG VIII van de Commissie, of speciale personeelsleden die door de Associatie zijn aangeworven op operationele kredieten van het EOF;
—
het personeel belast met technische bijstand, dat overzee werkzaam is in het kader van samenwerkingsprojecten en — activiteiten, alsmede het personeel van de delegaties van de Commissie die in de ACS-Landen zijn gevestigd.
De onderhavige beroepen betreffen de eerste twee categorieën personeelsleden. Voor de eerste vraag die ik hier behandel, ten aanzien van de fictie van de Associatie, hebben verzoekers echter slechts hun argumenten gegeven in het kader van de eerste zaken 87 en 130/77, waarnaar zij verder steeds verwijzen, die echter met name de personeelsleden van de zetel betreffen. Ik zal mij hier dan ook zoveel mogelijk toe beperken.
Op 4 november 1976 stelde de Raad van Bestuur een besluit vast waarbij de bezoldiging van de personeelsleden van de Associatie gelijk werd getrokken met die van de ambtenaren en functionarissen van de Commissie, behalve wat betreft de kostwinnerstoelage, welke niet aan het personeel van de Associatie werd toegekend.
Op 3 december 1982 stelde de Raad verordening nr. 3332/82 vast waarin hij besliste dat de 56 personeelsleden van de zetel van de Associatie konden worden aangesteld als ambtenaren op proef van de Commissie, en dit in afwijking van de artikelen 4, tweede en derde alinea, 28, sub d), en 29 Ambtenarenstatuut. Bij deze aanstelling diende de indeling in rang en salaristrap plaats te vinden volgens een equivalentietabel die in bijlage bij de verordening was opgenomen.
II.2. Voorwerp van de beroepen
Op 3 februari 1977 dienden 28 personeelsleden van de Associatie bij de Commissie een klacht in, waarin zij nietigverklaring vorderden van voornoemd besluit van 4 november 1976 en de Commissie verzochten hen als ambtenaar of tijdelijk functionaris te erkennen en wel met ingang van de dag van indiensttreding bij de Associatie. Op 28 juli 1977 wees de Commissie deze klacht af. Tegen dit besluit tot afwijzing stelde Salerno, zaak 87/77, beroep in bij een verzoekschrift dat op 7 juli 1977 is ingeschreven ter griffie van het Hof, en de 28 verzoekers in zaak 130/77 daarna bij een verzoekschrift dat op 27 oktober 1977 is ingeschreven ter griffie van het Hof.
Het doel van de beroepen kan worden samengevat als een verklaring voor recht dat verzoekers, werkzaam bij de Associatie, primair ambtenaren, subsidiair tijdelijke functionarissen, van de Commissie zijn vanaf hun indiensttreding bij de Associatie.
In de zaken 87 en 130/77 is daartoe als gezegd beroep ingesteld tegen het „assimila-tie”-besluit van 4 november 1976 van de Raad van Bestuur van de Associatie. In de zaken 66-68 en 136-140/83, alsmede 119/83 van de personeelsleden SC is beroep ingesteld tegen hun individuele benoemingsbesluiten tot ambtenaar van de Commissie onder aanvoering van onder meer hetzelfde middel.
II.3. Ontvankelijkheidsproblemen
In de zaken 87 en 130/77 heeft de Commissie een viertal excepties van niet-ontvankelijkheid opgeworpen. Uw Hof heeft besloten deze met de hoofdzaak te voegen.
De eerste exceptie houdt in dat de Commissie niet de besluiten van de Raad van Bestuur van de Associatie kon vernietigen omdat deze zelfstandig is en dat derhalve het beroep tot nietigverklaring van dit besluit en van het afwijzende besluit niet ontvankelijk is. Verzoekers stellen daar terecht tegenover dat de ontvankelijkheid samenvalt met de zaak ten principale en dat zij, door aanspraak te maken op de status van ambtenaar, toegang hebben tot Uw Hof ingevolge Uw arrest in de zaak 65/74, Porrini, Jurispr. 1975, blz. 319.
In het tweede middel stelt de Commissie dat het betrokken besluit, voor zover het Statuut daarin niet wordt toegepast op het personeel van de Associatie, niet meer is dan een bevestiging van een eerder besluit, en als zodanig niet bezwarend kan zijn. Ik ben met verzoekers van mening dat het besluit van de Raad van Bestuur een nieuw besluit is doordat het verklaart dat het de bezoldigingsregeling van de twee personeelsgroepen dichter bij elkaar beoogt te brengen, doordat het nieuwe geldelijke maatregelen vaststelt en doordat het een nieuwe stap is in het kader van de gelijktrekking van de bezoldiging — met uitzondering van de kostwinnerstoelage — met die van ambtenaren.
Het derde middel houdt in dat de Commissie het verlangen van verzoekers — hun aanstelling als ambtenaar — niet kan verwezenlijken omdat zij ingevolge de zaak 18/69, Fournier, Jurispr. 1970, blz. 249, niet bevoegd is om buiten de vormvoorschriften en voorwaarden van het Statuut om tot dergelijke aanstellingen over te gaan en aan deze voorwaarden in casu niet is voldaan, met name niet aan de voorwaarde dat verzoekers voor een vergelijkend onderzoek moeten slagen. Naar mijn oordeel beogen verzoekers echter een verklaring voor recht ten aanzien van hun status die, in het geval zij gelijk zouden krijgen, aanleiding voor de Commissie zou zijn de nodige maatregelen te treffen.
Het vierde middel houdt in dat het Hof de administratie niet kan dwingen verzoeker als ambtenaar aan te stellen. Dit is op zichzelf juist maar dit verhindert niet dat de administratie zonodig de maatregelen moet treffen die noodzakelijk zijn om een arrest van Uw Hof ten uitvoer te leggen.
Concluderend stel ik U voor de door de Commissie opgeworpen excepties van nietontvankelijkheid te verwerpen en over te gaan tot de behandeling van de zaak ten gronde.
II.4. De zaak ten gronde
Verzoekers menen dat de Associatie niet meer is dan een administratieve eenheid van de Commissie; dat deze derhalve niet meer is dan een fictieve werkgever en dat verzoekers derhalve in feite in dienst zijn van de Commissie. Zij wijzen hiervoor op een aantal feitelijke situaties zoals:
—
dat de Associatie is opgenomen in het organigram van de Commissie,
—
dat de Associatie geen eigen vermogen bezit,
—
dat in de Raad van Bestuur van de Associatie ambtenaren van de Commissie zitten,
—
dat de arbeidsvoorwaarden en de geldelijke en fiscale regeling, met uitzondering van de kostwinnerstoelage, vrijwel gelijk zijn aan die van de ambtenaren,
—
dat de indienstneming van het personeel van de Associatie op naam en voor rekening van de Commissie plaatsvindt;
—
uitlatingen van de ambtenaren van de Commissie dat personeelsleden van de Associatie deel uitmaakten van het directoraatgeneraal Ontwikkelingshulp.
De argumentatie van verzoekers is niet zozeer op juridische middelen gebaseerd maar vooral op feitelijke situaties die, naar hun mening, juridische gevolgen met zich brengen. De enige juridische middelen zijn gebaseerd op het beginsel van gelijke behandeling tussen personeelsleden van de Associatie en ambtenaren van de Commissie. Aangezien dit middel alleen kan slagen ingeval er sprake is van gelijke omstandigheden waarin beide groepen zich bevinden, hangt het middel samen met de aangevochten feitelijke situaties van verzoekers. Derhalve zal ik eerst dat aspect bespreken.
Herhaald zij dat de Associatie rechtsgeldig op basis van het Belgische, nationale recht is opgericht en rechtspersoonlijkheid heeft verkregen bij koninklijk besluit van 15 december 1964.
De vraag naar de geldigheid van de rechtspersoonlijkheid die verzoekers opwerpen, kan alleen aan de hand van het nationale recht door de nationale rechter worden beantwoord. Uw Hof kan zich over die vraag niet definitief uitspreken. Wel betwijfel ik, of de feitelijkheden zoals door verzoekers naar voren gebracht en die naar zij menen niet elk afzonderlijk maar als één geheel dienen te worden behandeld, de aan de Associatie verleende rechtspersoonlijkheid opzij kunnen zetten. Verzoekers lijken het slachtoffer te zijn geworden van een voor hen wellicht niet geheel duidelijke taakverdeling tussen de Associatie en de Commissie. Met name uit de Conventie van 1965 tussen de Commissie en de Associatie blijkt de zeer nauwe verwevenheid tussen beide. Bovendien bleken ook bij de Commissie spoedig twijfels aan de zinvolheid van de privaatrechtelijke structuur van de Associatie te hebben bestaan. In dat licht dienen ook de gelijkmakingsbesluiten van de sociale voorwaarden van het personeel van de Associatie met die van ambtenaren van de Commissie gezien te worden. Eveneens vloeit uit diezelfde opvatting het voorstel van 1977 van de Commissie aan de Raad voort om op basis van een communautairrechtelijk besluit een Agentschap op te richten met dezelfde taken als de Associatie. In de procedure heeft de Commissie, naar mijn oordeel overtuigend, uiteengezet dat deze ontwikkeling historisch verklaard dient te worden, samenhangend met de steeds groeiende taak van de Gemeenschap op het terrein van de ontwikkelingspolitiek. Wegens de onzekerheid, die vooral in de aanvang over omvang, aard en duur van de daaraan verbonden werkzaamheden en de mogelijkheid van uitbesteding daarvan bestonden, acht ik het door de Commissie ter zake gevoerde organisatorische beleid op zich zelf goed verdedigbaar. In het begin maakte de Commissie daarbij gebruik van raadgevende ingenieursbureaus. Toen echter aan die politiek meer aandacht werd gegeven, werd het in 1964 opportuun geacht om de Associatie op te richten. Na de Overeenkomsten van Lomé en met de Middellandse-Zeelanden besloot de Commissie een voorstel voor een communautairrechtelijk agentschap in te dienen.
Verzoekers baseren zich in het geheel niet op het juridisch regime van de Associatie. Deze heeft tot taak, als reeds vermeld, de Commissie, op haar verzoek, te voorzien van het personeel op het gebied van wetenschappelijke en technische samenwerking, alsmede de administratie van die personen (artikelen 1, 3). Deze personeelsleden verbinden zich contractueel met de Associatie (artikel 7, alsmede artikel 36 van het Administratief Protocol van de Associatie). Een mandaat van de Commissie waarin de precieze taken staan die aan betrokkenen worden toevertrouwd maakt onderdeel uit van het arbeidscontract met de Associatie (artikel 6). Ook het personeel van de zetel van de Associatie, ingevolge artikel 2 van de Conventie, gaat een contract met de Associatie aan (artikel 20 Administratief Protocol). Deze contracten worden beheerst, volgens de verordening ter zake van het administratief en financieel regime, onder meer door de Belgische wetgeving, door de Statuten van de Associatie en de bepalingen in het individuele contract.
De feitelijkheden zoals door verzoekers genoemd kunnen dit juridisch regime van de Associatie en het arbeidscontract tussen de Associatie en de personeelsleden niet opzij zetten. Ook kunnen zij niet in de plaats treden van de vereisten voor aanstelling van het Statuut, zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt. Ik wijs hiervoor op artikel 1 van het Statuut.
De Commissie heeft vooris het argument van het ontbreken van eigen vermogen van de Associatie overtuigend weerlegd door erop te wijzen dat het EOF 95% van de uitgaven subsidieert en de Commissie 5%. Het gaat daarbij met name om de salarissen van de personeelsleden. Voor een verder inzicht volsta ik met te verwijzen naar de artikelen 28-30 van de Statuen, de artikelen 12-29 van de Conventie tussen de Associate en de Commissie, alsmede het Financieel Protocol van de Associatie blijkt voorts eigenaar van de roerende goederen, als meubilair, dat het eigen vermogen vormt (artikel 31 Financieel Protocol). Dat de Associatie in het organigram van de Commissie is opgenomen kan vanzelfsprekend in het geheel niet afdoen aan haar rechtspersoonlijkheid en lijkt min of meer voort te vloeien uit de nauwe verwevenheid met de Commissieactiviteiten. Bovendien gaat het daarbij om het verbindingsbureau tussen de Associatie en de Commissie (artikel 11 van de Conventie, artikel 10 Administratief Protocol). Het geleidelijk aan min of meer gelijkgeschakelde sociale beleid voor de personeelsleden met dat van de ambtenaren van de Commissie kan niet leiden tot het door verzoekers gewenste doel, maar geeft juist uitdrukking aan een verantwoordelijk beleid van de autoriteiten om beide steeds meer aan elkaar aan te passen. Ten slotte kunnen uitspraken van ambtenaren van de Commissie die de Commissie op dat punt niet konden binden, evenmin leiden tot verzoekers conclusie.
Nu eenmaal is vastgesteld dat verzoekers zich in een andere feitelijke en juridische positie bevonden dan de ambtenaren van de Commissie, dienen ook de middelen gebaseerd op het beginsel van gelijke behandeling ten aanzien van deze verzoeken te worden verworpen.
Concluderend stel ik U voor de argumenten van verzoekers die stellen dat de Associatie een fictieve werkgever is en dat zij in feite ambtenaren van de Commissie zijn, te verwerpen.
III.1. Ik kom nu toe aan de behandeling van het tweede probleem van klagers (met name zaak 22/83)
Het beroep beoogt een vernietiging van verordening nr. 3332/82 van de Raad, ter zake van een speciale overgangsregeling voor de aanwerving van de 56 personeelsleden van de zetel van de Associatie als ambtenaren van de Commissie, voor zover hen daarin niet deze status wordt verleend vanaf hun indiensttreding bij de Associatie. Zij beroepen zich hiertoe op de hiervoor reeds verworpen stelling, dat de Associatie slechts een fictieve werkgever is, alsmede op een aantal regelingen.
Het beroep is ingesteld ex artikel 173 tweede lid, van het EEG-Verdrag tegen de Raad. Deze heeft een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen omdat de kwestieuze verordening normatief van aard is, waardoor niet voldaan is aan de vereisten van artikel 173, tweede lid, van het EEG-Verdrag.
III.2. De relevante feiten en stellingen van verzoekers
Als hiervoor reeds vermeld, heeft de Commissie in 1977 aan de Raad een voorstel toegezonden voor de oprichting van een Europees Agentschap voor Samenwerking ter vervanging van de Associatie. De Raad heeft hiertoe besloten bij verordening nr. 3245/81 van 26 oktober 1981 (PB 1981, L 328, biz. 1).
Vervolgens heeft de Raad op 3 december 1982 verordening nr. 3332/82 vastgesteld waarin bijzondere overgangsmaatregelen zijn neergelegd voor de overgang van 56 personeelsleden van de zetel van de Associatie tot ambtenaar van de Commissie. Volgens artikel 1 van die verordening kunnen betrokkenen tot ambtenaar van de Commissie op proef worden aangesteld en tewerkgesteld in één van de ambten die daartoe in de lijst van het aantal ambten van de Commissie voor het begrotingsjaar 1982 zijn opgenomen. Volgens artikel 3 worden betrokkenen, in afwijking van de artikelen 31 en 32 van het Statuut, ingedeeld in de rang en in de salaristrap volgens de equivalentietabel in de bijlage. Volgens de tweede en derde alinea is de anciënniteit in de rang die van de dag van de aanstelling als ambtenaar op proef en de anciënniteit in de salaristrap die welke betrokkene bij de Associatie had verworven.
De stellingen van verzoekers, die niet steeds even gemakkelijk te volgen zijn, begrijp ik als volgt: de Raad zou in strijd met het beginsel van opgewekt vertrouwen of met zijn binding aan eerdere eigen besluiten en dus in strijd met het beginsel „patere legem quam ipse fecisti”, nagelaten hebben in verordening nr. 3332/82 de indiensttreding als ambtenaar te doen ingaan op het moment van indiensttreding bij de Associatie. Dit is vooral van belang voor wat betreft de pensioenrechten van betrokkenen. Zij baseren zich hiervoor op artikel 14 van de oprichtingsverordening van het Agentschap (nr. 3245/81), waarin is bepaald, dat de Commissie de algemene aanwervings- en arbeidsvoorwaarden, de algemene regeling voor de bezoldiging, vergoedingen en emolumenten zou vaststellen. Zij menen dat de Commissie, op basis hiervan, hen in de door hen gewenste zin zonder meer had kunnen aanstellen nu de begroting 1982 daarvoor posten ter beschikking had gesteld. Door de speciale overgangsverordening nr. 3332/82 deed de Raad hieraan afbreuk. Voorts baseren zij zich op een toelichting op de begrotingspost, die de betrokken ambten ter beschikking stelt.
Deze middelen zal ik echter niet behandelen alvorens de exceptie van niet-ontvankelijkheid door de Raad opgeworpen, te bespreken.
III.3. De ontvankelijkheid
De Raad is van mening, dat het beroep niet ontvankelijk is wegens het regelgevend karakter van verordening nr. 3332/82, waardoor niet voldaan is aan de vereisten van artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag. Een beroep tegen een verordening is alleen dan ontvankelijk indien de verzoeker rechtstreeks en individueel wordt geraakt.
Derhalve dient op basis van Uw vaste rechtspraak de aard en de strekking van de handeling te worden bepaald (onder meer zaak 64/80, Giuffrida en Campogrande, Jurispr. 1981, blz. 702).
De verordening heeft volgens zijn titel ten doel „bijzondere overgangsmaatregelen” te treffen betreffende „de aanwerving van 56 personeelsleden van de zetel van de Europese Associatie voor Samenwerking als ambtenaren van de Europese Gemeenschappen”. Voor de ontvankelijkheidsvraag is met name het eerste artikel van belang:
—
In artikel 1 wordt de groep aangeduid die in aanmerking komt voor een aanstelling als ambtenaar op proef, namelijk die personeelsleden van de zetel van de Associatie die op 1 januari 1982 in dienst waren en dit nog waren bij de inwerkingtreding van de verordening.
—
Artikel 2 regelt de te volgen procedure van aanstelling die uitdrukkelijk afwijkt van een aantal artikelen van het Statuut.
—
Artikel 3 regelt de inschaling in afwijking van het Statuut.
Volgens Uw vaste rechtspraak moet het criterium voer het onderscheid worden gevonden in de al dan niet algemene strekking van de betrokken handeling (zaak 64/80, Giuffrida en Campogrande). Voor de vraag of er sprake is van een beschikking, en derhalve dat verzoeker individueel wordt geraakt, is van belang dat er sprake is van een beperkte kring met name genoemde of bepaalbare natuurlijke of rechtspersonen waarvoor zij bestemd is, die niet vatbaar is voor uitbreiding op het moment dat de handeling werd vastgesteld (onder meer zaken 16 en 17/62, Fruit- en groente, Jurispr. 1962, blz. 946; zaken 41, 42, 43 en 44/70, Fruit Company, Jurispr. 1971, blz. 411). In feite wordt er dan beslist over elke rechtspositie afzonderlijk.
Ik meen dat verzoekers terecht menen dat zij individueel worden geraakt. De verordening beperkt uitdrukkelijk de kring bestemmelingen tot 56 personeelsleden van de Associatie in de titel en in de vijfde en zesde rechtsoverweging. Ook uit het geciteerde artikel 1 blijkt dat het om een vastgestelde, niet voor uitbreiding vatbare groep gaat. De vijfde overweging vermeldt voorts dat de verordening de strekking heeft de problemen van de 56 personeelsleden op te lossen. Ook hieruit blijkt de bedoeling om in de positie van de beperkte groep in te grijpen en aldus te beslissen over elke rechtspositie afzonderlijk. De verordening kan worden beschouwd als een bundel individuele beschikkingen zoals U in de zaken 41-44/70, Fruit Comany, heeft uitgemaakt. Ook meen ik dat verzoekers rechtstreeks door deze bepalingen van de verordening worden geraakt. Dit criterium heeft U steeds zo uitgelegd dat in feite aan degene die de voorschriften moet uitvoeren geen discretionaire vrijheid is gelaten (onder meer de reeds geciteerde zaken 41, 42, 43 en 44/70, Fruit Company). Zo heeft de Commissie als het tot aanstelling bevoegde gezag van betrokkenen de bepalingen van de verordening ten aanzien van verzoekers zonder meer toegepast. Hierbij gaat het met name om de aanstelling als ambtenaar op proef als zodanig, alsmede de indeling in rang en salaristrap volgens de vastgestelde equivalentietabel, volgens artikel 3.
Concluderend meen ik dat verzoekers op grond van Uw eerdere rechtspraak door verordening nr. 3332/82 rechtstreeks en individueel worden geraakt. Derhalve acht ik het beroep in zaak 22/83 ontvankelijk.
III.4. De zaak ten gronde
Verzoekers zijn van mening, dat de Raad door verordening nr. 3332/82 vast te stellen waarin zij niet met ingang van hun indiensttreding bij de Associatie als ambtenaren van de Commissie worden aangesteld, gehandeld heeft in strijd met opgewekt vertrouwen of met zichzelf opgelegde verplichtingen.
Zij beroepen zich daartoe in de eerste plaats op artikel 14 van de Oprichtingsverordening (nr. 3245/81) van het Agentschap, dat luidt als volgt:
„De algemene aanwervings- en arbeidsvoorwaarden en de algemene regeling van de bezoldigingen, vergoedingen en emolumenten voor het in artikel 3, punt 1, bedoelde personeel en voor de personeelsleden van de zetel van het Agentschap, worden vastgelegd in specifieke bepalingen die de Commissie vaststelt na advies van het in artikel 12, lid 2, tweede alinea, bedoelde Comité.”
Daarnaast wijzen zij op het feit dat de begroting 1982 56 posten voor de betrokken ambtenaren van de zetel ter beschikking had gesteld. In dat licht, menen zij, had de Raad niet de speciale overgangsregeling voor de 56 ambtenaren van de zetel in verordening nr. 3332/82 kunnen vastleggen. De Commissie had naar hun mening, op basis van artikel 14 en de beschikbare posten, betrokkenen zonder meer met terugwerkende kracht tot aan hun indienstneming bij de Associatie, als ambtenaar kunnen aanstellen.
De Raad heeft hierop, naar hun mening, met de bijzondere overgangsregelingsverordening, inbreuk gemaakt.
Ik moet toegeven, dat de verhouding tussen de in artikel 14 aan de Commissie opgedragen regeling en de overgangsverordening van de Raad niet erg duidelijk is. De Raad en de Commissie hebben echter tijdens de procedure een overtuigende verklaring gegeven. De artikel 14-regeling, die nog niet is uitgewerkt, zal van toepassing zijn op toekomstig personeel van het Agentschap. Voor de bestaande personeelsleden van de zetel van de Associatie (alsmede de SC-personeelsleden) daarentegen werd opportuun geacht een aanstelling als vast ambtenaar van de Commissie. Op basis van de ter beschikking gestelde posten op de begroting kon de Commissie deze niet buiten de statutaire bepalingen aantrekken, tenzij op basis van artikel 29, lid 2. Die laatste weg heeft de Commissie niet gevolgd. Zij was daartoe ook niet verplicht. De Raad heeft daarentegen de overgangsverordening vastgesteld, die in gunstige zin voor verzoekers afwijkt van de bepalingen van het Statuut. Uit niets is gebleken, dat de Raad daardoor artikel 14 van verordening nr. 3245/81 heeft geschonden. Dir eerste onderdeel dient derhalve te worden verworpen.
In het tweede onderdeel stellen verzoekers, dat de Raad zichzelf gebonden heeft om de aanstelling als vast ambtenaar te doen ingaan bij hun indiensttreding bij de Associatie. Zij beroepen zich daarvoor op de toelichting op de begrotingspost 1100, waarin de 56 vaste ambten ter beschikking worden gesteld (PB 1982, L 31, biz. 251). Deze toelichting luidt als volgt: „de opneming in het permanente organigram van de Commissie van de posten van het personeel van de Europese Associatie voor Samenwerking (zetel) geschiedt overeenkomstig de voorwaarden die zijn vermeld in de op 11 mei 1979 door het Eurpees Parlement goedgekeurde resolutie (PB 1979, C 140, biz. 142)”.
De Raad verweert zich terecht met de opmerking, dat er een onderscheid gemaakt moet worden tussen de Raad als onderdeel van de begrotingsautoriteit en de Raad als wetgever. De begroting is het produkt van de begrotingsautoriteit. Een post op de begroting is te zien als een machtiging om tot die bepaalde uitgave over te gaan, maar vormt daartoe geen verplichting. Dit geldt a fortiori voor een toelichting op de begroting, die slechts indicatief van aard is (zie Uw Beschikkingen in de zaken 216/83 en 295-297/83, Les Verts, van 26 september 1984).
De Raad heeft door vaststelling van overgangsverordening nr. 3332/82 dan ook op geen enkele wijse een zichzelf opgelegde rechtsplicht geschonden. Ook dit middel dient derhalve te worden verworpen.
Samenvattend stel ik U voor het beroep in de zaak 22/83 weliswaar ontvankelijk te verklaren, maar ten gronde te verwerpen.
IV. De zaken 9 en 10/84
IV.1. De feiten
Verzoekers hebben de zaken 9 en 10/84 aanhangig gemaakt voor het geval Uw Hof hun beroep in de zaak 22/83 niet ontvankelijk zou verklaren. Alleen in dit laatste geval dient U zich hierover uit te spreken.
Uit de feiten blijkt dat het beroep in de zaak 9/84 is ingesteld nadat verzoekers op 10 maart 1983 door de Commissie met ingang van 1 januari 1983 tot ambtenaar waren benoemd, op grond van verordening nr. 3332/82 van de Raad. Tegen deze benoeming hebben zij bij de Commissie een klacht ingediend op 8 juni 1983, ex artikel 90 Statuut, strekkende tot niet-toepasselijkheid van verordening nr. 3332/82 wegens het ontbreken van een aanstelling met terugwerkende kracht tot hun indiensttreding bij de Associatie. Zij baseerden hun klacht uitdrukkelijk op artikel 184 EEG-Verdrag. De argumenten zijn gelijk aan die in de zaak 22/83. De zaak 10/84 wijkt enigszins af. Verzoeker, de heer Salerno, werd niet als ambtenaar op proef bij de Commissie aangesteld, omdat hij niet aan de medische vereisten van artikel 28, sub e, van het Statuut voldeed. Ten onrechte wordt in het beroep van een benoemingsbesluit uitgegaan. De conclusies die verzoeker aan het Hof voorlegt zijn, behalve op één punt, gelijk aan die in de zaken 22/83 en 9/84. Alleen ter zake van de medische keuring is een zelfstandig verzoek opgenomen, dat ertoe strekt te verklaren, dat verzoeker reeds vanaf zijn indiensttreding bij de Associatie als ambtenaar van de Commissie was aangesteld en derhalve niet meer op basis van verordening nr. 3332/82 aan een medische keuring onderworpen behoefde te worden.
IV.2. De ontvankelijkheid
De Commissie heeft in beide zaken een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen. Zij meent, dat de beroepen primair gericht zijn op de niet-toepasselijkheid van 's Raads verordening nr. 3332/82. Een dergelijk beroep ex artikel 184 van het EEG-Verdrag is echter alleen ontvankelijk wanneer het incidenteel wordt ingeroepen in het kader van een ander beroep gebaseerd op een ander Verdragsartikel. Zij wijst hierbij terecht op Uw vaste rechtspraak. Zo stelde Uw Hof in de zaak Albani (zaak 33/80, Jurispr. 1981, blz. 2157, rechtsoverweging 17): „dat de in artikel 184 van het Verdrag geboden mogelijkheid, de niet-toepasselijkheid van een verordening in te roepen, geen autonoom vorderingsrecht vormt en slechts bij wijze van incident kan worden benut. Bij ontbreken van een primair recht van beroep kunnen verzoekers zich niet op artikel 184 beroepen”.
Ik moet toegeven, dat de conclusies van verzoeker op dit punt niet erg duidelijk zijn geformuleerd. Toch stel ik U voor de Commissie hier niet in haar exceptie te volgen, rekening houdend met het feit dat U slechts aan deze zaken toekomt ingeval U zaak 22/83 niet ontvankelijk acht.
Hiervoor is mijns inziens van belang te letten op de samenhang tussen de beroepen in de zaken 22/83 en 9 en 10/84. In de eerste zaak is uitdrukkelijk verordening nr. 3332/82 als zodanig het enige voorwerp van geschil. De latere beroepen zijn echter ingesteld nadat de individuele benoemingsbesluiten door de Commissie waren genomen (zaak 9/84), respectievelijk het benoemingsbesluit juist uitbleef (zaak 10/84). Het is dit besluit, respectievelijk het niet nemen van een benoemingsbesluit, afkomstig van het tot aanstelling bevoegde gezag, dat aanleiding was voor de klachten ex artikel 90 van het Statuut. Bovendien hebben verzoekers in hun repliek (blz. 8) hun verzoek in zoverre voldoende verduidelijkt, dat zij het benoemingsbesluit aan Uw Hof voorleggen, voorzover hun aanstelling als ambtenaar niet is ingegaan op de dag van indiensttreding bij de Associatie.
Ingeval U mijn voorstel tot ontvankelijkheid volgt, dient U zich over de hoofdzaak uit te spreken.
IV.3. De zaak ten gronde
Voor de zaak ten gronde verwijzen verzoekers naar hun middelen in de zaak 22/83.
Ik volsta er mee te releveren, dat ik in die zaak concludeerde tot afwijzing van verzoekers vorderingen. Daarnaast dient echter in casu nog aan de orde te komen, dat verzoekers subsidiair vorderen, dat zij met ingang van 1 januari 1982 als ambtenaar op proef aangesteld hadden moeten worden in plaats van 1 januari 1983. Zij menen, dat verordening nr. 3332/82 hierover geen bepaling bevat. Bovendien zou deze datum beter aansluiten bij artikel 1 van die verordening die de werkingssfeer bepaalt tot diegenen „die op 1 januari 1982 in dienst waren bij de zetel van de Associatie en dit nog zijn bij de inwerkingtreding van deze verordening”.
De Commissie heeft dit argument terecht verworpen door erop te wijzen dat de verordening op 15 december 1982, ingevolge artikel 4, in werking is getreden. Nergens is een bepaling met terugwerkende kracht ten aanzien van de aanstelling opgenomen. Ik voeg daar nog aan toe, dat het tweede gedeelte van het hierboven geciteerde gedeelte van artikel 1 „... en dit nog zijn bij de inwerkingtreding van deze verordening...” beslist op het tegendeel van verzoekers stelling wijst.
In de zaak 10/84 dient verder te vordering afgewezen te worden, dat verzoekers aanstelling niet van een medische keuring afhankelijk is. Bij ontbreken van een dergelijke bepaling in de speciale overgangsverordening nr. 3332/82, zijn de artikelen 28, sub e, en 33 van toepassing.
IV.4. Conclusie zaken 9 en 10/84
Concluderend stel ik U voor, de beroepen in de zaken 9 en 10/84 ontvankelijk te verklaren, maar als niet gegrond te verwerpen.
V. De overgang van de personeelsleden onder speciaal contract van de Associatie tot ambtenaar van de Commissie (zaken 66-68/83, 136-140/83, alsmede 119/83), hiervoor vermeld als het derde probleem
V.1. Inleiding
Ten slotte kom ik toe aan de zaken 66-68/83, 136-140/83, alsmede 119/83.
Deze betreffen alle de problematiek van de klassering van oud-personeelsleden onder Speciaal Contract bij de Associatie, ten gevolge van hun aanstelling als ambtenaar bij de Commissie. In tegenstelling tot de hiervoor behandelde zaken van het personeel van de zetel van de Associatie (zaken 22/83 en 9 en 10/84) was voor deze categorie geen speciale overgangsregeling, zoals Raadsverordening nr. 3332/82, getroffen. De aanstelling vond derhalve plaats op basis van de statutaire voorschriften. De argumenten zijn in alle zaken vrijwel gelijk. Derhalve behandel ik ze geabstraheerd van de concrete zaken, tenzij toespitsing van de zaak noodzakelijk is. De argumenten kunnen in een drietal vragen worden samengevat:
—
argumenten die samenhangen met de fictiegedachte van de Associatie;
—
strijdigheid met het beginsel van gelijke behandeling vanwege het verschil in overgang tussen personeelsleden van de zetel van de Associatie en die onder Speciaal Contract;
—
onjuiste toepassing van het besluit van de Commissie inhoudende de indelingscriteria.
Alvorens tot de behandeling van deze vragen over te gaan zal ik eerst de feiten releveren en aandacht besteden aan de door de Commissie opgeworpen excepties van ontvankelijkheid.
V.2.a) De feiten
Als vermeld zijn verzoekers allen voormalige personeelsleden onder Speciaal Contract van de Associatie. Dit betekent dat zij door de Associatie aan het Directoraat-generaal VIII van de Commissie ter beschikking waren gesteld. Zij voerden daar gelijkwaardige taken als hun collega's — ambtenaren van de Commissie — uit. Hun statutaire positie werd bepaald door twee instrumenten, namelijk: de „algemene clausules van het contract SC/Il” en de „bijzondere clausules van het contract SC/H”, naast het individuele contract. Het contract werd volgens de bijzondere voorwaarden in beginsel gesloten voor een bepaalde duur, maar in de praktijk steeds verlengd. Uit de overgelegde opzeggingsbrief van het contract bij de overgang tot ambtenaar van de Commissie blijkt dat het jaarlijks verlengbare contract op basis van de Belgische nationale wet als een contract van onbepaalde duur beschouwd dient te worden.
Voor 1981 hadden de begrotingsautoriteiten 32 vaste posten aan de Commissie toegekend om de 32 door de Associatie bij speciale overeenkomst aangeworven personeelsleden in vaste dienst te kunnen benoemen. Het Europees Parlement had ter zake verklaard dat het ging om personeel dat gedurende meer dan zes jaar bij DG VIII van de Commissie was gedetacheerd en dezelfde taken verrichtte als hun collega's op wie het Statuut van toepassing was.
Op 4 februari 1981 besloot de Commissie dienovereenkomstig de 32 vaste posten toe te kennen aan DG VIII om de betrokken personeelsleden in vaste dienst te kunnen benoemen. Op deze benoeming in vaste dienst is het gemene recht van de Europese openbare dienst toepasselijk. Na dit besluit is volgens de Commissie de volgende procedure gevolgd:
—
In april 1981 werd een lijst opgesteld van 37 personeelsleden, te weten de 32 hiervoor genoemde, alsmede 5 anderen, onder wie, volgens de Commissie, geen enkel personeelslid van categorie A, die waren aangeworven op operationele kredieten van het EOF en die gelijkgesteld dienden te worden met de eerstgenoemden.
—
Het indelingscomité maakte een indeling in rangen en salaristrappen voor alle personeelsleden die in vaste dienst konden worden benoemd.
—
Aan alle personeelsleden werd (omstreeks medio juni 1981) een overeenkomst van tijdelijk functionaris aangeboden welke de betrokkenen hebben geaccepteerd; terzelfder tijd ontvingen zij allen een ontslagbrief van de Associatie.
—
Hierop werd op 16 juli 1981 een kennisgeving van vacature gepubliceerd betreffende 32 nieuwe vaste posten bij de Commissie.
—
Er werden interne vergelijkende onderzoeken georganiseerd, waarvoor de meerderheid slaagde: de Commissie maakt et melding van dat slechts in enkele uitzonderlijke gevallen personen zijn aangeworven op grond van artikel 29, lid 2, van het Statuut.
—
Ten slotte werd door de betrokkenen vanaf 1 juli 1982 een proeftijd beëindigd en werden ze vanaf 1 april 1983 in vaste dienst benoemd. De werkzaamheden zijn dezelfde gebleven als vóór hun aanstelling.
Verzoekers zijn allen lager in rang of salaristrap ingedeeld dan hun laatst bereikte positie bij de Associatie, op basis van de equivalentietabel van verordening nr. 3332/82 ter zake van rangen en salaristrappen van het Statuut en de Associatie. Ook menen zij recht op een betere indeling te hebben op basis van het indelingsbesluit van de Commissie, nr. 61/IX/81, vanwege met name hun ruime ervaring.
V.2.b) De individuele posities van verzoekers
Verzoeker Hattet — zaak 66/83 — werd na zijn indiensttreding bij de Associatie op 21 december 1970 in graad 15, salaristrap 4, hetgeen overeenkomt met rang A 5, salaristrap 4, ter beschikking gesteld van DG VIII. Op 1 januari 1979 had hij dezelfde graad, salaristrap 8. Bij beluit van 30 juni 1982, werd hij met ingang van 1 juli 1982 als ambtenaar op proef aangesteld in rang B 1, salaristrap 3, en na afloop van zijn proeftijd werd hij in vaste dienst benoemd. Verzoeker stelt dat hij op 1 juli 1982 in de volgende situatie verkeerde: hij had een beroepservaring van 27 jaar, waarvan twaalf jaar in dienst van de Europese Gemeenschappen; gedurende twaalf jaar had hij werkzaamheden van de categorie A verricht. In verband met de door hem beklede functies had hij door de Commissie moeten worden ingedeeld in rang A 4, salaristrap 4; deze eis werd door verzoekers hiërarchische meerderen volledig onderschreven.
Verzoekster Gérard — zaak 67/83 — is op 7 januari 1974 in dienst getreden bij de Assosiatie in graad 32, salaristrap 6, die overeenkomt met rang C 2, salaristrap 6, om secretariaatswerkzaamheden te verrichten. Uiteindelijk bereikte zij graad 31, salaristrap 5. Bij besluit van 30 juni 1982 werd zij per 1 juli 1982 als ambtenaar op proef aangesteld in rang C 4, salaristrap 3, en na afloop van haar proeftijd werd zij in vaste dienst benoemd. Op grond hiervan stelt verzoekster dat zij op 1 juli 1982 in de volgende situatie verkeerde: zij had een beroepservaring van veertien jaar, waarvan acht jaar in dienst van de Europese Gemeenschappen; gezien haar opleiding, haar vaardigheden, haar talenkennis en de belangrijke werkzaamheden die zij had verricht, had zij door de Commissie overeenkomstig de in document nr. 61/LX/81 van de Commissie neergelegde beginselen moeten worden benoemd in rang C 1.
Verzoeker de Szy-Tarrisse — zaak 68/83 — werd na zijn indiensttreding bij de Associatie eind 1974, op 18 februari 1975 ter beschikking gesteld van DG VIII in graad 15, salaristrap 4, overeenkomende met rang A 5, salaristrap 4. Uiteindelijk bereikte hij salaristrap 7. Bij besluit van 30 juni 1982, werd hij per 1 augustus 1982 als ambtenaar op proef aangesteld in rang A 5, salaristrap 3, en na afloop van zijn proeftijd werd hij in vaste dienst benoemd. Op grond hiervan stelt verzoeker dat hij op 1 augustus 1982 in de volgende situatie verkeerde: hij had een beroepservaring van vijftien jaar, waarvan acht jaar in dienst van de Europese Gemeenschappen; gezien de door hem beklede functies had hij door de Commissie moeten worden ingedeeld in rang A 4, salaristrap 4, deze eis werd door verzoekers hiërarchische meerderen volledig onderschreven.
Verzoeker Dona — zaak 136/83 — werd na zijn indiensttreding bij de Associatie op 1 april 1971 ter beschikking gesteld van DG VIII in graad 22, salaristrap 3, die overeenkomt met rang B 2, salaristrap 3, van de Commissie. Op 1 april 1981 bereikte hij graad 16, salaristrap 5, die overeenkomt met rang A 6, salaristrap 5. Bij de overgang van heţ personeel van de Associatie naar de Commissie werd hij op 1 juli 1981 aangesteld als ambtenaar op proef en bij besluit van 14 juli 1982, dat hem werd overhandigd op 17 september 1982, werd hij met ingang van 1 juli 1982 in vaste dienst benoemd in rang A 6, salaristrap 3. Op grond hiervan stelt verzoeker dat hij op 1 juli 1982 in de volgende situatie verkeerde: hij had een beroepservaring van zeventien jaar in dienst van de Europese Gemeenschappen. Gezien zijn ervaring en de door hem beklede functies had hij door de Commissie moeten worden ingedeeld in rang A 5.
Verzoekster Delbaere — zaak 137/83 — werd na haar indiensttreding bij de Associatie op 13 juli 1975 ter beschikking gesteld van DG VIII in graad 32, salaristrap 3, die overeenkomt met rang C 2, salaristrap 3, van de Commissie. Op 30 juni 1981 had zij graad 32, salaristrap 6, bereikt, die overeenkomt met rang C 2, salaristrap 6. Bij besluit van 8 juli 1982, dat verzoekster op 17 september 1982 is overhandigd, werd zij per 1 juli 1982 als ambtenaar op proef aangesteld in rang C 4, salaristrap 3, en na afloop van haar proeftijd werd zij in dezelfde rang in vaste dienst benoemd. Op grond hiervan stelt verzoekster dat zij op 1 juli 1982 in de volgende situatie verkeerde: zij had een beroepservaring van meer dan tien jaar, waarvan zeven jaar in dienst van de Europese Gemeenschappen. Gezien haar ervaring, haar anciënniteit en het niveau van haar prestaties had zij door de Commissie overeenkomstig de in document nr. 61/IX/81 van de Commissie neergelegde beginselen moeten worden ingedeeld in rang C 3.
Verzoekster Feyaerts — zaak 138/83 — werd na haar indiensttreding bij de Associatie op 1 april 1972 ter beschikking gesteld van DG VIII in graad 33, salaristrap 2, die overeenkomt met rang C 3, salaristrap 3, van de Commissie. Op 30 juni 1981 had zij graad 33, salaristrap 6, bereikt, die overeenkomt met rang C 3, salaristrap 6. Bij besluit van 8juli 1982, dat verzoekster op 17 september 1982 is overhandigd, werd zij per 1 juli 1982 als ambtenaar op proef aangesteld in rang C 4, salaristrap 3, en na afloop van haar proeftijd werd zij in dezelfde rang in vaste dienst benoemd. Op grond hiervan stelt zij dat zij op 1 juli 1982 in de volgende situatie verkeerde: zij had een beroepservaring van meer dan tien jaar, waarvan tien jaar in dienst van de Europese Gemeenschappen. Gezien haar loopbaan, haar anciënniteit, en het niveau van haar prestaties had zij door de Commissie overeenkomstig de in document nr. 61/IX/81 van de Commissie neergelegde beginselen in rang C 3 moeten worden benoemd.
Verzoekster Textier — zaak 139/83 — werd na haar indiensttreding bij de Associatie op 1 oktober 1974 ter beschikking gesteld van DG VIII in graad 32, salaristrap 3, die overeenkomt met rang C 2, salaristrap 3, van de Commissie. Op 30 juni 1981 had zij graad 32, salaristrap 6, bereikt, die overeenkomt met rang C 2, salaristrap 6. Bij besluit van 8 juli 1982, dat verzoekster op 17 september 1982 ter hand is gesteld, werd zij per 1 juli 1982 als ambtenaar op proef aangesteld in rang C 4, salaristrap 3, en na afloop van haar proeftijd werd zij in dezelfde rang in vaste dienst benoemd. Op grond hiervan stelt verzoekster dat zij op 1 juli 1982 in de volgende situatie verkeerde: zij had een beroepservaring van meer dan tien jaar, waarvan acht jaar in dienst van de Europese Gemeenschappen. Gezien haar opleiding en haar talenkennis had zij door de Commissie overeenkomstig de in document nr. 61/IX/81 van de Commissie neergelegde beginselen moeten worden ingedeeld in rang C 3.
Verzoekster Lacourt — zaak 140/83 — werd na haar indiensttreding bij de Associatie op 12 november 1972 ter beschikking gesteld van DG VIII in graad 33, salaristrap 3, die overeenkomt met rang C 3, salaristrap 3, van de Commissie. Op 30 juni 1981 had zij graad 33, salaristrap 8 bereikt, die overeenkomt met rang C 3, salaristrap 8. Bij het aan verzoekster overhandigd besluit van 8 juli 1982 werd zij met ingang van 1 juli 1982 als ambtenaar op proef aangesteld in rang C 4, salaristrap 3, en na afloop van haar proeftijd werd zij in dezelfde rang in vaste dienst benoemd. Op grond hiervan stelt verzoekster dat zij op 1 juli 1982 in de volgende situatie verkeerde: zij had een beroepservaring van meer dan tien jaar, waarvan acht jaar in dienst van de Europese Gemeenschappen. In verband met de zeer lovende beoordeling aan het einde van de proeftijd op 22 november 1982, met haar loopbaan, haar opleiding en haar talenkennis, had zij de door de Commissie overeenkomstig de in document nr. 61/IX/81 van de Commissie neergelegde beginselen moeten worden ingedeeld in rang C 3.
Verzoeker Appelbaum — zaak 119/83 — die in 1964 bij de Associatie in dienst was getreden, werd tot augustus 1977 eerst in Boeroendi en vervolgens in Kameroen tewerkgesteld. Op 1 september 1977 werd hij naar Brussel overgeplaatst en ter beschikking gesteld van DG VIII, sector technisch beheer van alle door de Gemeenschap gefinancierde projecten inzake vervoer over land.
Op 25 juni 1981 werd hem een 1 juli daaraanvolgend ingaande, voor een jaar gesloten overeenkomst als tijdelijk functionaris aangeboden, in het ambt waarvan hij de werkzaamheden sinds 1 september 1977 had uitgeoefend. Op dat ogenblik bekleedde hij bij de Associatie de rang IV/8, corresponderend met de rang B 1, salaristrap 4, bij de Commissie.
Bij besluit van 30 juni 1982 werd hij per 1 juli daaraanvolgend aangesteld als ambtenaar op proef in de rang B 2, salaristrap 3. Bij besluit van 16 mei 1983, werd hij per 1 april daaraanvolgend met dezelfde indeling benoemd in vaste dienst.
Dienovereenkomstig houdt verzoeker staande, dat hij op 1 juli 1982 in de volgende situatie verkeerde: hij bezat een beroepservaring van 21 jaar als ingenieur, waarvan achttien jaar in dienst van de Europese Gemeenschappen; gedurende tien jaar oefende hij functies uit van categorie A; hij was houder van een universitair diploma dat voor ambten van categorie B niet is vereist; en zijn laatste indeling bij de Associatie was in de rang B 1, salaristrap 4. Hij concludeert daaruit, dat hij door de Commissie in de rang B 1, salaristrap 5, of toch zeker in de rang B 1, salaristrap 4 had moeten worden ingedeeld.
Voor de duidelijkheid geef ik verzoekers posities nog schematisch weer als volgt:
Zaak nr.
Datum aanstelling Associatie
Klassering
Equivalentie niveau vo. 3332/82
Niveau (30. 6. 81) eindrang Associatie
Equivalentie niveau vo. 3332/82
Aanstelling 1.7.82 ambtenaren op proef niveau
Eist op basis van Cie-besluit 61/IX/81 aanstelling
66/83
21.12.70
15/4
A 5/4
15/8
A 5/8
Bl/3
A 4/4
67/83
7.1.74
32/6
C 2/6
31/5
Cl/5
C 4/3
Cl
68/83
(eind 74) 18.2.75 ter besch. DG VIII
15/4
A 5/4
15/7
A 5/7
A 5/3
A 4/4
136/83
1.4.71
22/3
B 2/3
16/5
A 6/6
A 6/3
A 5
137/83
13.7.75
32/3
C 2/3
32/6
C 2/6
C 4/3
C 3
138/83
1.4.72
33/2
C 3/6
33/6
C 3/6
C 4/3
C 3
139/83
10.10.74
32/3
C 2/3
32/6
C 2/6
C4/3
C 3
140/83
12.11.72
33/3
C 3/3
33/8
C 3/8
C 4/3
C 3
119/83
(1964— “outremer”) 1.9.77 ter besch. DG VIII
IV/8
Bl/4
IV/8
Bl/4
B 2/3
B 1/5 of B 1/4
V.3. Conclusies van verzoekers
In de zaken 66-68/83 en 136-140/83 wordt Uw Hof verzocht:
1)
Te verklaren dat verzoekers geacht moeten worden in dienst van de Commissie te zijn sedert de datum van hun met de Associatie gesloten overeenkomsten:
zaak 66/83: Hattet vanaf 21 december 1970
zaak 67/83: Gérard vanaf 7 januari 1974
zaak 68/83: de Szy-Tarrisse vanaf 18 februari 1975
zaak 136/83: Dona vanaf 1 april 1971
zaak 137/83: Delbaere vanaf 13 juli 1975
zaak 138/83: Feyaerts vanaf 1 april 1972
zaak 139/83: Textier vanaf 1 oktober 1974
zaak 140/83: Lacourt vanaf 12 november 1972;
2)
nietig en van onwaarde te verklaren de maatregelen, alle gezamenlijk en elk afzonderlijk, die zijn genomen tijdens de procedure voorafgaande aan verzoekers aanstelling als ambtenaar op proef, alsmede deze aanstelling zelf, doch slechts voor zover zij indeling in een lagere rang en/of salaristrap inhoudt;
3)
te verklaren dat verweerster verplicht is verzoekers opnieuw in te delen op basis van de door de wederpartij zelf in document nr. 61/IX/81 vastgestelde beginselen, het betreft met name de volgende indelingen :
in zaak 66/83: Hattet in rang A 4, salaristrap 4;
in zaak 67/83: Gérard in rang C 1;
in zaak 68/83: de Szy-Tarrisse in rang A 4, salaristrap 4;
in zaak 136/83: Dona in rang A 5;
in zaak 137/83: Delbaere in rang C 3;
in zaak 138/83: Feyaerts in rang C 3;
in zaak 139/83: Textier in rang C 3;
in zaak 140/83: Lacourt in rang C 3;
4)
ingeval van gedeeltelijke nietigverklaring, zoals gevorderd onder conclusie nr. 2) hiervoor, voor zover nodig aan te geven dat deze nietigverklaring terugwerkende kracht heeft tot de datum van aanstelling van verzoekers bij de Europese Associatie voor Samenwerking;
5)
gebruik makend van zijn volledige rechtsmacht voor recht te verklaren, dat verweerster aan verzoekers, hetzij sedert hun aanstelling bij de Europese Associatie voor Samenwerking, hetzij sedert hun ontslag bij deze Associatie, verschuldigd is het verschil tussen de bezoldiging en de voordelen die verzoekers hadden moeten houden en die welke zij hebben gekregen, dan wel onder voorbehoud van wijziging tijdens het geding, het bedrag van één Belgische frank;
6)
t/m 11) subsidiair, verweerster te gelasten, verschillende stukken over te leggen.
In de zaak 119/83, Appelbaum, wordt Uw Hof met name verzocht:
1)
te vernietigen de indeling in rang B 2, salaristrap 3, in het aanstellingsbesluit van 30 juni 1982 tot ambtenaar op proef, alsmede in het besluit van 16 mei 1983 tot aanstelling tot vast ambtenaar;
2)
te verklaren dat verzoeker in de rang B 1, salaristrap 5 of ten minste salaristrap 4, met anciënniteit vanaf 1 maart 1980, dient te worden geklasseerd.
V.4. De ontvankelijkheid van de beroepen
In de zaken 66-68/83 en 136-140/83 heeft de Commissie een drietal ontvankelijkheidsproblemen opgeworpen, waarvan zij er later één heeft laten vallen.
Ten eerste stelt zij dat de aangevallen handelingen niet bezwarend zijn omdat verzoekers ze vrijwillig zijn aangegaan. Dit onderdeel van haar betoog dient Uw Hof mijns inziens te verwerpen. Het begrip bezwarend in de zin van artikel 90 Statuut heeft U steeds opgevat als iedere handeling welke op een bepaalde rechtspositie rechtstreeks van invloed kan zijn (onder meer zaak 5/74, Reinartz/Commissie, Jurispr. 1974, blz. 819). Een benoeming tot ambtenaar op proef voldoet daar zeker aan. Het criterium van vrijwilligheid, voor zover zich dat in casu al voor zou doen, is daarvoor niet van belang.
Ten tweede meende de Commissie in haar memorie van antwoord dat een nietigheidsverklaring van de indeling los van de benoeming niet ontvankelijk was. In dupliek wijzigde zij haar mening en achtte zij een dergelijk verzoek wel mogelijk. Dit onderdeel kan dus als vervallen worden beschouwd.
Ten derde meende de Commissie dat de beroepen te laat zijn ingesteld. Naar haar mening is de indeling als ambtenaar op proef, en daarna als ambtenaar, louter een bevestiging van de aanstelling als tijdelijk ambtenaar. Het beroep had dan ook daartegen moeten worden ingesteld.
Ik wijs er eerst op dat de Commissie deze derde exceptie ook in de zaak 119/83, Appelbaum, in haar memorie van antwoord heeft opgeworpen. In dupliek in die zaak heeft zij dit middel daar laten vallen, omdat de kennisgeving van de indelingscriteria van de Commissie aan haar personeel, bij uitzondering het instellen van beroepen naar aanleiding van indelingen op basis van die criteria toestond tot 21 oktober 1983. Ik meen dat de Commissie om dezelfde reden deze zelfde exceptie in de zaken 66-68/83 en 136-140/83 had moeten laten vallen. Voorts is de aanstelling tot ambtenaar op proef, hoewel met dezelfde klassering als tijdelijd ambtenaar, een zelfstandig besluit in de zin van artikel 90 Statuut, in de meeste gevallen gevolgd na een vergelijkend onderzoek. Hiertegen dient dan ook beroep te kunnen worden aangetekend. De Commissie geeft zelf toe dat bepaalde tijdelijke ambtenaren niet zijn benoemd tot ambtenaren op proef.
Het verzoek van de Commissie, de onderhavige beroepen niet ontvankelijk te verklaren, dient derhalve naar mijn oordeel te worden verworpen.
V.5. De zaak ten gronde
V.5.1. Inleiding
De middelen van verzoekers in de zaken 66-68/83 en 136-140/83 alsmede in de zaak 119/83 zijn tot dezelfde, reeds hiervoor aangegeven, drie hoofdvragen te herleiden. Ik zal deze dan ook voor allen op gelijke wijze behandelen, tenzij individualisering noodzakelijk is.
De drie argumenten die hierna aan de orde komen, zijn:
1)
de Associatie is een fictie en hun personeelsleden waren reeds als ambtenaar in dienst van de Commissie;
2)
schending van het gelijkheidsbeginsel, voor zover de personeelsleden onder Speciaal Contract bij hun overgang tot ambtenaar van de Commissie anders zijn behandeld dan ambtenaren van de zetel;
3)
schending van het indelingsbesluit van de Commissie, document nr. 61/IX/81.
V.5.2.1. Het eerste middel
Het eerste middel houdt in dat de Commissie verzoekers had aangesteld onder de dekmantel van de Associatie, terwijl deze slechts een juridische fictie was. Voor verzoekers volgt hieruit dat zowel de aanstelling bij de Associatie als het sluiten van de overeenkomst tot aanstelling als tijdelijk functionaris eveneens ficties waren en dat ervan moet worden uitgegaan dat verzoekers in werkelijkheid ambtenaren of functionarissen sui generis van de Commissie zijn sedert de datum van hun aanstelling bij de Associatie. De door de Associatie aan verzoekers toegekende graden en salaristrappen waren derhalve verkregen rechten. Bovendien verwijzen verzoekers naar de argumenten die zij ter zake naar voren hebben gebracht in de gevoegde zaken 87, 130/77 en 22/83.
Voor de verwerping van deze stelling verwijs ik naar wat ik hiervoor daarover reeds heb opgemerkt.
Onder dit middel behandel ik echter ook nog een aantal andere argumenten die hiermede nauw samenhangen. Verzoekers stellen dat de Commissie de artikelen 102 en 25 van het Statuut en Bijlage IX daarvan ter zake van de tuchtprocedure heeft geschonden, door hen lager aan te stellen dan hun inschaling bij de Associatie.
Ten eerste merk ik daarover op dat de gestelde schendingen alleen kunnen plaatsvinden indien verzoekers vóór hun aanstelling als ambtenaar ook onder het Statuut vielen. Deze stelling heb ik nu juist verworpen. Verzoekers zijn overgegaan van een contractuele relatie met de Associatie naar een statutaire relatie met de Commissie. Deze argumenten moeten derhalve worden verworpen. Ten aanzien van artikel 102 merk ik nog op dat dit artikel op de overgang van verzoekers niet van toepassing kon zijn, daar het betrekking heeft op „het personeelslid dat bij de inwerkingtreding van dit Statuut een vast ambt bekleedt bij een instelling van de Gemeenschappen...”. Dit artikel betrof de toenmalige inwerkingtreding van het Statuut, alsmede personeelsleden van een instelling die een vast ambt bekleedden. Verzoekers voldoen niet aan deze voorwaarden nu zij contractuele personeelsleden van de Associatie waren.
Ook hebben verzoekers nog heel in het algemeen gesteld dat de bepalingen van het Statuut ter zake van de vergelijkende onderzoeken zijn geschonden. Dit is echter niet verder uitgewerkt. Derhalve kunt U daarover geen oordeel uitspreken en dient het te worden verworpen.
V.5.2.2. Het tweede middel
Verzoekers achten het gelijkheidsbeginsel op tweeërlei wijze geschonden.
In de eerste plaats menen zij te zijn gediscrimineerd ten aanzien van collega's die in een hogere rang en/of salaristrap zijn ingedeeld, terwijl geen objectieve overweging dit verschil in behandeling rechtvaardigt. Aangezien dit onderdeel door verzoekers niet voldoende is uitgewerkt, kan het niet nader worden onderzocht. De indeling is, volgens de Commissie, bovendien gebaseerd op de door haarzelf vastgestelde regels voor elk individueel geval. Het middel dient dan ook, naar mijn oordeel, te worden verworpen.
In de tweede plaats menen verzoekers dat zij gediscrimineerd zijn bij hun aanstelling ten opzichte van het personeel van de zetel. Voor deze laatsten heeft de Raad uitdrukkelijk de verordening nr. 3332/82 tot invoering van bijzondere overgangsmaatregelen voor hun aanstelling vastgesteld. Volgens artikel 3 van die verordening zijn de aanstellingen van betrokkenen gebaseerd op een bijgevoegde equivalentietabel. Voorts wordt de anciënniteit in de salaristrap bepaald op die welke betrokkenen bij de Associatie hadden verworven. Onbetwist staat vast dat verzoekers lager zijn ingeschaald dan op grond van de equivalentietabel van verordening nr. 3332/82 het geval zou zijn geweest. De Commissie heeft ook uitdrukkelijk toegegeven dat de personeelsleden van de zetel beter zijn behandeld dan verzoekers. Zij meent echter dat deze gunstiger behandeling niet onwettig is, daar de positie van beide verschillend is.
Verzoekers stellen daarentegen dat hun positie gelijk is aan die van de personeelsleden van de zetel. Beide zijn door de Associatie aangeworven op arbeidscontract. Het personeel van de zetel had gewerkt in de zetel van de Associatie, dat wil zeggen in de lokalen van de Commissie, verzoekers waren ter beschikking gesteld van DG VIII en deden hetzelfde werk als de ambtenaren van DG VIII. Ook al is verordening nr. 3332/82 van de Raad niet op verzoekers van toepassing, dit formele verschil ontsloeg de Commissie niet van de plicht net zo te handelen ten aanzien van verzoekers, hetgeen door de begrotingsautoriteiten was gevraagd.
De Commissie stelt dat het verschil in behandeling niet onwettig is, daar beide groepen personeelsleden zich in verschillende rechtsposities bevonden. Hoewel beide groepen bij speciale overeenkomst waren aangesteld, was het personeel van de zetel aangesteld voor onbepaalde tijd met een proefperiode, terwijl verzoekers voor bepaalde tijd waren aangesteld. Vervolgens werden de arbeidsvoorwaarden voor de twee categorieën personeel bepaald door twee totaal verschillende documenten: voor de personeelsleden van de zetel door het Administratief en Financieel Reglement, maar voor de personeelsleden onder Speciaal Contract door de bijzondere en algemene clausules in de speciale contracten. Ook de taken van beide waren verschillend, het personeel van de zetel hield zich bezig met het personeelsbeheer over de andere personeelsleden, dus met name hen die overzee werkzaam waren, terwijl die onder Speciaal Contract technische- en controlewerkzaamheden verrichtten in het Directoraatgeneraal VIII.
Wat de beweerde verplichting betreft om verzoekers, ondanks dat er geen gelijkaardige verordening als verordening nr. 3332/82 bestond, in vaste dienst te benoemen in de rangen en salaristrappen die zij hadden bij de Associatie, stelt de Commissie allereerst dat de begrotingsautoriteiten niet bevoegd waren om van de regels van het Statuut af te wijken. Bij gebreke van een verordening van de Raad, waarin ten gunste van verzoekers gelijke maatregelen waren getroffen als voor de personeelsleden van de zetel van de Associatie, kon zij geen maatregelen nemen die afweken van het Statuut. Hoewel ik deze acht, laat zij de vraag nog onbeantwoord of ook de gevraagde gelijkstelling bij de inschaling in strijd zou komen met het Statuut.
Voor de beoordeling van deze laatste vraag, die dus met name het verwijt van discriminatie bij de inschaling betreft, merk ik op dat de Commissie op zichzelf terecht op een aantal formele verschillen tussen de posities van beide categorieën heeft gewezen, zoals ten aanzien van de documenten waarin de arbeidsvoorwaarden zijn geregeld en de taken van beide. Wat de inhoud van het arbeidscontract betreft, is het verschil echter niet zo duidelijk, aangezien ook artikel 5 van de algemene clausules in de mogelijkheid van een proefperiode (van 3 maanden) voorziet. Voorts werden ook verzoekers niet alleen geacht, op basis van de hiervoor gereleveerde nationale wet, voor onbepaalde tijd te zijn aangetrokken, maar waren allen reeds voor meer dan zes jaar aan DG VIII ter beschikking gesteld. Rechtvaardigen de door de Commissie gereleveerde verschillen nu een verschil in de wijze van overgang tot ambtenaar van de Commissie ? Ik meen van niet. De door de Commissie aangevoerde verschillen zijn formeel gezien inderdaad juist. Inhoudelijk geven zij echter geen verklaring voor het verschil in inschalingsmethode. Waarom is voor de overgang van de personeelsleden van de zetel hun bereikte positie bij de Associatie uitgangspunt bij de indeling op basis van het Statuut volgens de equivalentietabel, terwijl voor verzoekers de gewone regels van het Statuut gelden ?
Volgens de zesde overweging van verordening nr. 3332/82 van de Raad waren overgangsmaatregelen nodig, aangezien „in de begroting van de Gemeenschappen voor het begrotingsjaar 1982 56 vaste ambten, verdeeld volgens rang, aan de Commissie zijn toegekend om die personeelsleden te kunnen aanwerven”. Een zelfde situatie deed zich voor ten aanzien van de personeelsleden onder Speciaal Contract, waarvoor in de begroting 1981 32 vaste ambten, verdeeld volgens rang, aan de Commissie waren toegekend. De Commissie heeft op geen enkele manier aangetoond noch geprobeerd aan te tonen dat het verschil in behandeling gerechtvaardigd is vanwege een inhoudelijk verschil in posities die verzoekers en personeelsleden van de zetel bij de Associatie hadden. De Commissie heeft integendeel het verschil in behandeling, op uitdrukkelijke vragen Uwerzijds tijdens de mondelinge behandeling, uitsluitend historisch verklaard. Zij achtte de overgang van de personeelsleden onder Speciaal Contract tot ambtenaren van de Commissie reeds in een vroegtijdig stadium opportuun vanwege hun positie en werkzaamheden temidden van ambtenaren van DG VIII. Toen de begrotingsautoriteit voor 1981 32 vaste posten, verdeeld naar rang, voor dit doel aan haar ter beschikking had gesteld, heeft zij dit op de hiervoor aangegeven wijze ten uitvoer gelegd. Zij meende, naar mijn oordeel terecht zoals ik hiervoor reeds uitsprak, dat zij niet kon afwijken van de statutaire bepalingen ter zake van aanwerving. De inschaling bleek echter meer moeilijkheden op te leveren dan verwacht was. Sommige personeelsleden werden beter en anderen, zoals verzoekers, slechter ingedeeld dan hun positie bij de Associatie. De Commissie heeft uitdrukkelijk gesteld dat zij om deze moeilijkheden te voorkomen in de latere fase, na oprichting van het Agentschap bij verordening nr. 3245/81 van 26 oktober 1981 door de Raad, besloot een voorstel voor een overgangsverordening met afwijkende bepalingen van het Statuut bij de Raad in te dienen voor de overgang van personeelsleden van de zetel, dat als uitgangspunt behoud van de verworven rang bij de Associatie had. De uitwerking daarvan is met name neergelegd in artikel 3 van verordening nr. 3332/82 en de daarbij behorende equivalentietabel.
Gelet op deze uitleg en de verklaring van de Commissie dat de doelstelling van beide overgangsregelingen dezelfde was, namelijk zoveel mogelijk behoud van de verworven posities, acht ik het verschil in behandeling niet gerechtvaardigd. Volgens Uw rechtspraak is het in artikel 5, lid 3, van het Statuut neergelegde beginsel van gelijke behandeling van ambtenaren voor het Europese Ambtenarenrecht van wezenlijk belang (zie zaak 9/81, Williams tegen Rekenkamer, Jurispr. 1982, blz. 3301).
Op grond van het bovenstaande kom ik tot de conclusie dat de aanstelling van verzoekers strijdig is met het gelijkheidsbeginsel en derhalve dient te worden vernietigd.
Voor het geval dat U, anders dan ik, van mening mocht zijn dat er in casu geen sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel, kom ik nu aan het derde middel toe, dat inhoudt een onjuiste toepassing van het indelingsbesluit van de Commissie, document nr. 61/IX/81.
V.5.2.3. Het derde middel (schending van de regels, vervat in document nr. 61/IX/81 van de Commissie — besluit inzake de criteria voor de indeling in rang en salaristrap bij aanwerving)
Ik ben van oordeel dat het niet noodzakelijk is de individuele posities van verzoekers aan U voor te leggen, aangezien het middel tot een algemene stelling kan worden herleid, zoals ook de verdediging van de Commissie.
Verzoekers menen dat zij recht hebben op dezelfde indeling in rang bij hun aanstelling bij de Commissie als die welke zij hadden bij de Associatie. In sommige gevallen zou zelfs een hogere indeling gerechtvaardigd zijn op basis van het indelingsbesluit van de Commissie, vanwege hun ervaring, respectievelijk een indeling in de hoogste rang van een loopbaan.
De Commissie herhaalt nogmaals dat zij bij de indeling van verzoekers gebonden was aan de statutaire bepalingen en haar eigen indelingsregeling vanwege het ontbreken van een bijzondere overgangsregeling. Zij verwerpt, naar mijn oordeel terecht, dat zij haar indelingsbesluit heeft geschonden. Verzoekers bezetten allen een ambt overeenkomstig hun rang. Het niveau van het ambt blijkt uit de acaturemeldingen. Verzoekers kunnen derhalve geen aanspraak maken op een hogere rang dan in overeenstemming is met hun ambt.
Volgens artikel 2 van het indelingsbesluit worden kandidaten in de basisrang van een loopbaan benoemd ingeval er voldaan wordt aan een bepaalde ervaringsduur, afhankelijk van de rang. Een benoeming in de hoogste rang van een loopbaan staat echter ter discretie van het tot aanstelling bevoegde gezag, volgens artikel 3, ingeval van een uitzonderlijke situatie en indien aan een bepaalde ervaringsduur wordt voldaan. Verzoekers kunnen, vanwege de discretie van de administratie, geen recht op een dergelijke indeling doen gelden. Wel was de Commissie ingevolge Uw recente rechtspraak naar mijn oordeel binnen de grenzen van artikel 31, lid 2, van het Statuut bevoegd geweest tot een zodanige uitlegging van dit indelingsbesluit ten gunste van voormalige personeelsleden van de Associatie. Ik verwijs in dit verband naar Uw arrest in de zaken 129 en 274/82, Lux (13 december 1984, Jurispr. 1984, blz. 4127). Nu de Commissie van deze bevoegdheid echter geen gebruik heeft gemaakt, kunnen verzoekers aan het indelingsbesluit als zodanig geen rechten ontlenen.
Concluderend stel ik U voor dit middel als ongegrond te verwerpen.
VI. Eindconclusie
Op grond van het hieraan voorafgaande stel ik U voor de vijf te wijzen arresten de volgende conclusies voor:
1)
In de gevoegde zaken 87 en 130/77, Salerno en Ane cs.:
—
de hoofdzaak ontvankelijk te verklaren, maar als ongegrond te verwerpen.
2)
In de met de vorige zaken gevoegde zaak 22/83, Boissin c.s.:
—
het beroep ontvankelijk te verklaren, maar als ongegrond te verwerpen.
3)
In de afzonderlijke zaken 9 en 10/84, Boissin en Salerno:
—
het beroep ontvankelijk te verklaren ingeval U zaak 22/83 niet ontvankelijk heeft geoordeeld, maar als ongegrond te verwerpen.
4)
In de onderling gevoegde zaken 66-68/83 en 136-140/83, Hattet cs. en de daarmee niet gevoegde zaak 119/83, Appelbaum:
—
de beroepen ontvankelijk te verklaren;
—
de aanstellingsbesluiten van verzoekers als ambtenaren op proef en dientengevolge als ambtenaren in vaste dienst te vernietigen wegens strijd met het beginsel van gelijke behandeling in verband met de bijzondere overgangsregeling van personeelsleden van de zetel, doch dit alleen voor wat betreft hun rangindeling, respectievelijk salaristrap;
—
voor het overige als ongegrond te verwerpen.
Ten aanzien van de kostenverdeling stel ik U voor in de zaken genoemd onder nr. 1 tot en met 3 verzoekende partijen in hun kosten te veroordelen, overeenkomstig artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering.
Voor de zaken genoemd onder nr. 4 stel ik U voor de Commissie in de kosten te veroordelen.
Full & Egal Universal Law Academy